Beato Miguel Pro

1 Oktober 2025

Zalige Miguel Pro

Dierbare Vrienden,

In de straten van Mexico-Stad in 1927 fietst een jonge man, gekleed in een overall van een arbeider. Hij gaat naar het werk… Zijn werk? Biecht horen en ongezien de heilige communie uitdelen aan honderden personen in privé-huizen: inderdaad, elke uitoefening van de katholieke eredienst is door de regering verboden. Deze “arbeider” is in werkelijkheid een jonge priester-jezuïet die zich verkleedt om het politietoezicht te omzeilen. Er staat sinds zes maanden een premie op zijn hoofd. «Wat een geldverspilling», merkt Miguel Pro op, niet zonder ironie.

Zalige Miguel ProMiguel Agustin Pro is op 13 januari 1891, derde van elf kinderen, geboren te Guadalupe, mijnstad in de Staat van Zacatecas, in het centrum van Mexico. Zijn ouders, Miguel en Jozefa, zijn vurige katholieken. De jonge Miguel ontwikkelt een levendige en aantrekkelijke persoonlijkheid: zijn vroomheid gaat samen met vrolijkheid en zin voor humor. Op tienjarige leeftijd zenden zijn ouders hem naar een befaamde school van Mexico. Maar maagklachten die hem heel zijn leven zullen kwellen, dwingen hem weldra zijn studies thuis voort te zetten. Vijftienjarig helpt hij als secretaris zijn vader, mijningenieur. Soms daalt hij ook af in de mijn en praat met de mijnwerkers; uitmuntend imitator, is hij vlug in staat hun taal te spreken. Zijn moeder neemt het initiatief om zich bezig te houden met zieke mijnwerkers, en Miguel vergezelt haar graag bij haar liefdadigheidsbezoeken. Het gezin Pro sticht weldra een klein hospitaal waarin drie geneesheren zich voornemen om kosteloos bij te springen.

Miguel houdt ervan te praten met de vriendinnen van zijn zusters. Als 18-jarige gaat hij ’s avonds uit, wordt werelds en verzwakt in het geestelijk leven Zijn moeder vindt het heel erg. Op een dag vraagt ze hem het voorhangsel van het tabernakel dat ze geborduurd heeft naar de pastorie te dragen… Hij laat zich een beetje bevragen, maar uiteindelijk aanvaardt hij het.. Op de pastorie ontmoet hij twee priester-jezuïeten die zich begeven naar de buurt voor een zending. «Goedendag, jongeman. Zult u ons vergezellen?» Miguel laat zich overtuigen en volgt de geestelijke oefeningen van de missie gedurende één week. Hij komt er veranderd uit, omdat hij de vroomheid en de vrede in de ziel heeft teruggevonden. In 1911 treedt Maria de la Concepción, zijn lievelingszuster, in het klooster, wat een echt drama veroorzaakt in het hart van de jonge man – een weinig tevoren, had een andere van zijn zusters dezelfde weg gevolgd. Maar dat voorbeeld doet hem nadenken. Enkele weken later kondigt hij zijn ouders het besluit aan jezuïet te worden.

Nadat zijn verzoek door de provinciaal is aanvaard, treedt Miguel, 20 jaar, op 10 augustus 1911 in het noviciaat van El Llano (Michoacan) in. Vanaf 15 augustus, feest van de Tenhemelopneming van Maria, doet hij de toog aan. In deze vochtige plaats loopt hij malaria op. Om hem te helpen zijn gezondheid te herstellen staat men hem enkele wandelingen toe en voegt men vruchten toe aan zijn menu. Later zal een jonge novice over hem vertellen: «Broeder Miguel hield een eenvoudig en vrolijk gesprek; zonder iemand te vervelen slaagde hij erin in zijn eerder komische woorden vrome bedenkingen te lassen. Hij had een grote verering tot het Heilig Hart… Wat ik bij hem bewonderde was zijn offergeest en zijn geduld tegenover alle noden die ons overkwamen door het feit van de chaotische toestand van het land.» Pater Pulido, novicenmeester, getuigde van zijn kant: «Wat ik bij deze novice het meest apprecieerde, waren zijn blijheid en zijn humor. Hij was de ideale vriend bij ontspanningen en feesten. Nochtans waren er in hem twee mensen: de vrolijke Frans van de ontspanningen en een kloosterling van een uitzonderlijke diepgang.»

