Beato Henri Suso

27 Augustus 2025

Zalige Henri Suso

Dierbare Vrienden,

Men leest in het Leven van de zalige Hendrik Seuse (ook bekend onder de Latijnse naam Henricus Suso), dat zijn moeder geen Mis kon bijwonen zonder tranen van medelijden te vergieten om het lijden van Jezus en Maria in de Passie. Eens dominicaan, zal Hendrik op zijn beurt een heel innige devotie voor de lijdende Jezus aan de dag leggen en de gewoonte aannemen Hem op een lange kruisweg te volgen.

Zalige Henri SusoHeinrich Seuse von Berg is rond 1295 geboren in de armenwijk van de stad Überlingen, aan de oever van het meer van Konstanz. Hij is het kind van een stoffenhandelaar en een moeder uit een adellijke familie van Schwaben. De vader gaat op in de mentaliteit van de wereld en verzet zich soms met enige gewelddadigheid tegen de levenswijze van zijn zachtzinnige en heel vrome vrouw, die vervuld is van Gods Geest. Door haar sterk geloof kan zij deze beproevingen overwinnen. Zij krijgt ook een dochter en deze zal zich aan God geven in de orde van de heilige Dominicus. Hendrik en zijn zus krijgen een degelijke godsdienstige vorming en vatten daardoor ook liefde op voor de natuur, het scheppingswerk van Gods Liefde. Hun moeder sterft op een Goede Vrijdag, op het uur van Jezus’ dood. Na het overlijden van zijn vader, zou Hendrik een visioen gekregen hebben van zijn moeder die hem smeekt voor vader ten beste te spreken, omdat hij door zijn werelds leven tot een lang vagevuur is veroordeeld. Het zal hem worden geopenbaard dat zijn gebeden verhoord zijn.

De Catechismus van de Katholieke Kerk (nr. 1030, 1032) leert: «Zij die sterven in de genade en de vriendschap van God, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, ondergaan, hoewel ze reeds van hun eeuwig heil verzekerd zijn, na hun dood een loutering ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de hemel te kunnen binnengaan… Deze leer vindt ook steun in de gebedspraktijk voor de overledenen, waarover de heilige schrift al spreekt: Daarom liet hij (Judas de Makkabeeër) voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonden zouden worden vrijgesproken (2 Makk. 12,46). Vanaf de eerste tijden heeft de Kerk de nagedachtenis van de overledenen geëerd door voor hen voorbeden te verrichten en vooral door voor hen het offer van de eucharistie op te dragen, opdat zij na gelouterd te zijn kunnen komen tot de gelukzalige aanschouwing van God. De Kerk beveelt ook aalmoezen, aflaten en werken van boetvaardigheid aan ten gunste van de overledenen: “Laten wij hun nu hulp bieden en ons om hun nagedachtenis bekommeren. Als immers de kinderen van Job door het offer van hun vader gereinigd zijn (Job 1,5), waarom twijfelt gij er dan aan dat onze offers voor de doden hun enige troost verschaffen? Laten wij dus niet moe worden hulp te bieden aan hen die heengegaan zijn en onze gebeden voor hen op te dragen” (H. Johannes Chrysostomus)».

Dertienjarige Hendrik treedt rond 1310 in bij de dominicanen in Konstanz. Volgens een bepaalde traditie neemt hij uit verering voor zijn moeder de naam Seuse aan, in de Latijnse vorm Suso. De oversten van de orde aanvaarden hem uitzonderlijk op zo een prille leeftijd omdat zij duidelijk een goddelijke roeping bij hem onderscheiden. De orde van de predikheren is in die tijd heel bloeiend en over het christelijk Europa verspreid, maar de discipline is niet meer zo strikt als in het begin. Het klooster van Konstanz bevindt zich op de weg van de verflauwing. Tot op zijn achttiende mist het religieuze leven van Hendrik inderdaad vurigheid, zoals hij zelf zal erkennen.. Hij begrijpt en wil de weldaad van de religieuze gehoorzaamheid en spreekt in alle oprechtheid zijn geloften uit, doch zonder een groot verlangen naar persoonlijke ascese. Hij levert zich over aan de studie: Latijn, dat hij perfect beheerst, logica en retorica, vervolgens de studie van de Constituties van de dominicanen, en filosofie en theologie zoals de heilige Thomas van Aquino ze onderrichtte.

