Beato Tito Brandsma

16 Juni 2023

Zalige Titus Brandsma

Dierbare Vrienden,

«Pater Titus Brandsma is een bijna hedendaagse figuur die zich onderscheidt door zijn hoogstaande moraal, zei Paus Johannes Paulus II; een integere priester, professor aan de universiteit, kerkelijk consultant voor de katholieke pers, schrijver en journalist. Een leven geleefd voor Christus, tot aan de heldhaftige zelfopoffering voor de verdediging van de waarheid en het katholiek geloof, tegen de aanvallen van het totalitarisme, in de duistere periode van de inval van de nazi’s in Holland… Met onverschrokken moed en even grote onverstoorbaarheid in zijn zuivere ziel, heeft Pater Titus zijn beproeving getrotseerd, van de ene in de andere gevangenis te midden van de gruweldaden die op de gedetineerden werden gepleegd, en zijn getuigenis van Christus bezegelend met het hoogste offer in het concentratiekamp Dachau» (volgende dag van de zaligverklaring vóór de pelgrims; 4 november 1985).

Zalige Titus BrandsmaTitus Brandsma (vader) en zijn echtgenote, Tijtje Postma, zijn boeren in het Nederlandse Friesland (Noord-Nederland). Ze hebben al vier dochters wanneer op 23 februari 1881 een eerste jongen wordt geboren, die de volgende dag bij zijn Doop de naam Anno ontvangt. Als laatste volgt nog een broertje. In deze streek die overwegend protestants is, zijn zij fervente katholieken en gaan dagelijks naar de Mis en bidden iedere avond in het gezin. Vader is lid van de parochieraad en de gemeenteraad en koorleider tijdens de zondagsmis. In dit gezin zullen vijf roepingen opbloeien (drie bij de meisjes en twee bij de jongens).

Koninklijk livrei

Anno wordt broos van gezondheid geboren en zal het zijn hele leven blijven, maar zijn intelligentie en gevoeligheid zijn springlevend. Hij gaat naar school bij de Franciscanen, heeft een buitengewoon goed geheugen en wordt weldra de eerste van zijn klas. Hij lijdt echter regelmatig aan maagpijnen, hetgeen hem niet belet te gaan schaatsen als de Maas bevroren is. Heel vroeg voelt hij zich aangetrokken tot het religieuze leven. Bijzondere devotie voor Maria en gevoel voor gebed wekken zijn belangstelling voor de Karmelieten, en hij treedt toe tot hun klooster in Boxmeer. Daar heerst strenge discipline: de cellen van het noviciaat zijn slechts verwarmd door een kachel op de gang. Aan zijn ouders schrijft hij echter: «De Karmelitaanse geest heeft mij veroverd.» Op 22 september 1898 ontvangt hij het kloosterkleed, met de naam Broeder Titus. Het scapulier van Onze-Lieve-Vrouw van de Karmel is in zijn ogen als het uniform van de erewacht van Maria: «Noch een talisman, noch een amulet, maar een ereteken en een koninklijk livrei.» Hij legt zijn eerste geloften af op 3 oktober 1899. Zijn gezondheidstoestand verleent hem dispensatie voor bepaalde officies, met name het nachtofficie. Al voor zijn achttiende jaar stelt hij een anthologie samen van de werken van heilige Theresia van Avila van driehonderd pagina’s, dat zijn superieuren nuttig achten te publiceren.

In 1901 komt Pater Hubert Driessen, karmeliet en doctor in de Wijsbegeerte, uit Rome aan om aan het studieprogramma in de Vlaamse provincie een nieuw elan te geven. Broeder Titus doet zijn best om de studenten die moeite hebben met het begrijpen van de meester, te helpen, maar wordt na drie maanden overvallen door ernstige maagpijnen en moet enige tijd het bed houden. Weldra is Pater Driessen, benoemd tot Procureur-Generaal, weer terug in Rome. Na zijn eeuwige gelofte gaat Broeder Titus naar het klooster in Oss om daar Theologie te studeren. Op 17 juni 1905 wordt hij tot priester gewijd en vertrekt voor zijn studie naar Rome waar hij een doctoraat in de Wijsbegeerte behaalt in 1909… Hij wordt dan benoemd tot professor in de Wijsbegeerte en de Theologie in het klooster van Oss. Pater Hubert Driessen, inmiddels provinciaal voor de Nederlanden geworden, vertrouwt hem de leiding over het studieprogramma voor de Nederlandse karmelieten toe. Met zijn lage en enigszins eentonige stem slaagt Pater Titus erin de studenten ervan te overtuigen dat Wijsbegeerte en Theologie geen zuiver speculatieve wetenschappen zijn, maar dat zij een betere kennis van God mogelijk maken en het geestelijk leven voeden.

