Generale Gaston de Sonis

6 April 2023

Generaal Gaston de Sonis

Dierbare Vrienden,

Op 2 december 1870, voor het dorp Loigny (Eure-et-Loir), bij het vallen van de nacht, zijgt generaal Sonis ter aarde. Hij is gewond geraakt tijdens een beroemde aanval, aan het hoofd van pauselijke Zoeaven onder het vaandel van het Heilig Hart. Deze heldhaftige daad redt de legeronderdelen onder zijn bevel van een volledige nederlaag. De gewonde brengt de nacht door op het slagveld, bij een kou van twintig graden onder nul, gesterkt en getroost door Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes die hij in zijn geest voor zich ziet: «Dankzij Onze-Lieve-Vrouw, zo zal hij zeggen, zijn die uren, hoe lang ze ook waren, niet zonder vertroosting voorbijgegaan. Mijn leed werd toen zo weinig gevoeld dat ik er geen herinnering aan bewaar.» De generaal ontvangt de volgende dag om twaalf uur pas hulp.

Generaal Gaston de Sonis Afkomstig uit een familie van Gascogne, is Louis-Gaston de Sonis op 25 augustus 1825 geboren in Pointe-à-Pitre (Guadaloupe). Zijn vader, Jean-Baptiste, destijds infanterieluitenant, is gehuwd met Elisabeth Sylphide, geboren Bébian, jonge weduwe die reeds een dochter heeft; ze zullen vijf kinderen krijgen. De jonge Gaston groeit op in het klimaat van een liefdevol gezin. Hij is onder de indruk van de prachtig natuur: «Liggend achter in de kano…, was mijn hoofd gekeerd naar de schitterende sterrenhemel… Op dat moment onthulde God zich voor de eerste keer aan mijn ziel. Ik was waarschijnlijk een jaar of zes.» In september 1832 keert meneer de Sonis terug naar de metropool met Gaston, wiens moeder achterblijft om voor haar bejaarde vader te zorgen… «Ik omhelsde mijn geliefde moeder, zo zal Gaston zeggen, zonder te vermoeden dat het de laatste keer was.» Deze zou inderdaad sterven in Pointe-à-Pître in 1835. Gaston, die nooit terug zal keren naar Guadeloupe, doet zijn Eerste Communie op tienjarige leeftijd: «Ik heb altijd vast geloofd dat deze Eerste Communie de zegen van mijn leven was», zal hij later schrijven. Ingeschreven in het College van Juilly, van de paters Oratorianen, waar hij drie jaar doorbrengt, onderscheidt hij zich door zijn voorkomendheid, zijn vroomheid, zijn oprechte kameraadschappelijkheid en zijn verve. Ondanks een eerste echec, wordt Gaston toegelaten tot de militaire academie van Saint-Cyr. In september 1844, wordt zijn vader ernstig ziek. De jongeman wiens geloof is bekoeld, probeert een priester te beletten zijn vader te bezoeken, uit vrees dat deze de wil om te overleven zou verliezen. Maar dankzij zijn dochters kan de zieke de sacramenten ontvangen alvorens te sterven. Pater Poncet, een jezuïet, bemoedigt de kinderen. «Hij sprak zo met ons, geruime tijd, zal Gaston verhalen; elk woord van hem maakte indruk… Vanaf het begin had mijn hart zich wagenwijd geopend… Toen hij ons verliet had Jezus Christus bezitgenomen van mijn hart.»

