Beata Maria Laura Mainetti

5 Maart 2025

Zalige Maria Laura Mainetti

Dierbare Vrienden,

«Niet aan jezelf denken, discreet aanwezig zijn, zich met weinig tevredenstellen, weten te geven en te ontvangen.» Dat zijn de uitspraken die Teresina, een jonge Italiaanse van achttien jaar, in 1957 in haar geestelijk dagboek noteert, een paar maanden voor haar intreden in het klooster. Op 25 augustus 1964, wanneer ze haar eeuwige geloften aflegt, schrijft Teresina die inmiddels zuster Maria Laura is geworden «Christus dienen is gezag uitoefenen… moge de vreugde van mijn dienstbetoon ieder ogenblik in overeenstemming zijn met Gods wil.» Deze opvoedkundige die brandde van liefde voor God en de naaste is vermoord op 6 juni 2000, door drie jonge meisjes die het satanisme aanhingen.. Op de dag af twintig jaar na deze tragedie is Zuster Maria Laura Mainetti na een decreet van paus Franciscus zalig verklaard, met de titel van martelares in odium fidei, uit haat tegen het geloof.

Zalige Maria Laura MainettiTeresina Mainetti is geboren in Colico, in Lombardije (Noord-Italië), op 20 augustus 1939. Haar moeder die reeds twaalf kinderen ter wereld heeft gebracht overlijdt aan de gevolgen van de bevalling. De oudste zuster van Teresina, Romilda, zal voor de benjamin zorgen tot hun vader, Stefano, hertrouwt. Deze leidt een bescheiden bestaan waarin zijn kinderen strenggelovig worden opgevoed. Teresina trekt als zachtaardig en verlegen kind, klein van stuk en diepzinnige oogopslag, de welwillende aandacht van een religieuze, Dochter van het Kruis, Zuster Maria Amelia, die zich om haar bekommert en vervolgens een gulle dame vindt die bereid is haar middelbaar onderwijs te financieren. Teresina kan dus gaan studeren in Parma, aan het instituut Laura Sentivale dat wordt gedreven door de Dochters van het Kruis. Door het contact met deze zusters besluit het jong meisje zich geheel aan God te wijden.

Ze loopt echter in 1957 longtuberculose op. Ze vreest dat ze niet zal worden aangenomen in het klooster en vraagt haar broer Amedeo voor haar te bidden: «Jij bidt en de Heer doet de rest.» Ze geneest volledig en kan weldra toetreden als novice bij de Dochters van het Kruis van Colico.. Bij wijze van dankzegging zal ze haar leven lang iedere dag een Wees Gegroet, Maria voor Amedeo bidden, die voor haar hetzelfde zal doen. Zo verklaart ze haar intreden in het klooster: «Een priester heeft me eens na een biecht gezegd: “Jij moet iets moois doen voor de anderen.” In die zin zat iets van een eis; bovendien vervulde de weerklank ervan mij met vreugde. Ik voelde dat ik mijn leven volledig zin zou geven. De Dochters van het Kruis, die in mijn streek woonden, leken mij dat ideaal te belichamen.»

De congregatie van de Dochters van het Kruis ontstaat in Frankrijk, in het bisdom Poitiers, in 1807. Zij wordt gesticht door de heilige André Hubert Forunet en Jeanne Elisabeth Bichier des Ages, ter opvoeding van kinderen en de zorg voor de zieken. Wanneer heilige Jeanne Elisabeth in 1938 overlijdt telt de congregatie reeds 117 communauteiten; in 1851 wordt een klooster opgericht in Parma, in Italië. Tegenwoordig oefenen 400 Dochters van het Kruis hun apostolaat uit in twaalf landen..

Op 11 februari 1958, honderdste verjaardag van de eerste verschijning van Lourdes, ontvangt Teresina het kloosterkleed en neemt de naam Zuster Maria Laura aan. Haar zusters op het noviciaat herinneren zich haar: «Hoewel teer van gestel, was ze de eerste om zichzelf aan te bieden voor welke dienst dan ook: ze stond meteen klaar! Ze had veel aandacht voor de anderen en vergat daarbij zichzelf.. In alle rust koos ze altijd voor de onaanzienlijkste karweitjes. Zachtmoedig en nederig in haar manier van doen, gaf ze iedereen het gevoel te worden bemind en geacht te worden..»

