14 Februari 2024
H. Narcisa van Jezus
Dierbare Vrienden,
«Heiligen zijn de uitdrukking en hoogste vrucht van de christelijke identiteit van Amerika. Zij zijn zo diep betrokken in de ontmoeting met de levende Christus dat het een vuur wordt dat hen helemaal verteert en stimuleert om aan zijn Rijk te bouwen», schreef de heilige Johannes Paulus II in zijn apostolische exhortatie Ecclesia in America (22 januari 1999, nr. 15). Dat vuur brandde ook in het hart van de heilige Narcisa de Jesús, het “Niña Narcisa” van Ecuador.
Narcisa de Jesús Martillo Morán is in 1832 op de boerderij van Nobol geboren, in het gehucht San José, aan de kust in Daule, een streek die deel uitmaakt van het aartsbisdom Guayaquil. Zij is het zesde van negen kinderen. Haar vader en moeder, Pedro en Josefa, ongeletterde grondbezitters, zijn mensen met gezond verstand en hun nooit aflatende arbeid levert hun veel bezit op. Narcisa leert de eerste grondbeginselen van de catechismus met groot gemak. Zij valt op door haar liefde voor God, die zij in de natuur ontwaart, en door haar liefde voor de Allerheiligste Maagd Maria. Haar moeder sterft wanneer zij amper zes jaar is. Met de hulp van een kermisonderwijzer en een grote zus leert zij lezen, schrijven, koken en naaien, een kunst die zij werkelijk leert beheersen. Zij heeft ook aanleg voor muziek en speelt gitaar.. In dit patriarchaal landbouwersgezin leert men samen werken en bidden. Het gezamenlijk avondgebed laat men nooit achterwege.
Op 16 september 1839 wordt Narcisa de Jesús gevormd. «Wanneer zij het sacrament ontving, voelde zij in haar hart duidelijk de roeping tot een leven van heiligheid en toewijding aan God. Om volgzaam te zijn aan de werking van de Heilige Geest in haar hart, vroeg zij altijd raad aan deskundige en goede priesters, want zij beschouwde geestelijke leiding als één van de meest doeltreffende middelen om heilig te worden» (Benedictus XVI, homilie voor de heiligverklaring, 12 oktober 2008). Haar kunstenaarsziel is zacht en fijngevoelig. Zonder egoïstisch behagen in haar talenten, probeert zij anderen te helpen. Haar geliefde bezigheid is religieuze zang begeleid door gitaar, vooral getoonzette gedichten van de heilige Theresia van Avila, en ook het bidden van de Ave Maria’s van de Rozenkrans. ’s Morgens staat ze voor de anderen op om zich aan gebed te wijden. Stil gebed ligt haar en zij legt er zich op toe in Gods aanwezigheid te blijven, maar dat maakt haar niet mensenschuw.
«Houd uw geest in de loop van de dag zo veel mogelijk in Gods aanwezigheid, luidt de raadgeving van de heilige Franciscus van Sales… Kijk naar wat God doet en wat u doet; u zal zien dat zijn blik op u is gericht, eeuwig op u gericht, door een met niets te vergelijken liefde…» (Introduction à la vie dévote, II, 12). In zijn Regel schrijft de heilige Benedictus: «De mens moet overtuigd zijn, dat God hem altijd vanuit de hemel gadeslaat en dat zijn doen en laten overal door Gods oog gezien wordt… [dat] de Heer vanuit dehemel voortdurend zijn blik laat gaan over de kinderen der mensen om te zien of er een verstandig is en God zoekt» (Hfd. 7, Eerste trap van nederigheid).
