19 Maart 2024
Zalige Maria van de Menswording
Dierbare Vrienden,
In het eenzame koude noorden van Frans Canada, ten tijde van Lodewijk XIV, vertelde een religieuze een herinnering uit haar kinderjaren die terugging naar haar achtste jaar: «Op een nacht, terwijl ik sliep, leek het alsof ik me op de binnenplaats van een school bevond… Plotseling ging de hemel open en kwam Onze-Lieve-Heer tevoorschijn, naar mij toe! Toen Jezus naderbij kwam reikte ik hem mijn armen toe om Hem te omhelzen… En Jezus omhelsde mij liefdevol en zei: “Wil je van Mij zijn?” – Ja, antwoordde ik…» Dat “ja” tot God, sleutel van haar hele bestaan, zal heilige Marie de l’Incarnation voortdurend bij iedere gelegenheid blijven herhalen, zowel in vreugdevolle tijden als in tegenspoed. Zij werd “de moeder van de katholieke Kerk in Canada” genoemd.
Marie is geboren op 28 oktober 1599 in Tours, als dochter van Florent Guyart, meester bakker, en Jeanne Michelet, en is het vierde van zeven kinderen. Het gezin Guyart geeft zijn kinderen een door en door christelijke opvoeding en gedegen onderwijs. Marie helpt haar vader met brood bakken, voldoende om de grondbeginselen van het vak en de leiding over een onderneming enigszins onder de knie te krijgen en gaat eveneens naar de plaatselijke school.
Al jong voelt Marie zich aangetrokken tot hemelse zaken en bedenkt een vorm van “meditatie”: ze vertelt uitvoerig haar «onbeduidende zaakjes» aan de Goede God.. Al vroeg geeft ze blijk van een evenwichtige rijke natuur die zowel is gebaseerd op mystieke ervaringen als praktische verworvenheden. Rond haar veertiende levensjaar wordt duidelijk dat Marie zich voeltaangetrokken tot het religieuze leven. Maar omdat haar ouders haar zien als een blijmoedig en leuk meisje, denken ze dat ze bestemd is voor het huwelijk: hoewel zeer vroom, las het meisje wereldse romans.. In 1617 wordt ze ten huwelijk gevraagd door Claude Martin, meester zijdespinner, die leiding geeft aan een hierin gespecialiseerde fabriek. Marie die bijna achttien is durft zich niet tegen haar ouders te keren en gaat deze verbintenis aan. Ze belooft God echter zich volledig aan Hem te wijden als ze op een dag weduwe wordt. In oktober ontvangt ze uit handen van God, aan de voet van het altaar, de echtgenoot die voor haar is bestemd.
Haar zoon en eerste biograaf, Dom Claude Martin, zal over zijn moeder zeggen: «Daar ze haar man beschouwde als plaatsvervanger van God, ontving hij alle blijken van eerbied en dienstwilligheid die ze maar kon geven; ze hield van hem, niet alleen om zijn lichamelijke en geestelijke kwaliteiten, maar meer nog omdat God haar ertoe verplichtte.» Marie krijgt te maken met huiselijke problemen die worden veroorzaakt door een jaloerse schoonmoeder, en financiële zorgen die uitlopen op het failliet van de onderneming van haar man: «God, zo zal ze schrijven, wilde mijn ziel voorbereiden op zijn genaden en deze uitzuiveren in beproevingen.» Ze ervaart een hevig verlangen naar volmaaktheid. Ondanks de toegewijdheid van de voorbeeldige echtgenote waar ze blijk van geeft, voelt ze de tweestrijd waar heilige Paulus gewag van maakt: Ik zou willen dat gij zonder zorgen waart. Wie niet getrouwd is, heeft zorg voor de zaak des Heren, hoe hij de Heer kan behagen. Maar de getrouwde heeft zorg voor aardse zaken, en wil zijn vrouw behagen, en zijn aandacht is verdeeld (1 Kor.. 7,32-33).
Marie wordt gedreven door grote ijver om de vrees en de liefde voor God in haar huis en op de werkplaats te laten zegevieren, en «om alle openingen waardoor de zonde naar binnen zou kunnen komen te dichten». Door haar liefde voor de naaste en haar fijnbesnaarde persoonlijke attenties, weet ze de genegenheid van haar personeel te winnen. Discreet dringt ze erop aan dat het personeel haar vaak in vertrouwen neemt. Daar ze het talent, de discretie en het gemak bezit zich goed uit te drukken wordt hetgeen ze zegt begrepen en goed opgevat. Terwijl ze zo handelt heeft ze het Woord van God altijd in gedachten: «Doordat ik de Psalmen goed had overpeinsd schoten mij ieder moment passages te binnen, waarvan ik me bediende tijdens mijn ontmoetingen… Terwijl ik zo bezig was met mijn werk riep ik Gods ontferming in met de mij vertrouwde verzuchting: Bij U, o Heer, zoek ik toevlucht, laat mij niet voor immer vernederd» (Ps.. 30,2).