Op Saint-Cyr moet de jongeman vechten om zijn geloof te behouden in een omgeving die veelal ongelovig is. In 1846 kiest hij de cavalerie van de rijmeesters van de militaire rijschool te Saumur. Rond die tijd is hij voor een eendaagse retraite in de abdij van Solesmes, kort tevoren gerestaureerd door Dom Guéranger. Hij heeft geen monastieke roeping, maar hij belooft de goddelijke Meester niets te weigeren: «Met God moet je niet marchanderen», zegt hij graag. In april 1848 wordt hij benoemd tot onderluitenant in het vijfde regiment van de Huzaren, in Castres. In Saumur had hij, niets wetende van de veroordeling ervan door de Kerk, kennis gemaakt met de vrijmetselarij, die men hem had voorgesteld als een liefdadigheidsvereniging. In Castres begrijpt hij hoe zeer die in strijd is met de christelijke Openbaring. Tijdens een bijeenkomst staat hij beleefd op en verklaart: «Ik kan niet langer in een vergadering blijven waarin de godsdienst die ik belijd wordt aangevallen… Ik heb me vergist, beschouwt u mij voortaan niet meer als een van de uwen.»

Een schat van goedheid

Hij maakt kennis met Anaïs Roger, met wie hij trouwt op 18 april 1849, in Castres. «Wij hadden echt maar één hart en één ziel, zal Anaïs schrijven. Dat van mijn dierbare Gaston was een schat van goedheid en liefde, een hart van een fijnbesnaarde gevoeligheid met een aller-mannelijkste en zeldzaam vastberaden ziel.» Weldra wordt Gaston overgeplaatst naar Bretagne, vervolgens naar Parijs. De jonge luitenant gaat helemaal op in de preken van Pater Lacordaire, dominicaan, in de Parijse kathedraal: «Ik kwam de Notre Dame uit, overweldigd door de liefde voor God en de Kerk.» In de maand oktober 1851 vestigt zijn gezin, dat dan twee kinderen telt, zich in Limoges. Gaston gaat iedere dag naar de Mis van vijf uur ’s ochtends. In de kerk legt hij vaak de kruisweg af. Hij schrijft zich in bij de Sint-Vincentius-a-Pauloconferenties en organiseert huzarencarrousels of kledinginzamelingen ten gunste van de armen.

In 1852 herstelt Lodewijk-Napoleon Bonaparte het keizerrijk en vraagt om de goedkeuring van het volk. Van het leger krijgt hij die, maar Sonis, die zich herinnert welke rol de prins heeft gespeeld in de opstand van de Romagnes tegen Pius IX, laat zich negatief uit, niet zonder gevaar voor zijn loopbaan: voor hem gaat de eer inderdaad uit boven het belang. Na de volksstemming betuigt hij echter zijn trouw aan de keizer. Met zijn echtgenote maakt hij tochtjes te paard. Op een dag wordt hij uit het zadel gelicht doordat hij plotseling moest uitwijken, hij valt op een versperring en raakt ernstig gewond in zijn lendenen. Hij ontvangt de laatste sacramenten; dankzij God en de goede zorgen van zijn echtgenote overleeft hij het. Getransformeerd door deze beproeving wordt zijn leven één lange dialoog met God, en krijgt veel meer aandacht voor anderen. In Limoges stelt hij de nachtelijke aanbidding van het Allerheiligste in. Wanneer hij in een salon een geïmproviseerde spiritistische seance bijwoont waar men een tafel laat draaien, weigert hij mee te doen en gaat in een hoek de krant zitten lezen. De tafel komt voortaan niet echt in beweging…

