10 Mei 2023
Eerbiedwaardige Satoko Kitahara
Dierbare Vrienden,
De eerste sneeuw ligt op de hellingen van de Fujiberg (Japan). Satoko wordt het niet moe vanuit haar ligstoel naar deze vulkaan te kijken, die zich sneeuwwit aftekent tegen het azuurblauw van de hemel. Maar het jonge meisje verlangt er sterk naar dat de rust die de tuberculose haar oplegt, ten einde loopt. Zij wil terug naar Tokio, naar de voddenrapers van de Mierenstad… Voor de verpleegster die haar verzorgt, lijdt het geen twijfel dat het hart van dit meisje uit de hogere kringen bij de bewoners is van deze sloppenwijk in de hoofdstad.
Satoko Kitahara is op 22 augustus 1929 in Tokio geboren, in een aristocratische familie met een lange stamboom van shintoïstische priesters. In de shintogodsdienst is alles heilig, ook de harmonie van vele voorouderlijke tradities. Satoko’s vader werd onterfd omdat hij als oudste van de familie, de rol afwees die de eerstgeborene volgens deze traditie toekomt, een rol die hem zou belet hebben universitaire studies te doen. Hij deed hogere studies in Tokio, dat sinds 1866 hoofdstad is, en werd na de dood van zijn vader opnieuw in de familie opgenomen. Zijn vierde kind, Satoko, komt ter wereld in een periode waaarin hij een prestigieus doctoraat behaalt. Satoko is een meisje dat graag studeert en heeft blijkbaar veel aanleg voor piano, waarin zij carrière wil maken. Maar uit gehoorzaamheid aan haar vader, is zij bereid verder te studeren en dat terwijl de oorlog woedt. Vanaf haar vijftiende, wordt het meisje tewerkgesteld in een vliegtuigfabriek waar de werkomstandigheden zeer hard zijn. De eerste tekens van longtuberculose komen aan het licht. Zij verbergt ze zo veel mogelijk. Bovendien denken velen in de toenmalige Japanse samenleving dat ziekten een teken zijn van innerlijke disharmonie. Door de goede zorgen van haar moeder, verbetert Satoko’s gezondheid en in 1946 gaat zij voor apothekeres studeren.
Via de pers maakt Satoko kennis met de misdaden van de Japanse oorlog. Zij, voor wie het Japanse nationalisme samen met de voorouderlijke godsdienst, altijd in hoog aanzien stonden, is ervan ontdaan. Stilaan distantieert zij zich dan ook van de traditionele geloofsovertuigingen… In haar derde studiejaar, gaat het meisje met een vriendin naar Yokohama, de haven van Tokio, 30 km ten zuiden van de hoofdstad. Uit nieuwsgierigheid gaan zij samen een kleine katholieke kerk binnen en worden er door de gebedssfeer aangegrepen. In een zijkapel bemerken zij een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes. Door wat Satoko van kunst weet, legt zij haar vriendin uit dat het Maria is, de Moeder van Jezus Christus. Zij zal later vertellen: «Ik herinner mij nog steeds de eerste keer dat ik een katholieke kerk binnenging en het beeld van de Heilige Maagd zag… Ik werd onmiddellijk doordrongen van een vreemde aantrekkingskracht… Sinds mijn kindertijd kende ik zo een sterk verlangen naar zuiverheid dat ik niet kan verwoorden hoe het mij aantrok».
