Beata Anna di San Bartolomeo

9 April 2025

Zalige Anna van Sint Bartholomeus

Dierbare Vrienden,

«Ik smeek, om Gods liefde, hij die nog niet zou zijn begonnen met het innerlijk gebed, zich zo’n groot goed niet te ontzeggen, schrijft Teresa van Avila. Hier valt niets te vrezen, maar alles te verwachten… het lukt beetje bij beetje de weg naar de Hemel te ontdekken… Naar ik meen, is innerlijk bidden niets anders dan omgaan met een vriend: je weet je door hem bemind, je bent vaak met hem alleen» (L 8,5; Catechismus van de Katholieke Kerk, nr. 2709). Door haar onderricht over het innerlijk gebed en haar voorbeeld, heeft de heilige hervormster van de Carmel een hoop mannelijke en vrouwelijke heiligen gevormd. Een van de eersten was de zalige Anna van Sint-Bartholomeus. Deze karmelietes was een vrouw die de liefde voor God en voor de naaste geheel was toegedaan. Haar hart stond open voor allen: de aanzienlijken en de nederige van deze wereld, militairen en burgers, kardinalen en bisschoppen, jongeren en bejaarden, mannen en vrouwen, en in het bijzonder haar zusters en broeders van de Carmel.

Zalige Anna van Sint BartholomeusAnna Garcia y Manzanas is op 1 oktober 1549 geboren in een dorp in Castilië (Spanje), El Almendral, als zesde van zeven kinderen. Haar ouders zijn welgestelde eigenaren van boerderijen en zeer goede christenen. Zondags, voor de Mis, zorgen ze voor de armen. De moeder bezoekt zieken voor wie ze met grote compassie zorgdraagt.. Het gezin komt bij elkaar voor de dagelijkse Mis, lezing van heiligenlevens en het bidden van de rozenkrans. Anna is pas negen wanneer haar moeder overlijdt in 1558. Het jaar daarna verliest ze ook haar vader. Haar oudste broer en zus treden dan op als haar ouders. De materiële situatie van de wezen verslechtert; Anna past op de schapen terwijl de jongens op de akkers werken. Weldra maakt Jezus het jong meisje zijn aanwezigheid voelbaar door haar te begeleiden in haar leven als herderin.

«Ze was een mooie natuurlijke verschijning, van gemiddelde lengte, met bevallige gelaatstrekken» zal Francisca, een nichtje, zeggen. Wanneer Anna de huwbare leeftijd bereikt wordt ze voorgesteld aan de broer van haar zwager. Maar aangezien ze reeds vastbesloten is haar leven aan God te wijden, gaat ze niet op het verzoek in. Op twintigjarige leeftijd vertrouwt ze een priester haar verlangen toe non te worden, en deze verwijst haar naar de Carmel die in Avila is gesticht door moeder Teresa van Jezus (heilige Teresa van Avila). Anna spreekt dan met haar broers over haar plan het klooster in te gaan. Ondanks hun reserves gaan ze uiteindelijk akkoord en de oudste, Hernando, brengt haar naar de Carmel. Maar ze moeten wachten op de toestemming van de overste en Anna moet een paar maanden terug naar El Almendral. Ze treedt tenslotte in de Carmel van Heilige Jozef van Avila in, begin november 1570. Daar kan ze geheel en al leven voor Christus en zich ten dienste stellen van haar Zusters.

