25 April 2024
ohn Bradburne
Dierbare Vrienden,
«Vagebond van de Goede God, een mooie ziel die streeft naar een volmaakt christelijk leven, zal de overste van de Sion Paters in Leuven (België) schrijven over John Bradburne… Hij is niet gemaakt voor het zittende religieuze leven en is eerder geneigd de voorbeelden te volgen van heilige Benoît-Joseph Labre (een pelgrim zonder vaste woonplaats, uit de XVIIIe eeuw) of een Pater de Foucauld.» Wie is toch die uitzonderlijke figuur die, na een zeer bewogen leven, een bewonderenswaardige dienaar van de melaatsen wordt?
John Bradburne is geboren op 14 juni 1921 in de streek Norfolk in het dorpje Skirwich in Cumbria (Noordwest-Engeland). Zijn vader is er Anglicaans pastor. Zijn moeder, Erica, uit een arm gezin, is verwant aan Baden-Powell, de stichter van de verkennerij (scouts), en aan de toekomstige eerste minister Winston Churchill; zij brengt haar jeugd door in India, destijds een Britse kolonie, en spreekt met haar kinderen over de ellende waarin de melaatsen leven. John, derde kind, luistert aandachtig naar haar. Muziek en zang hebben een ereplaats in het gezin. Als jong kind begint John, die niet kan stil zitten, in bomen te klimmen en gaat graag uit op avontuur in het plaatselijke “gebergte”. In 1929 wordt hij naar een honderd kilometer verderop gelegen pensionaat gestuurd. Het is een ramp: het is gedaan met het vrije leven dat hij heeft gekend in zijn geboortedorp. Hij is het voorwerp van spot onder zijn meer stadse kameraden en ligt iedere nacht te huilen. Na vijf jaar plaatst zijn vader hem op een andere school, waar hij nog ongelukkiger is. Hij wordt zeer opstandig en slaat tenslotte op de vlucht, en doorkruist te voet de veertig kilometers die hem scheiden van de vaderlijke pastorie.
In 1934 verandert zijn vader van standplaats en schrijft zijn zoon in in Holt, in het pensionaat van Gresham, een vermaarde school. Het lukt John zich aan te passen en hij maakt er vrienden. Zijn humor en imitatietalent worden op prijs gesteld… Hij is dol op Shakespeare, speelt toneel, leert meerdere muziekinstrumenten bespelen. Het liefste wat hij doet is in bomen klimmen en op een hoge tak gaan zitten om een goed boek te lezen. De godsdienstlessen laten hem onverschillig, maar hij leert zijn impulsiviteit te bedwingen. In 1939 slaagt hij voor het toelatingsexamen van de officiersopleiding. In september verklaart Engeland de oorlog aan Duitsland. John wordt ingezet op het Aziatisch front als onderluitenant. In 1941 wordt hem het bevel over een peloton toevertrouwd in een Nepalees regiment van Curkhas, elitetroepen van inheemse soldaten. Hij kan goed opschieten met zijn mannen. Zij lachen om zijn excentriciteiten: hij klimt soms in de top van een grote boom waar hij urenlang fluit speelt: «Crazy English!» («die gekke Engelsman!»), is het commentaar van zijn kameraden.
In december van hetzelfde jaar vallen de Japanners Maleisië binnen; de Britse troepen wijken terug. Afgesneden van de rest van het leger, verspreidt een deel van het regiment van John zich in de jungle; kapitein Hart en hij dwalen een maand lang op goed geluk door de bossen. John wordt geveld door een ernstige vorm van malaria. Wanneer ze echter de kust hebben bereikt slagen de twee mannen erin, op 15 februari 1942, Sumatra te bereiken. John wordt in het ziekenhuis opgenomen en, schommelend tussen leven en dood, ziet John in een hersenschim een witte vrouwe, die hij later zal vereenzelvigen met de Maagd Maria. Maar de Japanners komen naderbij: ze moeten opnieuw vluchten.
