Ernest Psichari

1 Maart 2023

Ernest Psichari

Dierbare Vrienden,

In het begin van de XXe eeuw kregen de katholieken van Frankrijk aanvallen te verduren van een antiklerikale Republiek die in 1905 de scheiding van Kerk en Staat afkondigde. Tegelijkertijd kwam onder de jonge intellectuelen een beweging op van bekeringen, waarvan Raïssa Maritain kond doet in een mooi boek met de titel “De grote vriendschappen”. Een van die bewonderenswaardige omslagen was die van de kleinzoon van Renan, Ernest Psichari, het bewijs dat de Heilige Geest zijn licht laat schijnen te midden van de duisternis!

Ernest Psichari Ernest Psichari is in Parijs geboren op 27 september 1883, als oudste van vier kinderen. Jean Psichari, zijn vader, van Griekse oorsprong, is hoogleraar in de Griekse filologie aan de Ecole Pratique des Hautes Etudes. Zijn moeder, Noémie, is de dochter van de filosoof Ernest Renan, een voormalige seminarist die antiklerikaal is geworden en schrijver van een “Leven van Jezus” en getekend door het positivisme en het scepticisme. Ernest groeit op in een grootburgerlijk intellectueel gezin. Hij wordt op verzoek van zijn moeder gedoopt volgens de orthodoxe ritus; zij zelf, protestants opgevoed, wil op die manier eer betonen aan de ouders van haar echt-genoot. Daar blijft het bij wat de godsdienstige opvoeding van Ernest betreft en het kind groeit op in een gezin dat geheel is gewijd aan de religie van Renan, die de zijnen een grote erfenis heeft nagelaten die hen in staat stelt in materieel welzijn te leven.

De oude jas die nog mee kan

De ouders Psichari maken vaak ruzie; Ernest, zijn broer Michel en zijn zus Henriette wonen vooral bij hun moeder en hun grootmoeder. Zij zijn ook achterneven van de schilder Ary Scheffer en wonen in Parijs. Ernest is een levenslustige jongen met een uitgesproken voorkeur voor controversen. Ernest krijgt het gedachtegoed van Renan mee via zijn moeder en een omvangrijke humanistische ontwikkeling dankzij zijn vader, Jean Psichari, opvliegend van aard, die een zekere intellectuele slordigheid van zijn zoon slecht verdraagt, maar beiden mogen elkaar graag. De jongeman ontpopt zich als een instinctief genereus mens. Op een dag koopt zijn moeder een nieuwe jas voor hem. Wanneer hij een minder gefortuneerde klasgenoot ontmoet, smeekt hij haar: «Laat mij nog een tijdje de oude dragen. Hij heeft er geen…» Zijn moeder zwicht uiteindelijk.

Jean Psichari ontvangt thuis bekende vertegenwoordigers van de antiklerikale en antimilitaristische politiek, Emile Zola, Jean Jaurès, Georges Clémenceau… Ernest wordt ingewijd in het socialisme door de man van de kokkin van het gezin, een militante socialist. Zoals te verwachten gaat hij zich, op een bepaalde manier, schuldig voelen dat hij profiteert van alle materiële voordelen van zijn welgesteld, burgerlijk maatschappelijk milieu. Op vijftienjarige leeftijd maakt hij kennis met Jacques Maritain, op het lyceum Henri IV. Tussenbeide families worden vriendschapsbanden aangeknoopt. Hij ontmoet ook Charles Péguy. Na zijn baccalaureaat bereidt hij een licentiaat voor in de wijsbegeerte aan de Sorbonne. Zwaar teleurgesteld door het overheersende scepticisme en relativisme onder het docentencorps, gaat hij aan het Collège de France de lessen van Henri Bergson volgen. Hij begint dan in verscheidene tijdschriften symbolistisch (literaire beweging die zich beroept op Baudelaire en Mallarmé) geïnspireerde gedichten te publiceren. Hij leeft gelukkig, in de sfeer van een elegante, liberale wereld, loopt warm voor haar gedachtengoed, schept genoegen in de controversen, bestudeert de literatuur.

