Venerabile Chiara di Soria

29 Mei 2024

Eerbiedwaardige Claire de Soria

Dierbare Vrienden,

«De Eucharistie staat aan de oorsprong van elke vorm van heiligheid en ieder van ons is geroepen tot de volheid van leven in de Heilige Geest. Hoeveel heiligen hebben hun eigen leven authentiek gemaakt dankzij hun eucharistische vroomheid!… De heiligheid heeft altijd zijn centrum gevonden in het Sacrament van de Eucharistie», schreef Paus Benedictus XVI in de apostolische exhortatie Sacramentum caritatis van 27 februari 2007 (nr. 94). Het leven van Moeder Clara de Soria, claris uit de XXe eeuw, als eerbiedwaardig erkend door Paus Franciscus op 3 april 2014, getuigt ervan..

Eerbiedwaardige Claire de Soria Clara de Soria Sánchez García is op 14 februari geboren in Torre Camaros, provincie Logroño (Spanje). Zij is het derde van zeven kinderen. De vader, Leopoldo Sánchez, is onderwijzer; de moeder heet Augustina Garcίa. Het kind ontvangt bij de doop de naam Juana de la Concepcion. Haar moeder heeft haar al voor de geboorte toegewijd aan heilige Pascal Baylon (1540-1592), eenvoudige franciscaner Broeder die zijn kracht putte uit de eucharistie en lange uren doorbracht in stille aanbidding voor het Allerheiligste. Enige tijd later vestigt het gezin zich in Pollamento en vervolgens in Rebollar, in de provincie Soria. Opgroeiend in zulk een door en door christelijk gezin maakt Juana met haar even levendige als krachtig temperament zich bij ieder geliefd. Op negenjarige leeftijd begint ze haar kleine broertjes en zusjes de catechismus te onderrichten. Voor de dag van de Eerste Communie van een van hen schrijft ze een klein gebed waarin ze voor hem vraagt om de priesterroeping: «Kleine Pascal (dat was zijn voornaam) zou jij het niet leuk vinden om priester te worden? Je zou de Heilige Mis kunnen opdragen en ons de Communie uitreiken..» Ze spoort de haren en ook haar vriendinnen aan offers te brengen.. Thuis voert ze verschillende huishoudelijke taken uit. Volgens haar zus koos ze altijd het moeilijkste werk en ze liet het gemakkelijkste aan haar over.

Maar het jong meisje vertoont reeds dan een uitgesproken voorkeur voor de eenzaamheid, en brengt moeiteloos tijd door in stil gebed. Zodra ze kan glipt ze weg om het Allerheiligste te bezoeken en blijft er zo lang ze kan. Ze gaat heel graag naar de Mis omdat Christus zich erin opoffert voor onze liefde en zichzelf aanbiedt als geestelijk eten en drinken. Omdat ze in die tijd nog niet iedere dag de heilige Communie kon ontvangen maar wel vurig verlangde naar eenwording met Christus, vraagt ze aan haar moeder: «Zeg tegen meneer pastoor de Hostie tijdens de Mis hoger te verheffen en ook langer zodat ik goed de geestelijke communie kan doen..» Al heel vroeg leert haar moeder haar zich te bekommeren om de armen en Juana geeft blijk van een grenzeloze goedgeefsheid. Ter gelegenheid van bepaalde grote feesten biedt haar familie de armen ter plaatse een maaltijd aan; het jonge meisje blijft lang bij hen zelfs als haar lievelingsdessert er, al bedienend, bij inschiet.