In 1916 begint hij aan de vertaling in het Nederlands van de werken van heilige Theresia van Avila. Als lid en secretaris van de Katholieke Bond van Friesland vertaalt hij in het Fries de Navolging van Christus, en zal een van de mede-oprichters worden van een leerstoel voor het Fries aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. In zijn dagelijks leven bewijst hij alle mogelijke diensten, geeft raad aan hen die hem raadplegen, corrigeert artikelen voor de publicatie, zoekt een huis voor daklozen. Na de Eerste Wereldoorlog stelt hij de weken voor de missie in, ter financiering van de werken van de karmelieten in Brazilië. Tijdens de zomer van 1921 preekt hij missies in Holland. Maar hij wordt geveld doormoeheid eningewandsbloedingen en hij moet het bed houden. Zijn moed en zijn wil te genezen stellen hem echter in staat zijn werkzaamheden vanaf de maand oktober te hervatten.

Pater Titus stelt zich edelmoedig kandidaat voor vertrek naar de karmelieten missie in Java, destijds een Nederlandse kolonie. Maar zijn superieuren zijn van oordeel dat zijn aanwezigheid nuttiger is in de Vlaamse provincie, vooral na zijn benoeming in 1923 als professor aan de nieuwe katholieke universiteit van Nijmegen. Daar moet alles georganiseerd worden, vanaf de bouw van een nieuw karmelietenklooster in de nabije omgeving – waarvan hij trouwens de eerst benoemde prior wordt – tot aan de ontvangst van de studenten. Hij roept jaarlijkse congressen in het leven om de universiteit en katholieke Vlaamse cultuur, tot in het buitenland, bekend te maken. Met hetzelfde elan als waarmee Paus Pius XI in 1925 het feest van Christus Koning instelde, draagt hij bij tot de oprichting in Oss van een reuzenbeeld van Christus Koning.

Ogen en oren in de ban

In 1926 neemt hij deel aan de beweging Apostolaat der Hereniging, met het oog op de hereniging van de Romeinse Kerk en de afgescheiden Oosterse Kerken, en dankzij hem wordt er een leerstoel in de Oosterse Theologie in Nijmegen opgericht. Hij betuigt ook zijn sympathie voor de vervolgde Armeniërs en staat in naastenliefde klaar voor alle niet-katholieke christenen. Zijn verantwoordelijkheden binnen de universiteit gaan samen met de zorg voor het secundair onderwijs en de oprichting van lycea. Er zijn meerdere bezoeken aan het ministerie van Onderwijs nodig om daarvoor de nodige overheidssubsidies te krijgen. In 1932 wordt hij voor drie jaar gekozen tot rector van de universiteit van Nijmegen en blijkt een uitstekende administrator te zijn, in staat om zeer delicate zaken te behandelen. Daags na zijn uittreden uit die functie, in 1935, keert hij rustig terug naar zijn lessen en apostolaten. Hij belast zich ook met de uitoefening van het ambt van biechtvader. Weldra wordt hij uitgenodigd om in de Verenigde Staten lezingen te verzorgen waarin hij blijk geeft van zijn belangstelling voor minderheden en voor de katholieke pers. Tijdens die reis verblijft hij in het klooster van Niagara Falls: de schoonheid en de weidse natuur dompelen hem onder in het mysterie van God de Schepper, en maken dat hij diens Liefde ziet, terwijl zijn ogen en oren in de ban zijn van de Niagara-watervallen.