Op zijn achttiende wordt hij verliefd op de zus van Jacques Maritain, Jeanne, die zeven jaar ouder is dan hij. De jonge vrouw neemt de liefde van deze adolescent niet serieus en treedt al snel in het huwelijk. Ernest stort geestelijk in en geraakt in een diepe depressie, zonder iets om zich aan vast te klampen. Hij probeert zijn wanhoop te smoren in losbandigheid en vervolgens tot tweemaal toe een einde aan zijn leven te maken; gelukkig komen twee vrienden op tijd tussenbeide om hem te redden; Ernest komt langzaam deze crisis weer te boven, en brengt maandenlang door op het platteland, ver van het zwierig leven dat hij tot dan heeft gekend. Hij neemt de tijd om na te denken en verlangt er vervolgens naar orde op zaken te brengen in zijn leven en zich de discipline aan te leren die hij in het leger denkt te vinden. In november 1903 loopt hij vooruit op de oproep voor de militaire dienst en wordt ingedeeld bij het 51e regiment van de infanterie in Beauvais. Na enige tijd van aanpassen vindt hij zijn levensvreugde weer terug en brengt die al in 1913 tot uitdrukking in “L’appel des armes”: «Wanneer de schrijver van dit verhaal voor het eerst onder de wapenen gaat ten dienste van Frankrijk, leek het of hij aan een nieuw leven begon. Hij had werkelijk het gevoel de lelijkheid van de wereld te verlaten en zoiets als een eerste etappe te hebben afgelegd op een weg die hem naar nog echtere, grootse dingen zou voeren.» In 1904, na zijn militaire diensttijd, wordt hij beroepsmilitair; deze keuze choqueert zijn vrienden, voor het merendeel antimilitaristen, die het leger beschouwen als het bolwerk van de reactie op de moderne ideeën. In zijn autobiografische roman “Le voyage du centurion”, zal Ernest het zo uitleggen: «De jonge jongen gaat in het leger, onderbreekt daarvoor zijn studie, aangetrokken als hij zich voelt door en vervolgens overtuigd van de fraaie ideeën over orde, gehoorzaamheid en opoffering die nodig zijn voor een samenleving.»

«Zij huilt om jou!»

Langzaam maar zeker begrijpen zijn ouders dat het militair leven hun zoon in staat stelt weer op te krabbelen en te groeien. Hij hervindt er trouwens de zin in het schrijverschap. Ernest wordt benoemd tot korporaal, daarna tot sergeant in 1906. Maar weldra is hij niet meer tevreden over het garnizoensleven en de kazerne in de hoofdstad en krijgt toestemming om te worden overgeplaatst naar het koloniale leger, in de hoedanigheid van onderofficier artillerie. Dankzij de relaties van zijn ouders gaat hij mee op de missie naar Congo van commandant Lenfant, een vriend van zijn familie: het betreft een ontdekkingstocht naar nieuwe wegen om Centraal Afrika binnen te komen, over land en over water. Tijdens dit verblijf in Congo (februari 1907 – januari 1908), is Ernest nog altijd ongelovig. Jacques Maritain schrijft hem: «Ik hoop dat je naar ons terugkomt vanuit je eenzame bestaan en weer in God gelooft!» In juli 1907 komt Jacques hier weer op terug wanneer hij hem schrijft vanuit La Salette: «Wij hebben voor je gebeden op de hoge heilige berg. Ik heb de indruk dat de schone, Heilige Maagd huilt om jou en naar jou verlangt. Zou je niet naar haar luisteren?» Deze nieuwe aanzet verbaast Ernest evenals de vorige en verschaft hem slechts de gelegenheid voor zichzelf te zeggen dat hij geen religie heeft. Hij ontmoet de bisschop van Brazzaville, Mgr. Augouard, missionaris en prelaat van een uitzonderlijk formaat, evenals meerdere Afrikanen die zijn bewondering genieten. De wilde natuur van het Afrikaans werelddeel maakt indruk op hem. Hij zal vertellen over een inboorling, hoe die met een wijds gebaar naar de horizon op een dag tegen hem zei: «God is groot!»