Hoewel ze beschikt over een aantoonbare, diepgaande intelligentie wenst ze niet langer haar studie voort te zetten want ze voelt zich geroepen tot het religieuze, contemplatieve leven. Voor zo ver ze zich kan herinneren heeft ze deze roep van God om zuster te worden gevoeld. Daarover zal ze zeggen: «Ik had horen zeggen dat er zusters bestonden die binnen de muren van hun klooster leefden en die God onophoudelijk loofden en ik zei bij mezelf: ik zal een zuster worden zoals zij.» Het vuur van het Woord Gods ontbrandt in haar, een vuur dat ze niet kan blussen, dat haar dwingt ieder ogenblik uit te roepen: Hier ben ik.. Ik ben gekomen, o God, om uw wil te doen (Hebr. 10,7). Zoals ze het zelf zegt, wil ze een «lofzang op de heerlijkheid van God» worden. Maar haar ouders, die toch goede christenen zijn, begrijpen haar niet en schrijven haar in voor de lerarenopleiding van Soria. Juana gehoorzaamt, maar voelt zich niet op haar plaats in de enigszins oppervlakkige en roerige wereld van studenten: haar ziel hunkert naar het huis van de Heer. Ze betoont zich echter dienstvaardig en is bereid allerlei soorten diensten te bewijzen aan haar medestudenten. Ze slaagt met glans voor haar studie, maar lijdt zeer onder het niet kunnen verwezenlijken waarnaar ze het meest verlangt. In februari 1922 houdt ze het niet langer uit en schrijft een aangrijpende brief aan haar oudste broer, die al in het onderwijs werkzaam is: «Ik kan niet langer studeren; het is mijn roeping kloosterzuster te worden, en ik moet die roep van de Heer beantwoorden.» Zeer ontstemd, geeft deze de boodschap door aan zijn ouders, die uiteindelijk instemmen, niet zonder verdriet, met de roeping van hun dochter; uiteindelijk zijn ze oprecht verheugd wanneer ze bedenken dat ze een non als dochter krijgen. Maar op de dag die aanvankelijk was voorzien voor haar intrede in het klooster, sterft haar vader onverwacht aan een hersenbloeding. Juana begrijpt in welke moeilijke situatie haar moeder terechtkomt als weduwe, met haar jongere broers en zusjes waarvan de twee oudste getrouwd zijn; maar ze begrijpt ook dat ze God die haar roept moet gehoorzamen, en dat haar gehoorzaamheid een bron van genaden voor haar familie zal zijn. Ze treedt dus in bij de Clarissen van Soria op 15 augustus 1922. De Orde van de Clarissen, gesticht in 1211 in Assisi door heilige Franciscus en heilige Clara, werd in Spanje geïntroduceerd in 1223. «In het klooster gaan, zal ze later zeggen tegen haar novices, is sterven aan de wereld, en om te sterven moet je een doodsstrijd voeren. De doodsstrijd die je doormaakt is een ware doodsstrijd, maar de vreugdes die je vervolgens ten deel vallen maken alle leed uit het verleden heel nietig.»

De eenzaamheid van Jezus

De communauteit waar Juana lid van wordt is samengesteld uit zestien nonnen. Weldra meldt zich nog een postulante. De novicemeesteres is een goede non, eenvoudig, bezield met de franciscaanse geest; in het begin begrijpt ze Juana echter niet, en die lijdt er zeer onder. In februari 1923 vindt het driejaarlijkse kapittel van het klooster plaats; de novicemeesteres is een spirituele, intelligente, fijnzinnige en fijngevoelige vrouw, maar zij heeft evenmin oog voor de diepgang van Juana’s innerlijk leven.. Op 18 februari 1923 ontvangt deze het kloosterkleed en de naam zuster Clara van de Onbevlekte Ontvangenis. Haar grote devotie voor de Heer in het Tabernakel en het Kind in de Kribbe ontwikkelt zich en wordt concreet in gedichten. Tot haar grote spijt is de Regel die door de communauteit wordt gevolgd niet de oorspronkelijke Regel van Heilige Clara, die geen enkel bezit toeliet, maar een verzachte Regel, goedgekeurd door Paus UrbanusIV. «Toen ik op een dag tijdens de recreatie een wandeling maakte met mijn Moeder Meesteres en haar ondervroeg over die tweede Regel, zo zal ze zeggen, heb ik er duidelijk de betekenis van geleerd. Wat te doen? Ik heb de Heer gevraagd en de oplossing gevonden: de Regel die ik had gevonden goed in acht nemen en voortdurend de Hemel vragen, in volmaakt vertrouwen, dat de communauteit de eerste Regel zou gaan belijden.» Het doet haar ook groot verdriet wanneer ze constateert dat Jezus in het Allerheiligste vaak alleen is, buiten de uren van het heilig Officie en de Mis.

