Santa Dulce dei Poveri

6 december 2023

Heilige Dulce van de armen

Dierbare Vrienden,

Na de geboorte van haar tweede kind, Gabriël, 11 januari 2001, is Claudia Cristina dos Santos op de verloskundige afdeling van het Sao José ziekenhuis in Sergipe (Brazilië) het slachtoffer van een hersenbloeding… «Niemand zou het waarom kunnen verklaren van deze verbetering, die zo snel heeft plaats gevonden en onder zulke ongunstige omstandigheden.» En Mauricio, 22 jaar oud, afkomstig uit San Salvador da Bahia (Brazilië) verliest heel zijn gezichtsvermogen ten gevolge van een glaucoom. Veertien jaar later, in 2014… «Toen ik weer ontwaakte, zal hij hierover zeggen, zag ik eerst weer mijn hand. Ik begreep dat Zuster Dulce een wonder had verricht. Zij had mij oneindig veel meer gegeven dan ik had gevraagd: ik had mijn gezichtsvermogen hervonden!» Deze twee door de Kerk erkende wonderen waren van belang voor de zaligverklaring en de heiligverklaring van Zuster Dulce.

Heilige Dulce van de armen Maria Rita de Sousa Brito Lopes Pontes is geboren op 26 mei 1914 in Sao Salvador da Bahia. In het begin van de XXe eeuw bloeien de handel en de industrie; het aantal armen is evenwel aanzienlijk. Maria Rita is de dochter van Augusto Lopes Pontes en Dulce Maria de Souza. De vader is tandarts en professor aan de universiteit. De moeder is vurig katholiek en de sfeer in huis is doordrongen van geloof. Als kind is Maria Rita een en al blijdschap en houdt ervan met haar pop en met vliegers te spelen. Ze is pas zes wanneer haar moeder sterft aan de gevolgen van haar zesde bevalling; de baby sterft eveneens een paar dagen later. De twee oudste zussen, die niet getrouwd zijn, gaan voor de drie jongsten zorgen. Het jaar daarna doet Maria Rita haar Eerste Communie.

In 1924 hertrouwt Augusto Lopes met een vrouw die zich heel liefdevol betoont tegenover de kinderen van haar echtgenoot; uit dit huwelijk worden nog twee andere kinderen geboren. Op 13-jarige leeftijd is Maria Rita verzot op voetbal. Ontzegging van deelname aan de zondagse sportbeoefening is de straf die ze het meest vreest. In dezelfde tijd hecht Maria Rita zich aan haar tante Magdalena. Als lid van een aan het Heilig Hart gewijd lekenbroederschap beoefent ze maatschappelijke werken. De adolescente begeleidt haar naar de arme wijken van de stad waar gebrek aan kennis van godsdienst gemeengoed is en het geloof vermengd is met heidendom..

Maria Rita zet zich in voor de armen, brengt hun voedsel en kleren, en verzorgt ze soms. Zij legt dan het verlangen aan de dag religieuze te worden en neemt de gewoonte aan iedere dag de Mis bij te wonen. Wanneer hij ziet hoe geestdriftig ze is zegt haar vader als grapje: «Mijn dochter is al bij de Franciscanessen!» Hijzelf neemt als weldoener, medewerker en lid van de raad van bestuur deel aan een maatschappelijk werk voor arbeiders in een van de armste wijken. Met toestemming van de familie en de steun van zijn zus, Doña Dulcinha, verandert Maria Rita het huisgezin in een verzorgingscentrum voor personen in behoeftige omstandigheden, weldra bekend onder de naam “portierkamertje van heilige Franciscus”. Maria Rita gaat op een dag naar de zusters om er te worden toegelaten, maar haar jeugdige leeftijd stuit op bezwaar. Haar vader die wil dat ze trouwt maakt zich geenszins zorgen want hij ziet er slechts een gril van voorbijgaande aard van een tienermeisje in. Op vijftienjarige leeftijd, aan het eind van haar eerste jaar op de pedagogische academie, schrijft het meisje opnieuw naar de overste van het klooster, zonder meer succes te boeken. Haar vader neemt die stappen dan wel serieus, maar verklaart dat ze van hem voor het einde van haar studie voor onderwijzeres, drie jaar later, niet mag intreden. Wanneer dit tijdstip bereikt is ontmoet Maria Rita een franciscaner priester, pater Hildebrand Kruthaup (1902-1986), eerste in een lange reeks priesters die haar tot leidsman zullen dienen. Geboren in Duitsland, was deze priester naar Brazilië gestuurd in 1924 met nog een paar medebroeders, om daar de Orde van Sint Franciscus te herstellen. Begeleid en aanbevolen door hem, treedt Maria Rita in 1933 in de congregatie in van de “Missiezusters van de Onbevlekte Ontvangenis van de Moeder Gods”, een vertakking van de Franciscaner Orde in São Cristόvão in de staat Sergipe, 400 km van Bahia. Maria heeft het diploma voor onderwijzeres behaald en haar vader heeft zijn toestemming gegeven.