Zich het overtollige,

ja zelfs het noodzakelijke ontzeggen

Zijn geestelijk leven berust op een serieuze dosis discipline: «Hoewel militair, gehuwd en vader van een groot gezin, zo zal hij later zeggen, heb ik de wereld weinig gekend; ik heb afgezien van allerlei voorstellingen en als ik het verwijt verdien een beetje als een monnik te hebben geleefd, dan dank ik de hemel daarvoor…» Zijn echtgenote getuigt er aldus van: «Mijn man probeerde mij aan te moedigen met hem volmaaktere wegen te bewandelen want hij hield meer dan van wat dan ook op deze wereld van mijn ziel. Soms bloos ik als ik het zeg, maar ik heb zijn vroomheid ervaren als een vorm van jaloezie. Mijn voorbeeldige echtgenoot wees mij vriendelijk terecht door mij te zeggen dat we niet jaloers moesten zijn op de goede God, dat hoe meer we Hem zouden liefhebben, des te duurzamer zou onze wederzijdse band met Hem worden.» Gaston geeft zijn kinderen een gedegen christelijke opvoeding; die voert naar goedheid: «Mogen mijn kinderen zich edelmoedig gedragen jegens de armen. Want de aalmoes redt van de dood (Tob. 12,9). Laten we ons al het overbodige ontzeggen en soms het noodzakelijke, om ons de vreugde te gunnen van het geven van een aalmoes.» Als officier heeft hij aandacht voor zijn mannen, geeft ze raad, troost ze soms. Door zijn voorbeeld vat een groot aantal van hen de beoefening van hun godsdienst weer op.

In mei 1854 wordt Sonis bevorderd tot kapitein bij het 7e regiment Huzaren; hij moet naar Algerije. De nieuwe scheiding met zijn gezin doet hem veel verdriet. Over de contrasterende landschappen van de Algerijnse kust, Kabylië en de Atlas, is hij zeer opgetogen: «Hoe klein zie ik mezelf wanneer ik word geconfronteerd met die gigantische natuur! Ik heb nooit sterker mijn nietigheid ervaren, maar ook heb ik nooit meer gehoopt op de onbeperkte barmhartigheid van die God die ons juist zo klein heeft gemaakt om ons te stimuleren, ons te verheffen naar Hem toe.» Hij lijdt er echter onder dat hij alleen goddeloosheid tegenkomt onder de kolonisten en bij de overheid. De priesters worden tegengewerkt in hun doen en laten en hun wordt het zwijgen opgelegd ten opzichte van plaatselijke bevolkingsgroepen. «Het enig middel om de verovering te verstevigen, zo verklaart hij, is dat Arabisch ras, waarvoor godsdienst alles is voor de mens, laten zien dat zij niet te maken hebben met overwinnaars die niet bidden en geen eredienst hebben.» De zalige Charles de Foucauld zal een analoog vonnis vellen. Dankzij zijn kwaliteiten van leider en van christen, wordt Sonis door iedereen gerespecteerd, Arabieren inbegrepen, wier taal hij leert. Na een retraite in de Trappe van Staouëili, stelt hij in Algerije de nachtelijke aanbidding in. In mei 1859 wordt Sonis opgeroepen om deel te nemen aan de Italiaanse veldtocht die Napoleon III ondernam ter ondersteuning van koning Victor Emmanuel II tegen Oostenrijk. Hoewel hij deze expeditie niet goedkeurt gaat hij erheen uit plichtsbesef en onderscheidt zich in Solferino door zijn moed en zijn militaire daadkracht. Na de veldslag bezoekt hij de gewonden. Hij zal het Legioen van Eer ontvangen voor zijn wapenfeiten, maar hij zal de zeer talrijke doden van dit gevecht betreuren, evenals indirect de vooruitgang van de Revolutie te hebben begunstigd: de koning van Italië zal inderdaad weldra de pauselijke staten aanvallen.

«Moge mijn vader meer van U houden!»

