25 januari 2023
Zalige Hyacinthe Cormier
Dierbare Vrienden,
«In Pater Cormier, zo verklaarde heilige Johannes Paulus II, wil de Kerk de beweging binnen de menselijke intelligentie, verlicht door het geloof, erkennen en eren.De stichter van de Universiteit Angelicum (in Rome) herinnert er ons inderdaad aan dat God ons vraagt de vermogens van onze geest, weerspiegeling van de zijne, te gebruiken om Hem eer te betuigen. Als man die dorstte naar waarheid wist hij ook hoe zich te geven aan zijn broeders als prior, als provinciaal en als magister-generaal van de Orde der Dominicanen, met tegelijk de eerbied voor haar seculiere tradities. Hij was een gids voor de zonen van H. Dominicus die hij met wijsheid en bekwaamheid naar God voerde, om van hen ware kinderen en ware getuigen te maken van het Koninkrijk» (Homilie voor de Zaligverklaring, H. Mis 20 november 1994).
Henri Cormier is geboren in Orléans, in Frankrijk, op 8 december 1832, dag van het feest van de Onbevlekte Ontvangenis; hij zal altijd veel devotie hebben voor de Heilige Maagd. Zijn vader, die een kruidenierswinkel heeft schept groot genoegen in muziek, een kunstzinnige voorkeur die zijn twee zonen van hem zullen erven; hij sterft echter weinige jaren na de geboorte van Henri. Mevrouw Félicité Cormier is dus alleen belast met de opvoeding van de twee kinderen. Henri houdt boven al van bidden, van de rozenkrans in het bijzonder, en van Misdienen. Hij zal zich met ontroering zijn Eerste Communie blijven herinneren. Op school behaalt hij goede resultaten, maar blijkt een tamelijk luie leerling te zijn. Op het Klein Seminarie van La- Chapelle-Saint-Mesmin (dichtbij Orléans) in 1846, probeert hij alle muziekinstrumenten uit alvorens te kiezen voor het orgel. Hij bezat een zeer mooie stem, maar verbergt zich en is onvindbaar wanneer men hem zou willen feliciteren met zeer geslaagde solo’s. Hij wijdt zich ook met hart en ziel aan de schilderkunst en is verzot op landschapstaferelen. «Ik schilder voor de eeuwigheid», is een van zijn lievelingsgezegdes. Henri behaalt een literaire prijs van de Academie van Orléans.
Te lang ondankbaar
Zijn oudere broer, Eugène, seminarist, sterft in 1847. Henri ziet voortaan met grotere ernst de zin van het leven en de dood met betrekking tot de eeuwigheid. Zijn grote gevoeligheid bezorgt hem veelvuldig leed, maar zijn zoeken naar schoonheid maakt dat hij zich richt op de pracht van het eeuwig leven. Iedere week legt Mevrouw Cormier de tien kilometer af die haar huis scheiden van het Klein Seminarie om te weten hoe het gaat met zijn gezondheid en werk. Aan het einde van de eerste schooljaren gaat Henri naar het Groot Seminarie van Orléans, waar hij grote liefde opvat voor discipline. In zijn aantekeningen van zijn eerstejaars retraite kan men lezen: «Ik ben doordrongen van de noodzaak mij geheel aan God te geven… Ik ben te lang ondankbaar geweest…» Hij schept groot genoegen in de studie wijsbegeerte en daarna godgeleerdheid, maar vroomheid blijft zijn prioriteit. Hij kent het verlangen naar de prediking van het Evangelie en de devotie voor de rozenkrans die hij iedere dag bidt en wordt opgenomen in de Derde Orde van de heilige Dominicus. Om nog armer te leven in dienst van de arme Christus, ontzegt hij zich de kleine vormen van comfort die het huis biedt.
«De geschiedenis van het rozenkransgebed, zo schreef heilige Johannes Paulus II, laat zien hoe dit gebed in het bijzonder door de dominicanen werd gebruikt toen de Kerk in moeilijkheden was als gevolg van de verspreiding van dwalingen. Vandaag de dag worden we met nieuwe uitdagingen geconfronteerd. Waarom zouden we niet opnieuw uit het rozenkransgebed putten met hetzelfde geloof van degenen die ons voorgingen? Het rozenkransgebed heeft in zich al zijn krachten bewaard en blijft een waardevol pastorale bron voor elke goede verkondiger» (Apostolische Brief, Rosarium Virginis Mariæ, 16 oktober 2002, nr. 17).