Na in de drukte van Sao Salvador te hebben geleefd, neemt Maria Rita een ware duik in de stilte; ze omarmt met blijdschap en in geloof deze nieuwe stijl van leven, en gedraagt zich als een discreet jong meisje. Het lukt haar echter niet het huishouden en de vaat te doen zonder haar kleren vuil te maken; ze wordt dan ook berispt door de novicemeesteres. Terwijl ze als enige van de novices gediplomeerd is, volgt ze nederig de lessen zoals de anderen. Na de postulaatsperiode, ontvangt ze het kloosterhabijt en de naam Zuster Dulce, ter herinnering aan haar moeder. Haar voorbeeld is Theresia van Lisieux; de jonge novice doet haar best om, zoals zij, iedere gewone daad te verrichten met liefde. Ze legt haar eerste geloften af op 15 augustus 1934. Zij is twintig jaar; maar het contact met de armen mist ze.

De goede engel van Bahia

De nieuwe Zuster, wordt naar een college van de congregatie in Sao Salvador gestuurd, om er les te geven. Ondanks haar inspanningen slaagt ze er niet in haar leerlingen te boeien, noch om orde te houden: daar ligt haar roeping niet. In september 1935 gaat ze werken in het Spaanse ziekenhuis van Sao Salvador, samen met twee andere zusters. De vier maanden die ze daar doorbrengt werkt ze als hulp-verpleegster op de afdeling opname en als verantwoordelijke op de afdeling radiografie. Zij weet medische zorg te combineren met geestelijke bijstand van de zieken en hun families. Later, in 1941, zal ze lessen farmacie volgen. Vanaf 1935 begint ze met de hulpverlening aan de armengemeenschap van Algados, die woont in een groep op palen gebouwde huizen. Ze brengt bezoeken aan de arbeiders, bidt met hen en verstrekt voedsel en geneesmiddelen aan de behoeftige families die ze aanmoedigt om hun godsdienstige plichten te vervullen. De Zuster wordt “de goede engel van Bahia” genoemd. Wanneer deze bezoekjes worden aangeklaagd bij de aartsbisschop, Mgr. Alvaro da Silva, als zijnde onbehoorlijk, want de mannen zijn gekleed in korte broeken, wordt de zuster op het aartsbisschoppelijk paleis ontboden. Ze rechtvaardigt zichzelf moeiteloos en toont ook aan dat ze het werk geenszins verstoort: «Ik bezoek de fabrieken pas rond het middageten want dat is het enige moment dat de werkgevers mij er toelaten.»

In 1936 sticht ze met pater Hildebrand de eerste arbeidersbeweging van de stad, om de solidariteit te bevorderen en de arbeiders te verenigen in het christelijk geloof: de Arbeiders Unie van Sint Franciscus. Het ging niet om maatschappelijke eisen, maar om concrete verbetering van de levensomstandigheden. De financiering van de Unie wordt verzekerd door de werkgevers en rijke lieden uit de stad die ook deelnemen aan de activiteiten. Tegenover de klassenstrijd die de marxisten beramen stelt de Unie samenwerking van de verschillende onderdelen van de maatschappij voor. Al snel haalt de beweging zich de haat van de communisten op de hals die er, terecht, een aan hen tegengesteld machtsblok in zien.