Op 15 augustus 1913 is broeder Miguel toegelaten tot het afleggen van de eerste religieuze geloften. Als hij op het punt staat de studies van wijsbegeerte te beginnen, barst de omwenteling uit. Sedert de onafhankelijkheid van Mexico in 1810 hebben de «Bevrijders» van het land meerdere malen getracht de sociale invloed van de Kerk terug te dringen. In 1913 neemt Venustiano Carranza de macht, steunend op de antiklerikale elementen van het leger en van de vrijmetselarij. Een Kerkvervolging begint: priesters worden aangehouden, kerken ontwijd, kloosterorden afgeschaft. Met de jezuïeten van Llano, verdeeld in kleine groepen, moet Miguel in augustus 1914 wegvluchten verkleed als boer. Hij doorkruist het land, verwoest door soldatenbendes. Op doortocht in Guadalajara ontmoet Miguel zijn moeder Jozefa zonder nieuws van haar echtgenoot en ondergedompeld in armoede. Mevrouw Pro, die de was doet om het brood te verdienen voor haar gezin, toont hem een schilderij van het Heilig Hart, voortaan haar enige rijkdom. Zij voegt eraan toe: «Mijn zoon, zelfs indien je me ziet de aalmoes vragen, volg je roeping. We weten niet of je vader levend of dood is, maar we blijven samen met God, onze Vader.»

Onveranderlijke blijdschap

Na 46 jaren van reizen komen de Mexicaanse jezuïeten aan in de Verenigde Staten en schepen weldra in voor Spanje waar ze aangepaste lokalen zullen vinden. Van 1915 tot 1918 studeert Miguel wijsbegeerte in Granada.. Zijn metgezellen uit die periode spreken met betrekking over hem niet over intellectuele prestaties, maar herinneren zich zijn vroomheid, zijn geest van versterving en zijn onveranderlijke blijdschap. Soms te midden van grappen die hij uitlokte, zag men hem een grimas onderdrukken: hij leed aan chronische maagkwalen die hij trachtte te verbergen om niet ten laste te zijn. Van 1918 tot 1922 overeenkomstig de vormingscursus van zijn orde onderwijst broeder Pro in een college voor kinderen die de jezuïeten zopas hebben geopend in Nicaragua. De onafgewerkte gebouwen beschermen hem slecht tegen het klimaat: zijn gezondheid verslechtert en zijn overste waardeert hem weinig. Nederigheid en betrouwen in de goddelijke Voorzienigheid helpen hem de zaken te bekijken van de positieve kant.

Miguel keert vervolgens terug naar Spanje om daar twee jaar theologie te studeren nabij Barcelona.. Gedurende de zomer 1924 doet hij zijn jaarlijkse retraite in Manresa waar de heilige Ignatius van de heilige Maagd Maria de inspiratiebron van de Geestelijke Oefeningen had ontvangen. Van 1924 tot 1926 voltooit hij zijn studies in het scholasticaat van Enghien in België waar 135 jonge jezuïeten uit twaalf naties gegroepeerd zijn. Zijn oversten bemerken zijn gave voor talen. Het tweede jaar bekomt Miguel de toelating om het mijnbekken van Charleroi te bezoeken met als doel: evangelisatie. Hij komt tot het discussiëren met socialistische arbeiders; zijn zin voor wederantwoord werkt. Spijts vrij zwakke schoolresultaten en een weinig schitterende gezondheid, maar om reden van zijn vroomheid en apostolische ijver wordt Miguel Pro tot priester gewijd op 31 augustus 1925 door een Franse bisschop in Enghien. De nieuwe priester begint zijn vierde jaar van godgeleerdheid, maar weldra verslechtert zijn gezondheidstoestand: een maagzweer is vastgesteld; hij moet worden gehospitaliseerd en zal driemaal worden geopereerd. Nieuwe beproeving: in februari 1926 ontvangt hij een telegram dat hem de dood van zijn moeder mededeelt. Josefa wist dat haar zending op aarde geëindigd was en dat zij haar leven aan God had aangeboden voor haar zoon; zij was overtuigd dat de Heer Jezus haar had aangehoord..