Al heel jong, wordt Narcisa met mystieke genaden begunstigd, maar ook lijden treft haar. De plaatselijke pastoor is haar eerste geestelijke leider. In de loop van de dag kan zij aan haar verlangen naar gebed slechts voldoen in de kleine kostbare momenten die haar taken toelaten. Feestelijke of sociale bijeenkomsten, vooral bals en dansen, vermijdt zij.. Haar familie begrijpt die manier van doen niet en noemt haar la “montubia”, de “wilde”, een woord met een negatieve bijklank. Zij helpt haar familie nochtans als feesten worden voorbereid, maar zodra de genodigden aankomen, verdwijnt zij onopvallend. Dan trekt zij zich onder een fruitboom terug om te bidden – een plaats die sindsdien een bedevaartsoord is.
Deelnemen aan feesten is zeker normaal en kan verdienstelijk zijn als het uit liefde voor God en de naaste gebeurt. Maar Narcisa de Jesús vermijdt feesten door een bijzondere ingeving van de Heilige Geest. God trekt sommige zielen namelijk naar de eenzaamheid, volgens het woord van de profeet Hosea: Ik zorg dat zij naar de woestijn gaat en spreek tot haar hart (2,16). Wanneer Narcisa daar in gebed is, heeft zij geen besef van tijd en kan niets haar afleiden. Zij beseft dan zelfs niet dat stortregens over het land jagen. Op een zware onweersdag laat haar vader, don Pedro, haar zoeken. De mannen keren druipnat en onverrichter zake terug. Maar als Narcisa thuiskomt, zijn haar kleren kurkdroog…
Deelgenote aan het Verlossend Offer
Narcisa de Jesús voelt zich door God geroepen om boete te doen voor de wereld die het niet doet. Wanneer men haar probeert te overtuigen haar vele boetedoeningen te milderen, antwoordt zij: «Ik ben op de wereld gekomen om te lijden». Zij wil daarmee zeggen, om God haar liefde te bewijzen door aan het lijden van Christus deel te nemen..Inderdaad, «Jezus heeft vrijwillig zijn leven gegeven als zoenoffer, dat wil zeggen: Hij heeft onze zonden goedgemaakt door de volmaakte gehoorzaamheid van zijn liefde tot de dood, leert het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk. Deze liefde tot het uiterste (Joh 13,1) van de Zoon van God, verzoent heel de mensheid met de Vader… Door zijn leerlingen op te roepen hun kruis op zich te nemen en Hem te volgen, wil Jezus hen, aan wie zijn verlossend offer het eerst ten goede komt, met dit offer verenigen» (nrs. 122 en 123).
Zoals Mariana de Jesús de Paredes (kluizenares en “Lelie van Quito” genoemd, 1618-1645, in 1950 heilig verklaard), wordt ook Narcisa de Jesús Gods roeping gewaar om zich als slachtoffer met het verlossende offer van Jezus te verenigen, voor haar eigen heil en dat van alle mensen. Toch maakt het boeteleven dit mooie, sterke en lenige meisje met de blauwe ogen niet droevig doch integendeel, beminnelijk en gelukkig. Haar zacht en vreedzaam karakter maakt haar uiterst goed en gehoorzaam, edelmoedig en vol medeleven met de armen. Zij leeft en werkt zoals alle andere jonge plattelandsvrouwen en verricht haar werk uit liefde voor God en met grote zelfopoffering. Naast de huishoudelijke taken is Narcisa naaister van beroep.. Door haar goedheid houdt zij van iedereen, thuis en in de buurt. Als het erom gaat iemand te helpen, is zij altijd beschikbaar. Als uitstekende catechiste kan zij niet anders dan het vuur van Gods liefde doorgeven. Een plaatselijk miraculeus beeld, de “Heer van Wonderen”, dat de gekruisigde Christus voorstelt en een bron is van veel genaden, inspireert haar bijzonder. Bij de dood van haar vader in 1851 of 1852 is haar verdriet enorm. Zij is twintig wanneer de Heer haar vraagt in Guayaquil te gaan wonen. Haar familie achterlaten en naar den vreemde trekken, vallen haar zeer pijnlijk.
