23 Augustus 2023
Zalige Laura Vicuña
Dierbare Vrienden,
«Het ontbrak de Kerk in de loop der eeuwen tot heden niet aan kinderen of jongeren onder de heiligen en zaligen, schreef Paus Johannes Paulus II… De Verlosser lijkt zijn liefdevolle zorg voor de anderen, hun ouders en vriendjes, jongens en meisjes, met hen te delen. Hij verwacht hun gebed zozeer! Welke immense macht heeft het gebed van kinderen niet! Het wordt de volwassenen zelfs tot voorbeeld gesteld: bidden met een eenvoudig en totaal vertrouwen wil zeggen, bidden zoals kinderen» (Brief aan de kinderen, 14 december 1994).
Zuid-Amerika heeft aan de Kerk een kind gegeven dat door dezelfde Paus werd zalig verklaard. Laura del Carmen werd op 5 april 1891 in Santiago de Chili geboren, als kind van José Domingo Vicuña, een militair uit één van de meest vooraanstaande families in Chili, en Mercedes Pino, van eenvoudige afkomst. Laura werd ongeveer drie weken na haar geboorte gedoopt. In hetzelfde jaar brengen grote sociale onlusten de familie van José Domingo in gevaar. Hij moet met zijn gezin vluchten en vestigt zich in grote armoede te Temuco, vijfhonderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad. In 1894 wordt een tweede meisje geboren, Julia Amanda, maar de vader sterft enkele maanden later. Zijn jonge weduwe neemt haar beroep van naaister opnieuw en moedig op en kan een kleine naaiwinkel openen. Laura blijkt een rustig en gehoorzaam kind te zijn: haar moeder zal getuigen dat zij haar nooit verdriet heeft aangedaan.
In 1898 maakt Mercedes kennis met een groep Zusters van de salesiaanse congregatie van Maria Hulp der Christenen, die onder de leiding staat van Pater Milanesia, een ondernemende missionaris. Het is haar verlangen naar Argentinië te gaan, maar regen en overvloedige sneeuwval in de Andes houden haar in Temuco. In januari 1899, gaan de Zusters de bergweg op, laten Mercedes en haar dochters ter plaatse en komen enkele dagen later aan in Junín, in de Argentijnse provincie Neuquén. Deze militaire post bevindt zich op 780 meter hoogte, in de eerste uitlopers van de Andes. Het stadje telt dan driehonderdvijftig inwoners, terwijl tweeduizend andere, grotendeels autochtonen en Chilenen, verspreid op de “altiplanos” (hoogplateaus) wonen en in de omringende valleien. De eerste kolonisten zijn daar slechts een twintigtal jaren eerder aangekomen. De geestelijke verovering was pas begonnen: de eerste missie van de salesianen dateert namelijk van 1888. Don Milanesio was in die omgeving één van de dappere missionarissen te paard; hij heeft meerdere honderden mensen gedoopt, zelfs duizenden Arauncans (Indianen uit Zuid-Chili en Argentinië). De Dochters van Maria Hulp der Christenen openden op 6 maart 1899 de eerste school voor kleine meisjes in de streek. En de salesianen openden een jongensschool. De Paters Augusto Crestanello en Zacarias Genghini zorgen voor de geestelijke leiding van de twee instituten.