Aangemoedigd door de nieuwe bisschop van Orléans, Mgr. Dupanloup, wijdt de jonge seminarist veel tijd en energie aan het onderricht van de christelijke leer en van de catechismus.
Het Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk wijst op het belang van de catechese: «De lekengelovigen hebben daaraan deel door steeds meer het woord van Christus in geloof aan te nemen, en het aan de wereld te verkondigen met het getuigenis van hun leven en met het woord, door evangelisatiewerk en door catechese. Een dergelijke evangelisatie krijgt een bijzondere uitwerking door het feit dat zij gebeurt in de gewone levensomstandigheden» (nr. 190).
Tijdens de vakanties ontspant Henri zich in de familie, maar blijft altijd vroom en studieus. Kort nadat hij de eerste kleine geloften heeft afgelegd, legt hij de gelofte van kuisheid af. Henri die zich bewust is van de gaven die God hem heeft gegeven neemt zich voor nederig door het leven te gaan: «Ik zal op mijn hoede zijn voor mezelf… Ik zal slechts op God mijn vertrouwen stellen… Waar ik naar moet streven is een man van gebed worden.»
Roeping: geen enkele
Henri voelt zich aangetrokken tot de persoon van de heilige Dominicus en ontmoet Pater Lacordaire, die de Dominicanen in Frankrijk heeft hersteld. Na dit onderhoud blijkt hij tamelijk ontmoedigd te zijn: «Roeping geen enkele of niet rijp», had de pater tegenover hem verklaard. Een andere broeder van de Orde is niet hetzelfde oordeel toegedaan en maakt in hem het ideaal van het religieuze leven weer wakker. Op 17 mei 1856 wordt Henri tot priester gewijd voor het bisdom Orléans, met handoplegging door Mgr. Dupanloup. Hij blijft echter bij zijn besluit toe te treden tot de Broeders Predikers. Met steun van de directeur van het seminarie krijgt hij toestemming om het bisdom te verlaten. Na afloop van zijn eerste Mis kondigt hij zijn moeder aan dat hij spoedig zal vertrekken. Met grote smart neemt ze kennis van dit besluit.
Gesticht in het begin van de XIIIe eeuw door heilige Dominicus, komt de Orde der Predikheren snel tot bloei; aan het einde van de eeuw telde die meer dan 400 priorijen en zo’n 15.000 religieuzen. De Revolutie van 1789 maakt dat er niets van overblijft in Frankrijk. In 1839 treedt een Franse priester, eerwaarde Lacordaire, toe tot het Romeins noviciaat van de Orde en in 1843 sticht hij het eerste herstelde dominicanerklooster in Nancy, ondanks sterke tegenstand van de burgerlijke autoriteiten en van bepaalde stromingen binnen het Franse episcopaat. In 1850 wordt de Franse provincie van de Orde hersteld.
Wanneer hij is toegetreden tot het noviciaat van de Dominicanen, in Flavigny-sur-Ozerain, ontvangt pater Cormier het kloosterkleed, met de naam Broeder Hyacinthus, waaraan hij later Maria zal toevoegen. Hij wint aller harten door zijn zachtaardigheid. Onder de novices wordt zijn Misdienen beschouwd als een voorrecht. Over deze gelukkige tijd zal hij later zeggen: «Ik leed slechts aan het feit dat ik niet leed.» Onder de leiding van zijn achtereenvolgende novicemeesters verwerft hij een stevige dominicaner geest. In zijn vrije uren, wanneer hij geen rozenkrans bidt, leest hij ofwel de regel (van heilige Augustinus), ofwel de Verordeningen. Met aandacht voor de letterlijke gehoorzaamheid, is hij vooral op zoek naar de geest: «We moeten met tranen en gezucht God de Geest vragen die van binnenuit leven maakt.»