Een ontwikkelde dame uit de hoge burgerij, Mevrouw Silvana Gellibert, die bij de kathedraal in Guayaquil woont, heeft dichtbij de boerderij van Martillo een eigendom op het platteland. Zij is heel vroom en dat verbindt haar door een diepe geestelijke vriendschap met Narcisa die zij naar de grote stad meeneemt. Als grootste haven van Ecuador werd Guayaquil in 1838 een bisdom, maar de zetel is al meerdere maanden vacant. De 55 km die Daule van de grote haven scheiden, worden te water afgelegd aan boord van een klein stoomschip.. Bij het eerste contact met de stad en de drukte is Narcisa het noorden kwijt. Maar haar intens innerlijk leven helpt haar om zich spoedig aan te passen. Zij verlangt uit heel haar hart onopgemerkt te blijven en een heel bescheiden plaats in te nemen. Ze wordt ondergebracht op een kleine zolderkamer, met een hangmat als bed. Voortaan kan zij dagelijks naar de Mis gaan en dikwijls de sacramenten ontvangen. Onder de plaatselijke geestelijken merkt het jonge meisje kanunnik Luis de Tola op, rector van het diocesaan seminarie en toekomstig bisschop. Hij kwam geregeld naar Daule. Deze priester wordt haar eerste geestelijke leider en Narcisa de Jesús geeft blijk van grote volgzaamheid aan zijn instructies. Zijn eerste zorg bestaat erin de angsten van de jonge vrouw te verdrijven, want hij ziet de Heilige Geest werkzaam op haar geestelijke weg. Toch schakelt kanunnik Tola voor de leiding van deze eerder ongewone boetelinge, kanunnik José Tomàs de Aguirre in. Ook hij zal bisschop van de havenstad worden. Dagelijks bidt Narcisa privaat het kleine Officie van de Heilige Maagd en sluit zich in de geest aan bij het groot Officie dat door kanunniken van de kathedraal wordt gebeden. ’s Avonds bidt zij met de familie Gellibert het rozenhoedje en verdwijnt dan discreet naar haar zolder, terwijl iedereen voor de avond samenblijft.
Parijse mode
Haar hoofdbezigheid blijft naaien. In die tijd bestaan in Guayaquil nog geen naaimachines en kleren maken vraagt veel werk. De eerste klant van Narcisa is haar gastvrouw, doña Silvana. Doch haar faam als naaister doet vlug de ronde en de bestellingen stromen binnen. Er wordt haar zelfs gevraagd haute couture te maken, geïnspireerd door de mode van Parijs. Bij haar werk legt zij zich toe op een raadgeving van de heilige Theresia van Avila: «Maak van elke steek [van het naaiwerk] een akte van liefde». Tegelijkertijd vermeerdert zij echter haar boetedoeningen in de mate dat haar geestelijke leider het toelaat, om meer aan de lijdende Christus gelijkvormig te worden. Wat zij eet, is heel beperkt. Met grote fijngevoeligheid en liefde wijdt zij zich daarenboven aan de verzorging van zieken. Zij is weldra geliefd, zowel in de woning van haar gastvrouw als in de buurt.
Doch deze populariteit gaat in tegen haar verlangen onbekend te zijn en zij zoekt een andere woonplaats. Doña Silvana laat haar met spijt vertrekken. Narcisa de Jesús vindt werk in het grote patriarchale huis van kolonel Camille Landin. Er wordt haar een mooie kamer op de eerste verdieping aangeboden, maar die weigert zij en ze kiest een berghok, onder het dak. Zij oefent haar beroep van naaister uit zowel voor de bescheiden kleding van het dienstpersoneel als voor de mooie galakleding van de meesteres des huizes, doña Carmen. Deze is echter niet vlug tevreden en wanneer een jurk niet helemaal aan haar smaak voldoet, aarzelt zij niet het te zeggen. De dag van Narcisa de Jesús wordt geritmeerd door de klokken van de Sint-Franciscuskerk van de franciscanen, aan de overkant van de straat. Zij gaat daar op weekdagen om vijf uur naar de Mis en ’s zondags om vier uur. In navolging van de heilige Marina de Jesús schaft zij zich een groot kruis aan met nagels die uitsteken. Zij steekt haar armen in de ringen die op de horizontale balk vastgemaakt zijn en bidt lang in die houding om beter op Christus te gelijken. «In haar gepassioneerde liefde voor Jezus, die haar ertoe brengt een weg van intens gebed en versterving te gaan en zich steeds meer met het Kruismysterie te identificeren, geeft Narcisa de Jesús ons een fascinerend getuigenis en het volmaakt voorbeeld van een leven dat helemaal aan God en zijn broeders is gewijd» (Benedictus XVI, homilie van de heiligverklaring).