In de loop van die jaren hoort hij met lof spreken over de goddelijke Wijsheid waarvan gezegd wordt dat zij een uitverkoren vriendin is. Zijn hart wordt er sterk door aangetrokken, maar eveneens door tijdelijke vreugden. Dat brengt een innerlijke strijd teweeg in zijn ziel. Toch verlangt hij er vurig naar de Wijsheid te zien. Op een dag, op zijn achttiende, verschijnt zij «van ver, doch heel dicht bij zijn hart». Zij is zowel subliem als nederig.. Soms verschijnt zij hem onder de gedaante van een reine en bekoorlijke maagd, soms als een jongeling van een verrukkelijke schoonheid. «Mijn kind, zegt zij hem, geef mij uw hart..» Begeesterd door zoveel schoonheid, straalt Hendrik goddelijk geluk uit. Toch keren de bekoringen na deze genade in hoge mate terug en zetten ze hem aan meer van de huidige dingen te houden dan van de toekomstige

De barmhartige Wijsheid

Na een nieuw visioen, op het feest van de heilige Agnes, begrijpt Seuso dat de Wijsheid meer in het bijzonder het kenmerk is van de Zoon in de schoot van de Drie-eenheid.

De heilige Louis-Marie Grignion de Montfort (1673-1716) legt het ook zo uit: «De wezenlijke, ongeschapen Wijsheid is de Zoon van God, de tweede Persoon van de allerheiligste Drie-eenheid, met andere woorden de eeuwige Wijsheid sinds eeuwig, die Jezus Christus is in de tijd» (De liefde van de eeuwige Wijsheid, nrs 13,19).

De Wijsheid zegt aan broeder Hendrik: «Ik ben de zachte, barmhartige Wijsheid die de afgrond van mijn oneindige barmhartigheid wijd heeft geopend om u en de berouwvolle harten met zachtheid op te nemen. Ik ben het, de zachte Wijsheid, die mij arm en ellendig heb gemaakt om u tot uw waardigheid terug te brengen; ik ben het die de wrede dood geleden heb om u het leven terug te geven… Ik ben het, uw broeder, kijk, ik ben uw bruidegom! Ik ben ook helemaal vergeten al wat gij ooit tegen mij begaan hebt alsof het nooit gebeurd was, mits gij voortaan helemaal terugkeert tot mij en niet meer van mij scheidt» (Het boek van de eeuwige Wijsheid, hfd. 5).

Omdat hij het gevaar inziet van contact met de wereld, gaat broeder Hendrik niet meer naar de spreekkamer tenzij het noodzakelijk is. De woestijnvaders worden zijn meesters. Hij leest in de geschriften van de heilige Cassianus: «Het is de stervende Christus op het kruis die ons voorbeeld moet zijn». Hij verlangt zich door beschouwing zo veel mogelijk te verenigen met het Lijden van de Heer en volgt daarom de raad die de Wijsheid hem geeft: «Wat de andere oefeningen betreft, armoede, vasten, waken en alle andere verstervingen, richt ze op dit doel (de beschouwing) en beoefen ze in de mate dat ze u kunnen vooruit helpen». Als dappere soldaat van Christus geeft hij zich over aan grote boetedoeningen. Diep gegrepen door liefde voor Christus, grift hij de letters IHS – wat Jezus betekent –, in zijn huid (een voorbeeld om niet na te volgen!)…