Heldere blik
In maart 1949, slaagt zij met glans in haar eindexamens en krijgt meerdere werkaanbiedingen, die zij echter afwijst: zij wil tijd om na te denken en innerlijke harmonie te vinden. In die tijd, schrijft mevrouw Kitahara haar dochter Choko in een katholieke school in, om haar de best mogelijke opvoeding te geven. De school wordt geleid door Spaanse zusters van de Congregatie van Onze-Lieve-Vrouw van Genade. Satoko gaat met hen mee naar de openingsceremonie van de lessen. In goed Japans zegt de overste in haar toespraak: «God heeft uw dochter in Zijn Voorzienigheid naar deze school gebracht…». Het woord “Voorzienigheid”, waarvan Satoko het gebruik onder christenen kende, doet haar diep nadenken. Enkele dagen later begeleidt zij haar zus naar het college en ontmoet één van de zusters met wie ze een kort gesprek heeft. De heldere blik van de zuster brengt een gelijkaardige reactie in haar teweeg als het Mariabeeld in Yokohama. Satoko is in de war en probeert zich te verstrooien met film en theater, zij besteedt zorg aan haar voorkomen en kleding… Doch enkele dagen later keert zij naar het instituut terug. De zuster die haar ontvangt, stelt haar voor catechese te volgen…
Deze zuster is zo wijs haar aan te raden de catechismus te studeren en niet alleen de Bijbel te lezen. Inderdaad, «de organische presentatie van het geloof is een onvermijdelijke vereiste. De Catechismus van de Katholieke Kerk, evenals het Compendium van dezelfde catechismus, bieden ons juist dit volledige kader van de christelijke Openbaring, die met geloof en dankbaarheid moeten opgenomen worden» (Benedictus XVI, Algemene audiëntie van 30 december 2009).
Het verlangen om te dienen
Satoko volgt de lessen met grote toewijding en gaat alle dagen om zes uur ’s morgens bij de zusters naar de Mis. Later zegt zij: «Na meerdere maanden catechese, was ik overtuigd de waarheid gevonden te hebben en vroeg ik gedoopt te worden. In Japan was het in de Kerk de gewoonte, catechumenen een heel jaar te doen wachten…, maar omwille van mijn diepe overtuiging werd ik op zondag 30 oktober onder de naam Elisabeth gedoopt, de dag waarop in dat jaar het feest van Christus Koning viel. Twee dagen later kreeg ik het Vormsel.» Het nieuws dat hun dochter tot een godsdienst was toegetreden die zij niet kenden, verontrust haar ouders. Maar haar vader die zich de pijnlijke confrontatie met zijn eigen vader herinnert, wil haar vrijheid niet dwarsbomen. Hij gaat het christendom en het leven van de heilige Elisabeth van Hongarije, patrones van zijn dochter, bestuderen, maar daar blijft het bij. Later zal hij zeggen, te begrijpen waarom Satoko deze heilige gekozen had: zij had een vurige ziel zoals zijn dochter en was franciscaanse derde ordelinge. Het was juist de spiritualiteit van de heilige Franciscus van Assisi, waar Satoko zich toen door aangetrokken voelde. In haar enthousiasme van neofiet, verlangt Satoko zich helemaal te geven aan de naastenliefde: «Sinds de dag van mijn Doopsel voel ik het levendig verlangen Hem te dienen. Ik heb mij aangesloten bij een groep vrouwen die regelmatig samenkomen in het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Genade. Wij bezochten meerdere weeshuizen en tekenden Bijbeltaferelen voor het catechismusonderricht van de kinderen. Desondanks voelde ik een diep gemis…» Zij stelt zich vragen over de roeping tot het religieuze leven en spreekt erover met de overste. Die nodigt haar uit voor een verblijf in het noviciaat van de zusters in Japan. Maar onverwacht verplicht een opstoot van tuberculose haar tot volledige rust.