In de encycliek Rerum novarum, van 15 mei 1891, verklaarde Paus Leo XIII: «Bij het vraagstuk, dat ons bezig houdt, is dit een hoofdfout, zich in te beelden, dat de ene klasse uiteraard vijandig staat tegenover de andere, alsof de rijken en de armen van nature bestemd waren tot een hardnekkige onderlinge strijd. Dit is dermate onzinnig en onwaar dat de waarheid zich wel moet bevinden in een absoluut tegengestelde leer… Het volledig geheel van godsdienstige waarheden waarvan de Kerk de hoedster en vertolkster is, wil in wezen de rijken en armen tot elkaar brengen en met elkaar verzoenen, daarbij de twee klassen herinneren aan hun wederzijdse plichten en, voor alle anderen, de plichten die voortvloeien uit de gerechtigheid.» Heilige Johannes Paulus II zal daar in de encycliek Centesimus annus, van 1 mei 1991 aan toevoegen: «Wat veroordeeld wordt in de klassenstrijd is veeleer het idee van een conflict dat zich niet door overweging van ethische of juridische aard laat beperken, waarin de mens weigert in de ander (en bijgevolg in zichzelf) de waardigheid van persoon te eerbiedigen en dat daarom een redelijke schikking uitsluit en niet het algemeen welzijn van de maatschappij nastreeft, maar een deelbelang, dat in de plaats komt van het algemeen welzijn en wil vernietigen wat zich tegen dit belang verzet» (nr. 14).

Met de liefde komen we alles te boven

In 1938 wordt de Unie de “Kring van de Arbeiders van Bahia” (KAB). Het merendeel van de ingeschrevenen zijn arm, vaak analfabeet. Middels een zeer bescheiden maandelijkse bijdrage verschaft het Centrum medische en tandheelkundige zorg, evenals mogelijkheden ter ontspanning. Weldra komen er ook lessen en praktijkopleidingen. Het Centrum helpt families in nood ook financieel. De vereniging wordt voorgezeten door een leek en pater Hildebrand is er de kerkelijke assistent van. Zuster Dulce heeft er officieel geen functie in, maar werkt er keihard in. Ze trekt haar eigen vader aan die gratis tandheelkundige zorg aanbiedt en dienstdoet als tussenpersoon tussen de burgerlijke en kerkelijke autoriteiten.. Zuster Dulce is ervan overtuigd dat men met de liefde alle obstakels overwint en men alle offers aanvaardt. In die geest neemt ze tweemaal zoveel initiatieven ter verlichting van de ellende. De groei van de KAB is wonderbaarlijk: rond 1950 zal die 25.000 leden tellen, hetgeen een reële potentiële voortuitgang betekent in de stad..

Heilige Johannes Paulus II zal eraan herinneren dat het «natuurlijk recht van de mens om particuliere verenigingen te vormen de voornaamste plaats inneemt, gezien de ruimte die de Paus eraan wijdt en het gewicht dat hij eraan toekent. Dit betekent vooral het recht om beroepsorganisaties van ondernemers en arbeiders of van arbeiders alleen te vormen. Hier vindt men de reden waarom de Kerk de vorming van wat men algemeen vakbonden noemt, verdedigt en goedkeurt, zeker niet uit ideologische vooroordelen of om te wijken voor een klasse-geest, maar omdat het recht om zich te verenigen een natuurlijk recht van de mens is» (ibid. nr.7). Het verenigingsrecht biedt de individuele burger de mogelijkheid de waardigheid van zijn persoon te verdedigen, met name tegenover de willekeur van de staat en de machten van het geld. De opheffing ervan in Frankrijk, door de wet Le Chapelier (1791), bracht met zich mee dat het proletariaat tevoorschijn kwam, gunstige voedingsbodem voor het ontluiken van de klassenstrijd en het communisme. Zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk ons in herinnering brengt is persoonlijk bezit het voornaamste doel van alle economische activiteit: «De ontplooiing van de economische activiteiten en de groei van de productie zijn bedoeld om te voorzien in de menselijke behoeften. Het economisch leven heeft niet slechts tot doel de geproduceerde goederen te laten toenemen en de winst af de macht te vermeerderen; het moet op de eerste plaats afgestemd worden op de dienst aan de mens in zijn totaliteit en aan de hele menselijke gemeenschap.» (CKK, nr.2426).