Hart en hij bereiken Ceylon. Van daaruit gaat John naar Bombay, in India. Zijn gezondheid is weer hersteld en hij wordt uitgezonden naar de Himalaya, naar Dehra Dun, om zich bij een regiment van Gurkhas te voegen. Hij sluit daar vriendschap met John Dove, een jonge Engels-Ierse katholiek. Ze delen dezelfde voorliefde voor muziek, voor lange gesprekken, drank en vrouwen. John zal over deze tijd spreken als over «twee verspilde jaren, zonder profijt, doorgebracht in clubs, pubs en speelholen». In mei 1943 schrijft hij echter aan zijn ouders: «Mijn leven is eens en voor altijd gegeven aan God».
In de herfst van dat jaar voegt hij zich bij de Chindits, stoottroepen die door reusachtige zweefvliegtuigen worden gedropt in Birma om in de jungle achter het Japanse leger “schansen” op te werpen. In maart 1944 neemt John deel aan deze grote luchtlandingsoperatie. Na hevige strijdvoering beginnen de Japanners zich terug te trekken. John is een competente, moedige soldaat geweest, maar hij is uitgeput. Het jaar daarop wordt hij afgekeurd en keert terug naar Engeland, waar hij weigert te spreken over wat hij heeft meegemaakt. Zoals duizenden andere soldaten die gedemobiliseerd zijn, vindt hij in de maatschappij zijn plaats niet meer. Hij wordt wel verliefd op Anne Hardwicke en vraagt haar ten huwelijk. In juni 1946 vindt hij werk als houthakker. Door dit werk knapt hij fysiek en mentaal weer op.
John Dove keert in de herfst van 1946 weer terug naar Engeland, en de twee vrienden zien elkaar terug. Bradburne laat zich, ondanks zijn vooroordelen tegen het katholicisme, invoeren in het katholiek geloof en bezoekt het benedictijnerklooster van Buckfast. Hij leest de Apologie van Newman wiens traject naar Rome zijn leidraad wordt. Zijn vader stuurt hem voor raad naar een predikant die hij zeer betrouwbaar acht, Paul Osborne. Deze vertelt hém dat hij zelf op de drempel staat van toetreding tot de Kerk van Rome, en hij leert hem hoe de rozenkrans te bidden. Nadat ze een nachtlang met elkaar hebben gesproken neemt John zijn beslissing en, op 26 oktober 1947, zondag van Christus-Koning, wordt hij opgenomen in de katholieke Kerk en doet vervolgens zijn eerste Communie. Osborne zal zeven jaar later katholiek worden.
De waarheid zoeken
In navolging van Newman en vele andere anglicanen, heeft John erkend dat de katholieke Kerk werkelijk de Kerk is die is gesticht door Jezus Christus. Weldra stelt John zich de vraag of hij monastieke roeping heeft. Anne en hij zien dan ook af van hun voornemen met elkaar in het huwelijk te treden; deze breuk komt zonder enige wrijving tot stand en zij blijven vrienden. Als nieuwe bekeerling moet hij echter twee jaar wachten voor hij kan intreden in het klooster. In de lente van 1948 aanvaardt John een baan als onderwijzer op een katholieke school. Hij begint gedichten te schrijven en ontdekt met enthousiasme Franciscus van Assisi. Begin 1949 kondigt zijn vriend John Dove hem aan dat hij is toegetreden tot de Jezuïeten. In juni verlaat Bradburne de school en vraagt een collega, Margaret Smith, twaalf jaar ouder dan hij, de hand, maar zij weigert. In de abdij van Buckfast wil men hem niet meer als postulant toelaten. John Dove nodigt hem dan uit een bedevaart naar Lourdes te maken, om “zijn zieke hart” te genezen; hij is er zeer van onder de indruk. In februari 1950 wordt hij toegelaten als portier in de kartuizer abdij van Parkminster, waar hij zes maanden blijft. Dit verblijf zal hem voor altijd tekenen. In september gaat hij op bedevaart naar Rome, een reis die geheel gefinancierd wordt door een joodse diamanthandelaar; hij ziet er een teken in dat hij roeping heeft om missionaris te worden voor het joodse volk. Hij reist door naar het Heilig Land waar hij zeven jaar in Jeruzalem blijft, in het Sint Petrus Huis van de Paters van Sion (een congregatie die is gesticht in de XIXe eeuw door pater Théodore Ratisbonne, bekeerde jood, ter evangelisatie van de joden). De Overste meent in hem roeping te ontdekken voor zijn Instituut en stuurt hem naar het noviciaat van Leuven, in België. Daar gaat John vaak naar een nabijgelegen kerk om er te bidden op het graf van Pater Damiaan de Veuster, apostel van de melaatsen. In oktober 1951 begint hij een studie wijsbegeerte, maar vertrouwt zijn overste toe dat hij zich geen priester ziet worden.