Nochtans verbeterde de gezondheid van Miguel niet; hij wordt gezonden naar een revalidatiehuis, beheerd door Franciscanessen in Hyères. Weldra zegt de dokter die hem verzorgt vertrouwelijk aan de kloosterling die hem vergezelt: «Het is een hopeloos geval. U moet uw oversten erover inlichten. Niets is gezegd aan de patiënt.» Pater Picard, hoofd van het scholasticaat, informeert dan Miguel over diens toestand en voegt eraan toe: «Keer terug naar Mexico om te sterven in je land.» Hij staat hem toe, al vertrekkend, een kortstondige bedevaart te doen naar Lourdes, in de loop waarvan pater Pro grote genaden zal ontvangen. «Wat ik gewaargeworden heb, is niet te beschrijven, het was één van de gelukkigste dagen… Om negen uur heb ik de Mis opgedragen… Ik heb één uur doorgebracht in de grot, ik heb geweend als een kind. Nu vertrek ik, de ziel vol vertroosting. Voor mij naar Lourdes gaan, dat was mijn Moeder in de Hemel ontmoeten, haar spreken, haar vragen, en ik heb haar ontmoet, ik heb haar gesproken, ik heb haar gevraagd…» Hij ontscheept in Saint-Nazaire, voortaan zonder enige geneeskundige behandeling.

In de clandestiniteit

Op 7 juli 1926 ontscheept Miguel in Veracruz, vermomd in burgerkledij. De Voorzienigheid beschermt hem: het douanebureau opent zijn bagages niet, en de inspecteur van de reispassen controleert zijn papieren niet. Aangekomen in Mexico, biedt hij zich aan bij pater provinciaal Luis Vega die hem zendt op missie naar de hoofdstad. Bij hem verblijvend verneemt hij dat zijn broer Humberto, 24 jaar oud, in de gevangenis is om zich te hebben verzet tegen de anti-godsdienstige wetten. Een uur later begint pater Pro zijn ministerium in een onopvallend huis, daar waar vandaag de parochie Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, Koningin van de Vrede zich bevindt.

Het is precies op het ogenblik dat Miguel Pro aankomt in Mexico dat de crisis in de betrekkingen tussen Kerk en Staat haar hoogtepunt bereikt. De president, opgedrongen door het leger, Plutarco Elias Calles, vrijmetselaar, doordrongen van de marxistische ideologie, verdubbelt de antiklerikale regelingen van de grondwet van 1917: in 33 artikels verbieden de wetten-Calles het godsdienstig onderwijs in alle scholen, verbannen de vreemde priesters, schaffen de kloosterorden af en nationaliseren de goederen van de Kerk. Elk priesterlijk apostolaat en elke daad van het ministerium zijn verboden buiten de kerken. Vaststellend dat de voorwaarden opgelegd door de nieuwe wetten de voortzetting van elke bediening onmogelijk maken, beslissen de Mexicaanse bisschoppen met goedkeuring van Paus Pius XI elke openbare uitoefening van de eredienst in het land vanaf 31 juli 1926 op te schorten. Vóór de beslissende dag wordt pater Pro opgeroepen om de sacramenten te bedienen. Van 5u tot 11u en van 15u tot 20u wordt zijn biechtstoel belegerd. Hij schrijft enkele dagen later: «Hoe heb ik weerstand geboden? Ik de zwakke, ik de gevoelige, ik de gast van twee Europese klinieken…? Dit alles bewijst met de grootste duidelijkheid dat, indien de goddelijke factor, die zich van mij bedient als van een instrument, niet was tussengekomen, dat alles al lang geëindigd zou zijn..»