Sonis wordt dan benoemd tot commandant, ritmeester in het 2e Spahis regiment. In december 1859 kan hij terug naar zijn familie met een permissie van vier maanden. Hij treedt dan toe tot de derde orde van de Karmelieten. Hij vertrekt vervolgens weer naar Algerije, met zijn echtgenote en zijn zes kinderen. Hij volgt de gebeurtenissen in de oorlog in Italië en schrijft aan zijn vrienden dat hij zich bij de pauselijke Zoeaven, verenigd ter verdediging van de Heilige Vader, zou voegen als hij niet voor het onderhoud van zijn gezin moest zorgen. Aan zijn zoon Gaston, die dan met zijn jongste, Henri, in een pensionaat zit, schrijft hij: «Ik wil dat jullie als volgt voor mij bidden: “Mijn God, maak dat mijn vader iedere dag meer van U houdt”… Lieve kinderen, het is voor mij een groot offer ver van jullie te leven. Maar dit verdriet leg ik, zoals alle andere, neer aan de voet van het Kruis van onze goddelijke Meester.» In 1861 wordt hij overgeplaatst naar de oase van Laghouat, aan de rand van de woestijn. Zijn eerste bezoek is voorbehouden aan het Heilig Sacrament, het tweede aan de dienstdoende priester en het derde aan de religieuze gemeenschappen. Wanneer hij hoort van een moordpartij op de burgerbevolking vertrekt hij terstond en verrast de moordenaars in de vroege ochtend. Hij roept een krijgsraad bijeen et laat de schuldigen bestraffen. Dit feit, opgeblazen door de tegenstanders van het leger, beschadigt zijn loopbaan. Hij wordt op een zijspoor gezet door zijn benoeming tot commandant in Saïda: hij gehoorzaamt zonder een kik te geven en neemt zijn vrouw mee die haar zevende kind verwacht. Zijn spiritueel leven blijft intens: «Ik heb de laatste tijd de Oefeningen van H. Ignatius weer ter hand genomen en ben het nog fundamenteel aan het overpeinzen. Het is inderdaad fundamenteel en, met Gods hulp, zal ik er de rest van mijn leven op steunen.» Op 15 juni 1864 verliezen de Sonis hun kleine Marthe Carmel, drie jaar oud.

In 1865 zet Napoleon III voet aan wal in Algiers en vraagt of een geschikte officier hem als gids van dienst kan zijn. Sonis wordt gevraagd, maar wijst het aanbod af. In juni van hetzelfde jaar wordt hij echter bevorderd tot luitenant-kolonel van het 1e Spahis regiment in Laghouat, waar hij vier jaar eerder ter zijde was geschoven. Het zuiden van Algiers staat in brand, honderden mensen worden vermoord. Niet zonder moeite slaagt hij erin de vrede in de regio te herstellen. In januari 1867 vraagt zijn zoon Henri, veertien jaar oud, hem om toestemming zich aan te sluiten bij de pauselijke Zoeaven. Hij antwoordt: «Je hebt me nog niet gezegd dat je God hartstochtelijk bemint, dat al wat nobel is, en mooi je jonge ziel kan laten jubelen en verheffen naar machtige hoogten. Ja, ik beloof u naar Rome te gaan… Mijn kind, je gaat de grootste zaak dienen die op dit ondermaanse bestaat, want het is die van de stedehouder van Christus.»

Waar is het geluk?

De Algerijnse bevolking lijdt onder de honger en de cholera. Sonis zet zich in zo goed hij kan. Hij schrijft aan gravin de Sèze: «Ons verdriet is zo licht in vergelijking met dat wat die arme Moslims met zoveel moed verdragen. Bidt goed opdat Onze-Lieve-Heer licht zou brengen in de duisternis want het staat buiten kijf dat dit volk, als het eenmaal christelijk is, bestemd is God heel anders te dienen dan die halfslachtige naties van Europa die even weinig geloof meer hebben als moed.» Hij zal ook schrijven: «Ik weet niet waar het geluk is, anders dan in de liefde van God.» «De grootste armoede van de volken is het niet kennen van Jezus-Christus», zal heilige Teresa van Calcutta zeggen.