Op haar negentiende, april 1619, schenkt Marie het leven aan een zoon die de voornaam Claude draagt, zoals zijn vader; zes maanden later sterft deze, ongetwijfeld door de klap van het faillissement van zijn zijdespinnerij. Als twintigjarige weduwe moet Marie de liquidatie van de zaken van haar man afhandelen. Het gaat om processen beëindigen, klanten en debiteuren tevredenstellen, de toekomst voorzien. «Al deze kruisen, zo zal ze zeggen, waren natuurlijk veel groter dan iemand van mijn leeftijd en geslacht, met mijn capaciteit en mijn geringe ervaring, had kunnen dragen. Maar de uitzonderlijke goedheid van God zorgde in mijn hart en in mijn geest voor een kracht en een moed die maakten dat ik alles kon verdragen. Mijn steun putte ik uit deze heilige woorden: Ik ben met hem in de nood (cf. Ps. 90,15) … Op die manier bracht ik alles wat ik ondernam tot een goed einde.»
Een onweerstaanbare kracht
Marie trekt zich terug bij haar vader, en haar verlangen naar het klooster komt terug en wel met grote aandrang. Maar de erbarmelijke staat waarin haar zaken verkeren en haar zoon die nog een baby is houden haar in de wereld. Talloze mannen dingen naar haar hand; men dringt erop aan dat ze hertrouwt om uit de financiële problemen te komen. Na enige aarzeling besluit ze echter gehoor te geven aan haar verlangen naar de eenzaamheid en legt de gelofte van kuisheid af. Ze begint geestelijke boeken te lezen en zich intiem met God te onderhouden.. Plotseling komt God in haar leven tevoorschijn. Ze vertelt zelf over de mystieke ervaring die wat zij zelf haar «bekering» noemt veroorzaakte. Op een ochtend toen ze haar bezigheden weer begon op te pakken overvalt haar een onweerstaanbare kracht die haar midden op straat tot stilstand brengt.. Een ogenblik lang opent zich haar geestesoog en krijgt ze al haar fouten en tekortkomingen te zien, met «een helderheid die iedere zekerheid overtrof». Tegelijkertijd ziet ze zichzelf gedompeld in het verlossende Bloed van de Zoon van God. Ze gaat te biecht bij de eerste priester die ze aantreft in de kapel van de Bernardijnen en komt er zo radicaal veranderd uit tevoorschijn dat ze zichzelf niet meer herkent.
Marie verlangt naar een leven in afzondering, maar haar zus Claude, getrouwd met Paul Buisson, koopman, nodigt haar in 1621 uit bij haar te komen wonen. Ze aanvaardt dit aanbod om haar levensonderhoud en dat van haar zoon veilig te stellen, maar is wel van plan een leven van zelfopoffering en dienstbaarheid te leiden.. Zo stelt ze zich in het begin op als «dienares der dienaren» en belast zich met de ondankbaarste taken in het huishouden. Om beurten is ze kokkin, kamermeisje, ziekenverzorgster en gaat aan de slag met een dertigtal «karrenmannen» (handarbeiders) om ze het vloeken af te leren, en te verzorgen als een moeder wanneer ze ziek zijn. In hetzelfde jaar, echter, voeren mystieke genaden haar naar nog nauwere vereniging met Christus. Terwijl ze reeds met God verbonden is door de gelofte van kuisheid, legt ze ook die van armoede en gehoorzaamheid af.
Haar administratieve vaardigheden blijven echter niet onopgemerkt; in 1625 vertrouwt Paul Buisson haar de verantwoordelijkheid voor zijn riviervervoersbedrijf toe. Marie moet opeens het hoofd bieden aan «zakelijke beslommeringen», in gesprek gaan met een groot aantal klanten, op de kaden van de Loire. Ze noemt de ervaring zelf echter een «innerlijk paradijs» en krijgt openbaringen over het geheim van de heilige Drie-eenheid die ze niet onder woorden kan brengen. Ze is zevenentwintig jaar en haar zoon Claude acht. Bijgestaan door Dom Raymond de Saint- Bernard, bernardijner (cisterciënzer) monnik, wacht Marie Martin geduldig tot Gods wegen zich duidelijk beginnen af te tekenen. Ze kiest de Ursulinen omdat een innerlijke stem haar zegt dat God haar daar wil hebben. De Orde van de Heilige Ursula is gesticht in november 1535, in Brescia, in Lombardije, door heilige Angela Merici (1474-1540). De Ursulinen kwamen in Frankrijk in 1608; binnen de kloostermuren wijden zij zich voornamelijk aan de opvoeding van jonge meisjes, evenals aan de zorg voor zieken en behoeftigen.