Rond die tijd is haar vader, die zich tot het uiterste inzet voor de bevordering van hogere landbouwstudies in Japan, het slachtoffer van een ernstig bewustzijnsverlies. Zijn oudste dochter, Kazuko, stelt haar ouders voor bij haar te komen wonen, aan de andere kant van Tokio, bij de Sumidarivier. De verhuis heeft plaats in september 1950 en Satoko volgt haar familie naar het nieuw verblijf. Daar maakt zij kennis met Broeder Zeno Zebrowski, een Pools franciscaans missionaris, die in 1931 met de heilige Maximiliaan Kolbe in Nagasaki aankwam, om in Japan de “Militie van de Onbevlekte” te stichten. Broeder Zeno ging naar de meest armen, meer bepaald naar de inwoners van een sloppenwijk in de voorstad van Tokio, waar extreme armoede heerst. Deze armen werden voddenrapers, een bijzonder geminacht beroep in het oog van Japanners die eigendom hoogachten. Gelegen op een terrein van de gemeente, heeft deze sloppenwijk haar ontstaan te danken aan een failliete ondernemer, Ozawa geheten, die de voddenrapers een vergoeding geeft voor vodden, papier en ijzer per gewicht. Getroffen door het groot aantal daklozen sinds de oorlog, bracht Ozawa er enkelen bijeen, leidde hen op voor het werk van voddenraper en de bouw van barakken bij de stortplaatsen. Om een minimale wettelijke erkenning te krijgen, raadpleegde hij een juridisch kantoor waar hij Matsui ontmoette. Deze schrijver en dichter met een opleiding in de rechten, bracht het grootste deel van de oorlog door in Taiwan. Na de nederlaag keerde hij terug naar Japan, en overtuigd door Ozawa en de gemeenschap van de voddenrapers, die hij “de Mierenstad” noemt, gaat hij hen helpen. «Zijn Ozawa en Matsui christenen?» vraagt Satoko. «Nee, antwoordt de franciscaan. Matsui is een verbitterd intellectueel, geloof ik, die in het boeddhisme en het christendom een antwoord op zijn opstandigheid zocht maar niet gevonden heeft.»
«Niemand houdt van de voddenrapers»
De Broeder geeft de jonge vrouw een levensbeschrijving van Pater Kolbe en een Japans nummer van het tijdschrift Ridder van de Onbevlekte. Na het gelezen te hebben, neemt Satoko het besluit zich toe te wijden aan het Onbevlekt Hart van Maria. Daarop engageert zij zich voor de meest armen in de gemeenschap van de voddenrapers. Zij zal schrijven: «Broeder Zeno heeft een Japan ontdekt waarvan ik niet wist dat het bestond… Duizenden mensen lijden een leven in totale armoede en sommigen van hen leven minder dan een kilometer van waar ik woon. Ik leefde in een welstellende en gecultiveerde wereld, maar deze buitenlandse Broeder gaf zich heel nederig en helemaal, zonder enige bekommernis om zichzelf, over aan het echte leven in die pijnlijke wereld.» Satoko valt weldra op door haar toewijding, weldadigheid, constante vreugde en godsdienstijver. Men zegt dat zij de glimlach en de engel van de voddenrapers geworden is. Zij werkt mee aan een kerstfeest en wijdt zich bijzonder aan de kinderen, onder wie velen wees zijn. Op een dag vraagt zij aan één van hen of hij naar school gaat: «Het is lang geleden, antwoordt hij, dat wij nog naar school geweest zijn. Niemand houdt van de voddenrapers. En van zodra iets gestolen wordt, worden wij ervan beschuldigd». Satoko wordt dan onderwijzeres. Wanneer iemand van de kinderen voldoende geleerd heeft, schrijft zij het in een plaatselijke school in en ziet erop toe dat de taken altijd goed gemaakt worden. Zij waakt ook over de hygiëne en netheid van haar leerlingen, om de minachting van hun klasgenoten en de opmerkingen van de schooldirecteurs te vermijden. Haar ouders waarderen haar nieuwe bezigheden echter niet. Haar vader waarschuwt haar voor het gevaar voor haar gezondheid, maar laat haar vrij in haar keuzes en stelt vast hoe gelukkig zij is. Op een dag ontdekken Satoko en Broeder Zeno daklozen die op het kerkhof wonen omdat zij overal worden weggejaagd. Meerderen van hen zijn verslaafd aan alcohol en begaan brutaliteiten. «Tegenover die nieuwe en voor mij nog vreemde wereld, voelde ik mij als een klein kind», zal zij schrijven.