«Voorop staat natuurlijk het leven in de Geest. Daarin hervindt de godgewijde mens zijn identiteit en diepe inwendige vrede. Door te leven in de Geest leert de godgewijde mens beter te luisteren naar de dagelijkse uitnodigingen van het Woord van God en zich te laten leiden door de oorspronkelijke inspiratie van het eigen instituut. Onder de werking van de Geest moeten de voor gebed, stilte en gehoorzaamheid bestemde tijden met zorg worden beschermd, en moet met aandrang de hemel worden gebeden om de gave van wijsheid in het moeizame werk van iedere dag» (Exhortatie Vita consecrata, 25 maart 1996, nr. 71).
De gezondheidstoestand van de jonge religieus, die lijdt aan hemoptoe (bloedspuwingen) stelt zijn roeping evenwel opnieuw aan de orde. Zijn superieuren betwijfelen of hij als dominicaan professie kan doen. Deze beproeving wordt nog verergerd door de tussenkomst van zijn moeder die erop aandringt dat hij het kloosterkleed weer aflegt om zijn ambt van diocesaan priester weer op te nemen. Ondanks alles behoudt de novice zijn vertrouwen in God, en zoekt zijn toevlucht tot de tussenkomst van Maria: «Overgave aan de Heilige Maagd; mijn gezondheid aan haar toevertrouwen. Zij heeft zorg gedragen voor die van Jezus Christus, zij zal ook voor die van mij zorgen… Ja, Heer, doe met mijn wezen wat U maar wil.» Op 29 juni 1857 krijgt pater Hyacinthus toestemming om professie te doen voor slechts twee jaren, terwijl de andere novicen hun eeuwige geloften afleggen.
Een vriendelijk en krachtig innerlijk leven
Tijdens een kort bezoek aan Flavigny is pater Jandel, destijds generaal-magister van de Orde, onder de indruk van de vroomheid van pater Cormier, en van het zeer gunstig verslag van de novicemeester over hem. Hij besluit hem mee te nemen naar Rome waar het zachtere klimaat een gunstige invloed zal hebben op zijn gezondheid, en van hem zijn secretaris te maken. De bedoeling van de generaal-overste is de Orde in haar oorspronkelijke discipline te herstellen, met haar lange gebedstijden en gemeenschapsleven. Hierin staat hij recht tegenover pater Lacordaire die vooral de studie en het apostolaat van de religieuzen wenst te bevorderen. Om zijn doel te bereiken probeert pater Jandel een synthese uit van de Verordeningen waarvan vele voorschriften niet meer worden toegepast. De taak van pater Hyacinthus bestaat uit het bestuderen van oude documenten van de Orde teneinde de naleving van de voorschriften terug te brengen tot de kern; hij verwerft aldus diepgaande kennis van de Dominicaanse geest.Voor zijn broeders wenst hij een «verlicht, vriendelijk en krachtig innerlijk leven. Dat leven moet voortvloeien uit de naleving van de voorschriften die de wijsheid van God met dit doel heeft beschikt.» Nooit vraagt hij te mogen profiteren van een dispensatie voor hem zelf, ondanks zijn gezondheidstoestand die te wensen overlaat.
Aan het eind van de twee jaren van tijdelijke geloften krijgt hij inderdaad weer zijn bloedingen, die de mogelijkheid van een eeuwige professie meer dan onzeker maken. In diezelfde tijd probeert zijn moeder die alleen de reis van Orléans naar Rome heeft ondernomen, een laatste keer hem van het religieuze leven af te brengen; maar ze geeft zich gewonnen als ze ziet hoe vastberaden haar zoon is en, door de genade geraakt, aanvaardt ze uiteindelijk zijn roeping. De zalige Paus Pius IX verleent pater Hyacinthus toestemming zijn definitieve geloften af te leggen, op voorwaarde dat de symptomen van zijn ziekte dertig dagen lang verdwijnen. Na negenentwintig dagen krijgt de pater een nieuwe bloeding. Pater Jandel wendt zich dan tot de Paus die de professie toestaat. De plechtigheid heeft plaatst op 23 mei 1859 in de Santa Sabina kerk, van de Dominicanen in Rome. Tot eenieders verrassing is de pater die zich op de rand van de dood leek te bevinden, langzaamaan weer beter. Na een tijd van rust wordt hij benoemd tot assistent novicemeester.