Een feodale landsheer… zonder geloof
In het besef dat er weldra voor haar geen toekomst in Temuco is, beslist Mercedes met haar dochters te vertrekken. Tijdens het mooie seizoen, van december tot maart, trekken regelmatig karavanen van Chili naar het nabije en rijkere Argentinië. In Junín aangekomen, zoekt de jonge vrouw werk om de studies van haar dochters te betalen. Gedurende vijf of zes maanden wordt zij als huishoudster te werk gesteld op een boerderij. Daarna begeeft zij zich naar Ñorquín, in het hoge noorden van Neuquén en uiteindelijk naar Las Lajas, waar her en der salesianen wonen. Mercedes vreest dat zij geen hulp zal vinden om haar dochters een fatsoenlijk leven te bieden en zich niet alleen te voelen. Dan ontmoet zij Manuel Mora, eigenaar van de boerderij van Quilquihue bij het dorp Chapelco, en van andere uitbatingen. Hij is een goede ruiter, met een uitzonderlijke lichaamskracht, heel rijk, de sterke man van de streek. Hij paradeert graag rond en gedraagt zich als een feodale heer op zijn domein met vele bedienden en arbeiders. Wee wie zich tegen hem verzet: dan slaat zijn beminnelijke en ridderlijke manier van doen eensklaps over naar hardheid en grofheid. De Zusters van Junín beschrijven hem als een «rijke veeboer, weinig ontwikkeld en zonder geloof». Doch wanneer hij haar vraagt met hem samen te leven in ruil voor schoolgeld voor haar dochters, laat Mercedes zich overtuigen. Don Genghini van de salesiaanse missie, zal getuigen dat 70% van de huishoudens toen ongehuwd samenwoonden, zonder zich te bekommeren om de burgerlijke of godsdienstige wetgeving.
Het valt Mercedes niet mee bij Manuel Mora, maar zij vindt enige zekerheid bij hem en verdraagt zelfs zijn brutaliteiten. Wanneer zij hoort dat een school wordt geopend door de religieuzen die zij in Temuco heeft gekend, gaat zij erheen om haar dochters in te schrijven. Laura is heel gelukkig op school, en noemt ze “mijn paradijs”. De Zusters waarderen haar vroomheid, naastenliefde en trouw aan de dagelijkse plichten. Zij is vrolijk en probeert te helpen wie het nodig heeft. Het is voor Mercedes een opluchting. Later zal Laura zeggen: «Het Kind Jezus moet tevreden geweest zijn met de beslissing van mijn moeder, en ik ook». De inschrijvingsfiche vermeldt: «Junín, 21 januari 1900. Julia Amanda Vicuña, 6 jaar, Laura del Carmen Vicuña, 9 jaar; Chilenen; ouders: Domingo en Mercedes Pino, Chilenen. Betalen maandelijks vijftien pesos voor elk.» De leerlingen van de school zijn jonge meisjes die gemakkelijker omgaan met de teugels van een paard dan met een pen of naald.
«Mijn beste gebed»
De directrice, Moeder Piai, zal verklaren: «Vanaf de eerste schooldagen, bemerkte men bij Laura een oordeelsvermogen dat boven haar leeftijd lag en een ware aanleg tot vroomheid. Al was zij nog klein, haar devotie was ernstig, niet gemaakt noch overdreven». In afwachting van het begin van het schooljaar op 1 april, wonen de zussen Vicuña in bij de religieuzen. «Ik besefte meteen dat ik zo een uitzonderlijk schepsel voor mij had, dat ik bang was om het werk van de Heer in haar teniet te doen, zal Moeder Piai schrijven. Daarom vertrouwde ik haar bijzonder toe aan Don Crestanello die meer dan ik en intuïtief moet aangevoeld hebben welke schat deze engelachtige ziel verborg, aangezien hij niet alleen de schoonheid ervan bewonderde, maar haar gedurende vier jaar met geestelijke wijsheid en salesiaanse vaderlijkheid onderrichtte.» Laura zal zeggen: «Voor mij is bidden of werken, bidden of spelen, bidden of slapen hetzelfde. Als ik doe wat van mij gevraagd wordt, doe ik wat God wil en dat is wat ik wil. Dat is mijn beste gebed». Zij bereikt zo een hoge en volgehouden graad van gebed, zal haar directrice getuigen, dat men haar tijdens de speeltijd soms opgeslorpt ziet in God. «Het lijkt, zei Laura, dat God zelf de herinnering aan zijn goddelijke Aanwezigheid in mij wakker houdt. Waar ik mij ook bevind, in de klas of op de speelplaats, die herinnering is bij mij, helpt mij en troost mij.»