Met Matsui schrijft Satoko vele krantenartikels om hun gemeenschap kenbaar te maken, vooroordelen uit de weg te ruimen en discriminatie te vermijden: zij willen duidelijk maken dat het eerlijke mensen zijn die hun kost verdienen met een heel apart werk, maar geen enkele wet overtreden. Op een dag is Matsui kwaad en reageert hij zijn woede tegen de christenen op Satoko af: «Als jullie oprechte volgelingen van Christus waren, zouden jullie arm zijn en het lijden van de armen ten volle delen… U, in uw verfijnd huis met twee verdiepingen, u begrijpt niets van de miserie van mensen die 365 dagen per jaar in ontbering leven!». Satoko staat sprakeloos. De man besluit: «Er werd gesproken over een kerk in de Mierenstad. Als u en uw soortgenoten dit plan nog altijd willen realiseren, is er een voorwaarde aan verbonden: die vindt u in de tweede Brief aan de Korintiërs».
Helemaal voddenraapster
Daags na Pasen, na een discussie met een Amerikaanse missionaris, sterk bevooroordeeld over de “mieren” en heel zelfzeker, krijgt Satoko hevige koorts. Haar tuberculose die meerdere jaren onderdrukt bleef, breekt in alle hevigheid uit. Zij is dus gedwongen tot afzondering en totale rust. De kinderen komen regelmatig horen hoe het met haar gaat. Zij hoort hun stem, maar lijdt eronder dat ze niets voor hen kan doen. Zij voelt zich door iedereen verlaten en gaat als het ware door een geestelijke nacht, waarin zij meent voor niets meer te dienen en voor haar dierbaren slechts een last te zijn. Haar rozenhoedje blijft echter haar troost. Op een morgen lijkt de genade die zij bij Onze-Lieve-Vrouw van Yokohama had ontvangen, echter te ontluiken: zij geeft zich over aan de wil van God. Enkele dagen later wordt haar temperatuur terug normaal. «Na een maand op mijn kamer, voelde ik mij vrij… De Sumidarivier kabbelde zacht op het ritme van mijn trage stap… Plots bemerkte ik een voddenraper die in een vuilbak zocht… Vóór mijn ontmoeting met Broeder Zeno, zou ik er niet zonder droefheid en een bedrukt hart hebben naar kunnen kijken. Nu keek ik met bewondering naar de berusting op dat gelaat en voelde mij medeplichtig.» Zij had namelijk lang gemediteerd over de tweede Brief van de heilige Paulus aan de Korintiërs: Hoe Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij rijk zou worden door zijn armoede (2 Kor 8,9). Zij neemt ook de beslissing om zelf voddenraapster te worden, om het leven van haar vrienden ten volle te delen.
Eén van de grotere jongens kondigt haar aan dat hij de Mierenstad met zijn vader weldra gaat verlaten… Zij geeft hem als afscheidsgeschenk een Nieuw Testament. «Ik wil een goede voddenraapster worden, zegt zij hem. – Hoe? U, voddenraapster? – Maar ja!» Enkele dagen later doet zij in het gezelschap van een troep kinderen, de ronde van de vuilbakken. Haar eerste uitstappen wekken ergernis: de dochter van professor Kitahara is bij de voddenrapers! Matsui staat met open mond en Ozawa heeft tranen in de ogen. Terwijl zij mee aan het sorteren is, komen beiden langs: «Ik zie dat uw ziekte u de ogen heeft geopend! – Inderdaad! Vanaf vandaag ben ik voddenraapster!». De kinderen die het gesprek volgden, klappen