Op 31 juli zijn de heilige hosties genuttigd en de tabernakels zijn voortaan leeg in heel Mexico. De verlaten kerken zijn ontwijd door soldatenbenden. De Mis wordt clandestien gecelebreerd. Pater Pro wijdt «eucharistische posten» in de huizen in waar hij op het overeengekomen uur voorbijkomt om de heilige communie te geven.. «Ik deel twee- tot driehonderd communies uit elke dag. Dat neemt me in beslag tot acht uur in de morgen zonder het werk van de biechten te tellen die ik heb, de woensdag, de donderdag en de vrijdagnamiddag.» Hij organiseert studentenkringen om hen te helpen het geloof te verdiepen. Hij houdt zich eveneens bezig met de bedienden en het huispersoneel; door het afstoten van de samenleving die hen marginaliseert af te wijzen helpt hij de ongehuwde moeders en richt een centrum op voor de opvang van prostituees.

Voor Christus-Koning

Om te antwoorden aan de vervolging kondigt het «Verbond voor de verdediging van de godsdienstige rechten» de staking van de aankopen af. De katholieken kopen niets meer dan het strikt noodzakelijke en halen van de banken al het geld dat zij er hadden gedeponeerd. Deze staking veroorzaakt een economische en financiële crisis. De dictator Calles is eveneens ongerust over de gewapende opstand van de Cristeros (aanhangers van Christus-Koning). Deze eenvoudige boeren zijn een ongelijke strijd begonnen tegen de revolutie voor de vrijheid van eredienst en het sociaal koninkrijk van Christus (waarvan paus Pius XI zopas de noodzaak in herinnering brengt door het invoeren van het liturgisch feest van Christus-Koning). De gewelddadige maatregelen tegen de priesters verergeren, gaande tot moord; leken die gevonden worden als houders van pamfletten tegen de regering, worden zonder proces gefusilleerd..

Jezus Christus is Koning. Hij bevestigt het aan Pilatus: «Ja, Koning ben Ik. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen om getuigenis af te leggen van de waarheid. Alwie uit de waarheid is, luistert naar mijnstem.»(Joh. 18,37) Het rijk van Christus is het rijk van de waarheid: waarheid over God, waarheid over de mens en zijn eeuwige bestemming». De heilige Paus Johannes Paulus II stelde op 22 februari 2002 vast: «Omstreeks de helft van het millennium dat zojuist is verstreken is een proces van secularisering dat beweert God en het christendom uit te sluiten uit alle uitdrukkingen van het menselijk leven ingezet; het heeft zich vooral ontwikkeld vanaf de XVIIIe eeuw. Het eindpunt van dat proces is geweest het laïcisme en het agnostisch en goddeloos secularisme, d.w.z. de volstrekte en gehele uitsluiting van God en de natuurwet uit alle domeinen van het menselijk leven.»

De Catechismus van de katholieke Kerk onderricht: «Zowel individueel als sociaal hebben de mensen de plicht God een waarachtige eredienst te bewijzen. Dat is “de traditionele katholieke leer over de morele plicht van mensen en gemeenschappen tegenover de ware godsdienst en de enige Kerk van Christus” (cfr. IIe Vaticaans Concilie, Verklaring over de godsdienstvrijheid, nr.1). (…) Op die manier bevestigt de Kerk het koningschap van Christus over de hele schepping en in het bijzonder over de menselijke samenleving.» (CKK, nr.. 2105; cfr. encyclieken Immortale Dei van Leo XIII en Quas Primas van Pius XI).

«De Kerk nodigt de politieke overheid uit om haar oordelen en beslissingen op deze inspiratie van de waarheid over God en over de mens te oriënteren: “De samenlevingen die deze achtergrond niet erkennen of hem weigeren te aanvaarden met een beroep op hun onafhankelijkheid tegenover God, moeten hun criteria en hun doelstellingen ofwel in zichzelf zoeken of ze ontlenen aan een bepaalde ideologie; door het feit dat ze geen objectief criterium voor goed en kwaad kunnen aanvaarden, kennen ze zichzelf een absolute macht toe over de mens en zijn bestemming, ofwel openlijk ofwel in het geheim, zoals blijkt uit de geschiedenis”» (CKK, nr. 2244).