Toch doet de huwelijkssituatie van haar moeder het kind diep lijden. «Ik herinner mij, zal één van de Zusters vertellen, dat Laura bezwijmde toen ik voor het eerst het sacrament van het huwelijk uitlegde, ongetwijfeld omdat zij door mijn woorden begreep dat haar mama in een staat van doodzonde zou verkeren zolang zij bij deze heer zou blijven… Ik sprak erover met de directrice en deze zei me erop terug te komen om te zien of Laura er echt onder lijdt. Wat ik deed. Zij werd opnieuw bleek en ik moest haar te hulp komen.» Van toen af begon Laura haar gebeden en boetedoeningen te vermeerderen om te verkrijgen dat haar moeder zich terug tot God zou keren en met Manuel zou breken. Tijdens het proces voor de zaligverklaring van haar zus, zal Julia Amanda zeggen: «Zij vroeg mij te bidden, vooral voor mama; ik wist toen niet waarom, maar later wist ik dat zij het deed opdat zij terug de goede weg zou inslaan».
Een goede bedoeling volstaat niet
Het zuiver hart van Laura ziet het gevaar in dat haar moeder bedreigt want het is nooit toegelaten kwaad te doen, zelfs niet om iets goeds te bereiken (cf. Rom. 3,8). De armoede en zorg voor de toekomst van haar dochters zijn voor Mercedes zeker verzachtende omstandigheden. Toch leert de Catechismus van de Katholieke Kerk: «Een goede bedoeling (bijvoorbeeld de naaste helpen) maakt een gedrag dat in zichzelf ongeordend is (zoals leugen en kwaadsprekerij) niet goed of rechtvaardig. Het doel wettigt de middelen niet… De omstandigheden kunnen uit zichzelf de morele kwaliteit van de daden niet veranderen; ze kunnen een daad die in zichzelf slecht is, niet goed of rechtvaardig maken» (nrs 1753-1754). De heilige Johannes Paulus II legt dit principe uit: «De apostel Paulus verklaart: hoerenlopers, afgodendienaars, echtbrekers, schandknapen, knapenschenders, dieven, uitbuiters, dronkaards, lasteraars en oplichters (1 Kor 6,9-10)… De reden hiervoor is veeleer de volgende: het gebod van de liefde tot God en de naaste kent in zijn positieve dynamiek geen bovengrens, maar wel een benedengrens: wanneer men onder deze laatste grens komt, wordt het gebod geweld aangedaan… De Kerk heeft altijd geleerd dat men nooit voor handelingen mag kiezen die door morele geboden verboden worden, die in het Oude en Nieuwe Testament in negatieve vorm gesteld zijn… Er is immers ook sprake van doodzonde wanneer de mens willens en wetens, welke ook de reden zij, dan ook iets kiest wat een ernstige stoornis is. Zo›n keuze houdt in werkelijkheid reeds een minachting van het goddelijke voorschrift in, een afwijzing van de liefde van God jegens de mensheid en geheel de schepping: de mens verwijdert zich van God en verliest de naastenliefde» (Veritatis splendor, 6 augustus 1993, nrs 49, 52, 70).