Wanneer Ernest in januari 1908 weer terug is in Frankrijk wordt hij onderscheiden met een militaire medaille. In zijn verzoekschrift voor zijn bevordering onderstreepte Lenfant dat: «Hij, alleen belast met het begin van de missie in Pendé (500 man en evenveel runderen), deze met veel ondernemingsgeest, wilskracht, plichtsbetrachting, verstand en zorg heeft geleid.» Hij verwerpt voortaan het antimilitarisme van zijn jonge jaren en heeft alleen lof voor het leger en de natie. Hij neemt weer contact op met Maritain die niet aarzelt hem uit te nodigen zich te bekeren en hem op het hart drukt «het beste in de tijd en in de eeuwigheid te ontvangen: de vrede van God, die vrede die de wereld niet kan geven». Maar Psichari is nog niet klaar: «Al wat ik je vooralsnog kan zeggen is dat ik me aangetrokken voel tot het mooi geestelijk huis waar je me graag naar binnen ziet gaan… Ik voel me aangetrokken tot je huis, maar ik ga er niet naar binnen.» Péguy die ook een grote invloed op hem heeft schrijft aan Massis: «Wat een zuivere ziel! Ik die nooit een broer heb gehad, ik houd van hem als van een broer en ik weet door hem wat het is om een broer te hebben.» Tijdens de achttien maanden die hij in Frankrijk doorbrengt wordt het Ernest, onder de invloed van Péguy, volstrekt duidelijk dat hij een militaire roeping heeft; hij zal zijn boek “L’appel des armes” aan hem opdragen.

Wij zijn mooi!

Na een stage van elf maanden op de school voor de artillerie van Versailles wordt Psichari officier en hij vertrekt in september 1909 naar Mauritanië. De nederzetting van Frankrijk in dit deel van de oostelijke Sahara werd bestreden door meerdere stammen. Ernest brengt er drie vruchtbare jaren door. Zijn leven als pelotonscommandant van Meharisten wordt getekend door soberheid en hard werken waardoor hij eindelijk breekt met zijn luie gewoontes: hij laat zien in staat te zijn honger en dorst te lijden, zandstormen, verzengende hitte van de zon evenals de gevreesde beproeving van de stilte en de eenzaamheid te verdragen. Tijdens de doortocht door de woestijn heeft hij het gevoel niets te zijn te midden van die machtige stille schoonheid. «Jullie weten niet wat het is drie jaar te leven in een land waar iedereen bidt», zal hij later zeggen (Mauritanië wordt bevolkt door moslims). Hij voelt dan heel sterk Gods aanwezigheid en voor de eerste keer in zijn leven aanbidt hij zijn Schepper. «Ondervraag de schoonheid van de aarde, ondervraag de schoonheid van de zee, ondervraag de schoonheid van de onmetelijke luchten die ons omringen, ondervraag de schoonheid van de hemel (…) ondervraag dit alles. Dit alles antwoordt u: zie hoe schoon wij zijn! Hun schoonheid is een belijdenis (confessio). Wie anders heeft deze schepselen die onveranderlijk schoon zijn, gemaakt dan Hij die onveranderlijk schoon (Pulcher) is?» (Cf. H. Augustinus, CKK, nr. 32).

Tegen einde januari 1910 nodigt Jacques Maritain Ernest uit iedere dag een gebed te bidden en stuurt hem de tekst van Wees gegroet, Maria. Deze laatste begint het Wees gegroet eigenlijk al te bidden te midden van de zandvlakten en de Meharisten. Maar in zijn correspondentie blijkt dat hij nog een lange weg heeft te gaan. Op een dag wordt hij door een van de moslims die graag met hem praat, tijdens een expeditie, ondervraagd over de godsdienst van de christenen die hij diep veracht. In zijn wiek geschoten, begint Psichari dan Jezus te verdedigen! Hij mag dan wel de kleinzoon van Renan zijn, hij is er trots op Fransman te zijn en moet toch toegeven dat het de katholieke godsdienst is die Frankrijks grandeur heeft bepaald. Hij begrijpt dat hij zelf nog moet wachten en zich moet onderwerpen aan een tijd van voorbereiding en zuivering en smeekt dan veel nederiger: «Oh, mijn God, aangezien U mij naar hier hebt gebracht om een glimp van Uw aangezicht te ontwaren, verlaat mij nimmer meer!… Zoals U aan Thomas Vos Uw bloederige wonden heeft laten zien, stuur mij, mijn God, het teken van Uw aanwezigheid…»