Na 1320, wanneer Seuso de gewone studies heeft voltooid, wordt hij naar het algemene studium van de orde gezonden in Keulen, om zich in Bijbelkennis en scholastieke theologie te verdiepen. Hij volgt gretig het onderricht van beroemde professoren, maar in het bijzonder de Bijbelcommentaren van Meester Eckhart, een professor die hij sterk waardeert. Door zijn persoonlijke raadgevingen, helpt deze laatste zijn leerling een zwaar scrupule te overwinnen die zijn roeping in gevaar zou kunnen brengen. Broeder Hendrik zal er hem diep dankbaar voor blijven. Maar Meester Eckhart wordt het mikpunt van meerdere personen die hem bestrijden, onder wie twee paters dominicanen. Vanaf 1325 worden hem niet orthodoxe leerstellingen ten laste gelegd. In 1327 verzekert hij orthodox te zijn en zegt alle fouten terug te nemen die in zijn homilies en geschriften zouden kunnen geslopen zijn. Toch oordeelt Paus Johannes XXI die in Avignon verblijft, dat achtentwintig stellingen van Meester Eckhart verdacht zijn. Dat gebeurt in 1329 met de bulle In agro dominico. Maar Eckhart was op 28 januari 1328 al gestorven en Seuso verbleef waarschijnlijk al niet meer in Keulen.

In 1992 verklaart kardinaal Ratzinger, toenmalig prefect van de Congregatie voor de Geloofsleer, dat de rehabilitatie van Eckhart, waar het algemene kapitel van de dominicanen om gevraagd had, niet nodig is, omdat de auteur nooit persoonlijk was veroordeeld.

Seuso schrijft dan een Boek van de Waarheid waarin hij de stellingen van zijn meester herneemt en ze van iedere onduidelijkheid ontdoet.

Minachting dapper doorstaan

Zelf vervuld van geestelijke vurigheid, lijdt hij onder de onbezonnenheid van studenten en leraren die geen heiligheid van leven nastreven, maar pretentie en verwaandheid. Hij keert rond 1327 naar Konstanz terug en leidt daar opnieuw een eerder eenzaam leven, terwijl hij de opdracht van lector uitoefent (eerste graad als professor bij de dominicanen). In deze hoedanigheid, onderricht en leidt hij de studie van al de broeders, een bijzonder belangrijke functie bij de dominicanen omdat zij een orde zijn die zich aan studie wijdt. Toch valt zijn onderricht niet altijd in goede aarde, want hij gaat nog door voor een volgeling van Eckhart. Twee hoge ambtsdragers van de orde klagen hem aan als ketter. Daarop wordt hij naar een algemeen kapitel in de Lage Landen gestuurd, waarschijnlijk dat van Maastricht in 1330. Hij gaat er met knikkende knieën naartoe. Er worden hem zware verwijten gemaakt en hij wordt met strenge straffen bedreigd. Bij zijn terugkeer in Konstanz wordt hem de opdracht van lector ontnomen. Wanneer hij op een dag een hond ziet spelen met een lap stof, aanziet hij dat als een teken van de Voorzienigheid die hem roept om niet langer uitwendige boetedoeningen te doen maar inwendige, om als een lap stof het speelgoed van zijn broeders te zijn.. Hij werpt de boeteinstrumenten die hij tot dan gebruikte in de Rijn en vraagt uitgestrekt voor het kruis aan de Heer: «Leer Uw dienaar minachting en spot dapper te doorstaan, uit liefde voor U». Waarachtige heiligheid is namelijk gelegen in het aanvaarden van beproevingen die de Voorzienigheid toelaat. Hendrik wordt inderdaad het voorwerp van laster en kleineringen en ziet zich door meerdere vrienden in de steek gelaten.

Mevr. Royer, een mystica uit het begin van de 20e eeuw en vertrouwelinge van het Heilig Hart van Jezus, zegt hieromtrent: «Boete bestaat er niet in middelen te bedenken om offers te doen of buitengewone dingen, maar “amen” te zeggen op alle gelegenheden tot versterving die het leven ons onophoudelijk aanbiedt. Het is het kruis aanvaarden dat God voortdurend op onze schouders legt.» In dezelfde zin schrijft zuster Lucia, de zienster van Fatima, aan de bisschop van Leiria: «Het doet God verdriet zo weinig zielen in staat van genade te zien en bereid afstand te doen van al wat Hij hun vraagt om Zijn Wet te volgen. En het is juist boete die de Goede God nu eist, het offer dat iedereen zich moet opleggen God wil als versterving het eenvoudig en eerlijk vervullen van de dagelijkse taken en het aanvaarden van inspanningen en zorgen. En Hij verlangt dat deze weg duidelijk aan de zielen wordt getoond, want velen beelden zich in dat “boete” grote gestrengheden betekent en aangezien zij er de kracht noch het grote hart toe hebben, geraken zij ontmoedigd» (20 april 1943).