In 1869 verwelkomt het gezin de Sonis zijn twaalfde en laatste kind, Philomena: Gaston stuurt zijn echtgenote naar Frankrijk om uit te rusten, en een oogje in het zeil te houden op de studieresultaten van hun kinderen. «Mijn dierbare zielen van kinderen zijn het dagelijks brood voor mijn gedachten… Voor hen bid ik, werk ik, mediteer ik.» Maarschalk de Mac Mahon, destijds gouverneur-generaal van Algerije, kondigt hem opgewekt aan dat het goed mogelijk is dat er een oorlog met Pruisen komt. Terwijl alle officieren applaudisseren, verklaart Sonis dat ze noch moreel, noch materieel gereed zijn. Omdat hij de lacunes in het leger heeft vastgesteld maakt hij er loyaal gewag van, ondanks de officiële propaganda. De oorlog breekt uit op 28 juli 1870. De Fransen lijden nederlaag op nederlaag, en de keizer wordt gevangengenomen in Sedan. Na enige orders en tegenorders krijgt Sonis die brigadegeneraal is geworden, te horen dat hij het bevel moet voeren over het 17e corps. Weldra krijgt hij er een elitetroep bij van voormalige pauselijke Zoeaven, onder bevel van kolonel de Charette. Meneer Dupont, de “heilige man” van Tours, stuurt hun een vaandel met daarop de leuze: «Heilig Hart van Jezus, redt Frankrijk!»

Op 23 november gaat een Pruisisch leger onder leiding van de groothertog van Mecklemburg in de aanval in de buurt van Orléans. Op 2 december, eerste vrijdag van de maand, om drie uur ’s ochtends, gaat Sonis, met een niet geringe groep pauselijke Zoeaven, ter communie tijdens de Mis van de aalmoezenier. Sonis, die dringend te hulp wordt geroepen door generaal Chanzy, commandant van het 16e corps, waarvan de mobiele troepen in wanorde zijn gevlucht, aanvaardt diens verzoek het opperbevel van hem over te nemen. Omdat de Pruisen zich hebben teruggetrokken naar Loigny begrijpt Sonis dat hij het dorp moet innemen vanwege de positie die van wezenlijk belang is. Hij geeft een van zijn generaals, van wie de divisie niet ver weg is, het bevel zich bij hem te voegen, maar deze zal niet komen. Bovendien slaan de soldaten van zijn mobilisatiecentrum ook nog eens op de vlucht. Hij laat dan zijn standaard ontrollen en zet de achtervolging van de Pruisen van Loigny in. «Driehonderd Zoeaven waren met mij meegekomen, zal hij later vertellen. Ik had ze voor maar één ding bestemd: een grote morele invloed uitoefenen die in staat zou zijn een gedemoraliseerde troep weer plichtsbesef terug te geven. Ik werd zelf gewond door een geweerschot dat van heel dichtbij op mijn bovenbeen was gelost. Ik had niet meer de kracht mijn paard in bedwang te houden. Ik riep naar mijn adjudant: “Mijn vriend, neem mij in je armen; het is gedaan voor vandaag!” Hij legde me op de grond… Ik lag daar, alleen, onbeweeglijk, languit op de grond en de sneeuw. Om mij heen lagen nobele slachtoffers die nauwelijks met hun leven hadden gemarchandeerd, maar die het letterlijk hadden gegeven voor de belangrijke zaak van het vaderland en de eer.» Later zal Sonis noteren: «Als iedereen zijn plicht had gedaan, hadden wij ons meester kunnen maken van Loigny.»