In februari 1924 wordt zuster Clara toegelaten tot het afleggen van de tijdelijke geloften, maar ze blijft op het noviciaat waar haar goede humeur voor de nodige vrolijkheid zorgt. In 1925 melden zich twee andere jonge postulanten. Dat stemt haar zeer gelukkig want haar dorst naar nieuwe zielen die zich God toewijden is onlesbaar. Zij is degene die hen inwijdt in het leven van de clarissen door haar verlangen naar altijddurende aanbidding van het Heilig Sacrament en terugkeer naar de eerste Regel aan hen door te geven.

Drie jaar later, in 1927, op haar vijfentwintigste, legt ze haar eeuwige geloften af. Dan begint een lange periode van spirituele beproeving voor haar; onuitsprekelijke droefheid, dorheid, tegenzin in alle dingen en diepgaande geestelijke verbittering. Ze zoekt in de Heilige Schrift naar het licht dat haar ziel niet langer verlicht. Haar geloofsgeest stelt haar in staat in trouw te handelen, alsof er niets aan de hand is, haar vertrouwen te bewaren, tegen alle hoop in (cf. Rom. 4,18), in Hem die zij gekozen heeft te dienen. Ze blijft blijdschap uitstralen en zich dienstbaar betonen, stil en gehoorzaam. Haar gezondheid die enigszins zwak was tijdens het noviciaat, blijkt voortaan tegen een stootje te kunnen. Men heeft haar sinds enige tijd de verantwoordelijkheid van assistente van de econome toevertrouwd; ze kwijt zich vol ijver en met grote opofferingsgezindheid van deze taak. In 1933 wordt ze benoemd tot kloosterportierster, zij die belast is met het verwelkomen van gasten aan de poort van het klooster; dat zal ze blijven doen tot ze abdis wordt in 1941.

«Met Hem bied ik mijzelf aan!»

De Mis is het middelpunt en het hoogtepunt in haar leven. Eén met de priester, biedt ze het goddelijke Slachtoffer aan voor het heil van de hele wereld en biedt ze zichzelf aan: «Vader, ik bied je Jezus aan en, met Hem, bied ik, mijn God, mezelf aan.»

In de encycliek Ecclesia de Eucharistia zal Paus Johannes Paulus II schrijven: «Wanneer de Kerk de heilige Eucharistie, de gedachtenis van de dood en de verrijzenis van haar Heer viert, wordt dit centrale geheim van het Heil werkelijk tegenwoordig gesteld, en voltrekt zich het werk van onze verlossing. Dit offer is voor de verlossing van het mensengeslacht zo beslissend, dat Jezus Christus het pas toen heeft voltooid en naar de Vader is teruggekeerd, nadat Hij ons het middel heeft nagelaten om eraan deel te nemen, alsof wij erbij aanwezig waren geweest. Ieder gelovige kan aldus eraan deelnemen en er onuitputtelijk de vruchten van verkrijgen. Dat is het geloof waaruit de christelijke generaties in de loop van eeuwen geleefd hebben. Dit geloof heeft het Leergezag van de Kerk onophoudelijk met blijde dankbaarheid voor het onschatbare geschenk bevestigd. Ik zou nog eenmaal aan deze waarheid willen herinneren en mij met u, mijn zeergeleerde broeders en zusters, vóór dit mysterie: een groot mysterie, het mysterie van de barmhartigheid. Wat had Jezus nog meer kunnen doen voor ons? Waarachtig, in de Eucharistie toont Hij ons een liefde die tot het uiterste (Joh. 13,1) gaat, een liefde die geen maat kent» (17 april 2003, nr. 11).