De “vrienden van God”

Hertog Lodewijk IV van Beieren (1286-1347) laat zich in 1328 tot keizer van het Duitse Heilige Roomse Rijk kronen, zonder de borgstelling van Paus Johannes XXII. Deze excommuniceert hem, wat ernstige sociale gevolgen heeft. De christenheid splitst zich op in voorstanders van de paus en van de keizer. De orde van de dominicanen toont zich in haar geheel trouw aan de paus. Seuso lijdt veel onder deze verdeeldheid. Maar ook andere gesels treffen de samenleving. In 1338 verslinden sprinkhanen de oogsten; drie jaar later richten overstromingen enorme vernielingen aan. In 1348 zaait de zwarte pest verschrikking in heel het Westen en veroorzaakt zij de dood van ten minste een derde van de bevolking; ongeveer vijfduizend mensen zullen sterven door aardbevingen. Tegenover deze rampen wakkeren vurige christenen hun geestelijk leven aan. Zij voelen zich aangespoord om Christus, de God die lijdt, met veel liefde te troosten nu velen Hem in de steek laten. Een groot netwerk van vroomheid strekt zich uit over heel het zuiden van Duitsland. Zij noemen zich “vrienden van God”. Het is hun doel de Verlosser te beminnen, zich te verenigen met Zijn heilige mysteries door gebed en de sacramenten, zich toe te leggen op de navolging van Zijn leven en volmaakt met Hem één te zijn als Hij hun die genade wil geven.

Ontheven uit zijn opdracht als lector, wordt aan pater Hendrik die dan ongeveer veertig jaar is, het ambt van geestelijke begeleiding toevertrouwd, eerst bij de zusters van zijn orde, daarna bij andere gemeenschappen, waaronder die van de benedictinessen. Deze zusters waarderen zijn leiding ten zeerste en vatten een ware verering voor hem op. Zuster Elisabeth Stagel, een zuster uit een dominicanessenklooster bij Winterthur, wordt zijn geestelijke dochter. Vertrouwd met de leer van Meester Eckhart, is zij gretig naar diens onderricht. Hij onthult haar ook geheimen van zijn eigen leven en schrijft veel brieven die van deze heilige vriendschap getuigen.

Seuso trekt dan te voet door Zwitserland, de Alsace, de vallei van de Rijn. Hij gaat nooit een kerk voorbij zonder er de goddelijke Gast te groeten. Zijn dichterlijke ziel bewondert graag het platteland en onderhoudt zich graag met de Wijsheid.. «Beminnelijke Heer, schrijft hij, als ik niet waardig ben U te loven, verlangt mijn ziel echter dat de hemel U looft wanneer hij in zijn schitterendste schoonheid, in zijn volle helderheid door de pracht van de zon en de talloze menigte van lichtende sterren verlicht wordt. Mogen de mooie landerijen U loven wanneer zij in de genoegens van de zomer volgens hun natuurlijke verhevenheid stralen in de veelzijdige tooi van hun bloemen en verrukkelijke schoonheid… In de tijd bestaat geen beter voorspel op het verblijf in de hemel dan God te loven in vreugde en blijdschap» (Het boek van de eeuwige Wijsheid, hfd. 24).

Men leest in het Leven ook nog: De armen van mijn ziel strekken zich uit, belast met de talloze menigte van schepselen, ook om hen aan te sporen blij hun dankbaarheid uit te zingen voor de Schepper…». Inderdaad, zoals de heilige Ignatius uitlegt, al het overige (buiten de mens) is geschapen om hem te helpen in het nastreven van het doel waarvoor «God hem heeft geschapen», namelijk: God loven, eren en dienen» (Geestelijke oefeningen, nr. 23).