Op 15 augustus 1959 legt Zuster Maria Laura in Rome haar eerste geloften af. Het jaar daarna beëindigt ze haar studie Pedagogiek aan het Instituto Magistrale van Parma, en begint onderwijs te geven op lagere scholen die worden bestierd door de Dochters van het Kruis. Wanneer ze in 1963 naar Chiavenna, niet ver van haar geboorteplaats, wordt gestuurd, keert ze daar definitief naar terug in 1984 als lerares en verantwoordelijke voor het internaat van het college voor jonge meisjes dat werd bestierd door haar congregatie. Bij die taak komt in 1987 nog die van overste van de communauteit.

De verzamelde getuigenissen over Zuster Maria Laura geven goed de contrasten in haar persoonlijkheid te zien. Het portret dat tevoorschijn komt is dat van een sterke, vastberaden, maar zachtmoedige, fragiele en tengere vrouw, die in stilte goed doet, zonder ogenschijnlijk daar belang aan te hechten, “alsof het niets om het lijf had”. Wanneer ze haar mond open doet, doet ze dat hetzij om over God en de missie te praten, hetzij om iemand te verontschuldigen. Ze is zo discreet in haar manier van doen dat men haar jarenlang als onbeduidend heeft beschouwd. De Generaal-Assistente van de congregatie herinnert zich: «Het was een zachtmoedige, vriendelijke vrouw die oog had voor ieder detail… Ze begaf zich onder de mensen, al groetend en glimlachend, zoals een vriendelijke zuster die voor iedereen belangstelling had… Zelfs wanneer ik af en toe kon zien hoe moe ze was, gaf zij er nooit blijk van.» Vervuld van apostolische ijver, is Maria Laura verrukt over ieder initiatief in de parochie en verlangt ernaar catechist te worden. Dat wordt ze na een opleiding van drie jaar.

Kom naar binnen om te bidden, ga naar buiten om lief te hebben

Een zuster van Chiavenna merkt op: Ze leek nooit moe te zijn en toch wist men dat ze zwak van gezondheid was. Waar haalde ze de energie vandaan die ze in de communauteit ten toon spreidde, zij die zo fragiel was? Dat is heel duidelijk: «uit haar onvoorwaardelijke liefde voor Jezus Eucharistie en voor het woord van God waarmee ze zich graag voedde.» Het verband tussen gebed en daadkracht in haar leven werd goed tot uitdrukking gebracht door een zin die stond geschreven op de deur van de huiskapel van de communauteit: «Kom naar binnen om te bidden, ga naar buiten om lief te hebben.»

Zuster Maria Laura is zich bewust van het feit dat het geloof afneemt onder de bevolking, onder invloed van de secularisatie en de consumptiecultuur. In een brief van 1997 laat ze doorschijnen hoe ze lijdt op het moment dat een katholieke school in Chiavenna gesloten wordt: «Jammer genoeg zal hier volgend jaar geen lagere school van ons instituut meer zijn, omdat we niet genoeg kinderen hebben die zijn ingeschreven. Laag geboortecijfer, gebrek aan belangstelling voor deze school? Zowel om de ene als de andere reden, denk ik. Laten we hopen dat het niet is omdat wij niet geloofwaardig genoeg zijn! Ja, dat gevaar bestaat ook: niet meer licht en zout zijn voor hen op wie wij ons richten.» Paus Benedictus XVI zal het zo uitdrukken:

«Tegenwoordig bestaat de verleiding het christendom terug te brengen tot een zuiver menselijke wijsheid, als het ware een wetenschap om een goed leven te leiden. In een sterk geseculariseerde wereld is een «voortschrijdende secularisatie van het heil» verschenen; men strijdt ongetwijfeld voor de mens, maar voor een verminkte mens, teruggebracht tot zijn enige horizontale dimensie, alleen gebaseerd op aardse hoop» (Boodschap voor Vasten 2006).