«Geef mij mijn moeder terug!»
Marie Martin, voortaan Zuster Marie de l’Incarnation (niet te verwarren met Mevrouw Acarie, karmelietes, die dezelfde kloosternaam droeg), legt in 1633 haar kloostergeloften af.. Weldra is ze onder-novicemeesteres en lerares in de christelijke leer, maar koestert in het geheim de overtuiging dat het klooster van Tours voor haar slechts een doorgangshuis is. Langzaam maar zeker wordt haar apostolische roeping duidelijker.. In haar droom leidt God haar rond in een wijds land «vol dichte mistflarden».Later zegt de Heer uitdrukkelijk tegen haar: «Canada heb ik je laten zien; jij moet daar een huis voor Jezus en Maria gaan opzetten.» De Verslagen van de Jezuïeten lichten Marie in over de missies in «Nieuw-Frankrijk». Pater Poncet zorgt voor een ontmoeting met Marie-Madeleine de La Peltrie, gefortuneerde weduwe die zich graag wilde wijden aan de evangelisatie van de kleine Amerindianen. Menselijk gesproken lijkt het een volslagen dwaze onderneming: hoe moest je je zwakke vrouwen voorstellen op een oceaan van valkuilen en piraterij? Talloze bezwaren worden tegen dit project opgeworpen. Mgr. d’Eschaux houdt zich doof,maar erkent uiteindelijk Gods wil in deze onderneming. Na duizend moeilijkheden te hebben opgelost, scheept Marie de l’Incarnation, vergezeld van Mevrouw de La Peltrie, die de stichting bekostigt, en van twee Ursulinen, op 4 mei 1639 in op de Saint-Joseph, op weg naar de Nieuwe-Wereld. In de loop van de overtocht loopt het schip bijna stuk op een ijsberg. Op 1 augustus komen de reizigsters aan in Québec.
De vestiging van de Fransen in Canada was pas zo’n dertig jaar tevoren begonnen met de stichting van Québec door Champlain. De ontwikkeling verliep traag vanwege het gebrek aan kolonisten – in 1640 waren het er minder dan 3000 – en de onveiligheid. De stad was omgeven door vestingwerken, aanvankelijk van hout; de niet vijandige Amerindianen, voornamelijk de Hurons, konden er binnendringen, in tegenstelling tot wat gebruikelijk was bij de Engelsen; zo werden contacten gelegd en kwam er uitwisseling tot stand. De aanvallen van de Irokezen (een andere inlandse stam in de regio), aangezet door de Engelsen, kwamen betrekkelijk veel voor, wat de Fransen dwong zeer voorzichtig te zijn.
Een mystica in actie
Moeder Marie de l’Incarnation voelt zich snel overgelukkig met het enthousiasme dat ze waarneemt in de jonge Kerk van Canada. Ze vindt het heerlijk deel te nemen aan de Missie, in het volledige besef dat het dagelijks leven eenvoudig bikkelhard is.Vanaf het begin bevestigt ze de talenten die ze bezit als «zakenvrouw». Ze vestigt zich in alle haast in een huis in de benedenstad, een noodwoning die ze haar «Louvre» noemt. Om zich tegen de kou te beschermen moeten ze slapen in met serge beklede kisten. In 1642 verhuizen ze naar een mooi stenen klooster dat drie verdiepingen telt, 30 meter lang en negen meter breed is: iets prachtigs voor het land. Maar in de nacht van 31 december 1650 vernielt een brand dit onderkomen dat dankzij immense offers tot stand was gekomen. De stichteres laat zich niet ontmoedigen en begint opnieuw met bouwen. Met succes, gesteund door goddelijke hulp, met veel energie en vindingrijkheid en met de opgehaalde aalmoezen. Marie de l’Incarnation is echt een «mystica in actie». Ze werkt in de tuin, beheert een boerderij, laat bouwputten graven. Bestuurders, administrateurs en notabelen van de kolonie raadplegen haar in wereldlijke zaken.. Haar leiderscapaciteiten komen het heil der zielen ten goede. De Jezuïeten zijn haar geestelijke leidsmannen; ze gaat met ze mee uit genoegen, zelfs op hun onderzoekings- tochten bij de Amerindianen, tijdens welke acht onder hen, bijna allen persoonlijk bekend bij de Ursulinen, tussen 1642 en 1649 de marteldood zullen sterven; zij zijn in 1930 heiligverklaard..