«Hij was niet gek!»
Aan het eind van de lente van 1952 wil John opnieuw naar het Heilig Land; eerst gaat hij echter naar Assisi. Daar hij geen gratis overtocht naar Israël vindt, treedt hij in dienst als sacristein in een parochie in het zuiden van Italië waar de pastoor hem zeer waardeert. In februari 1953 legt John de private gelofte van kuisheid af. Voor Kerstmis had zijn vader hem geschreven: «Het is voor mij een grote vreugde te weten dat jij gelukkig bent en je het goed maakt, met je voeten in veiligheid op de weg die ik in mijn ouderdom steeds duidelijker voor me zie als de weg van God voor jou.» In de maand mei daarna sterft deze vader en in september keert John terug naar Engeland om zijn moeder bij te staan. Hij woont eerst bij familie en vestigt zich vervolgens als kluizenaar in een hut. De overste van een communauteit van Zusters Maristen aan wie hij enige diensten verleent, zal over hem zeggen: «Hij maakte gekheid, maar was allesbehalve gek; het was voor hem een manier om niet met zijn diepgaand geestelijk leven te koop te lopen.»
Op aanraden van John Dove vraagt hij om toelating tot de benedictijner abdij van Prinknash. Hij is er aanvankelijk heel gelukkig, maar kan niet wennen aan het leven van de monniken dat voor hem aan te veel regels is gebonden. Vier maanden later keert hij terug naar Londen. In januari 1957 wordt hij aangenomen als vijfde sacristein in de katholieke kathedraal van Westminster… Enige maanden later vraagt de aartsbisschop, Mgr. Godfrey, met wie hij een paar keer een spiritueel onderhoud heeft, of hij de conciërge van zijn landhuis wil worden. Maar in januari 1961, wanneer hij is benoemd tot kardinaal, begint deze met werkzaamheden die van zijn landhuis een opvanghuis moeten maken; John gaat uiteindelijk weg. Pater Dove, die missionaris is geworden in Rhodesië (tegenwoordig Zimbabwe), stelt hem voor zijn diensten te verlenen aan de missie van de Franciscanen in de rimboe. Op 6 augustus 1962 wordt John verwelkomd door zijn vriend op de luchthaven van Salisbury. De rust die de kolonie (waar 5% van de Europeanen de helft van het grondgebied en alle macht bezitten) uitstraalt, is bedrieglijk. Rhodesië bereidt haar onafhankelijkheid voor ten aanzien van Groot-Brittannië, onder een regime van apartheid dat wordt gedomineerd door de blanken. De franciscaner missieposten zijn oases van vreedzaam samenleven. Een van de voornaamste taken is de Afrikanen helpen het lot van hun land in eigen handen te nemen, in een christelijke geest en zonder te zinnen op wraak.