Ondanks al die bezigheden bewaart Pater Titus een intens innerlijk leven. Hij doet zijn best om van al zijn daden een gebed en een lofzang te maken: «Het gebed, zo zegt hij, is leven en niet een oase in een woestijn.» Paus Benedictus XVI zal dezelfde gedachte nog uitdrukkelijker formuleren: «Het ware gebed bestaat uit het verenigen van onze wil met die van God. Dientengevolge betekent voor een christen bidden niet de werkelijkheid en de verantwoordelijkheden die deze inhoudt uit de weg gaan, maar deze tot het einde toe aanvaarden, door te vertrouwen op de trouwe en onuitputtelijke liefde van de Heer. Dierbare broeders en zusters, het gebed is geen bijzaak, geen toevallige keuze, maar een kwestie van leven of dood. Inderdaad kan alleen hij die bidt en zich met kinderlijke liefde toevertrouwt aan God, het eeuwig Leven dat God zelve is binnengaan.» (4 maart 2007).

Pater Titus schrijft: «Als iedere mens in de aanwezigheid van God zou willen leven en als wij allen in volledige afhankelijkheid van die aanwezigheid zouden leven, zou het licht van de Heer in ons zo fel branden dat wij nog alleen overeenkomstig zijn wetten zouden kunnen handelen. De mensen moeten God terugvinden en in zijn licht leven: dat wordt mystiek genoemd. De mystieke geest verzet zich niet tegen de natuur, juist in tegendeel: is het niet de roeping van de mens God te zien?» Daar hij veel gestudeerd heeft op de mystici, vooral die van zijn Orde en van zijn land, treedt hij op als de apostel van de spirituele theologie waarbij hij zich meer richt op de lering van de heiligen dan op de bovennatuurlijke verschijnselen. Ter gelegenheid van de zaligverklaring van de heilige Teresa van Lisieux in 1923 schrijft hij: «In het algemeen verwacht men iets bijzonders van een heilige, iets wat het alledaagse ontstijgt… In onze ogen is heiligheid echter zoiets prozaïsch en gewoons dat men van buiten af de heiligheid er niet van ziet. Maar dat is juist de ware heiligheid.» De armoede gaat hem ter harte: «Zonder de armoede is de religieuze mens slechts een farizeeër. Hier, in Nederland, meer dan elders, zijn we te veel gehecht aan allerlei dingen, en ingesteld op comfort.» Maar om goed te kunnen werken voorziet hij zich van een passende verwarming en van de boeken die hij nodig heeft. Zijn geestelijk leven maakt dat hij bovendien veel aandacht krijgt voor de anderen; hij kan een gast een sigaar of een kop koffie aanbieden en er zelf geen nemen.

Een krachtige stem

In 1933 komt Adolf Hitler in Duitsland aan de macht. Hij brengt een spectaculaire economische heropleving teweeg, maar vestigt tevens een dictatuur die berust op een uitzonderlijk schadelijke ideologie die wordt gekenmerkt door racisme. Pater Titus is een van de eersten die deze aan het licht brengt. Reeds in 1934 verbieden de bisschoppen van Holland in een herderlijk schrijven de katholieken propaganda te maken voor het nazisme. In 1935 verschijnt er in Amsterdam een werkje onder de titel: “Hollandse stem over de behandeling van de Joden in Duitsland”. Onder die stemmen bevond zich de krachtige stem van professor Brandsma. Deze stellingname van Pater Titus blijft niet onopgemerkt in Duitsland: in Berlijn publiceert een krant een beledigend artikel onder de titel “Die kwaadaardige professor”; ten gevolge van dit artikel komt er in Nijmegen een lastercampagne op gang waarin hij ervan wordt beschuldigd het communisme gunstig gezind te zijn. In 1937 veroordeelt Pius XI enkele dagen later het nazisme (Encycliek Mit Brennender Sorge) en het communisme (Encycliek Divini Redemptoris). De Paus ziet in het nazisme een apostasie en een verloochening van de enige Kerk van Christus.