Om indruk op de Marokkanen te maken laat hij hun sommige staaltjes van Frans technisch vernuft zien. Een van de commandanten antwoordt hem: «Ja, jullie Fransen hebben het aards koninkrijk maar wij Moren, wij hebben het koninkrijk van de Hemel.» Dat antwoordt zet hem aan het denken: aan Mgr. Jalabert, bisschop van Dakar, schrijft hij: «Sinds de zes jaar dat ik kennis heb gemaakt met de moslims van Afrika heb ik me gerealiseerd hoe dwaas sommige moderne geesten zijn die het Franse ras willen scheiden van de godsdienst die het hebben gemaakt tot wat het is, en waar al die grandeur vandaan komt.» Het was geen vergissing geweest het heil te willen zoeken in discipline, schreef Jacques Maritain. Wat hem al die tijd op de been heeft gehouden, wat hem een reden tot leven heeft gegeven, dat is natuurlijk niet alleen het vermogen te vergeten en zich te verstrooien die het gevolg zijn van de harde regels en de afmattende vermoeidheid van het leven onder de wapenen, maar het begrip dat hij vanaf het begin heeft gehad van de vormende, spirituele waarde van de vrijwillig aanvaarde discipline ten behoeve van een edelmoedig doel. Hij heeft voorvoeld dat zijn ziel ervan zou opknappen, dat zijn vrije wil erdoor gesterkt zou worden. «Wij behoren tot de mensen die er vurig naar verlangen ons te onderwerpen om vrij te zijn», zal Ernest schrijven in “Les voix qui crient dans le désert”.. «Hoe meer men het goede doet, schrijft de Catechismus van de Katholieke Kerk inderdaad, des te meer wordt men vrij. Er is geen echte vrijheid mogelijk tenzij deze in dienst staat van het goede en de gerechtigheid. De keuze voor ongehoorzaamheid en voor het kwaad is een misbruiken van de vrijheid en leidt tot de slavernij van de zonde» (nr. 1733). Voor Ernest zal de uiteindelijke opbrengt van zijn gehoorzaamheid als soldaat de vrijheid zijn geweest, de spirituele vrij-wording. Het leger blijkt een school voor wilskracht, een vorming van de vrije wil, een school voor plichtsbetrachting ook, en een wijds open veld naar de edelmoedigheid van een groot hart te zijn. Is het hele leger in wezen niet gewijd aan het goede voor een ander dan zichzelf, aan het goede van het land? «Wij weten wat de onderwerping van een soldaat is, zal hij ook schrijven. Maar wij weten ook dat zij slechts het teken van een veel hogere onderwerping is.» «Vrijheid bereikt haar perfectie wanneer zij is gericht op God, onze zaligheid… De christelijke ervaring getuigt ervan, met name in het gebed: hoe meer wij de impulsen van de genade volgen, des te meer groeien onze innerlijke vrijheid en onze standvastigheid, zowel in de beproevingen als tegenover de druk en de dwang van de omringende wereld. Door het werk van de genade voedt de Heilige Geest ons op tot geestelijke vrijheid, om ons tot vrije medewerkers te maken van zijn werk in de Kerk en in de wereld…» (CKK, nrs. 1731 en 1742).

Een verlangen naar de biecht

Op 8 december scheept Psichari in Dakar in; drie weken later is hij in Parijs. Jacques Maritain en Ernest ontmoeten elkaar dan iedere dag; ze spreken met elkaar over de katholieke leer. Ernest hoort weldra dat zijn Doop in de Griekse ritus, ontvangen uit handen van een orthodoxe priester op 25 december 1883, twee maanden na zijn geboorte, geldig was, en dat die voor altijd in zijn kinderziel “het Verlossend Teken” had gedrukt. Op 31 januari maakt hij kennis met Pater Clérissac, en schrijft vervolgens in zijn agenda: «Jacques opgehaald bij Stanislas. Wij gaan naar Versailles en tref bij hem Pater Clérissac aan, van de Orde der Dominicanen. Die man heeft een schitterend hoofd, vurige ogen, een gestalte waaruit lijden en geloof spreekt. Je voelt dat het een vurige man is, een krachtige geest, een groot hart, vol van een innerlijk stralend vuur. Gedegen opgeleid, van een verfijnde beschaving… Wij gaan, hij en ik, wandelen in het park, en ik zeg tegen hem hoe zeer ik verlang naar de biecht, en mijn gevoel die onwaardig te zijn. Hij helpt me en moedigt me aan met een weloverwogen goedheid die me regelrecht in het hart raakt.»