De Ursulinen zijn vooral voor het onderwijs aan meisjes naar Canada gekomen. Daags na hun aankomst in Québec ontvangen ze alle jonge Franse meisjes om hen te onderrichten in vroomheid en goede zeden. De Ursulinen nemen eerst achttien tot twintig betalende kostschoolleerlingen op. Met de jaren neemt het aantal toe en wordt de taak zwaarder. «Als de Ursulinen er niet waren, schrijft Moeder Marie, zouden de meisjes voortdurend gevaar lopen voor hun heil»: wanneer ze aan zichzelf zouden zijn overgeleverd in de harde wereld van de kolonisten, zouden ze zich blootstellen aan het gevaar van zedenverwildering. Voor ze sterft zal de stichteres de vertroosting genieten het kloosterkleed uit te reiken aan meerdere van geboorte Canadese meisjes die het werk voortzetten.
Maar Marie de l’Incarnation behoudt altijd het beste van haar zelf voor aan de kleine Amerindiaanse meisjes. Ze ontvangt ze met open armen, doet haar best ze te begrijpen, ze te catechiseren, ze gelukkig te maken. Alle nonnen raadt ze aan «de kleine manieren van groeten en woorden van genegenheid» te gebruiken in hun contact met de inlandse leerlingen. Vaak noemt zij ze de «geneugten» van haar hart en «de mooiste pareltjes» aan haar kroon. Ze bekent echter dat het «bijna onmogelijk» is hun de cultuur en Franse levenswijze bij te brengen; je gaat niet in een paar maanden over van het primitieve leven van kinderen uit de bossen naar de gepolijste zeden van de Franse zeventiende eeuw.
«Houd goede moed, heilige meisjes!»
Intens is ook het apostolaat van Moeder Marie onder de volwassen Amerindianen. Ze bewondert het eenvoudig geloof van deze beginnelingen; hun Doop bijwonen in de kapel van de Ursulinen is een van haar grootste vreugden. Op meer dan veertigjarige leeftijd en met behulp van de Jezuïeten, begint ze aan de studie van Amerindiaanse talen, en zij zal ze zo ver onder de knie krijgen dat ze in staat is een Frans-Algonkins woordenboek en een Irokees woordenboek en catechismus te produceren. Na de brand van 1650 vrezen de Huron dat ze Marie de l’Incarnation en haar metgezellinnen zullen verliezen. Het hoofd Taiearonk spreekt deze ontroerende woorden: «Houd goede moed, heilige meisjes, laat je niet overwinnen door de liefde voor jullie ouders en laat vandaag zien dat de genegenheid die jullie koesteren voor de primitieve armen een hemelse naastenliefde is die sterker is dan de natuurlijke banden!»
De hoop op een harmonieuze versmelting van de volken van Canada komt niet echt tot vervulling. De Amerindianen hebben in het algemeen geen gevoel voor zittend leven, noch voor de landbouw. Ze hebben een zwak voor alcoholische dranken die weinig gewetensvolle kolonisten hun in ruil geven voor bontvachten; de missionarissen zijn verplicht hen op afstand te houden van de centra van Europese bevolking die voor hen aanstootgevend zijn geworden. Deze situatie bedroeft Marie de l’Incarnation zeer. Zij vraagt zich dan ook in angst af of ze niet terug moeten naar Frankrijk: de Irokezen plunderen de boerderijen van de missiepost van de Ursulinen, doden de bedienden en veel van hun beste vrienden. In 1660 zal de gouverneur Daniel de Courcelles de vrede met de Irokezen tekenen.
In 1659 komt Mgr. François de Montmorency Laval, apostolisch vicaris en vervolgens eerste bisschop van Québec (heiligverklaard in 2014), aan in Québec. In 1660 bezoekt de prelaat de Ursulinen en verklaart dat hij van plan is aanzienlijke wijzigingen aan te brengen in de constituties van 1647, die toch behoedzaam waren opgesteld door Moeder Marie, geholpen door de Pater Jezuïet Jérôme LalemantSteunend op haar ervaring van twintig jaar in Canada, is de stichteres van oordeel dat de voorgestelde wijzigingen het zowel geestelijke als wereldlijke welzijn van de Congregatie geen goed zouden doen. Ze schrijft dan ook aan de bisschop die haar heeft voorgesteld tijd te nemen om na te denken: «De zaak is geheel en al doordacht en het besluit is genomen: wij zullen het niet aanvaarden behalve in het uiterste geval van verzuim aan de gehoorzaamheidsplicht».Mgr. de Laval zal de constituties van 1647 uiteindelijk ongemoeid laten, behalve vijf artikelen die punten van secundair belang betreffen.Heiligen kunnen uiteenlopende meningen hebben over praktische zaken, zonder dat hun wederzijdse naastenliefde eronder lijdt.