Het brood breken

Seuso gaat op zoek naar de verdwaalde schapen in de armenwijken en op het platteland. Hij wil «het brood breken voor de kleine mensen en het uitdelen aan de menigte». Zijn spiritualiteit vindt haar inspiratie niet alleen in de Bijbel, maar ook bij de Kerkvaders, vooral bij de heilige Augustinus. Voor hem is het duidelijk dat de interpretatie van de Schrift moet overeenstemmen met de algemeen aanvaarde mening van de Kerk.

«De heilige overlevering, de Heilige Schrift en het leraars­ambt van de Kerk blijken derhalve, volgens het wijze raadsbesluit van God, zo met elkaar verbonden en verenigd te zijn, dat het een zonder het ander geen stand houdt, en dat zij allen samen, ieder op zijn wijze, onder de werking van de éne Heilige Geest, krachtdadig bijdragen tot het heil van de zielen» (Dei verbum, nr. 10; cfr. CKK, nr. 95).

Rond 1348 schrijft hij Het Boek van de eeuwige Wijsheid, dit is het enige waarvan de integrale authenticiteit geen twijfel laat. In de jaren 1330, misschien was het zelfs 1339, had hij over dat onderwerp al een gelijkaardig boek gepubliceerd, het Horologium van de Wijsheid, maar de twee boeken verschillen tamelijk in stijl en toon. In de Eeuwige Wijsheid schrijft hij om de liefde voor God in de harten aan te wakkeren of te ontwikkelen. De Wijsheid zegt hem: «Als ge Mij in Mijn ongeschapen Godheid wilt aanschouwen, moet ge Mij leren kennen en Mij leren beminnen in Mijn menselijke natuur die geleden heeft, want dat is de snelste weg naar de eeuwige zaligheid». Seuso stelt aan de lezer ook voor de Passie van Christus met hem te overwegen. De Wijsheid gaat verder: «Zie: volgehouden contemplatie van Mijn beminnelijk lijden maakt van een eenvoudig mens een volleerd meester. Het is een levend boek waarin men alle dingen vindt. Gelukkig de mens die het heel de tijd voor ogen heeft en bestudeert! Hoeveel wijsheid en genade kan hij verwerven, hoeveel troost en zoetheid! Welke afkeer van de zonde, welk voortdurend gevoel van Mijn aanwezigheid!» (hfd. 14). Seuso evoceert ook de Heilige Maagd en de onuitsprekelijke smart van Haar aanwezigheid op Kalvarië.

De dialoog met de Wijsheid bevat eveneens visioenen over het lijden in de hel en de immense vreugde in het Rijk der hemelen, twee waarheden die Jezus zelf openbaarde. Het verlangen van Seuso is, « de mensen uit de vastgeroeste sleur van hun zondig leven te trekken om hen bij de ware schoonheid te brengen».

Hij toont duidelijk de twee wegen aan waarover de Catechismus spreekt: «De weg van Christus leidt tot het leven, een weg die daarmee in strijd is voert tot de ondergang (Mt 7,13). De parabel uit het Evangelie over de twee wegen blijft voortdurend aanwezig in de catechese van de Kerk.. Hij duidt op het belang van de zedelijke beslissingen voor ons heil.» (CKK, nr. 1696). Ook het Tweede Vaticaans Concilie herinnert aan wat hier op aarde op het spel staat: Daar wij echter dag noch uur kennen, moeten wij, zoals de Heer ons vermaant, voortdurend waken om bij het einde van onze enige aardse levensloop met Hem ter bruiloft binnen te gaan en bij de gezegende te worden geteld en niet zoals de slechte en luie knechten te worden weggeworpen in het eeuwige vuur, in de duisternis buiten, waar geween is en tandengeknars..» (Lumen Gentium, nr. 48).