Tijden zijn colleges Wijsbegeerte aarzelt Pater Titus niet heel de verdorvenheid van de nazi-ideologie aan te tonen die is voortgevloeid uit de filosofie van Nietzsche en gericht is op het streven naar macht. In zijn boek getiteld: “Spirituele reisroute van de Karmel”, schrijft hij: «Het neo-paganisme kan de liefde verwerpen, de geschiedenis leert ons dat wij ondanks alles overwinnaars zullen zijn van dit neo-paganisme door de liefde. Wij zullen de liefde niet loslaten. De liefde zal het hart van die heidenen voor ons terugwinnen. De natuur is sterker dan de filosofie. Ook al verwerpt en veroordeelt de filosofie de liefde en noemt haar zwakheid, zal het levende getuigenis van liefde altijd haar macht vernieuwen om het hart van de mensen te veroveren en te fascineren.» Pius XI verklaart: «De eerste, de meest vanzelfsprekende liefdegave van de Priester aan zijn medemensen is het dienen van de waarheid en wel van de gehele waarheid, de ontmaskering en het weerleggen van de dwaling, onverschillig in welke vorm, in welke vermomming, onder welke grime zij zich ook moge vertonen» (Mit Brennender Sorge, nr. 44).

In het aangezicht van de vervolging

In mei 1940 vallen de Duitse troepen Nederland binnen dat toch neutraal is in het Europese conflict. Een jaar later worden religieuzen en priesters het recht ontnomen leiding te geven aan scholen. De aartsbisschop van Utrecht vraagt dan aan Titus Brandsma, als voorzitter van de Bond van katholieke scholen, tussenbeide te komen op het ministerie, ten gunste van de vrijheid van onderwijs. Deze krijgt toezeggingen die niet worden nagekomen. In augustus 1941 worden de katholieke scholen gesommeerd joodse leerlingen uit te wijzen. Titus verklaart: «De Kerk maakt geen enkel onderscheid naar ras en volk. Wij mogen die kinderen op onze scholen niet weigeren.» De katholieke pers is eveneens een onderwerp van conflict met de bezetter. Titus die in 1935 was benoemd tot kerkelijk raadsman voor de katholieke journalisten verklaart dat de gewetensvrijheid gerespecteerd dient te worden. Op 18 december deelt het ministerie van propaganda de Hollandse pers mede dat het haar verboden is opname te weigeren van artikelen die afkomstig zijn van de nationaalsocialistische beweging. Op 31 december schrijft Titus een brief aan de katholieke journalisten om ze aan te manen dat verbod in de wind te slaan: de kranten die zouden accepteren die artikelen op te nemen zouden hun katholiek karakter verliezen. In een onderhoud raadt de aartsbisschop Pater Titus aan voorzichtig te zijn: «Ze zullen u gemakkelijker arresteren dan mij. – Dat weet ik, antwoordt de karmeliet, maar ik kan makkelijker handelen dan u.»

In januari 1942 maakt de Pater op verzoek van de aartsbisschop een reis door het land om de bisschoppen en de directeuren van katholieke kranten te ontmoeten en hen ervan te overtuigen de richtlijnen in zijn brief van de vorige maand in praktijk te brengen. Op 15 januari leggen de Duitse autoriteiten alle kranten de verplichting op twee communiqués in twee dagen te publiceren. De 16e dreigt de aartsbisschop met sancties voor hen die de nazibeweging zouden steunen. De Gestapo volgt het behendig en vasthoudend verzet van Pater Titus, die kleine maar gevaarlijke kloosterling, op de voet. Op 19 januari melden zich twee bezoekers bij het klooster: het zijn agenten van de Gestapo die zijn gekomen om hem te arresteren. De Pater die terugkomt van een college, maar had voorzien dat hij gearresteerd kon worden, meldt zich bij hen: «Hier ben ik!» Ze vertellen hem dat ze hem moeten meenemen naar de trein van 18:30 naar Arnhem en beginnen minutieus zijn kamer te doorzoeken, waar ze niets compromitterends vinden. Wanneer de vertrektijd van de trein nadert, zegt de Pater uitdagend: «Heren, het is tijd! De Hollandse treinen zijn niet gewoon te laat te vertrekken, zelfs niet wanneer ze moeten wachten op Duitse politieagenten!» In het trappenhuis ontmoeten ze de directeur van de katholieke krant van Nijmegen die was gekomen om de Pater om raad te vragen: «Het spijt me zeer, maar ik kan u niet ontvangen: deze heren zijn mij komen arresteren… Laten we ons onderhoud maar uitstellen!» Wanneer ze het gebouw uitkomen staan ze voor de communauteit; de Pater vraagt de prior of hij naar buiten mag…