Generaal de Sonis heeft volledig zijn plicht gedaan. De rapporteur van de onderzoekscommissie die bijeen is gekomen in augustus 1871 zal getuigen dat Sonis, door een halt toe te roepen aan de voortschrijdende vijandelijke troepen, het 16e corps (dat van Chanzy) heeft bewaard voor een dreigende nederlaag, en de artillerie van zijn 17e corps gered: «De bestorming van Loigny, zo zal hij eraan toevoegen, zal zijn plaats krijgen in de glorieuze wapenfeiten.» Op 4 december wordt bij Sonis zijn bovenbeen voor een derde geamputeerd; zijn andere voet wordt bevroren, die moet gecuretteerd worden om gangreen te voorkomen. Daarna nog vijfenveertig dagen zonder slaap en gekmakende pijn lijden… Na negentien dagen zoeken vindt mevrouw de Sonis haar man terug. Zij is voor alle gewonden van Loigny een troost. Op 22 maart keert de generaal terug naar Castres na de tekening van de wapenstilstand. In oktober van het jaar 1871 benoemt Thiers, voorlopig staatshoofd, hem tot hoofd van de 16e militaire divisie van Rennes. Ondanks zijn handicap en het leed dat die met zich meebrengt, rijdt de Sonis opnieuw paard, en geeft in zijn werk blijk van een grote beroepsethiek die de bewondering van de andere officieren afdwingt.

Zoals de duistere zandkorrel

Op 2 december 1871 is de generaal in Parijs en hij vraagt Pater du Lac hem op te sluiten in zijn kapel om er te bidden, met de verklaring: «Op het slagveld van Loigny deed ik het Heilig Hart de gelofte voortaan deze jaarnacht door te brengen met aanbidding.» Zijn innerlijk leven is een getrouwe weergave van een gedicht van zijn hand, dat men bij zijn dood aantreft op zijn lichaam: «Mijn God! Ik sta hier voor U, arm, klein, van alles beroofd. Ik ben niets, ik heb niets, ik kan niets… U, U bent mijn alles, U bent mijn rijkdom! Mijn God, Ik dank U dat U hebt gewild dat ik voor U niets ben… Ik dank U voor de teleurstellingen, de onrechtvaardigheden, de vernederingen. Ik erken dat ik ze nodig had… O, mijn God! Wees gezegend, wanneer U mij beproeft… Maak mij steeds meer tot niets. Laat de steen die ik mag bijdragen niet de door de hand van de arbeider bewerkte, gladgeschuurde steen zijn, maar eerder de onbeduidende zandkorrel, onttrokken aan het stof op de weg. Ik betreur niets als alleen het feit dat ik U niet genoeg heb liefgehad. Ik verlang niets dan alleen dat Uw wil geschiede.» Hij houdt zich bezig met zijn kinderen en geeft hun onderricht. «Wat een geluk, zo schrijft hij, dat ik die jonge zielen mag vormen voor de Hemel en voorbereiden op de strijd die die jonge christelijke harten zullen moeten voeren in deze wereld! Ik zou ze liever zien sterven van ellende dan te weten dat ze godslasteraars of zelfs onverschilligen waren geworden.» In 1872 treedt zijn oudste dochter Marie in het klooster van het Heilig Hart in. De drie oudste zonen van de generaal starten hun militaire loopbaan en gaan trouwen. Sonis draagt zorg voor hun echtgenotes als waren zij zijn eigen dochters. In 1873 moet hij, ten gevolge van een val van zijn paard waarbij zijn valide been breekt, veertig dagen thuisblijven en zal er nog lang de gevolgen van ondervinden.

Een oude vriendin

In maart 1880 wordt hij overgeplaatst naar Châteauroux, en geplaatst aan het hoofd van de 17e divisie, onder de orders van generaal de Galliffet. Van hem ontvangt hij de ene blijk van waardering en ontzag na de andere. Hij zal hem benoemen tot grootofficier in het Legioen van Eer. Jules Ferry, politicus en vrijmetselaar, die dan wordt bevorderd tot directeur-generaal van het Openbaar Onderwijs, bereidt een wetsontwerp voor dat de leden van niet geautoriseerde Congregaties uitsluit van het onderwijs. In de maand november hierop wordt de verbanning van religieuzen in werking gesteld met de steun van het leger. Generaal de Sonis wil aan deze operatie niet deelnemen en vraagt aan de Minister van Oorlog van zijn bevelhebberschap te worden ontheven: «Toen ik het leger in ging heb ik het offer van mijn leven gebracht, schrijft hij hem, maar ik heb dat niet willen doen met mijn eer.» De minister geeft hem dan verlof en Sonis verlaat het militair hotel voor een zeer armzalig onderkomen in Châteauroux: «Ik moet mijn welzijn opofferen voor mijn eer van christen, schrijft hij. Armoede is een oude vriendin.» Hij blijft echter zijn vrienden met zijn bekende verfijnde omgangsvormen ontvangen. Voor wat de Voorzienigheid aangaat, noteert hij: «Terwijl God mij een groot gezin gaf, heb ik er nooit aan getwijfeld dat Hij mij op geheel bovennatuurlijke wijze te hulp zou komen.»