Het verlangen van Zuster Clara de door de hele wereld aanbeden Heer te zien wordt van dag tot dag groter. Gelijk het hert dat reikt naar waar het water stroomt, zo in verlangen reikt haar ziel naar het aangezicht van God (cf. Ps.42,2). Op een dag in 1936, zal ze zeggen, heb ik in het koor begrepen dat de Heer de voortdurende uitstalling van het Heilig Sacrament in deze kerk wilde en dat ik het tegen Vader Julius (haar geestelijk leidsman) moest zeggen… Daar wij in oorlog waren (burgeroorlog en religieuze oorlog van 1936 tot 1939) en de Vader in de andere zone verbleef en ik hem deze mededeling niet kon doen, heb ik de zaak overgelaten aan Jezus… Na enige tijd is de Vader naar Soria gekomen en heb ik hem alles verteld. Zijn antwoord was: “God wil het!” Dit vooruitzicht wordt met geestdrift ontvangen door de jonge zusters van het klooster. In 1938 spreekt zuster Clara erover in de communauteit. Haar abdis staat gunstig tegenover het voorstel, maar sterk verzet is voelbaar onder de oudere zusters die in die maatregel een te zware last zien. Het plan wordt verdaagd “voor de lieve vrede”.

In het Kapittel van 1938 wordt Zuster Clara door haar communauteit gevraagd abdis te worden. Ze is zesendertig jaar oud en rechtshalve moet ze veertig zijn om die functie te vervullen. Uit nederigheid weigert ze het abbatiaat evenals iedere andere taak. Maar ze lijdt er diep onder en vergiet bittere tranen die herinneren aan de woorden van de psalmist: Mijn tranen zijn mijn brood bij dagen en bij nacht (Ps. 42,4), want ze denkt dat ze door haar weigering schuld heeft aan de vertraagde invoering van de aanbidding van het Heilig Sacrament… Drie jaren gaan voorbij en, in 1941, wordt Zuster Clara, die nog geen veertig is, tot abdis gekozen. De dispensatie voor de leeftijd die aan Rome is gevraagd wordt verleend, en Moeder Clara wordt geïnstalleerd als abdis op 11 juni. Als gevolg van de recente burgeroorlog zijn de kosten van levensonderhoud merkbaar gestegen: de nieuwe abdis lijdt eronder dat ze haar zusters niet zo goed te eten kan geven als ze zou willen, maar ze vertrouwt op de goddelijke Voorzienigheid, richt het ene na het andere gebed tot de heiligen en doet het uiterste om de situatie te verbeteren. Aan de vooravond van bepaalde feestdagen, bidden de Zusters tijdens de recreatie, voor het eten van de volgende dag, en ze zien dat al wat nodig is er ook komt, zelfs het dessert… «De goddelijke Voorzienigheid blijft nooit in gebreke», zal Moeder-Overste schrijven..

Intense vreugde

In november van dat jaar, na de retraite van de communauteit, wordt de altijddurende aanbidding voor het tabernakel ingesteld waarbij de zusters elkaar dag en nacht afwisselen. In 1942 worden nieuwe constituties voor de Clarissen goedgekeurd door de Heilige Stoel. De vreugde van de Zusters is intens. Op 11 augustus, vooravond van het hoogfeest van Heilige Clara, stalt een priester de Heer in de monstrans ter altijddurende aanbidding uit..

«In de Eucharistie komt de Zoon van God ons tegemoet en wil zich met ons verenigen, schreef Paus Benedictus XVI in de exhortatie Sacramentum caritatis. De eucharistische aanbidding is niets anders dan een natuurlijk uitvloeisel van de Eucharistieviering, die zelf de grootste daad van aanbidding van de Kerk is. Het ontvangen van de Eucharistie is Hem aanbidden die wij ontvangen… De aanbidding buiten de heilige Mis verlengt en intensiveert wat in de liturgieviering zelf gebeurt… En juist in deze allerpersoonlijkste ontmoeting met de Heer rijpt dan ook de sociale zending die vervat is in de Eucharistie en die niet alleen de grens tussen de Heer en ons wil openscheuren, maar bovenal ook de grenzen die ons van elkaar scheiden… Hier wil ik mijn bewondering en steun tot uitdrukking brengen voor alle instituten van godgewijd leven waarvan de leden een aanzienlijk deel van hun tijd aan de eucharistische aanbidding wijden. Op deze manier geven zij aan allen het voorbeeld van mensen die zich laten vormen door de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer» (nrs. 66-67).