Twee jaar later vertrekt pater Hyacinthus naar Corsica waar hij wordt benoemd tot meester van het nieuwe noviciaat van Corbara. Zijn betrekkingen met de prior van het huis blijken nogal fragiel te zijn: deze wil, inderdaad, in plaats van te kiezen voor een opleiding die is gebaseerd op geduld en naleving van de Regel, onmiddellijk resultaten zien. Pater Hyacinthus biedt de generaal-magister zelfs zijn ontslag aan maar die weigert en schrijft hem deze regels: «Te midden van alle stormen, verlies de moed niet maar behoud de vrede en het vertrouwen op God. Blijf vereend met Onze Heer. Deze momenten van beproeving zijn de voorbode van vertroostingen.» In 1863 wordt hij prior van dit huis in Corbara dat nog lang de sporen zal dragen van de door hem gegeven impuls. In zijn dagboek schrijft hij: «Moge de voortreffelijkheid van de reputatie van de Broeders voortkomen uit de armoede en de versterving van het kloosterlijk leven, evenals uit beminnelijke naastenliefde voor allen!» In 1865 wordt pater Cormier benoemd tot provinciaal van de provincie Toulouse, bakermat van de onlangs herstelde Orde; deze verantwoordelijkheid zal hij bezitten tot in 1874; vervolgens oefent hij van 1874 tot 1891, om beurten en op verschillende plekken, de functies uit van kloosterling prior of provinciaal.
De goede geest aanwakkeren
In 1891 wordt in Lyon een generaal Kapittel gehouden: pater Hyacinthus wordt gekozen tot definitor van de Orde (de definitor vertegenwoordigt zijn provincie in het generaal Kapittel en in Rome). De nieuwe magister-generaal, pater Früwirth, roept hem aan zijn zijde. Deze twee zeer verschillende temperamenten botsen soms met elkaar, maar pater Hyacinthus toont zijn geloofsgeest in de kleine voorvallen van het dagelijks leven: «Een dag zonder offer, zegt hij, is als een land zonder kerk; alles is er materieel en triest.» Weldra krijgt hij de taak van procurator toevertrouwd, hetgeen hem de tweede plaats binnen de Orde oplevert. De procurator behandelt de zaken van de Orde met betrekking tot de kerkelijke of burgerlijke instellingen. Pater Hyacinthus is eveneens consultor van de verschillende congregaties van de Curie, en de Pausen Leo XIII en daarna heilige Pius X vertrouwen hem meerdere delicate missies toe. In al deze functies zoekt hij voor alles de spirituele realiteit: «Het is waar dat ik naar aanleiding van bepaalde dingen, het middel weet te vinden om de goede geest aan te wakkeren…» In 1899 wil Paus Leo XIII hem tot kardinaal benoemen, maar de vijandige houding van de Franse regering tegenover religieuzen dwingt hem ervan af te zien.
Op 21 mei 1904 wordt pater Hyacinthus tijdens een generaal Kapittel gekozen tot magister-generaal van de Orde. Ondanks zijn tweeënzeventig jaren aanvaardt hij die opdracht die hij tot in 1916 in een bovennatuurlijke geest zal uitvoeren. Dit nieuws vervult Paus heilige Pius X met tevredenheid: «Het is een heilige… Ik ben zeer blij!» Voor de verkiezing had hij overigens tegen de pater gezegd: «Als er sprake is van iets voor u, zal men het hoofd moeten buigen!» De nieuwe overste heeft als plan een krachtig geestelijk leven in de kloosters te bevorderen, op basis van naleving van de Regel en de Verordeningen, die de hoge studie overstijgt zonder ze ter zijde te schuiven. In zijn eerste rondschrijven zet hij zijn standpunten uiteen: «In de hele Orde, in de kloosters als in de individuen de bloei bevorderen en naar buiten uitdragen van dezelfde geest van gebed, nederigheid, gehoorzaamheid, armoede, zelfverloochening, vroomheid jegens de naaste en ijver voor integriteit van het geloof, waarmee onze heilige patriarch Dominicus werd bezield». In die geest onderneemt de pater, ondanks zijn leeftijd, een tocht langs alle kloosters van de Orde, in een politieke context van vervolging van de Kerk die de religieuzen zeer moeilijke levensomstandigheden oplegde. In 1903 worden de Franse dominicanen uit hun kloosters verjaagd; zij moeten in andere landen hun toevlucht zien te vinden.