Moreel gezag
Spoedig dwingt haar heilig leven van iedereen respect en liefde af. Ondanks haar nederigheid, geniet zij zelfs een zeker moreel gezag ten opzichte van doña Carmen: wanneer het dienstpersoneel op een fout wordt betrapt, zoekt het dikwijls toevlucht bij Narcisa in de hoop op erbarmen. Een jaar en half later, meent zij opnieuw te moeten verhuizen. Zij raadpleegt daarvoor haar geestelijke leider. Een ongerieflijke en vochtige kamer in het huis van weduwe Maria Orias, wordt haar nieuw onderkomen. In die tijd lijken de eerste open aanvallen van de duivel tegen haar zich te manifesteren en in 1859 onderneemt kanunnik Tola een lange reis naar Lima in Peru, om zijn gebrekkige tante te verzorgen. Een pijnlijke ervaring voor Narcisa, die de afwezigheid van haar geestelijke leider als een gemis aanvoelt. Vóór zijn vertrek vertrouwt hij haar toe aan een jonge maar uitstekende priester, don José Millán, die zijn opleiding beëindigt en die haar geestelijke weg bevestigt. Don José brengt haar in contact met Mercedes Molina, een juffrouw uit de hogere kringen, die van alles afstand heeft gedaan om nog alleen voor Jezus te leven (zij zal een religieuze orde stichten en in 1985 door de heilige Johannes Paulus II zalig verklaard worden). Beiden volgen ’s morgens de eerste Mis in de kathedraal.
In hetzelfde jaar wordt Narcisa de Jesús verzocht om het huis te onderhouden van kanunnik Pedro Pinto. Na haar leider geraadpleegd te hebben, aanvaardt zij deze post als een waar apostolaat. Zij neemt de leiding van dit grote huisgezin op zich, doch zo een achtenswaardige en belangrijke situatie brengt haar in verwarring. Na enkele weken dient zij haar ontslag in en verhuist terug naar de familie van Mercedes Molina, waar zij onder de trap kan intrekken. Met Mercedes, één van haar zussen en een andere juffrouw, leiden zij in grote eensgezindheid een bijna religieus leven; men noemt hen de vier “gelukzaligen”. Josefa, een nicht van Narcisa, die met haar tante het beroep van naaister uitoefent, woont bij hen in. Zij zal over de meerdere mystieke genaden van haar tante getuigen. Daar hoort ook de gave van profetie bij: zo suggereert zij bijvoorbeeld aan een nicht van Mercedes in de karmel de naam van Zuster Mercedes van het Kruis aan te nemen, omdat zij een lijdensweg zal gaan. En inderdaad, haar veertigjarig religieus leven wordt een lang martelaarschap.