Op 11 augustus 1962 wordt John uitgezonden naar een missie van de Ierse Franciscanen in Wedza, op 160 km ten zuiden van de hoofdstad, Salisbury. Op 4 oktober neemt pater Gilda hem mee om een nieuwe, ver afgelegen sector van de missie in de rimboe te ontwikkelen. John ontpopt zich als een uitmuntend coadjutor die door zijn goed humeur in de smaak valt bij zowel de Zwarten als de Blanken. Begin 1963 vergezelt hij een andere missionaris, pater Pascal Slevin, die eveneens een nieuwe missiepost opent. Ondanks zijn gebrek aan praktische zin, neemt hij deel aan de bouw van het huis en de eerste kapel. De situatie in het land verslechtert echter; de blanke kolonisten roepen eenzijdig de onafhankelijkheid van het land uit, onder versterking van hun dominante positie en men ziet de opkomst van een zwart anti-apartheidsfront dat met de hulp van internationale revolutionairen wordt bewapend… Hierop volgen aanslagen en represailles van de regering.
Bemiddelaar
In 1964 krijgt John door de Jezuïeten de post van conciërge aangeboden van een groot huis in M’bébi, ten noorden van Salisbury, dat ze willen ombouwen tot noviciaat… Daar woont hij als kluizenaar. Van juli 1964 tot februari 1965 verzorgt hij maandelijkse televisie-uitzendingen over Bijbelse onderwerpen. Pater Dove organiseert dan in Silveira House, dichtbij Salisbury, werkgroepen voor beroepsopleidingen, uitsluitend voor Zwarten. John voegt zich in december 1964 bij hem en wordt gewaardeerd als sympathieke bemiddelaar tussen de jezuïeten en de autochtonen… Daar maakt hij kennis met Luisa Guidotti, leken- missionaris en arts. In 1967 besluit een parochie in Salisbury voor Pasen een toneelstuk over het Lijden van Christus, «De man die was geboren om koning te worden» op te voeren. John speelt er de rol van Jezus in. Het stuk heeft veel succes.
In december 1968 hoort Bradburne voor het eerst spreken over een kolonie voor melaatsen die moeilijkheden ondervindt bij het beheer ervan. De kolonie is gevestigd in Mutemwa, 160 km ten oosten van Salisbury. Het leprozenhuis dat boven op de berg van Chigona ligt, is gesticht in 1937 en heeft meer dan tweeduizend melaatsen geteld, maar het merendeel is teruggestuurd naar hun families. John gaat er in maart 1969 naartoe. De verantwoordelijke van het “Comité van Vrienden van Mutemwa”, stichting die toezicht houdt op het leprozenhuis, biedt hem de baan aan van directeur, die hij weigert omdat hij zich daar niet bekwaam voor acht. Om hem te overtuigen legt men hem uit dat, indien hij het beheer van de kolonie niet ter hand neemt, niemand het zal doen. Hij vestigt zich dus in augustus 1969 te midden van de melaatsen: «Ik ben een randfiguur en zij zijn randfiguren, wij zullen elkaar begrijpen», schrijft hij aan pater Dove. Het eerste contact is echter verschrikkelijk; een tachtigtal mensen met vervormde gezichten en ledematen, met verwaarloosde wonden, wonen in armzalige hutten en verkeren in een staat van grote vervuiling; ze lijden aan ondervoeding en het merendeel heeft ook nog andere ziektes. Doordat ze zo slecht zijn behandeld zijn deze melaatsen wantrouwend geworden. Maar weldra weet John ze met zijn vriendelijkheid en goede humeur voor zich te winnen. Hij begeleidt de stervenden, hetgeen de mensen raakt. Met het medische gedeelte van de verzorging zijn drie Italiaanse gewijde maagden van de missie “All Souls” belast; zij komen iedere week en laten geneesmiddelen en instructies achter voor John. Maar deze doet maar wat en vanaf december 1969 zet dokter Luisa Guidotti haar beste beentje voor om hem de nodige kennis bij te brengen. Vereend in hun geloof in Jezus Christus en de liefde voor de melaatsen, worden beiden goede vrienden. Wanneer de aalmoezenier niet komt, verzorgt John op zondagen anderhalf uur lang de dienst en maakt gebruik van de toestemming die men hem heeft gegeven om de Heilige communie uit te delen. In zijn vrije tijd beklimt hij de top van de berg om er te bidden en zijn gedichten te schrijven. Pater Dove, zijn vaste biechtvader, komt vaak op bezoek…
Een betreurenswaardig conflict
Vanaf 1970 breekt er echter een conflict uit met de veehouders ter plaatse, wier beesten de moestuin van het leprozenhuis vernielen. In 1971 wordt het “Comité van Vrienden van Mutemwa” veranderd in «Rhodesische Stichting tegen Lepra» en wordt het centrum bezocht door een vrouwelijke arts. Zij is onder de indruk van de resultaten die John heeft geboekt, maar eist wel dat hij een nauwkeurige boekhouding bijhoudt; tot haar verrassing geeft hij gevolg aan haar verzoek en stuurt haar zorgvuldig bijgehouden registers toe… Onenigheid krijgt ze met hem op een ander gebied: daar ze van mening is dat melaatsen geen kinderen moeten krijgen, verlangt ze dat aan de vrouwen stelselmatig de anticonceptiepil wordt gegeven. John weigert.