Op het einde van het jaar 1900 gaan de leerlingen uit elkaar. Zij gaan naar huis voor de vakantie. De school verlaten is voor Laura een waar offer. Zij ging er dagelijks naar de Mis, nam met alle leerlingen en Zusters deel aan het Rozenkransgebed, ging dikwijls biechten en genoot van de wijze raadgevingen van Pater Crestanello. De terugkeer naar school in maart 1901 is dan ook een feest voor haar. Wanneer haar biechtvader haar meldt dat zij dat jaar zal toegelaten worden voor de eerste Communie, stort ze tranen van vreugde. Deze eerste ontmoeting met Jezus in de Eucharistie heeft plaats op 2 juni 1901. Laura is tien jaar. Haar biechtvader zal schrijven: «Zij was altijd heel gehoorzaam, onderdanig, nederig en beminnelijk, maar die dag bemerkte men dat zij in alles een grotere volmaaktheid aan de dag legde, en in haar devoties meer inkeer en vurigheid». Laura zal later zelf uitleggen: «Welke heerlijke ogenblikken! Met Jezus verenigd, sprak ik Hem over iedereen en smeekte voor iedereen genaden en gunsten af!». Pater Crestanello zal als commentaar geven: «Er is veel te verwachten van een kind dat zijn eerste Communie goed doet». Naar het voorbeeld van Dominicus Savio, die in alle salesiaanse scholen tot voorbeeld wordt gesteld, schrijft Laura met eigen hand drie voornemens: «1. Mijn Jezus, ik wil U beminnen en U heel mijn leven dienen; daarom offer ik U heel mijn ziel, heel mijn hart en heel mijn wezen. 2. Ik verkies eerder te sterven dan U door zonde te beledigen; ik wil mij dus ver houden van al wat mij van U zou kunnen scheiden. 3. Ik beloof al het mogelijke te doen, zelfs grote offers, opdat Gij altijd meer gekend en bemind zou zijn, en om de beledigingen te herstellen die U alle dagen aangedaan worden door mensen die niet van u houden, vooral de beledigingen door mijn dierbaren. O mijn God, geef mij een leven van liefde, versterving en offer!» Het enige verdriet dat deze dag verduisterde, is dat haar moeder niet met haar te communie gaat.
Een bron van kracht
«De eerste Communie is ongetwijfeld een onvergetelijke ontmoeting met Jezus; het is een dag die men zich zou moeten herinneren als één van de mooiste van zijn leven. De Eucharistie, door Christus ingesteld tijdens het laatste Avondmaal, op de vooravond van zijn Lijden, is een sacrament van het Nieuwe Verbond, en zelfs het grootste van alle sacramenten. De Heer geeft er zich als voedsel voor de zielen onder de gedaanten van brood en wijn. Kinderen ontvangen Hem de eerste keer plechtig – namelijk bij hun eerste Communie – en zijn uitgenodigd Hem daarna zo dikwijls mogelijk te ontvangen om een vertrouwelijke vriendschapsband met Jezus te onderhouden… In de geschiedenis van de Kerk is de Eucharistie voor heel wat kinderen een bron van spirituele kracht geweest, zelfs van heldhaftigheid» (Johannes Paulus II, 21 november 1994).
Tijdens een vakantieperiode wordt Laura geconfronteerd met de agressiviteit van Manuel Mora. Aangetrokken door haar ontluikende schoonheid probeert hij haar te verleiden. Als gevolg van haar zeer besliste afwijzing, meldt hij Mercedes dat hij het schoolgeld van haar dochters niet meer wil betalen. De verantwoordelijken van de school laten Laura en Julia Amanda hun studies dan gratis verder zetten. Maar Laura lijdt eronder dat de situatie van haar moeder verergert en zij verwijt zichzelf dat zij niets doet om haar te helpen. Het schooljaar van 1902 begint op 1 maart met de voorbereiding van de missie die Mgr. Cagliero, salesiaan en apostolisch vicaris voor Noord-Patagonië, in Junín zal preken. Deze missie begint op 25 maart. Doña Mercedes volgt de missie enkele dagen want haar twee dochters moeten op 29 maart het Vormsel ontvangen. Naar het zeggen van de missionarissen, «was het meest opvallende genadewonder tijdens de missie, het groot aantal huwelijken dat kon ingezegend en gewettigd worden». Mercedes maakt er echter geen gebruik van.