Op 31 oktober, de regering uitdagend, begeven zich 200.000 pelgrims naar het heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe, heel dichtbij Mexico-Stad; pater Pro moedigt hen aan uit volle borst liederen te zingen ter ere van Christus Koning. De eerste vrijdag van november 1926 geeft hij de communie aan 1.300 personen. Zijn leven beschrijvend, merkt hij met humor op dat het grootste gevaar voor hem, fietser, niet de politie, maar wel de «zeer drieste» autorijders zijn. Geduldig slaagt hij erin talrijke keren de gevangenschap te ontwijken. Hij verblijft zelfs kort in de gevangenis zonder dat de politie zijn werkelijke identiteit ontdekt.

Wat u als het beste als naastenliefde bezit

In het begin van het jaar 1927 sticht pater Pro helpende commissies ten gunste van gezinnen, behoeftig geworden wegens hun trouw aan het katholiek geloof en de burgeroorlog. Hij coördineert de actie van een twaalftal personen belast met het verzamelen van levensmiddelen. Men kan hem naar de behoeftigen een grote zak voedsel zien dragen, terwijl hij zelf zich tevreden stelt met een zeer sobere voeding. Hij staat geestelijk zowel als stoffelijk verborgen vrouwelijke religieuze gemeenschappen bij. Vanuit zijn gevangenis zal hij aan één ervan zijn laatste geld met een kleine opmerking zenden: «Het is tijd voor jullie te storten aan mij dat wat u aan het beste hebt aan naastenliefde..» Miguel helpt eveneens de gezinnen van de Cristeros zonder zich te binden aan hun gewapende beweging. Hij oordeelt dat de katholieken het recht en de plicht hebben hun politieke rechten te verdedigen waarvan dat, om in het openbaar de godsdienst te praktiseren. Hij uit zijn verlangen naar het martelaarschap in brieven en boodschappen. «Wat verlang ik waardig de vervolging wegens de heilige Naam van Jezus bevonden te worden, maar zijn wil geschiede… Wat verlang ik weg te vliegen met een vleugelslag naar de hemel om gitaar te kunnen spelen en met mijn engelbewaarder te zingen!»

In maart beveelt zijn overste hem zich te verbergen en niet meer naar buiten te komen, want hij wordt actief door de politie gezocht. Hij licht toe: «Wat moeilijk is die deugd van gehoorzaamheid! Ik geloof dat de gehoorzaamheid het beste offer is.» Hij werpt zijn overste nochtans op dat de toestand niet zo gevaarlijk is, dat zijn gezondheid veel verbeterd is: «Mijn maag herinnert zich nauwelijks geopereerd geweest te zijn.» Weldra gemachtigd zijn clandestien apostolaat te hervatten, preekt pater Pro, altijd heimelijk, talrijke retraites volgens de Geestelijke Oefeningen van de heilige Ignatius. Om zich te verplaatsen in Mexico vindt hij alle soorten van vermommingen uit: rondtrekkend muzikant, arbeider, chauffeur, mijnarbeider, modegek, student. Hij schrijft in zijn dagboek: «Welke inwendige vreugde de vrede terug te geven aan een gebroken arbeidersgezin! Welke blijdschap de communie te dragen naar een oud man van 94 jaar! Welke blijdschap de biecht te horen van een Italiaanse arbeider onder een boom of de catechismus te onderrichten aan een communist tussen de spaanders en het gezaag van zijn schrijnwerkerij.»

Op 13 november 1927 gooien vier jonge katholieken een bom naar het voertuig van generaal Obregón, voornaamste minister van Calles. Als gevolg van die gemiste aanslag stelt de politie vast dat het voertuig van waaruit de bom is gegooid vroeger behoord heeft aan één van de broers van Miguel Pro. Ten gevolge van de indiscretie van een vrouw en van de onthullingen van een geschrokken kind ontdekken de speurders de schuilplaats van de jezuïet.. Op 19 november om drie uur vallen twintig gewapende soldaten binnen, het wapen in de vuist, in de kamer waar de drie broers Pro slapen. De pater zegt tot zijn broers: «Heb berouw over jullie zonden» en met een zelfverzekerde stem spreekt hij de sacramentele absolutie uit, eraan toevoegend: «Bieden we ons leven aan voor de godsdienst in Mexico en doen we het samen opdat God ons offer mag aanvaarden.»