«Hun tweede onderhoud heeft plaats op 3 februari, zo staat in het verslag van Raïssa, de echtgenote van Jacques Maritain. Ernest en Pater Clérissac lunchen bij ons. Er heerst een volmaakte harmonie en de emotie is voelbaar, omdat het ernstig besluit dat een heel leven zal beïnvloeden, op handen is. Na de lunch neemt de Pater Ernest mee naar het park. Ze zijn twee uur afwezig tijdens welke wij onophoudelijk bidden. Tenslotte komen ze weer terug. Alles is beslist… De volgende dag dus ligt Ernest Psichari geknield voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Salette, doet zijn geloofsbelijdenis en vervolgens een generale biecht. Hij ontvangt het Vormsel op 8 februari in Versailles, uit de handen van Mgr. Gibier. “Ik heb het gevoel een andere ziel te bezitten”, verklaart hij tegenover de bisschop na de plechtigheid.» Bij zijn Vormsel heeft hij de naam Paul gekregen, ter genoegdoening voor de grove beledigingen die Ernest Renan, zijn grootvader, de Apostel had aangedaan in zijn boek “Heilige Paulus”. De volgende dag, 9 februari, doet hij zijn eerste Communie. Die dag is voor Ernest helemaal «geweldig, zon overgoten, één en al helderheid». Het kost hem moeite het nieuws te melden aan zijn moeder, de dochter van Ernest Renan en de protestantse Cornélie Scheffer. Hij vreest haar reactie. «Mama, ik moet je iets zeggen: ik ben katholiek geworden en ik heb mijn eerste Communie gedaan. Misschien vind je dat vervelend. – In tegendeel: daar heb je gelijk in, omdat je het toch dacht te moeten doen.» En ze gaat in haar juwelenkistje op zoek naar het gouden kruisje van de Doop van haar eerstgeborene. Ernest neemt het geknield in ontvangst en kust daarbij de handen van zijn moeder die hij altijd zal blijven omringen met de fijnzinnigste, tedere genegenheid, te meer daar haar man, Jean Psichari, haar onlangs heeft verlaten.

Grote vrome toewijding

Op 2 juni keert Psichari terug naar het garnizoen van het 2e Regiment Koloniale Artillerie in Cherbourg. Aangemoedigd door Pater Clérissac, schrijft hij daar “Le voyage du centurion”, een autobiografische roman die na zijn dood zal worden gepubliceerd, in 1916. Onder het pseudoniem Maxence, doet Ernest hierin verslag van zijn reis, dat tegelijk het dagboek is van zijn geestelijke ontwikkeling. In de maanden daarop maakt Ernest een reuzenstap wanneer hij het woord van Onze-Lieve-Heer: Weest dus volmaakt, zoals uw Vader in de hemel volmaakt is (Mat. 5,48) bewaarheidt. In oktober 1913 doet hij een retraite in een dominicaner klooster. Hij ontvangt het scapulier van de Derde Orde van H. Dominicus. Iedere ochtend gaat hij in de Mis van zeven uur ter communie: zij die hem gezien hebben bewaren er een onuitwisbare herinnering aan. «Hij bad als een heilige, verklaarde de pastoor van de parochie. Als een heilige, met grote vrome toewijding die men zich niet kan voorstellen.» Ernest brengt iedere dag bezoek aan het Allerheiligste, zelfs wanneer hij op manoeuvre is, wanneer zijn dienst hem dat toelaat. Hij houdt van minutieuze dingen zoals novenen houden, rozenkrans bidden, de heilige van de dag eren, het officie bidden op de gezette tijden.

Op een dag met manoeuvres op het program legt hij vierentwintig kilometer te voet af van Cherbourg naar Valognes. Het is een zondag en hij komt om twaalf uur aan, aan het eind van de Hoogmis. Hij gaat naar de kerk en verzoekt de priester hem de heilige communie te geven. «Bent u wel nuchter (destijds moest men nuchter zijn vanaf twaalf uur ’s nachts), vraagt deze hem verbaasd? – Ja, meneer pastoor, want ik wilde ter communie gaan wanneer ik hier zou aankomen.» De vertrouwelijke liefde voor Jezus-Eucharistie ontwikkelt zich tot liefde voor de armen en eenvoudige van geest: hij geeft alles wat hij heeft, en zelfs nog meer, dankzij zijn moeder die vaak zijn beurs vult die altijd leeg is. Langzaam maar zeker ontwikkelt hij zich in de richting van het religieuze leven in de Orde van Heilige Dominicus. Pater Clérissac zegt onophoudelijk tegen hem: «Je moet een heilige zijn… God wil dat!» Ernest wil de belediging van zijn grootvader jegens God weer goed maken, en hij verklaart nog royaler: «Onze opdracht is het Frankrijk af te kopen met ons bloed.»