In een kippenhok

In 1939 opent Zuster Dulce het college Santo Antόnio, in een volkswijk van São Salvador, om zowel de arbeiders, ’savonds, als hun kinderen, ’s ochtends, onderricht te bieden. Op een namiddag van hetzelfde jaar, terwijl zij aan het werk was op de Kring, meldt zich een jongeling van ongeveer vijftien jaar, bibberend van de koorts en uitgehongerd.. Hij hoest veel en vraagt hulp: «Zuster, laat me niet sterven op straat!» Daar ze hem nergens anders kon ontvangen, neemt Zuster Dulce hem mee naar een verlaten woning in een arme wijk, “het ratteneiland” genaamd, maakt er plaats voor hem en verstrekt hem zorg en geneesmiddelen. De dagen daarna vult ze ook andere huizen met zieken die ze van de straat heeft gehaald. Ze verkrijgt de medewerking van mensen uit de hoge kringen. Vervolgens hebben van buren afkomstige klachten de uitzetting van haar beschermelingen tot gevolg; ze moet ze in een oude vismarkthal vestigen, of onder de gewelven van een viaduct, maar de gemeente geeft haar te kennen dat ze daar geen toestemming voor krijgt. Behendig slaagt Zuster Dulce erin de uitvoering van de uitzettingsbevelen te vertragen, waarbij ze soms recht tegenover de prefect komt te staan. Een tiental jaren later, in 1949, verkrijgt ze van haar overste de toestemming het kippenhok van het klooster te gebruiken, dat ze weet om te toveren in een geïmproviseerd opvangtehuis voor de zeventig mensen voor wie ze zorgt. Het betreft een paar houten barakken waar men de kippen in heeft gestopt. Wanneer de overste haar vraagt wat ze met de kippen heeft gedaan, antwoordt de Zuster dat ze dienst hebben gedaan als voeding voor haar armen… De nabijheid van het klooster biedt Zuster Dulce de mogelijkheid nog beter over haar armen en over de zieken te waken die niet de indruk krijgen dat ze in de steek worden gelaten wanneer zij zich weer achter de kloostermuren verschuilt. Zo kwam het ziekenhuis Santo Antόnio tot stand.

Zuster Dulce krijgt tuberculose; ze is vijfendertig jaar. Doordat ze overwerkt is en niet goed genoeg voor zichzelf zorgt verergert de kwaal. Ze accepteert het evenwel vijfenveertig dagen door te brengen in een klooster dat dienstdoet als sanatorium, maar ze houdt de aanzienlijke ademhalingsproblemen.. Wat haar werkzaamheden ook zijn, ze blijft heel trouw aan de Rozenkrans, en het is maar zelden dat ze inslaapt alvorens de vijf tientjes te hebben gebeden. Daar ze de genade van God als belangrijker beschouwt dan haar inspanningen, doet ze haar best een ononderbroken gebed te onderhouden. Ik ben de wijnstok… (Joh 15,5).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maken de Duitse onderzeeboten regelmatig slachtoffers langs de Braziliaanse kusten. In 1942 verklaart Brazilië, onder de druk van het volk, Duitsland de oorlog. De aartsbisschop moet alle Duitse priesters die in het bisdom werkzaam zijn uit hun ambt ontzetten. Pater Hildebrand die gedwongen wordt de KAB te verlaten wordt vervangen door een Braziliaanse franciscaan. Dat heeft extra werk tot gevolg voor Zuster Dulce op wie de mensen steeds vaker een beroep doen.. Haar overste is ongerust over de toenemende deelname van de zuster aan het bestuurlijk leven van de KAB en verbiedt haar zich ermee in te laten. Maar veel mensen nemen rechtstreeks tot haar hun toevlucht en zij moet haar liefdadigheidswerken voortzetten. Dankzij het gemak waarmee ze persoonlijk contact legt met mensen, is zij de belangrijkste bron van inkomsten van het Centrum: ze voert ware campagnes om fondsen te verzamelen en, in 1946, ontvangt ze financiële steun van hooggeplaatste lieden en belangrijke maatschappijen. Pater Hildebrand had, in 1941, kennis gemaakt met een jonge ingenieur, Norbert Odebrecht, zoon van een Duitse emigrant, een bouwondernemer. Norbert wordt een gewaardeerde steunpilaar voor Zuster Dulce: ze verwezenlijken in het bijzonder een nieuwe zetel voor de KAB, met veel grotere sanitaire ruimtes en een school.