Hoogst paradoxaal is Jezus in het Heilig Sacrament tegelijk vreugde en marteling voor Moeder Clara. Haar hart brandt van het vuur van liefde voor de Eucharistie: «Wij moeten, zo verklaart zij, serafijnen voor de liefde zijn; wij moeten branden van liefde voor de eucharistie!» Maar deze liefde is voor haar ook marteling; het geringste, nog zo ver gezochte vermoeden dat de uitstelling van het Heilig Sacrament wel eens afgeschaft zou kunnen worden maakt dat ze daar diep onder lijdt.

De grote devotie van de Moeder jegens de Heilige Maagd voor wie ze iedere dag de complete rozenkrans bidt, brengt haar ook op het idee, in 1945, Maria, in het mysterie van haar Onbevlekte Ontvangenis, uit te roepen tot altijddurende abdis van het klooster. «Aanvaard, Moeder, vraagt ze aan Maria, de taak leiding te geven aan de Communauteit die onze Heer mij heeft toevertrouwd en die ik, met het grootste zielsgenoegen, vandaag aan U geef… U bent de goddelijke herderin die deze kleine kudde naar Jezus zal voeren. Wij, gekozen en canoniek benoemde abdissen, zijn aangesteld als uw nederige kleine herderinnen..»

Vrucht laten dragen

Moeder Clara staat klaar voor alle Zusters; iedere zuster kan zich tot haar wenden met het vertrouwen van een dochter en de vertrouwdheid van een zus. Zij kent als geen ander de tekortkomingen van haar Zusters maar staat er niet bij stil; zij vindt het eerder van belang hun kwaliteiten te beschouwen en te ondersteunen: «We moeten de vaardigheden van de zusters kanaliseren door hen te benoemen op posten en in functies waarin ze zich verder kunnen ontwikkelen, verklaart ze… We moeten niets verkwisten, alles is een gave van God… We moeten die vrucht laten dragen.» Ze werkt vooral aan de spirituele groei van de communauteit door te zorgen voor vormingsdagen. Als verwoed lezeres van de Heilige Schrift en de gezaghebbendste commentatoren, deelt ze door haar onderricht tijdens de kapittelbijeenkomsten of lezingen, de schatten die ze heeft verzameld.

In het vervolg op talloze stappen die al zijn gezet vraagt de communauteit van Soria aan de Heilige Stoel, door tussenkomst van de bisschop, te mogen overgaan op de eerste Regel die het de Clarissen mogelijk maakt te leven zonder andere inkomsten dan die van hun handenarbeid en de spontane giften; het rescript van Paus Pius XII die hun dat toestaat komt op 22 mei 1953 binnen en wordt door de Zusters begroet met grote blijdschap. Heel mysterieus wordt iedere genade die de Heer verleent aan de Moeder voorafgegaan door een smartelijke beproeving, die ze blij en grootmoedig probeert te dragen.

Aangetrokken door het licht van Jezus in het Heilig Sacrament, vragen talloze jonge postulanten om toelating tot het klooster, zodat in 1956 het aantal nonnen de veertig passeert. Maar de Moeder droomt van een communauteit van vijftig leden en, met het vertrouwen van haar geloof, legt ze vijftig stenen dichtbij het tabernakel opdat de Heer, met zijn scheppingskracht, ze verandert in zusters. Deze droom wordt werkelijkheid: onder het abbatiaat van Moeder Clara zal de communauteit zevenenvijftig leden gaan tellen. Beetje bij beetje wordt het werk, dankzij de verscheidenheid aan talenten, georganiseerd en worden de financiële moeilijkheden van het begin van het abbatiaat overwonnen. Er komt een kleine boerderij tot stand onder de efficiënte en belangeloze leiding van een dierenarts.

In 1954 worden als vervolg op de apostolische Constitutie Sponsa Christi van Pius XII, de federaties van kloosters ingevoerd. Moeder Clara wordt gekozen als raadgeefster van de nieuw ontstane Federatie van Cantabrië, waarin haar idealen weldra hun weerklank vinden.. Vervolgens besluiten weer andere communauteiten te federeren met die van Cantabrië en een gemeenschappelijk noviciaat, dat van Soria, op te zetten..