Een gevaarlijk element

Op 20 januari wordt hij overgebracht naar het politiek kwartier van de gevangenis van Scheveningen, in Nederland, en ondergaat zijn eerste verhoor. Bisschoppen hadden hem aangeraden alles aan hen toe te schrijven, maar dat heeft hij geweigerd. Pater Titus zet officier Hardegem uiteen hoe het geloof aan de zonen van de Kerk de kracht geeft alle offers te dragen. De officier concludeert dat de aartsbisschop en Pater Titus de voornaamste aanstichters zijn van het verzet tegen de richtlijnen van de partij. De volgende dag overhandigt de karmeliet zijn ondervragers een rapport over de onbekwaamheid van de Nederlandse nazipartij veel invloed uit te oefenen op de Nederlandse maatschappij, diep doordrongen als zij is van de christelijke cultuur. In de conclusie van de verschillende verhoren geeft de officier blijk van zijn bewondering voor de standvastigheid van de Pater, maar hij is van mening dat hij, tot aan de beslissing van de hogere autoriteiten, in de gevangenis moet blijven, als zijnde een gevaarlijk element voor de politiek van het Reich. Pater Titus blijft vijftig dagen in Scheveningen. Hij verandert zijn gevangeniscel in die van een kloosterling: ’s morgens bidt hij de Misgebeden, doet de spirituele Communie; daarna stil gebed en de Uren van het Brevier. Tijdens zijn periode van hechtenis schrijft hij zeven hoofdstukken van een biografie van heilige Theresia van Avila waarmee hij reeds was begonnen en die een van zijn medebroeders na zijn dood zal afmaken. Zich wendend tot de Heer, zegt hij: «Wanneer ik naar U kijk, o Jezus, begrijp ik dat U van mij houdt als van een van Uw dierbaarste vrienden!» En ook: «U, o Jezus, weest dicht bij me, ik ben nog nooit zo dicht bij U geweest. Blijft bij me. Blijft bij mij, lieve Jezus. Uw nabijheid maakt alle dingen goed.» Later zal hij bekennen: «Ik heb me zelden zo gelukkig gevoeld.»

Op 12 maart wordt hij overgebracht naar kamp Amersfoort, plaats van dwangarbeid: bijna tien uur werk per dag, bevroren aarde omspitten om het gereed te maken als schietterrein. Aan zijn medebroeders schrijft hij toch: «Ik heb de mogelijkheid in de open lucht te zitten en met kennissen te praten. Alles gaat goed voor mij; maken jullie je niet ongerust.»Omdat ze weinig te eten krijgen vermageren de gevangenen in snel tempo. De Pater heeft last van malaises en duizelingen; wanneer hij vervolgens dysenterie krijgt moet hij naar de ziekenafdeling. Hij vindt echter de kracht het moreel van de anderen op te vijzelen: hij wordt “oom Titus” genoemd en iedereen zoekt zijn gezelschap op. Hij maakt gebruik van een zekere verdraagzaamheid van de bewakers om op Goede Vrijdag een lezing te geven voor een honderdtal gedetineerden over de zin van lijden: «Jezus is ons voorbeeld; Hij is onze kracht; zijn leven, zijn Lijdensverhaal zijn ons voornaamste voorwerp van beschouwing.»

«In het lijden, zo merkt heilige Johannes Paulus II op, wist Pater Titus dat hij diep verbonden was met Christus.Dat heeft hem christelijke kalmte verleend tegenover zijn beulen en heeft hem de kracht gegeven met liefde te antwoorden op de haat die hij onderging. Zijn solidariteit met zijn medegevangenen en het geloof dat hij heeft doorleefd – dat hem zelfs aan het bidden zette voor zijn beulen – hebben licht en hoop verspreid onder allen die met hem de wreedheid en onmenselijkheid van het kamp meemaakten» (4 november 1985).