Laura vat in haar hart het plan op voor altijd bij de Zusters te blijven en vraagt aan de directrice de gunst om als aspirante toegelaten te worden bij de Dochters van Maria Hulp der Christenen. Het antwoord is echter negatief. Haar vriendin Francisca Mendoza zal later uitleggen: «Zij zegt me dat zij wil intreden in het Instituut van de Dochters van Maria Hulp der Christenen en haar geloften doen, maar dat zij het tot haar grote verdriet niet kan omdat zij niet de nodige documenten heeft; en zij vraagt me haar te helpen door voor haar te bidden». Het overspel van Doña Mercedes had namelijk twijfels gewekt over de legitimiteit van de geboorte van Laura en de Constituties van de Dochters van Maria Hulp der Christenen zijn strikt op dat punt. Het is pas heel wat jaren later – in 1943 – dat men haar doopcertificaat zal vinden en dat de twijfel is weggenomen. Laura raakt echter niet ontmoedigd en voorbereid door haar biechtvader, doet zij in mei 1902 private geloften. Terwijl zij nog school loopt, helpt Laura dat jaar de jongste leerlingen om zich aan te kleden, te kammen, het bed op te maken, en om proper en blij te blijven. Zo kwijt zij haar schuld uit dankbaarheid aan de school die haar gratis laat studeren. Francisca Mendoza zal zeggen: «Zij gedroeg zich met de kleinen als een moeder», en een vroeger vriendinnetje: «In de twee jaren dat ik bij haar was, zag ik nooit slechte wil of tegenzin bij haar, wat al wel eens gebeurt bij hen die diensten bewijzen».
«Moge mijn moeder gered worden!»
Kort na de missie in Junín in de Andes, die zo’n duidelijke vruchten van bekering droeg, en omdat haar moeder haar ongeordend leven niet opgeeft, neemt Laura een besluit van heldhaftige naastenliefde, dat het kenmerk van haar korte leven blijft: ze biedt zich aan als slachtoffer aan God voor de bekering van haar moeder. Zij herinnert zich namelijk de zin van Jezus: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh 15,13). «Haar vertrouwen op de bescherming van Maria en de goedheid van het goddelijk Hart, zo zegt haar biechtvader, moedigde haar aan om met haar vraag aan te dringen, en omdat zij niets anders meer had om deze genade te verkrijgen, besloot zij haar leven zelf te geven en vrijwillig de dood te aanvaarden in ruil voor deze zo verlangde bekering.» Zij smeekt de priester dat zij deze heldhaftige daad mag stellen en dat hij haar vurig verlangen zou zegenen. Omdat zij aandringt, geeft hij haar na een tijd van aarzeling de gevraagde toelating omdat hij in deze vastberadenheid de duidelijke werking ziet van de Heilige Geest. Laura werpt zich onmiddellijk aan de voeten van de Heer en met tranen van vreugde in de hoop verhoord te worden, biedt zij zich aan Jezus en Maria als slachtoffer aan. Enkele maanden later wordt zij ziek: «Heer, mocht ik alles lijden dat u goed vindt, als mijn moeder zich maar bekeert en gered wordt!».
Op 8 december 1902 wordt Laura toegelaten tot de broederschap van de Dochters van Maria. In het wit gekleed, met een blauwe gordel, nadert de aspirante tot de priester die haar het lint met de medaille geeft en het handboek van een Dochter van Maria, terwijl hij zegt: «Ontvang dit lint en deze medaille, het onderscheidingsteken van Maria Onbevlekt en het uiterlijk teken van uw toewijding aan deze heel zoete Moeder. Bedenk dat ge u bij het dragen ervan moet tonen als haar waardige dochter, door een onschuldig en heilig leven». Julia Amanda zal zeggen: «De dag waarop Laura dit lint als Dochter van Maria kreeg was voor haar één van de vreugdevolste!». Félix Ortiz, een salesiaans seminarist, zal in het dagblad van Viedma op 14 mei 1910 getuigen: «Ook ik ging bij haar op bezoek… Toen ik bij haar bed kwam, vroeg ik wat haar op dit moment het meest gelukkig maakte. Glimlachend fluisterde zij mij in het oor: “Wat mij nu het meest troost, is dat ik altijd toegewijd was aan Maria. Oh ja, zij is mijn Moeder, zij is mijn Moeder! Niets maakt mij meer gelukkig dan te bedenken dat ik een Dochter van Maria ben!”». Zuster María Rodríguez zal dit getuigenis bevestigen: «Laura had een grote devotie voor de Maagd, vooral de Maagd van de Karmel, zoals iedere goede Chileense».