blij in de handen… Nu zij voortaan helemaal bij hen hoort, wordt zij ook helemaal door deze armen aanvaard. Nu moet deze beslissing nog meegedeeld worden aan haar familie: «Met besliste stem kondigde ik mijn ouders aan: in deze laatste, eenzame maand op mijn kamer, heb ik eindelijk duidelijk beseft dat ik één van hen moest worden, om de voddenrapers van de Stad waarachtig te helpen». Zij zal schrijven: «De eerste keer dat ik alleen een kar voorttrok, voelde ik mij vernederd. De blik van een voorbijganger verdubbelde mijn verlegenheid. Beschaamd over mezelf, bad ik tot de Maagd Maria. Ik wou afval rapen als een blije dienares van de Heer… Wanneer ik het deksel van een vuilbak oplichtte en verkoopbare dingen vond, smaakte ik het genoegen dat voddenrapers dan kunnen hebben. Bovendien was ik zo gelukkig omdat ik door het moeilijkste heen was.» Zij leert anderen vodden sorteren, de beste te wassen en er degelijke kleren van te maken…
«Het Lourdes van de mieren»
Met Pinksteren gaat Satoko terug naar de Stad. Zij ziet verbaasd dat vele voddenrapers een gebouw optrekken: «U zult uw kerk spoedig hebben!» roept Matsui haar toe en terwijl hij een groot kruis opricht: «dat is voor boven op het dak!». Eigenlijk is het voor hem ook een berekening: de sloppenwijk wordt door het gemeentebestuur met afbraak bedreigd om de plaats zijn oorspronkelijke bestemming als gemeentepark terug te geven. Het zou een godsdienstig gebouw – wat op een georganiseerd leven wijst – nooit durven slopen, noch de Mierenstad wegvegen. Het gelijkvloers van het gebouw zal eetzaal worden waar de voddenrapers kunnen samenkomen en de verdieping zal dienen voor klas en kapel. Hier komt een Mariabeeld, waarvoor Broeder Zeno zal zorgen. De kapel zal door de kinderen “het Lourdes van de mieren” (Lourdes of Ants) genoemd worden… Geleidelijk aan worden riolen, stromend water en een publiek badhuis aangelegd. Het zijn Satoko’s ideeën en Ozawa keurt ze goed. De opbrengst van het werk van de voddenrapers maakt het mogelijk dat enkelen vakantie nemen in de bergen. Satoko stelt voor een deel van de winst te gebruiken om een centrum voor bejaarden in te richten.
De ziekte van Satoko is echter nog altijd aanwezig: begin december 1951 verplicht de dokter haar tot volledige rust. Grote droefheid treft de zieke en Broeder Zeno beijvert zich haar te bemoedigen: «Bid tot Maria, Zij helpt ons altijd!». Zij gaat dan zes maanden naar een sanatorium. Als zij op een dag hoort dat de Stad opnieuw wordt bedreigd, gaat zij echter naar Tokio, vastbesloten het lot van haar beschermelingen te delen… Maar zij moet zich verzorgen en trekt in bij haar ouders, waar zij vele uren besteedt aan het beantwoorden van brieven en het schrijven van een dagboek. Een ander jong meisje, dat artikels over haar werk gelezen heeft, is haar bij de kinderen komen vervangen. Wanneer Satoko haar ontmoet, is zij diep gekwetst en niet in staat een woord uit te brengen. Zij ervaart dat het leven in de Stad ook zonder haar doorgaat. Een nogal hardvochtig woord van Matsui, dat zij de wil van God moet doen, helpt haar om deze nieuwe situatie, die zij niet had voorzien, te aanvaarden.