«Tot voorbeeld»

Miguel en zijn broer Roberto zijn weggebracht naar een vochtige en onwelriekende cel (Humberto is elders. opgesloten). Gedurende de vijf dagen van hun opsluiting zeggen de pater en zijn celgenoten gezamenlijk de ochtend- en avondgebeden op, de rozenkrans, zingen liederen. Miguel kerft op de muur van de cel: «Leve Christus Koning! Leve Onze-Lieve-Vrouw van Guadalupe!» Wanneer hij verneemt dat pater Pro riskeert gefusilleerd te worden, geeft Segura Vilchis, de belangrijkste dader van de aanslag, zich aan generaal Roberto Cruz aan, inspecteur-generaal van de politie, en zweert dat de broers Pro voor niets zijn in de planning van de aanslag; ze waren zelfs niet op de hoogte van de voorbereidselen. Miguel en zijn twee broers hadden evenzo hun onschuld bevestigd, en de politie had geen bewijsstuk. Maar Calles en Obregón bevelen Cruz pater Pro te laten doodschieten «als voorbeeld» zonder verdere formaliteiten.

Op 23 november 1927 om 10 uur in de morgen worden Miguel en Humberto begeleid naar de executiepaal. Alleen Roberto zal worden verbannen bij gebrek aan aanklachten. Onderweg schenkt de pater vergiffenis aan zijn gevangenisbewaarder en aan de soldaten. Hij bekomt een ogenblik om te bidden, wat hij op de knieën doet met veel ingetogenheid. Vóór het executiepeloton onder de onverschillige blik van Cruz die een sigaar rookt doet de jonge martelaar zijn armen over elkaar en roept uit: «Leve Christus-Koning». Aangezien hij nog ademt na de ontlading, geeft een soldaat hem de genadeslag. Door de foto’s van de terechtstelling te verspreiden in de regeringspers zal Calles pater Pro beroemd maken in de hele wereld.. Tot groot ongenoegen van de overheden wordt zijn teraardebestelling bijgewoond door verscheidene tienduizenden personen, een triomftocht. Wanneer de lijkkist neergezet wordt in het graf van de jezuïeten, heft de vader van de martelaar, don Miguel spontaan het Te Deum aan.

Spijts de compromisakkoorden gesloten in 1929 tussen de regering en het Vaticaan duurde de vervolging in Mexico voort tot het einde van de XXe eeuw. Onder de talrijke martelaren van de Mexicaanse revolutie was pater Pro, meer dan elk andere, vereerd door het katholiek volk als een symbool van de vervolgde Kerk. Op 25 september 1988 wordt Miguel Agustin Pro officieel martelaar en gelukzalige door de heilige Paus Johannes Paulus II verklaard. In de liturgie wordt hij herdacht op 23 november door het Gezelschap van Jezus in Mexico.

We kunnen ons in alle omstandigheden verenigen met dat gebed geschreven door de gelukzalige Miguel in zijn dagboek, een weinig vóór zijn dood: «Ik geloof, Heer, maar versterk mij geloof. Hart van Jezus, ik houd van U, maar vermeerder mijn liefde.. Hart van Jezus, ik heb vertrouwen in U, maar geef meer sterkte aan mijn vertrouwen. Hart van Jezus, ik geef U mijn hart, maar sluit het in U op, opdat het nooit gescheiden worden van U. Hart van Jezus, ik ben geheel de Uwe, maar zorg goed voor mijn belofte opdat ik die concreet kan omzetten tot het volledig offer van mijn leven.»

Zalige Nicolas Sténon

Zalige Henri Suso

Zalige Clemens-August von Galen

Zalige Conchita Cabrera de Armida