In 1862 ontschepen jezuïetenpaters in Guayaquil en vestigen zich dichtbij de woning van de “gelukzaligen”. Weldra zal één van hen, Pater Segura, biechtvader worden van Narcisa de Jesús; hij maakt haar vertrouwd met de spiritualiteit van de heilige Ignatius, vooral door De oefening der christelijke volmaaktheid, een boek van Pater Alfonsus Rodriguez, en dat wordt haar geliefde lectuur. Voortaan ondertekent zij niet meer met Martillo, maar met Narcisa de Jesús om duidelijk te maken dat zij een bruid van Christus is. In 1865 sticht een andere jezuïet, Pater Garcia, de vereniging van de Dochters van Maria en Narcisa schrijft zich daar graag in. Het volgend jaar is zij bereid don Millán naar Cuenca (dat zuid-oostelijk van de hoofdstad ligt) te vergezellen, maar longtuberculose verplicht hem terug naar huis te gaan. Na een gedenkwaardige reis zet zij zich in om dit kostbaar leven voor de Kerk te redden. Maar minder dan een jaar later, rukt de ziekte deze goede priester uit het leven weg en bevindt Narcisa zich alleen op haast vreemd grondgebied. Mgr.. Estévez, bisschop van Cuenca, nodigt haar uit om in zijn stad te blijven en de eerste steen te worden van een karmel van strikte observantie die hij wil stichten. Zij wijst dat aanbod af omdat zij meent dat haar zending erin bestaat heilig te worden als leek in de wereld. In 1867 is zij terug in Guayaquil en biedt Mercedes Molina, die pas een weeshuis heeft gesticht, een tijd haar hulp aan. Daarna keert zij terug naar doña Silvana Gellibert en neemt daar haar leven van gebed, boete en werk weer op. Met haar inkomsten kan zij vijf bedelaars eten geven en verzorgen.
Acht uur per dag
In 1868 nodigt een franciscaner Pater haar dan uit hem naar Lima in Peru te volgen, om zich aan te sluiten bij andere “zaligen” die in de geest van de dominicaner Derde orde in gemeenschap leven en die de plaatselijke aartsbisschop wenst te hervormen. Het is voor Narcisa de Jesús een nieuwe ontworteling. Zij sluit bij deze vrouwen aan die volgens een nauwkeurig reglement met een hervorming beginnen. Zij helpt op de ziekenboeg en zorgt voor het linnen. Don Medina, de toekomstige bisschop van Trujillo, is haar geestelijke leider. Hij is jonger dan zij maar niettemin begaafd met buitengewone geestelijke rijpheid die hem in de mogelijkheid stelt haar te begrijpen en te helpen. De buitengewone genaden die het leven van Narcisa de Jesús kenmerken, doen haar denken dat zij door de duivel wordt misleid. De priester stelt haar gerust en onderricht haar dieper in de onderscheiding der geesten. Narcisa deelt hem regelmatig en nederig de genaden mee die zij ontvangt. Met zijn goedkeuring brengt zij dagelijks acht uren door in gebed, vier overdag en vier ’s nachts.
Zoveel uren gebed zijn iedereen niet gegeven, maar het is goed tijd aan de Heer te wijden, zoals de heilige Charles de Foucauld dat aanbeveelt: «Opdat ons leven een gebedsleven zou zijn, zijn twee dingen nodig. Vooreerst, voldoende tijd om zich dagelijks uitsluitend aan het gebed te wijden. Vervolgens, tijdens andere bezigheden met God verenigd blijven, aan Zijn aanwezigheid blijven denken en ons hart en onze blik dikwijls tot Hem richten» (Geestelijke geschriften).
Aan niemand anders
In huis is er geen dagelijkse Mis. Narcisa de Jesús installeert zich dan bij de deur en van zodra zij een priester voorbij ziet gaan, vraagt zij hem haar de Communie te geven, want zonder Communie kan zij niet leven. Zij legt bij haar biechtvader verschillende private geloften af, waaronder die van armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Op een dag haalt Christus Zijn Hart uit Zijn borst en laat het haar kussen, waarbij Hij zegt: «Dat is een genade die ik aan niemand anders gaf!». De liefde van Narcisa voor Jezus’ Hart wordt er veel groter door. Zij kondigt ook op voorhand bepaalde gebeurtenissen aan zoals de toekomst van het huis van de “zaligen” waar zij woont, de missies in de jungle van Peru, de verheffing van Pater Medina tot het bisschopsambt… Haar boeteleven gaat verder en slaat de artsen met verbazing: zij kunnen niet begrijpen hoe zij met zo weinig eten kan overleven. Haar sterke gezondheid is inderdaad een buitengewone gave van de Heer.