Paus Johannes Paulus II zal de juistheid bevestigen van het standpunt dat over de anticonceptie is ingenomen door John Bradburne: «De Kerk veroordeelt als een ernstige aantasting van de menselijke waardigheid en van de rechtvaardigheid alle activiteiten van regeringen of van andere publieke overheden waarmee deze proberen, op welke wijze dan ook, de vrijheid van beslissing van de ouders over kinderen te beperken… Bijgevolg dient beslist iedere vorm van dwang veroordeeld te worden die autoriteiten gebruiken ten gunste van anticonceptie of zelfs van sterilisatie en abortus; men moet dit met kracht afwijzen. Wanneer de echtgenoten, door middel van anticonceptie, de twee betekenissen scheiden die God de Schepper geschreven heeft in het wezen zelf van de man en de vrouw, dan gedragen zij zich als scheidsrechters van Gods bedoeling; dan manipuleren en verlagen zij de menselijke seksualiteit,… en wijzigen zij de waarde van hun totale wegschenking… Als de echtgenoten daarentegen hun toevlucht nemen tot de onvruchtbare perioden, respecteren zij de onverbrekelijke band tussen de aspecten eenwording en voortplanting van de menselijke seksualiteit en gedragen zij zich als bedienaars van Gods plan… Het antropologisch en tegelijk moreel verschil begrijpen en uitdiepen dat bestaat tussen de anticonceptie en het benutten van de natuurlijke ritmen; het gaat daarbij om een verschil dat veel belangrijker en dieper is dan men gewoonlijk denkt en dat in laatste analyse twee opvattingen omtrent de persoon en de menselijke seksualiteit omvat, die niet tot elkaar herleidbaar zijn» (Exhortatie Familiaris consortio, 22 november 1981, nr. 30,32).
In 1972 treedt William Ellis, katholiek die de Kerk heeft verlaten, toe tot de “Rhodesische Stichting tegen de Lepra”, met vijandige gevoelens tegenover hetgeen John doet. Diens toewijding wordt er echter niet minder om; men zal hem zelfs een melaatse op zijn rug naar het meerdere kilometers verderop gelegen consultatiebureau zien dragen. Hij bezit de kunst de zieken in hun waarde te laten door ze te laten spelen, zingen en deelnemen aan de taken binnen de instelling. Hij weet ze ook te berispen indien dat nodig is, vooral op het gebied van alcoholisme en promiscuïteit. Hij weet zich echter vooral geliefd te maken bij de melaatsen door zijn liefde en eerbied voor eenieder; hij beschouwt hen als een gave van God. In de wetenschap dat «De Kerk geen ander middel kent dan het Doopsel om de toegang tot de eeuwige gelukzaligheid te verzekeren» (CKK, nr.1257), stelt John niet-christenen zachtmoedig en zonder enige aandrang voor, zich te laten dopen. De melaatsen begrijpen dat hun persoon en hun bestemming voor de eeuwigheid ertoe doen in de ogen van deze Blanke die bij hen is komen wonen, tegelijk als kluizenaar en als dienaar van de allerarmsten.