Tijdens een internationale bijeenkomst van religieuzes van haar Franse Orde antwoordt Zuster Maria Laura op een vraag over de missie van de Dochters van het Kruis: «Wij zijn uitgezonden om te onderwijzen en te genezen, en op die manier het heil te verkondigen dat voor ons komt van het Kruis en door te getuigen van de aanwezigheid van de Goddelijke Drie-eenheid onder de mensen.» Ze heeft een duidelijke voorkeur voor de jongeren omdat ze ziet hoe kwetsbaar en verloren ze zijn en hoe ze gemanipuleerd worden. Ze doet haar best om ze moed in te spreken, vertrouwen terug te geven en ook, zo nodig, streng terecht te wijzen. Een vroegere leerling geeft dit getuigenis: «Zuster Maria Laura was streng wanneer het onze nachtelijke escapades op de gangen van de slaapzaal betrof, maar ze was ook vrolijk en nam deel aan onze grappen en onze spelletjes.» Een andere leerling deed in 2003 deze bekentenis: «Deze zuster had de ogen van God, vervuld van liefde. Zij was mijn moeder, mijn vader, mijn vriendin, mijn thuishaven. In een verschrikkelijke tijd waarin ik geen familie had, is zij de enige geweest die van mij heeft gehouden, die voor mij heeft gezorgd. Ze heeft nachtenlang aan mijn bed gezeten; terwijl ik huilde van wanhoop, heeft zij me nooit in de steek gelaten… Wanneer ik tegen haar zei: Zuster Maria Laura, niemand houdt van mij, glimlachte ze naar mij en liet me het kruisbeeld zien.» Ze had een zwak voor de jongeren, van hen hield ze zielsveel; en toch zijn het de jongeren die haar in een dodelijke val lieten lopen.

Een dodelijke val

Chiavenna is, rond de eeuwwisseling, een vredige Lombardische stad met 7500 inwoners, in een vallei in de Alpen gelegen, dichtbij de Zwitserse grens. Reeds geëvangeliseerd in de Oudheid door heilige Abundius, behoort de stad tot het bisdom Como, een streek waar een hoog percentage van de bevolking praktiserend is.. De Dochters het Kruis zijn er sinds 1905 gevestigd. Op 6 juni 2000 ontvangt Zuster Maria Laura, om 21 uur 45 een telefoontje van een jong minderjarig meisje dat zegt zwanger te zijn en haar hulp inroept. De zuster aarzelt niet en gaat alleen in de nacht naar buiten. De volgende ochtend zal haar lichaam, door messteken doorboord, worden teruggevonden aan de ingang van een park. Op 29 juni arresteren de gendarmes, na een zorgvuldig onderzoek, drie meisjes uit Chiavenna: Ambra (17 jaar), Milena (16 jaar) en Veronica (17 jaar), op beschuldiging van dood door schuld en met voorbedachten rade. Zeer snel bekennen ze: «Wij hebben deze zuster in een val gelokt en wij hebben haar gedood; wij wilden iets doen wat ongewoon was en opwindend.»

De verhoren door de politie hebben het mogelijk gemaakt het drama te reconstitueren. Rond 1 juni heeft de aanvoerster van het drietal, Ambra, onder het pseudoniem Erica, Zuster Maria Laura gebeld en voorgedaan of ze zwanger was ten gevolge van een verkrachting; haar familie, zegt ze, wil dat ze abortus pleegt, maar zij wenst haar baby te behouden; ze weet niet waar ze naartoe moet. De religieuze verzekert haar van haar onvoorwaardelijke steun; ze stelt haar zelfs voor in het klooster te komen wonen, tenminste tot het eind van haar zwangerschap. 6 Juni ’s avonds belt “Erica” opnieuw de zuster en voert de druk op: «Kom onmiddellijk»; er wordt een ontmoetingsplaats, Piazza Castello, afgesproken. De religieuze waarschuwt uit voorzorg de pastoor-aartspriester, don Ambrogio Balatti; deze is ongerust en voegt zich per fiets bij haar, maar zij vraagt hem niet tussenbeide te komen om het meisje niet te intimideren. De zuster heeft hem overtuigd en hij verwijdert zich..