«In gedachten maak ik een reis om de wereld»
In mei 1653 brengt Marie de l’Incarnation innerlijk een offergave van zichzelf aan God voor het geestelijk welzijn van alle bewoners van Canada. Voor die gelegenheid heeft ze dit gebed geschreven waarin ze laat zien hoe intens haar missionaire bevlogenheid is: «Door het Hart van mijn Jezus, mijn weg, mijn waarheid en mijn leven, kom ik nader tot U, o eeuwige Vader. Door dit goddelijk hart aanbid ik U voor allen die U niet aanbidden, ik heb U lief voor allen die U niet liefhebben; ik aanbid U voor alle eigenzinnige blinden die, uit minachting, U niet kennen. Ik wil, door dit goddelijk Hart, genoegdoening bieden voor alle stervelingen. In gedachten maak ik de reis om de wereld om er alle zielen te zoeken die zijn afgekocht met het aller-kostbaarste Bloed van mijn goddelijke Echtgenoot, ter genoegdoening voor allen, door dit goddelijk Hart; ik omhels ze om ze U, door dit Hart, voor te stellen en door dit Hart vraag ik U om hun bekering… Op dit aanbiddelijke Hart zet ik alle werkers van het Evangelie voor U neer opdat U ze moge vervullen van Uw Heilige Geest… Ik stel U al deze zielen voor, maak dat zij eenzelfde ding worden met U.»
Moeder Marie heeft veel geleden. Lang voortgezette boetedoeningen, slecht behandelde ziektes hebben haar uitgeput. Ze kan niet meer knielen, haar gezichtsvermogen neemt af, ze walgt van alle voedsel. En toch juicht ze bij de gedachte dat ze weldra God van aangezicht tot aangezicht zal kunnen zien. Voor dat ze sterft overziet ze de genaden die haar ten deel zijn gevallen in haar leven. God heeft haar overladen met mystieke gunsten, het werk van de Ursulinen heeft veel succes, en de berichten van haar zoon Claude geven haar reden tot blijdschap: hij is in 1641 toegetreden tot de benedictijner congregatie van Saint-Maur, is bevorderd tot prior in 1652 en in 1668 tot assistent van de generaal-overste. Wanneer ze op het punt staat te sterven laat Marie de l’Incarnation aan haar zoon die ze in veertig jaar niet heeft teruggezien een liefdevolle boodschap bezorgen: «Zeg hem dat ik hem meeneem in mijn hart».. Marie de l’Incarnation is overleden op 30 april 1672, in de leeftijd van tweeënzeventig jaar, waarvan drieënveertig jaar werden doorgebracht in Canada. Ze is heiligverklaard op 3 april 2014 door Paus Franciscus, door middel van het gelijkwaardig heiligverklaringsproces (gebaseerd op de reputatie van niet aflatende heiligheid, met ontheffing voor een vastgesteld wonder). Haar feestdag is 30 april.
In een “Uitroep” noemt de Ursuline God zoals ze Hem ervaart: «Nee, Liefste, U bent geen vuur, U bent geen water, U bent niet wat we zeggen dat U bent. U bent wat U bent in uw glorievolle eeuwigheid. U bent: dat is Uw wezen en Uw naam. U bent leven, goddelijk leven, levend leven, een-makend leven. U bent een en al zaligheid. U bent meer dan aanbiddelijke, onbenoembare, onbegrijpelijke eenheid. In één woord, U bent Liefde, en mijn Liefde».
In heilige Marie de l’Incarnation is de christelijke vrouw geheel en al verwezenlijkt en met een opmerkelijk evenwicht, in de verschillende hoedanigheden die zij in het leven kan hebben: echtgenote, moeder, weduwe, bedrijfsleidster, non, mystica, missionaris, en dat alles altijd in trouw aan Christus, altijd nauw verbonden met God. Door ervaring sterk geworden, schreef ze: «God verlaat nooit hen die Hem als een vriend behandelen en Hem verkiezen boven alle dingen en boven zichzelf.» Wij kunnen haar aanroepen om door haar tussenkomst de genade te verkrijgen alle dingen in God, met God en voor God te doen.