«Mijn baas is veeleisend!»

Door de toename van de bevolking van São Salvador verschijnen de eerste sloppenwijken, “favelas” in het Portugees. Zuster Dulce bezoekt ze en probeert te voorzien in de dringendste behoeften. In 1950 begint ze gedetineerden van een gevangenis hulp te bieden door hun leefomstandigheden te verbeteren. Van 1952 tot 1956 vervult Zuster Dulce de taak van overste van haar klooster Santo Antόnio.. Vanaf 1954 dwingen haar ademhalingsproblemen haar zittend te slapen; maar ze weet dat aangeboden lijden de genaden van God aantrekt. Wanneer men haar opmerkzaam maakt op de kortstondige rusttijden, antwoordt ze: «Mijn Baas is veeleisend!»

In 1959 worden verschillende liefdewerken van São Salvador da Bahia, tot stand gekomen op initiatief van de Zuster, gehergroepeerd onder de naam “Liefdewerken van Zuster Dulce” (OSID), erkend als humanitaire organisatie door de Braziliaanse autoriteiten, waarvan de voornaamste kern het ziekenhuis Santo Antόnio is, dat is uitgegroeid tot een moderne instelling van 150 bedden. In die tijd geniet de Zuster een Amerikaanse regeringshulp, omdat haar werk werd gezien als een krachtige steun in de strijd tegen het communisme. Door de toestroom van vele zeer behoeftigen groeien haar werken en voegen zich talrijke vrijwilligers bij haar. Zij zal in 1984 het Instituut van de Dochters van Maria oprichten, Dienaressen der Armen, om haar te helpen bij haar werken.

Verschillende gedachtenstromingen, waaronder de “Bevrijdingstheologie”, zorgen voor de nodige opwinding in de Kerk van Brazilië. Meerdere mensen proberen Zuster Dulce voor deze ideologie te winnen, maar zij blijft altijd trouw aan de leer van de Kerk, hetgeen haar op heel wat tegenstrijdigheden komt te staan. In 1964 wijdt de Zuster het Opvoedingscentrum Santo Antόnio (CESA) in Simбes Filho, in, voor de opvang van kinderen zonder gezin. De boerderij waarin de CESA gevestigd is, was gegeven door de regering. Datzelfde jaar gaat de voornaamste steun van Zuster Dulce, kardinaal Alvaro da Silva, met pensioen; Don Eugenio Sales wordt benoemd tot administrator van het aartsbisdom. Sommige zusters vrezen dat hun instituut failliet gaat vanwege de dingen die de Zuster onderneemt en denken dat die niet in overeenstemming zijn met het charisma van het Instituut. Mgr. Sales die de Zusters en haar armen hoogacht, verkrijgt voor haar de pauselijke vergunning dat haar communauteit buiten de muren mag optreden, vergunning die hij haar oplegt. Op die manier kan zij haar werken voortzetten, waarvoor haar Instituut niet meer verantwoordelijk is, en zij tegelijk haar kloosterkleed mag behouden. Het komt erop neer dat de andere zusters Santo Antόnio verlaten om zich in een ander huis weer te verenigen en de Zuster alleen te laten; deze situatie maakt het mogelijk voor haar zich bezig te houden met de school, het ziekenhuis en haar armen.