Nadat ze weer contact heeft opgenomen, neemt Ambra Zuster Maria Laura mee naar een afgelegen plek waar, zo zegt ze, haar bagage zich bevindt. Op dat moment komen Milena en Veronica erbij en stellen zich voor als vriendinnen. De vier vrouwen lopen een verlaten steeg in; plotseling slaat een van de drie meisjes de religieuze met een baksteen, en vervolgens met een keukenmes.. De drie misdadigsters dragen hun gewonde slachtoffer een nabijgelegen park in, en dwingen haar neer te knielen in een symbolische en rituele positie van onderwerping. Ze slaan op haar hoofd, schelden haar uit en dienen haar om beurten achttien messteken toe, ieder zes (666 is het symbolische getal van het Beest uit de Apocalyps – AP 13,18); een 19e messteek wordt “per vergissing” toegebracht. Na vergeefs een beroep te hebben gedaan op het medelijden van haar belaagsters, begrijpt Zuster Maria Laura dat ze gaat sterven en geeft zich over aan de Voorzienigheid. Met luide stem bidt ze voor hen die haar vermoorden: «Heer, vergeeft het hun!» De drie moordenaressen laten hun slachtoffer liggen en lopen weg.

De afdruk van de duivel

De “sleutel” waarmee de misdaad ontcijferd kan worden is het satanisme; dat blijkt uit het onderzoek en de overeenstemmende bekentenissen van de drie afzonderlijk ondervraagde verdachten. Het vonnis van de rechter stelt duidelijk: «Zij hadden als enige beweegreden Satan te ontmoeten en van zijn kant een bewijs van zijn bestaan en zijn macht te verkrijgen. Daarvoor hebben ze besloten Satan een onschuldig slachtoffer te brengen.» Ze zijn in contact getreden met occulte en vervolgens satanistische kringen door het lezen van tijdschriften die onder scholieren de ronde deden; samen luisterden ze naar rock ’n roll liedjes waarvan de teksten een satanisch karakter droegen. Ze riepen de kwade geest op door middel van een ritueel dat bestond uit christelijke gebeden opzeggen waarbij de woorden werden omgedraaid; zij hebben een bijbel gestolen en op het voorplein van een kerk verbrand, in aanwezigheid van vrienden. Ambra, Veronica en Milena hebben een “bloedpact” gesloten dat hen op onverbrekelijke wijze met elkaar verbond in hun moordzuchtig plan. Hun intieme dagboeken bleken vol te staan met lofzangen op en aanroepingen van Satan, tekeningen van omgekeerde kruisen. Op hun lichamen heeft men littekens aangetroffen, sporen van zelfverminking, nog een gebruikelijk teken van samenspanning met Satan.

Met hun misdaad verklaarden de drie jonge meisjes de oorlog aan het katholiek geloof, waartoe ze behoorden op grond van het Doopsel; zij wilden dat het «onschuldig slachtoffer» dat aan Satan werd opgeofferd een priester of een religieuze was. Ze kozen Zuster Maria Laura, die een gemakkelijke prooi leek vanwege haar zwakke gezondheid. In de loop van het proces in eerste aanleg wordt de voornaamste aanstookster, Ambra, niet verantwoordelijk geacht omdat ze zo jong was en haar geest niet normaal was. Maar in hoger beroep is dit vonnis opgeheven in april 2002 toen de officier van justitie Maria Cristina Rota had aangetoond dat de drie verdachten volledig bewust waren van de ernst van hun daad en een weloverwogen keuze voor doodslag hadden gemaakt; geen enkele volwassene had het hun ingefluisterd, zij waren de enige initiatiefneemsters. Sinds hun aanhouding hadden ze geen spijt betoond. In 2003 zijn ze veroordeeld tot lange gevangenisstraffen.