«Wij kunnen het niet toelaten!»

Op 28 april, wanneer hij weer terug is in Scheveningen, wordt hij opnieuw langdurig verhoord door Hardegem, die constateert dat de beproeving van de dwangarbeid zijn vastberadenheid niet aan het wankelen heeft gebracht. De officier zal het volgende vonnis uitspreken: Titus «is niet anti-Duits maar verzet zich tegen het nazisme en dat kunnen we niet toelaten». De Pater deelt zijn cel met twee jonge protestantse gedetineerden. In de loop van hun lange gesprekken vertelt hij hun van zijn roeping. Samen overpeinzen ze de Bijbel en bidden, voor hun vijanden inbegrepen. Een van hen is onder de indruk van de vreugde die Titus uitstraalt en bekent tegenover hem: «Wij beschouwen het als een prachtig iets Pater Brandsma als metgezel in de gevangenis te hebben gehad, zullen de twee gevangenen zeggen. Wij zijn ervan overtuigd dat het een buitengewone man was en dat hij nu in het paradijs is. Hij is gestorven als martelaar voor zijn geloof.» Op zaterdag 16 mei brengt men de Pater over naar Kleef, in Duitsland, in een gevangenis ter schifting van gedeporteerden. Het leven is er draaglijker. De gevangenen zijn niet veroordeeld te werken en genieten betrekkelijke rust. Er is een kapel waar Titus de Mis kan bijwonen en op zon- en feestdagen ter communie kan gaan. Waar hij het meest onder lijdt is dan de honger.Op 13 juni wordt hij ingedeeld bij een groep gevangenen die naar het concentratiekamp Dachau worden gestuurd. Iedere dag wordt hij tijdens de geforceerde marsen en vervolgens in het kamp door de bewakers geslagen. Over zijn beulen zal hij toch zeggen: «Zij zijn ook kinderen van God, en misschien is er iets in hen van overgebleven.» Omdat hij arbeidsgeschikt is verklaard, ondanks zijn staat van vermoeidheid, moet hij iedere dag twee uur marcheren en elf uur arbeid verrichten, voor de aanleg van een park. Op 12 juli schrijft hij echter aan de zijnen: «Ik maak het goed. Eens te meer pas ik me, met de hulp van God, aan.» Maar zijn krachten nemen af en het ritme begint hem zwaar te vallen, hetgeen hem komt te staan op nieuwe klappen, ondanks de bescherming van medegedetineerden. Hij brengt zevenendertig dagen door in Dachau waar hij vaak ter communie gaat, want de gevangen Duitse priesters vieren de Mis in het geheim. In vijf jaar tijd komen er in het kamp inderdaad 2600 geestelijken en 1600 zullen er sterven. Op 26 juli 1942 beëindigt een verpleegster het leven van Pater Titus door hem een injectie met carbolzuur toe te dienen.

Op 20 juli hadden de Hollandse katholieke bisschoppen een brief gepubliceerd waarin de nazivervolgingen van de Joden aan de kaak worden gesteld. De 27e verordonneert een decreet van de Rijkscommissaris voor Nederland: «Alle katholieke Joden zullen in de loop van deze week gedeporteerd worden.» Zo wordt Edith Stein gearresteerd en met haar zus en duizenden Joden naar het vernietigingskamp Auschwitz vervoerd, waar ze op 9 augustus in een gaskamer ter dood wordt gebracht…

Tijdens de zaligverklaring van Pater Titus verklaarde Paus Johannes Paulus II: «De zalige Titus Brandsma zei: “Ieder die de wereld wil winnen voor Christus moet de moed bezitten met de wereld in conflict te komen.” Hijzelf heeft op die manier geleefd en heeft er ons ook een voorbeeld van gegeven. U ook, hebt de moed u niet aan de wereld aan te passen, voor de liefde voor Christus, de verraderlijke verleidingen van de wereld te weerstaan en trouw alleen de wegen van God te volgen!» (Paus Franciscus heeft hem heilig verklaard op 15 mei 2022).

Generaal Gaston de Sonis

Eerbiedwaardige Satoko Kitahara

Heilige Junipero Serra

Zalige Laura Vicuña