In mei 1881 wordt de minister van Oorlog voor het blok gezet door generaal de Galliffet wanneer Sonis benoemd wordt tot permanent inspecteur-generaal van de cavalerie. Deze aanvaardt die post waarin hij onafhankelijk blijft van de politiek, en vestigt zich opnieuw in Limoges. De nachtelijke aanbidding die hij daar heeft ingevoerd wordt nog altijd levendig beoefend. «Ik ben blij weer mijn plaats te kunnen innemen in de erewacht van Onze-Lieve-Heer. Ik troost me zelf, zoals in het Evangelie, dat voor het bruiloftsfestijn, bij gebrek aan hoge heren en welgestelden, armen, hinkepoten en gehandicapten van mijn soort uitgenodigd worden!» In mei 1882, wanneer hij geen paard meer kan rijden en hij ook uitgeput is, vraagt hij of hij met pensioen mag gaan. Hij verlaat Limoges voor Parijs op 1 februari 1883. Het Evangelie en het “Leven van Jezus-Christus” door Ludolph de Kartuizer zijn de voornaamste studieonderwerpen voor hem. Op 14 augustus 1887 laat mevrouw de Sonis die hem in zeer verzwakte toestand aantreft, een arts en een priester komen. Sonis gaat te biecht en ontvangt de Heilige Communie in zijn slaapkamer. De volgende dag, dag van Maria Tenhemelopneming, ontvangt hij geheel helder van geest de sacramenten der stervenden, raakt in een langdurige doodsstrijd en geeft zachtmoedig de geest terug aan God. «Maria wordt op de drempel van de eeuwigheid geplaatst om hen die deze moeten overschrijden vertrouwen in te boezemen», had hij tegen de stervenden in Loigny gezegd. Op zijn verzoek siert een eenvoudige steen zijn graf, met het opschrift: “Miles Christi” (soldaat van Christus). Hij ligt in de crypte van de kerk van Loigny-la-Bataille, naast het graf van generaal de Charette en het knekelveld met de beenderen van 1200 in Loigny gevallen soldaten. Het lichaam van Sonis is in 1929 weer opgegraven, en werd intact teruggevonden. Zijn zaligverklaringsproces is lopende.

«Wij geloven stellig dat God de Heer van de wereld en van de geschiedenis is. Maar de wegen van zijn voorzienigheid zijn ons vaak onbekend… Intussen weten wij, dat God in alles het heil bevordert van die Hem liefhebben (Rom 8,28). Het getuigenis van de heiligen houdt niet op deze waarheid te bevestigen: De Heilige Thomas More, kort voor zijn marteldood, troost zijn dochter met de woorden: “Er kan niets gebeuren tenzij dat wat God wil. En ik ben er vast van overtuigd dat dit, wat het ook moge zijn, ook al lijkt het nog zo erg, in feite het beste zal zijn”». (CKK, nrs 314, 313).

Laten wij, in navolging van generaal de Sonis, als medewerkers aan de goddelijke wil, ondersteund door zijn genade, weloverwogen Gods plan binnengaan, door onze daden, gebeden en ook ons lijden.

Zalige Hyacinthe Cormier

Ernest Psichari

Eerbiedwaardige Satoko Kitahara

Zalige Titus Brandsma