Velen denken dat het onmogelijk is heilig te worden omdat zij bij heiligen alleen oog hebben voor de buitengewone genaden: verstervingen die afschrikken, visioenen, extases, wonderen, profetieën… Maar daar is heiligheid niet in gelegen.. Zij bestaat erin door liefde en daadwerkelijke beoefening van de deugden met God verenigd te leven, onder leiding van Zijn Geest. De heilige Paulus beschrijft de uitwerkingen van de heiligheid die de Heilige Geest voortbrengt: Liefde, vreugde, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtheid, ingetogenheid… Zij die Christus Jezus toebehoren hebben het vlees gekruisigd met zijn hartstochten en begeerten. Daar wij leven door de Geest, willen we ook leven volgens de Geest (Gal 5,22-25).
Op een dag maakt de Heer aan Narcisa de Jesús haar nakende dood bekend. Het vooruitzicht, de Hemel binnen te gaan, verheugt haar. Op 24 september 1869, feest van Onze-Lieve-Vrouw van Erbarmen, ziet zij na de Communie Onze Heer en Onze-Lieve-Vrouw in extase. Zij nodigen haar uit een genade te vragen.. Zij vraagt voor meerdere personen de kostbaarste parel (cfr. Mt 13,45) – het eeuwig leven, en daarna haar eigen intrede in de Hemel. Een sterke, onverklaarbare koorts dient zich dan aan. In haar laatste brief bedankt zij haar vrienden in Guayaquil, vooral donña Silvana Gellibert aan wie zij haar boetekruis nalaat. In heel de wereld wordt gebeden voor het aanstaande oecumenisch Vaticaans concilie, bijeengeroepen door de zalige Paus Pius IX, dat op 8 december geopend wordt. Op die dag kleedt Narcisa de Jesús zich in het wit en brengt de dag door in diep gebed. ’s Avonds neemt zij afscheid van de zusters, want zij zegt: «Ik vertrek voor een verre reis». De zusters denken aan een grapje. Kort nadien laat de zuster die de cellen voor de nacht zegent, de overste weten dat in de cel van zuster Narcisa een buitengewoon licht straalt, dat gepaard gaat met een heel aangename geur. De overste snelt toe en stelt vast dat zuster Narcisa overleden is. Zij is 37 jaar. Men denkt dat zij haar leven gaf voor het oecumenisch concilie dat het dogma zou uitvaardigen van de onfeilbaarheid van de paus.
Talrijke genaden worden weldra op haar voorspraak verkregen. Drie dagen na haar dood, blijft het lichaam soepel en vertoont geen tekenen van verval. De ambassadeur van Ecuador in Lima vraagt aan Mgr. Medina een verslag van de feiten ten behoeve van Garcia Morena, toen president van Ecuador (van wie het proces van zaligverklaring in Quito geopend werd). Een eeuw later, in 1955, wordt het lichaam dat nog altijd intact is, naar Guayaquil overgebracht, waar op 22 augustus 1998 een heiligdom aan haar wordt toegewijd. De kleine stad Nobol heet vandaag ook Narcisa de Jesús. Op 12 oktober 2008, verklaart Paus Benedictus XVI Narcisa de Jesús heilig.
«Jezus nodigt ieder van ons uit Hem te volgen zoals de heiligen, op de kruisweg, om daarna het eeuwig leven te ontvangen dat Hij ons gaf toen Hij stierf. Moge hun voorbeeld een aanmoediging voor ons zijn; moge hun onderricht ons leiden en sterken; moge hun voorspraak ons tot steun zijn in de dagelijkse kommer, zodat wij ooit met hen en met alle heiligen de vreugde van het eeuwig bruiloftsmaal in het hemelse Jeruzalem mogen delen! Moge Maria, Koningin van de heiligen, vooral deze genade voor ons verkrijgen!» (Benedictus XVI, homilie van de heiligverklaring, 12 oktober 2008).