De pastoor van Chiavenna, don Ambrogio, vraagt zich af: «Hoe is het mogelijk dat drie minderjarige meisjes, meisjes van hier, met zoveel scherpzinnigheid en zo vastberaden zo’n afschuwelijke misdaad hebben kunnen beramen? Het lukt me niet daarop een antwoord te vinden… De feiten, absurd in hun gratuite wreedheid, bevestigen mij in mijn mening dat de Boze wel degelijk aanwezig is op alle paden van het menselijk leven.»

De Openbaring van God die door de katholieke Kerk is doorgegeven laat geen enkele twijfel bestaan omtrent het bestaan van de duivel: «Satan of de duivel en de andere demonen zijn gevallen engelen doordat ze uit vrije wil hebben geweigerd God en diens heilsplan te dienen. Hun keuze tegen God is definitief. Ze proberen de mens te betrekken bij hun rebellie jegens God» (Catechismus van de katholieke Kerk, nr. 414). «In de bede van het Onze Vader Maar verlos ons van het kwade, is het kwade geen abstractie, maar wijst op een persoon, Satan, de Kwade, de engel die zich verzet tegen God» (CKK, nr. 2851).

Waaraan herkent men de aanwezigheid van Satan? Onze-Lieve-Heer zegt het tegenover de farizeeërs: Joh 8,44. Leugen en doodslag, dat zijn de twee tekenen van de aanwezigheid van Satan. De leugen is bij uitstek de ontkenning van God, de weigering zijn geboden op te volgen en het in praktijk gebrachte atheïsme dat aan God geen enkele plaats verleent in het leven. Een maatschappij die God en Jezus Christus verwerpt, voegt zich alleen daardoor al onder het juk van Satan en komt er noodzakelijkerwijs toe het menselijk leven te misprijzen.

Bruggen versperren

De Zoon van God is juist gekomen om het werk van de duivel ongedaan te maken (1 Joh 3,8). Door zijn dood op het Kruis, in een daad van volmaakte gehoorzaamheid aan zijn Vader, heeft Jezus Christus de duivel overwonnen. Iedere christen moet naar zijn voorbeeld meegaan in deze strijd. In een les over het Doopsel onderstreepte Paus Franciscus: «Het is niet mogelijk je bij Christus aan te sluiten en daarvoor voorwaarden te stellen. Je moet je losmaken van bepaalde banden om echt andere te kunnen omarmen; of je bent “goed” met God of je bent “goed” met de duivel. Daarom gaan afzien van het kwaad en een geloofsdaad stellen samen. Er moeten banden worden doorgesneden, achter ons laten en de nieuwe Weg opgaan die Christus is (2 mei 2018).

Priesters die zijn belast met het uitspreken van gebeden voor duivelsuitdrijving, evenals artsen of opvoedkundigen, nemen in de huidige wereld een sterke toename waar van praktijken die een beroep doen op de duivel. Een subcultuur van satanisme wordt bevorderd op de social media door talloze voor de jongeren bestemde sites. Op de vraag «Hoe tegenstand te bieden tegen de macht van het satanisme?» antwoordt Internationale Vereniging van exorcisten: «Die demonische voorstellen zijn een vorm van perversie die zo wijd verbreid is dat ze in geen enkele beschaafde samenleving zou mogen voorkomen… De aanbidders van Satan stellen, inderdaad, de geboden en de gehoorzaamheid aan God voor als een bedreiging voor vrijheid, persoonlijke ontwikkeling en geluk. In werkelijkheid is juist het tegendeel waar.; juist Satan bedreigt de vrijheid, het geluk, de persoonlijke ontwikkeling en het eeuwig heil van iedere mens, evenals de vrede onder de volkeren en de naties, en de ware vooruitgang van de mensheid. Door ons onvoorwaardelijk te verbinden met en te gehoorzamen aan God maken wij ons echt vrij want in God ligt het authentiek en duurzaam geluk waar ons hart naar streeft, de volledige verwerkelijking van ons bestaan in dit aardse leven en de eeuwigheid.»