In betere handen

Moeder Clara wordt iedere drie jaar overeenkomstig de Constituties herkozen en zal de taak van abdis achttien jaar lang vervullen. Vanaf het einde van de tweede driejarige ambtsperiode is haar eventuele herverkiezing evenwel onderworpen aan de formele toestemming van de Congregatie van Religieuzen. Wanneer die toestemming in 1955 wordt verleend, waarschuwt de Congregatie dat het de laatste achtereenvolgende driejarige ambtstermijn zal zijn.. Na het kapittel van 1958 legt Moeder Clara haar abbatiale taak neer. Ze is blij van haar verantwoordelijkheden te zijn ontslagen en zich volledig aan de gehoorzaamheid te kunnen onderwerpen, want ze voelt zich vrijer om zich aan de dingen Gods te kunnen overgeven. Ze leeft dan met vreugde de geringste voorschriften na en doet precies wat de nieuwe abdis en ieder van haar Zusters willen. Een kloosterling die haar vraagt of ze na zoveel jaren een hoge functie te hebben bekleed geen gemis ervaart, antwoordt ze in alle eenvoud: «In het geheel niet, de taak is nu in betere handen overgegaan!»

Toen haar abbatiaat afliep werd Moeder Clara benoemd tot Vicaris en Novicemeesteres, functies die ze zal behouden tot aan haar dood. Zij wijdt zich vol ijver aan haar novicen, voorziet in al hun behoeftes, zowel de geestelijke als de materiële. In haar grote nederigheid is ze ook in staat te steunen op de assistente die haar is toegewezen. Wanneer er moeilijkheden zijn op het gebied van de discipline legt ze het oplossen ervan geheel in haar handen en zegt: «Zij zal dat beter doen dan ik.» Zij belast zich met het catechismusonderricht en het onderwijzen van koorzang. Om het onderwijs in de christelijke leer gemakkelijker te maken vat ze deze samen in gedichten die ze de nonnen laat zingen op bestaande populaire of zelfgemaakte wijsjes.. Ze doet met haar novicen ook graag leeslessen in dialoogvorm om hun aandacht te stimuleren: zij went hen aan een gezonde vorm van zelfstandig denken en het nemen van initiatieven, vooral wanneer ze daarin bijzondere talenten ontdekt. In haar lezingen doet ze haar best om begrijpelijk te maken dat alle weldaden van God komen, en dat de nederigheid het cement is van alle deugden.

De gezondheid van Moeder Clara blijft stabiel tot het eind van haar leven, maar ze spreekt heel natuurlijk over haar dood: «Kom, herhaalt ze, dood, mijn zus, kom, ik verlang ernaar je te zien, om met mijn Geliefde naar het hemels paradijs te vliegen!» Twee weken voor haar overlijden breekt ze meerdere ribben tijdens een val, hetgeen intense pijn veroorzaakt. Ze had aangekondigd dat ze met de stille trom zou vertrekken. Met haar dood voor ogen ontvangt ze iedere dag de communie als de heilige teerspijze en verklaart: «Wat zou het mooi zijn als men mij op een dag nadat ik de communie heb ontvangen, dood zou aantreffen op mijn stoel in het koor!» Enkele minuten voor haar verscheiden verzekert ze een van haar zusters die in de keuken werkt dat ze weldra zal sterven, zonder hun werk te bezorgen.. Op 22 januari 1973, tegen elf uur in de ochtend, terwijl ze het klooster door loopt om zich naar het kantoor van Moeder Vicaris te begeven, stort ze in elkaar zonder een kreet te slaken, als de bliksem getroffen door een hartinfarct.

Laten we, naar het voorbeeld van de eerbiedwaardige Moeder Clara de Soria, vol vreugde en verwondering de Eucharistie tegemoet treden, om te ervaren hoe waar het Woord van Jezus is dat Hij sprak tegen zijn leerlingen: Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld (Mat. 28,20).

Zalige Maria van de Menswording

ohn Bradburne

H. Manuel Gonzalez Garcia

Kapitein Auguste Marceau