«Dat ik niet moge aarzelen!»

Ernest neemt deel aan de eerste Wereldoorlog in de hoedanigheid van luitenant in het 2e Regiment Koloniale Artillerie. Zijn regiment verlaat Cherbourg op 6 augustus 1914, richting België dat door Duitsland in zijn neutraliteit was geschonden; hij vervoegt zich bij het IVe Leger, onder het commando van generaal de Langle de Cary, belast met de dekking van een front van 70 km tussen Mézières en Montmédy. Hij maakt zich geen enkele illusie: «Wij zijn niet gereed; maar ik heb vertrouwen in het Heilig Hart. Een bevriende priester vertrouwt hij toe: «Bid voor mij, opdat ik nooit moge aarzelen wanneer de plicht roept!» Op de dag van vertrek luncht hij op de pastorie van Notre Dame du Voeu. Het is een zeer vrolijke maaltijd. Bij het afscheid van de pastoor is zijn laatste woord, uitgesproken met een door emotie verstikte stem: «Bid goed voor mijn arme moeder!» Op 20 augustus schrijft hij aan zijn moeder: «Mijn commandant, zo bescheiden als hij is, verschaft mij de grootste voldoening.» De invloed die hij heeft op zijn soldaten is verbazingwekkend: hij heeft met name bereikt dat zijn kanonniers zijn opgehouden godslasterlijke taal uit te slaan, en, in zijn eenheid zijn zelfs twee “Levende Rozenkransen” tot stand gekomen: dertig mannen hebben zich ertoe verplicht iedere dag een tientje van de rozenkrans te bidden.

Op 21 augustus, om 18 uur, ontvangt hij het bevel in de aanval te gaan en op te rukken naar Neufchâteau, met de opdracht de vijand aan te vallen waar hij die maar zou tegenkomen. Zijn onderofficier Galgani zal hierover zeggen: «Wij waren net geheel ongedekt op weg gegaan, toen mijn luitenant een gebaar met zijn arm maakte, als om mij te zeggen dat ik moest opschieten, dat de plek gevaarlijk was… Ik hoorde hem mij toeschreeuwen: “Gal…” Hij maakte zijn zin niet af, draaide een keer in de rondte en viel neer met gekruiste armen…» De militaire medaille, verkregen in het Afrika dat hij zo zeer heeft liefgehad, is blijven haken aan zijn jekker… De mannen die Ernest begraven, en die zijn kameraden zijn, zien ook om zijn nek een dunne gouden ketting waaraan een kruisje hangt, het kruisje van zijn Doopsel… Een bejaarde religieuze is ter plekke, aan zijn zijde neergeknield, komt de doden haar gebeden aanbieden en de soldaten helpen bij hun treurige besogne: «Wat heeft hij aan zijn linker pols, die jonge officier wiens gelaatstrekken zo zuiver, ja nog bijna kinderlijk zijn?» Wanneer ze zijn mouw oplicht ontdekt ze een rozenkrans met zwarte kralen, waarmee zijn lippen die nu lijkbleek zijn zo vele gebeden hebben uitgesproken. Ernest heeft hem om zijn arm gerold tijdens de verschrikkelijke veldslag. Hij is gevallen in Rossignol, in België, op 22 augustus 1914 tijdens een van de allereerste confrontaties. Zijn stoffelijk overschot dat was begraven in een massagraf werd op 9 april 1919 geïdentificeerd, dankzij zijn scapulier van de Derde Orde van Heilige Dominicus en dankzij het gouden kruisje van zijn Doopsel.

In zijn dagboek noteerde Ernest, dd. 30 mei 1913: «Waarlijk en in alle oprechtheid zeg ik tegenover God: mijn enig verlangen op deze aarde is het Geloof, de Hoop en de Liefde van de heiligen te bezitten; mijn enig verlangen is te sterven voor de aanbiddelijke Naam van Onze-Lieve-Heer, als Hij ons wil als zijn martelaren. Mijn enig verlangen en mijn enige gedachte zijn het Paradijs!» Laten we de Heilige Geest vragen ons een gelijkwaardige instelling te vergunnen.

Heilige Joseph Pignatelli

Zalige Hyacinthe Cormier

Generaal Gaston de Sonis

Eerbiedwaardige Satoko Kitahara