Een mysterie dat Christus opheldert

Hoe God te begrijpen die het moreel kwaad kan toelaten dat onder de invloed van de duivel gebeurt? «Immers, aangezien de almachtige God oneindig goed is, zou Hij op geen enkele manier enig kwaad in zijn werken laten voortbestaan, als Hij niet zo almachtig en goed was om ook uit het kwade het goede te laten ontstaan» (CKK, nr. 311, Augustinus, Enchir. 11,3). «Het feit dat God het fysieke kwaad en het moreel kwaad toelaat, is een mysterie dat God opheldert door zijn Zoon, Jezus Christus, gestorven en verrezen om het kwaad te overwinnen. Het geloof schenkt ons de zekerheid dat God nooit het kwaad zou toelaten, als Hij niet het goede uit het kwaad zelf zou laten voortkomen, langs wegen die wij pas in het eeuwig leven ten volle zullen kennen» (CKK, nr. 324).

In een preek over het Lijdensverhaal van Christus, onderstreept H. Leo de Grote: «De kwaadaardigheid van de duivel heeft hem bedrogen: hij legde de Zoon van God een kwelling op die zich zou veranderen in remedie voor alle zonden van de mensen. Hij vergoot het onschuldig bloed dat voor de wereld, in afwachting van de verzoening met God, een losprijs en een drank zou worden» (Homilie 11 De Passione). De duivel die de moordenaressen van Zuster Maria Laura heeft verleid en bedrogen, is overwonnen waar hij dacht te zullen zegevieren: de heldhaftige vergeving van de martelares is nu bekend en wordt bewonderd in de hele wereld. In de gevangenis zijn de drie jonge meisjes langzaam maar zeker de weg van berouw opgegaan. Een van hen, Milena, zal aan de zusters van Chiavenna schrijven: «Ik heb Zuster Maria Laura in een valstrik laten lopen, ik heb haar gedood en, terwijl wij haar vermoordden, heeft ze ons vergeven… Nu vind ik in haar de troost en de genade om alles te verdragen. Ik bid onophoudelijk en ik ben er zeker van dat zij mij zal helpen een betere persoon te worden.»

Nadat ze in het heilig jaar 2000 de herdenking van de martelaren van de XXe eeuw had gevolgd, had Zuster Maria Laura de aartspriester van Chiavenna toevertrouwd: «We doen wat we kunnen, maar wij zijn nooit in staat onszelf helemaal te geven, die volledige zelfgave schuilt in het martelaarschap, maar daarover beslist God.»

Slechts een paar dagen voor haar dood heeft Zuster Maria Laura, in een brief aan een door diepe rouw beproefde familie, woorden achtergelaten die, in het licht van de feiten de smaak krijgen van een vervroegde overgave aan de Voorzienigheid: «Wie zijn wij om de plannen van God de Vader te doorgronden, te verklaren, te begrijpen, plannen die zelfs vanuit de menselijke kwaadaardigheid tot stand komen? Dat is wat er is gebeurd met Jezus. En alles gebeurt volgens een plan van liefde, een plan van heil.» We kunnen ons aansluiten bij een gebed dat in juli 2000 is uitgesproken door de bisschop van Como, Mgr. Alessandro Maggiolini: «Zuster Maria Laura, wij bidden u God te onzen gunste te smeken; ten gunste van onze gezinnen, opdat die steeds hechter mogen worden in Onze-Lieve-Heer; ten gunste van onze jongeren, opdat zij de traditie die hun is overgedragen door mensdom en christendom vernieuwen; ten gunste van een sombere, wankele maatschappij, vaak gespeend van authentieke idealen, zoals die waarin wij leven; ten gunste van de hele Kerk. Dank, Maria Laura, onze gezegende zuster, dat u onder ons hebt geleefd. Adieu; wacht op ons!»

Zalige Henri Planchat

Zalige Alberto Marvelli

Zalige Anna van Sint Bartholomeus

Eerbiedwaardige Edel Marie Quinn