«Dat zal niet nodig zijn»
De ziekte wordt erger. Satoko, die in afzondering is uit vrees voor besmetting, gaat een nieuwe nacht van de ziel in: haar leven was een mislukking, zij heeft niemand voor het Evangelie gewonnen… Doch, Ozawa is door haar voorbeeld getroffen. Als hij ziet hoe zij haar leven ten einde toe geeft, zegt hij Matsui dat hij eraan denkt christen te worden zoals zij… Hij was al beginnen twijfelen en valt nu uit het cynisme waarachter hij zich schuilde. Hij zegt tegen zijn baas dat ook hij gedoopt wil worden: «Door het leven van Satoko, dat bestaat uit liefde, vergeving en barmhartigheid, zijn mijn ogen eindelijk opengegaan». Zij schrijven zich allebei in voor catechismuslessen. Aan het bed van Satoko staan haar ouders en haar dokter. Deze stelt opnieuw voor van lucht te veranderen: waarom haar niet installeren in de Mierenstad waar zij zo van houdt, vragen zij zich af. De voddenrapers richten in een hoek van het magazijn een kamer in triplex in. Daar vindt zij haar glimlach terug, maar zij komt niet terug op krachten. «In bed heb ik niets anders te doen dan mijn eigen wil loslaten, denkt zij. Het is moeilijk werkloos te zijn terwijl iedereen werkt. Ik heb in elk geval alles aan de Heer gegeven wat ik bezat. Wat zou ik dan klagen over mijn ziekte en leed? Heeft Jezus Zijn kruis niet gedragen? Door mijn leven te aanvaarden zoals het is, kan ik werkelijk de dienstmaagd van de Heer zijn.» Toch kan ze opstaan, een beetje stappen en Matsui helpen bij de administratie. Haar vreugde is groot als men dichtbij haar kamer een grot maakt van Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes, en als meerderen in de Stad gedoopt worden, onder wie de twee verantwoordelijken.
In 1957 hoort Satoko dat er een nieuw plan is om de Stad af te breken. Matsui gaat naar de prefectuur met een petitie, opgesteld met de hulp van Satoko, die door haar werk bekend geworden is… Zij hoopt van de gemeente een ander terrein voor de Mierenstad te krijgen. In Tokio werd een stuk grond van de zee gewonnen. Er zijn 25 miljoen yen nodig om het te kopen. Satoko hangt in haar kamer een groot spandoek: “25 miljoen” en bidt onvermoeibaar. Met Kerstmis komen haar ouders naar de Stad en nemen deel aan het feest. De inspectie door een stadsfunctionaris verloopt positief. Wanneer een lid van de gemeenteraad in januari komt melden dat de prijs gezakt is, aarzelt Matsui niet om dit toe te schrijven aan de verdienste van Satoko: «Het is zo ver, het is ons gelukt dank zij uw gebed. U moet nog alleen uw genezing vragen zodat u de nieuwe Mierenstad op ons nieuwe terrein met ons kan inrichten». Het antwoord is simpel: «Dat zal niet nodig zijn. God heeft ons alles gegeven wat we Hem gevraagd hebben. Dat is genoeg». Op 22 januari 1958 ontvangt Satoko de laatste sacramenten en dooft ’s anderendaags vredig uit op de leeftijd van negenentwintig jaar. Op 23 januari 2015 erkende Paus Franciscus de heldhaftigheid van de deugden van Satoko. De Mierenstad verhuisde in 1960 naar het terrein dat in de baai van Tokio van de zee gewonnen werd. In 1951 stichtte Abbé Pierre in Frankrijk de Emmaüs-gemeenschappen. Eén van zijn medewerkers, Pater Robert Vallade, kwam naar Tokio en ontmoette Satoko die hem aanraadde het werk in Japan te vestigen. Na de dood van Satoko, sloot de Mierenstad zich bij de internationale Emmaüsorganisatie aan.
«De ergste discriminatie waaronder de armen lijden, is het gebrek aan geestelijke aandacht, schrijft Paus Franciscus. De overgrote meerderheid van de armen heeft een bijzondere openheid voor het geloof; ze hebben nood aan God en we mogen hen zijn vriendschap, zijn zegen, zijn Woord, de viering van de sacramenten en het voorstellen van een weg om te groeien en te rijpen in geloof, niet onthouden» (Evangelii gaudium, 24 november 2013, nr.200). Door het voorbeeld van een leerling van de heilige Franciscus en voor het katholiek geloof gewonnen, heeft Satoko Kitahara zelf alle menselijke voordelen laten vallen die zij had, om deze schat van het geloof, drager van het eeuwig Leven, in het bereik van de meest armen te stellen. Vragen wij haar ons te helpen om concreet van ons geloof te getuigen.