«Er moet gehoorzaamd worden!»
De gezondheid van pater Hyacinthus blijft nog altijd broos; hij schrijft echter: «Dankzij God is mijn gezondheid tamelijk goed. Door mijn gewoontes aan te houden en de leefregels in huis, kan ik de hele dag werken.» Hij doet zijn best niets te laten merken als hij soms vermoeid is; wanneer hij op reis is weigert hij ieder comfort terwijl zijn assistenten hem smeken zich te ontzien. De Heilige Vader zegt over hem met humor: «Die goede heiligen komen ons vragen hen zalig te verklaren, maar ze kunnen niet gehoorzamen…» Aan het eind van een privé audiëntie verklaart heilige Pius X vriendschappelijk tegenover broeder Damianus, die belast is met de assistentie van pater Hyacinthus: «U moet hem verzorgen. Als u hem niet goed verzorgt, excommuniceer ik u! U ziet er gezond uit maar zie hoe mager die arme oude man is!»; voor pater Hyacinthus voegt hij eraan toe: «U zult naar broeder Damianus moeten luisteren!» De pater zal zich tot zijn dood onderwerpen aan dit verzoek van de Paus. Zijn verzwakt gestel en zijn nederigheid zeggen hem dat hij zijn ontslag moet nemen; maar zijn omgeving en de Paus zelf verzetten zich ertegen.
De generalaat-tijd van pater Cormier valt samen met de moeilijke periode van het modernisme. Hij moet het opnemen voor zijn religieuzen, in het bijzonder pater Lagrange, die wordt beschuldigd van ontrouw aan de katholieke leer in zijn exegese, niet zonder hem te temperen in zijn uitlatingen. Hij verlangt dat «de Orde trouw blijft aan haar tradities van vurig zoeken naar de waarheid in volledige onderwerping aan de Heilige Stoel». Hij vaardigt een nieuwe ratio studiorum (organisatie van de studie) uit voor de Orde, en speelt een belangrijke rol bij de herstructurering van het Sint Thomas College in Rome, gewoonlijk het Angelicum genoemd.In overeenstemming met de standpunten van Paus Leo XIII, moedigt hij trouw aan de wijsbegeerte en de thomistische theologie aan. Pater Cormier geeft aan het Angelicum zijn eigen lijfspreuk van magister-generaal: Caritas veritatis (de liefde voor de waarheid). Hij draagt eveneens bij aan de vestiging van de universiteiten van Freiburg, Jeruzalem en Leuven. Hij blaast ook de Derde Dominicaner Orde leven in en herstelt of creëert nieuwe dominicaner provincies in de wereld. Zijn voornaamste zorg gaat evenwel uit naar de noviciaten. De spanningen tussen de Kerk en de Staat, in het bijzonder in Frankrijk en Italië, en vervolgens de Eerste Wereldoorlog waar zovele religieuzen naartoe worden gestuurd (in de meeste gevallen als aalmoezeniers of ziekendragers) treffen hem met grote smart. Witte Donderdag 1916, kort voor de ontheffing uit zijn taak, houdt hij op de Romeinse Universiteit een toespraak over het thema intiem leven met Jezus, dat wordt beschouwd als zijn geestelijk testament voor de meesters en de studenten. Hij legt daarin het accent op het primair belang van het innerlijk leven en de vereniging met de Verlosser.
Een te sterk middel
Begiftigd met een grootmoedige neiging niet in de boosaardigheid van de mens te geloven, is pater Hyacinthus vaak het slachtoffer van die genereuze ongelovigheid. Sommigen vinden hem in bepaalde situaties niet krachtdadig genoeg, maar dan antwoordt hij: «Een te sterk middel zou ons wel eens niet van de kwaal, maar van de zieke kunnen verlossen.» Wanneer hij sancties oplegt, zijn ze ingegeven door wijsheid en naastenliefde. In zijn nederigheid verklaart hij «dat het volstaat naar eer en geweten de middelen te gebruiken die men heeft, God doet de rest, door zelfs onze zwakheden erbij te betrekken».