Een verontwaardigde weigering
Talloze bezoekers van Mutemwa zijn zeer onder de indruk en ondergaan een spirituele transformatie wanneer ze John en de melaatsen ontmoeten. Toch vraagt Ellis hem kleinere porties voedsel te geven en om de hals van iedere melaatse een naamplaatje te hangen. John weigert verontwaardigd: melaatsen zijn geen vee. Het comité besluit dat hij weg moet. Op 1 mei 1973 trekt John zich terug en vestigt zich op de top van de Chigona waar hij zes maanden blijft. Iedere ochtend daalt hij de berg af om de melaatsen de Communie te geven. Wanneer een van hen stervende is glipt hij ’s nachts tussen de hutten door om hem urenlang bij te staan. De wanorde die de nieuwe directeur veroorzaakt maakt dat de Italiaanse zusters-verzorgsters en vervolgens ook dokter Luisa Guidotti zich terugtrekken. Er is geen medische controle meer en er komen geen pakketten met medicijnen uit Italië meer. Tegelijkertijd wordt de burgeroorlog heviger. De politie die hem hoogacht staat John toe zich in een hut op honderd meter afstand van het centrum te vestigen.
Op 28 juni 1976 wordt dokter Luisa Guidotti gearresteerd omdat ze rebellen niet heeft aangegeven. Ze wordt uiteindelijk vrijgesproken. Maar meerdere missionarissen, die toch de inlandse bevolking hielpen, worden afgeslacht. In augustus 1978 wordt John die een acute hersenbloeding heeft opgelopen, gered door dokter Luisa Guidotti. Op 6 juli 1979 sterft zij, geraakt door een regen mitrailleurschoten bij een politieversperring (haar zaligmakingsproces is begonnen). In 1979 gaan de vijandelijkheden, ondanks de vredesonderhandelingen tussen de twee kampen, gewoon door. In de nacht van 2 op 3 september wordt John gepakt door een twaalftal gewapende mannen en uitgeleverd aan jeugdige rebellen die hem overstelpen met grove beledigingen. Op de avond van de 4e september verklaart de commandant van de communistische rebellen in de gevechtszone John onschuldig en stelt voor hem uit te leveren aan Mozambique. John antwoordt dat hij zijn melaatsen niet in de steek kan laten. Op 5 september ’s ochtends gaat hij op weg met boeren die naar hun dorpen terugkeren. Twee jonge guerrillastrijders gaan met hen mee. Bij het oversteken van een beek drijven ze John naar een lagergelegen punt en een van hen schiet in zijn rug zijn geladen wapen leeg. John valt dood neer. De volgende dag vindt een missionaris, pater David Gibbs, het lichaam. De plaatselijke krant meldt: «De vriend van de melaatsen is gedood… Het was een man van God, een en al goedheid; hij heeft zijn leven gegeven voor de melaatsen die veel van hem hielden; hij was ook een uitstekend dichter.» Op 10 september verdringt men zich in de kathedraal van Salisbury voor de uitvaart, maar geen enkele melaatse van Mutemwa heeft kunnen komen. Twee jaar tevoren had de provinciaal van de Franciscanen John zijn eigen pij toegestuurd want, zo zei hij, «hij is meer franciscaan dan wij allen tezamen». John Bradburne is begraven in deze pij waaraan hij zeer gehecht was, als lid van de Derde Orde.
«Ik heb geen geld, maar ik bemin God, mijn vreugde vind ik in Hem», was een lied van John Bradburne. Op 30 april 2019 heeft de bisschoppenconferentie van Zimbabwe besloten zijn zaligmakingsproces te openen. «Moge zijn liefde voor Christus en Maria, zijn moeder, in zijn toegewijde dienstbaarheid aan de minsten in deze wereld, voor ons een voorbeeld ter navolging zijn!», vraagt men in het gebed ter verkrijging van deze zaligverklaring.