De Catechismus leert: Zij die sterven in de genade en vriendschap van God en die volmaakt gelouterd zijn, leven voor eeuwig met Christus. Zij zijn voor eeuwig gelijk aan God,omdat zij Hem zien zoals Hij is, van aangezicht tot aangezicht» (CKK, nr. 1023).

Zo beschrijft Seuso de Hemel: «In het hemels vaderland ben je zozeer omringd door vrienden dat degene die u in deze talloze menigte het meest vreemd is, met meer liefde en trouw van u houdt dan eender welke vader, eender welke moeder dat ooit zouden kunnen… Kijk zelf naar de mooie hemelse vlakte: oh! hier zijn alle genoegens van de zomer, de weiden in het licht van de mei, de vallei van de ware vreugden! En degenen die elkaar beminnen wisselen blije blikken uit; hier zijn harpen, viola’s, hier zijn liederen, ontspanning, dans, rondedans, volmaakte vreugde zonder einde, hier is elk verlangen vervuld, hier is vreugde zonder lijden in een zekerheid die altijd zal duren». En hij besluit: «Oh! Heer, maak dat mijn ziel dit dubbele schouwtoneel van de hel en de hemel nooit uit het oog verliest, opdat ik Uw vriendschap nooit zou verliezen!» (hfd. 12).

Het Boek van de Wijsheid bevat een tweede deel waar Seuso de kunst leert om goed te sterven. De mens hoeft de dood niet te vrezen wanneer hij voorbereid is: «Bereid u van meetaf aan voor, waarlijk, je bent als een vogel op een tak en als een man die aan de oever wacht op de snelle boot die voorbijkomt en waarop hij moet instijgen en die hem naar het vreemde land zal brengen vanwaar hij nooit zal terugkeren» (hfd. 21). Dan volgen twee meditaties over het sacrament van de Eucharistie en over de lof aan God te allen tijde.

De werken van Seuso kenden op het einde van de Middeleeuwen veel succes. Onder zijn bekende lezers worden Thomas a Kempis geteld, de vermeende schrijver van de Navolging van Jezus Christus en de heilige John Fischer, een martelaar uit Engeland.

«Help mij bidden!»

Omdat de dominicanen weigeren te gehoorzamen aan de schismatieke bevelen van Lodewijk van Beieren, moeten zij vrijwillig in ballingschap gaan. Zij verlaten Konstanz en zoeken hun toevlucht in Diessenhoven. Seuso wordt er prior van de gemeenschap. Zijn apostolaat brengt allerlei beproevingen mee. Hij wordt geconfronteerd met kwaadwilligheid ten opzichte van zijn persoon, met gezondheidsproblemen en een verschrikkelijke laster over zijn zeden, wat voor hem een grote innerlijk kwelling betekent. In 1347-48 wordt hij naar het klooster in Ulm gezonden van waaruit hij vele pastorale reizen onderneemt.. Zijn laatste jaren zijn sereen. Op 25 januari 1366 verkeert Seuso in doodstrijd. Op zijn harde bedstee bidt hij tot Christus: «Ik bid U wil mij reinigen in Uw kostbaar Bloed, Gij die zo welwillend zijt!». Daarna aanroept hij zijn uitverkoren heiligen, de heilige Dominicus, de heilige Thomas, de heilige Nikolaas: «Hef uw handen hoog, help mij tot de Hemel te bidden!». Wanneer de broeders, geknield rond zijn bed het Salve Regina inzetten, zegt hij nog: «Ik leg mijn ziel in Uw handen, o mijn Bruid, o mijn Moeder!… met dezelfde liefde beveel ik U mijn dierbaren aan». Daarna geeft hij zijn ziel aan God. Hij wordt in 1831 door Paus Gregorius XVI zaligverklaard. Zijn feest valt op 25 januari.

Vragen wij aan de zalige Hendrik Seuso ons de eeuwige Wijsheid te laten kennen en beminnen, Jezus Christus, de enige Zoon van God, en dat hij ons de kracht zou geven om van Hem te getuigen.

Heilige Philippine Duchesne

Zalige Nicolas Sténon

Zalige Miguel Pro

Zalige Clemens-August von Galen