«Als wij gejaagd, arrogant ten opzichte van anderen leven, eindigen wij vermoeid en afgemat, verklaart Paus Franciscus. Maar wanneer wij hun beperkingen en gebreken met tederheid en zachtmoedigheid zien, zonder ons superieur te voelen, kunnen wij hen een handje helpen en vermijden wij het energie te verspillen in nutteloos gejammer. Voor de heilige Teresia van Lisieux «bestaat de volmaakte liefde in het verdragen van de gebreken van anderen, in het zich absoluut niet verbazen over hun zwakheden». Heilige Paulus vermeldt de zachtmoedigheid als een vrucht van de Heilige Geest (cf. Gal. 5,23). Wanneer de slechte daden van een broeder ons soms grote zorgen baren, stelt hij voor dat wij naar voren treden om hem te corrigeren, maar in een geest van zachtmoedigheid (Gal. 6,1), en herinnert ons eraan dat jij ook in verzoeking kunt komen (ibid.) … Reageren met nederige zachtmoedigheid, dat is heiligheid!» (Apostolische Exhortatie, Gaudete et exsultate, 19 maart 2018, nrs 72-74).
Aan het eind van zijn generalaat-tijd in 1916 trekt Pater Hyacinthus zich terug in het klooster dat grenst aan de basiliek San Clemente in Rome. Lange tijd daarna zullen de religieuzen zich zijn lange uren van gebed herinneren. Als jonge dominicaan zei de pater inderdaad: «Wanneer ik me niet meer zal kunnen wijden aan de werken buitenshuis, wanneer ik onmogelijk meer kan preken, onderricht geven, psalmen zingen zelfs, zal ik nog de rozenkrans bidden; en als ik dat niet meer kan, zal ik hem nog in mijn handen houden of ernaar opzien. Hij zal op meerdere manieren het geduld waarmee ik zal lijden, de voorbereiding op mijn dood zijn.» Hij bidt twee rozenkransen compleet iedere dag, een voor de Kerk en de Paus, de andere voor de Dominicaner Orde en andere intenties. Hij gaat voort met dagelijks de Mis te vieren. Ondanks zijn verlangen de bovennatuurlijke gunsten die hij ontvangt te verbergen, heeft men hem meerdere malen in extase gezien of in levitatie. Hij klaagt er soms over dat hij te veel wordt verzorgd: «Mijn verblijf in dit huis heeft tot doel mij te helpen om goed te sterven. En het lijkt erop dat men mij wil beletten te sterven, zo zorgvuldig is mijn verblijf georganiseerd en word ik hier met zorg omringd…» In november begint zijn gezondheid snel achteruit te gaan. Hij lijdt in stilte en zegt daarbij: «Mijn God, neem mij mee!», en: «Ik heb de Goede God gezegd snel te handelen, maar Hij wil niet!» Op 17 december, zevenhonderdste gedenkdag van de goedkeuring van de Dominicaner Orde, hernieuwt hij zijn geloften in aanwezigheid van de magister van de Orde en de communauteit, neemt deel aan het Salve Regina en vervolgens blaast hij vredig de laatste adem uit. Zijn laatste gebaar was dat van de priester wanneer deze zegt Dominus vobiscum, als wilde hij alle aanwezigen toevertrouwen aan de Heer. Zijn lichaam rust onder het altaar van de kerk van het Angelicum.
«Pater Cormier, verklaarde heilige Johannes Paulus II, heeft onophoudelijk geleefd van de waarheid en die heeft hij doorgegeven aan al zijn dominicaner broeders, met nederigheid en volharding. Had hij de waarheid niet geassocieerd met de naastenliefde in zijn lijfspreuk: Caritas veritatis? Hij zei inderdaad dat borg staan voor waarheid «de mooiste vorm van naastenliefde» is» (20 november 1994). Laten we Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans de genade vragen getuigen van Christus te zijn die de Waarheid is, door ons leven en onze liefde voor de naaste.