Santo Antόnio wordt dan een dependance van de OSID. Ondanks deze verbazingwekkende situatie blijven de plaatselijke overste en Zuster Dulce op een hoffelijke toon met elkaar corresponderen. In 1969, na de dood van kardinaal Alvaro da Silva, wordt Mgr.. Eugenio Sales aartsbisschop van São Salvador, en verlengt de vergunning van de Zuster om buiten de kloostermuren haar werk te doen. In 1970 wordt een nieuw gebouw geopend waardoor de capaciteit van het ziekenhuis wordt verdubbeld tot 300 bedden. Maar er zijn soms conflicten tussen Zuster Dulce en de artsen want zij verlangt dat alle aanvragen om te worden toegelaten gehonoreerd worden; zij houden daarentegen vol dat boven een bepaald aantal opnames het risico op besmettingen te groot is. Een nieuwe afdeling van het ziekenhuis wordt ingewijd in 1974 en is uitsluitend bestemd voor gehandicapten.

Hen die niemand wil.

In 1976 wordt Zuster Dulce, dankzij de nieuwe aartsbisschop van São Salvador, tenslotte volledig ge­r­e-integreerd in haar kloostercongregatie, en volledig vrijgesproken van de beschuldiging van ongehoorzaamheid. Maar haar gezondheid gaat achteruit: buiten een ademhalingscapaciteit die is teruggevallen naar een derde van normaal, breken achtereenvolgens verschillende longontstekingen uit. Haar voornaamste preoccupatie blijft echter de zorg voor de armen, vooral voor hen die niet niemand wil. Zuster Dulce en Moeder Teresa van Calcutta ontmoeten elkaar in 1979 in São Salvador; het volgend jaar gaat Paus Johannes Pauls II tijdens zijn eerste apostolische reis naar Brazilië op bezoek bij de Zuster. Ondanks enkele cardiologische incidenten zet zij haar talloze activiteiten voort. In 1990 wordt ze voor zestien maanden in het ziekenhuis opgenomen. In 1991 wordt ze overvallen door stuiptrekkingen met voortdurende koorts. Tussen de aanvallen door kan ze zich slechts in gebarentaal uitdrukken. Ze raakt vaak in een coma. In oktober 1991 ontvangt ze opnieuw aan haar ziekbed bezoek van heilige Johannes Paulus II, tijdens zijn tweede apostolische reis door Brazilië. In november veroorzaakt een vergevorderde osteoporose een breuk in een dijbeen. De laatste dagen van haar leven verlopen in comateuze toestand. Ze sterft op 13 maart 1992 op 77-jarige leeftijd, in het ziekenhuisgedeelte van haar klooster in Santo Antόnio. Haar lichaam dat in 2008 werd her-opgegraven om te worden overgebracht naar de kathedraal van São Salvador, werd intact aangetroffen.. Zuster Dulce is op 13 oktober 2019 door Paus Franciscus heiligverklaard onder de naam van heilige Dulce van de Armen. Een netwerk van ziekenhuizen en zeer gerenommeerde centra voor medische zorg, uitsluitend voor de allerarmsten, en meerdere centra voor maatschappelijke dienstverlening vormen haar erfenis. Hiervan profiteren tegenwoordig per jaar meer dan 5 miljoen mensen.

«Iedere keer als jullie kunnen, spreek van liefde en met liefde tegen iemand. Dat is goed voor de oren van de toehoorder en de ziel van de spreker», zei heilige Zuster Dulce van de Armen. Moge deze aanbeveling regel worden in onze onderlinge verhoudingen!

Zalige Anne-Marie Taïgi

Zalige Michaël McGivney

H. Bernardus

H. Narcisa van Jezus