«Morgen zal ik biechten!»
Half januari 1904 biecht Laura voor het laatst en ontvangt daarna de heilige Communie. Zij voelt dat haar einde nadert. Wanneer zij verneemt dat Moeder Piai, Zuster Azocar en Pater Crestanello naar Chili gaan, zucht zij: «Mijn God, ik zal moeten sterven zonder iemand die mij kan helpen! Ach mijn Jezus, wat is dat moeilijk! Maar Uw wil geschiede!». Haar biechtvader vraagt aan Pater Genghini haar tot aan haar dood bij te staan. Op 22e januari, om 5 uur in de morgen, wanneer de karavaan zich op weg begeeft naar Temuco, brengt Pater Genghini haar het viaticum en in de loop van de morgen dient hij haar het Heilig Oliesel toe. Twee vriendinnen zijn aanwezig, María en Mercedes Vera (beiden zullen intreden bij de Dochters van Maria Hulp der Christenen), en ook zuster María Rodríguez en Félix Ortiz. Om 5 uur in de namiddag vraagt Laura aan Pater Genghini haar moeder te roepen. Deze begrijpt dat dit het einde is en roept uit: «Mijn dochter, mijn dochter! Gaat ge mij alleen laten?». Laura overwint haar emotie en antwoordt met bevende stem maar vol tederheid: «Ja, Mama, ik sterf omdat ik het zelf aan Jezus gevraagd heb… Het is bijna twee jaar geleden dat ik mijn leven voor u heb geofferd om van God de genade van uw bekering te verkrijgen. Oh mama! Mag ik vóór mijn dood de vreugde kennen dat ge berouw hebt? – Mijn lieve Laura, ik zweer je op dit ogenblik dat ik zal doen wat je me vraagt… Ik heb berouw, God is getuige van mijn belofte!». Laura is blij: «Dank u Jezus, dank u Maria! Nu kan ik tevreden sterven!». Na deze woorden, ontslaapt zij, om zes uur ’s avonds, op deze 22e januari. Zij is twaalf jaar en negen maanden oud. Julia bemerkt: «Zij was in haar kist gekleed als Dochter van Maria». In de namiddag van Laura’s sterfdag, vraagt Doña Mercedes aan Pater Genghini, dat hij Manuel Mora laat weten niet meer aan haar te denken omdat zij besloten heeft haar leven te veranderen. De priester getuigt: «Tijdens de begrafenis van Laura, heeft Mevrouw Vicuña gebiecht en de Heilige Communie ontvangen… Sindsdien was ik haar geestelijke leider tot zij terugkeerde naar Chili». Doña Mercedes verbergt zich en vlucht daarna naar Temuco. Zij keert daarna terug naar Junín in de Andes en leeft er van haar werk, tot haar dochter Julia Amanda in 1906 huwt. Dan vertrekt zij naar Chili, hertrouwt er en leidt een christelijk leven tot aan haar dood op 17 september 1929, op de leeftijd van negenenvijftig jaar.
Laura werd door de heilige Paus Johannes Paulus II op 25 februari 1982 zalig verklaard. Deze schreef in zijn Brief aan de kinderen: «Als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der hemelen zeker niet binnengaan (Mt 18,3). Stelt Jezus een kind niet tot voorbeeld van de volwassenen? Een kind heeft iets dat niet mag ontbreken bij iemand die het Rijk der hemelen wil binnengaan. De hemel wordt aan iedereen beloofd die eenvoudig is als een kind, aan iedereen die zoals een kind vervuld is met een geest van overgave en vertrouwen, zuiver en rijk aan goedheid. Alleen zij kunnen in God opnieuw een Vader vinden en op hun beurt, dankzij Jezus, kind van God worden» (13 december 1994). Vragen wij aan de zalige Laura een groot medelijden voor de zondaars en een kinderlijke liefde voor onze Vader in de hemel!