Deze Carmel was inderdaad in 1562 gesticht door heilige Teresa… Doňa Teresa de Ahumada (de latere heilige Teresa van Avila), briljant, knap meisje uit Castiliaanse adellijke kring, is ingetreden op twintigjarige leeftijd in het klooster van de Menswording in Avila. Wanneer ze eenmaal het innerlijk geestelijk gebed in praktijk brengt, stelt ze geen genoegen meer met het tamelijk vrije leven dat in het klooster wordt geleid. Ze is zich ook bewust geworden van de kwalen waaraan de Kerk van haar tijd leed: «Toen ik tegen die tijd had begrepen onder welke verschrikkelijke beproevingen Frankrijk gebukt ging door het protestantisme en de godsdienstoorlogen… ervoer ik een diepgaand verdriet… Ik vergoot mijn tranen aan de voeten van mijn Heer en smeekte Hem om een remedie tegen dit kwaad. Ik geloof dat ik graag duizend levens zou hebben opgeofferd om er één enkele te redden van die zielen die er in zulke grote getale aan onderdoor gingen. Maar als vrouw en nog zeer onvolmaakt vond ik mezelf niet in staat te verwezenlijken wat ik zou hebben gewild voor de heerlijkheid van God. Heel mijn verlangen was en is nog dat, aangezien de Heer zoveel vijanden heeft en zo weinig vrienden, zij op z’n minst hem zouden zijn toegewijd. Ik besloot dus de evangelische raden in zo groot mogelijke volmaaktheid te volgen, en de paar zusters van dit klooster tot ditzelfde soort van leven te brengen» (Weg van volmaaktheid, hfdst. 1). Met dit perspectief voor ogen heeft ze de Carmel van H. Jozef in Avila gesticht. De karmelietessen volgen daar de oorspronkelijke Regel van de Carmel in zijn geheel, en leiden een leven waarin het gebed een centrale plaats inneemt. Teresia kent groot belang toe aan de eenzaamheid, aan de clausuur en de stilte, opdat niets de Zusters kon afleiden van de zoektocht naar de Heer. Het innerlijk gebed wordt inderdaad in grote mate bevorderd door de stilte.

De Catechismus van de Katholieke Kerk verklaart zelfs: «Het beschouwende gebed is stilte, of “zwijgende liefde” (H. Johannes van het Kruis). De woorden in het beschouwend gebed zijn geen uitgebreide redevoeringen, maar kleine takjes die het vuur van de liefde voeden. In deze stilte, die voor een “uiterlijk” mens niet te verdragen is, vertrouwt de Vader ons zijn Woord toe, het Woord dat mens geworden is, geleden heeft, gestorven en verrezen is; en in deze stilte laat de Geest van kindschap ons delen in het gebed van Jezus… Het beschouwend gebed is een gemeenschap van liefde die drager van leven is voor velen, in de mate waarin men bereid is in de nacht van het geloof te verblijven» (CKK, nrs. 2717,2719).

«Ga, meisje!»

In deze H. Jozef Carmel van Avila waar de heilige stichteres vaak afwezig is, treedt Anna in. Maar weldra verdwijnt de serene rust van de eerste dagen. «De Heer, zo zal ze zeggen, hield zich verborgen en bleef in het duister.» Deze beproeving zal duren zo lang ze in het noviciaat zit. Bij haar inkleding ontvangt de novice de naam Anna van Sint-Bartholomeus. Het klooster is arm en in verbouwing; terwijl de arbeiders hun maaltijd nuttigen gaan de zusters zelf aan het werk en doen wat ze kunnen. Zuster Anna van Sint-Bartholomeus is ook werkzaam als portierster, kokkin en verpleegster. Op 15 augustus 1571 legt ze haar gelofte af als lekenzuster, dat wil zeggen, buiten het innerlijk gebed, voornamelijk belast met handenarbeid. Van 1575 tot 1577 lijdt ze aan een vreemde ziekte: uitgeput door haar vele taken lijkt ze de dood nabij te zijn. De artsen weten niet wat haar mankeert, en hun remedies zijn ondoeltreffend. Wanneer ze weer terug is in H. Jozef van Avila, rond het einde van de maand juli 1577, roept heilige Teresa van Avila haar bij zich, spreekt haar weer moed in, en geeft haar vervolgens opdracht de zieken te voeden. Anna, die in kritieke toestand verkeert, gehoorzaamt, Christus sterkt haar en zij voelt zich dadelijk beter. De Moeder zegt tegen haar: «Ga, meisje, wees een goede verpleegster… De Heer zal je helpen!»

Moeder Teresa die grote waardering heeft voor Zuster Anna van Sint-Bartholomeus, wenst haar altijd bij zich te houden. Voortaan zullen ze onafscheidelijk samenleven tot aan het overlijden van de Moeder. Anna omringt haar stichteres met haar genegenheid, houdt haar gezelschap en komt haar met grote voortvarendheid te hulp. Ze zal naïef verklaren dat «de Moeder zich verloren voelde zonder haar» Met de bedoeling nieuwe kloosters te vestigen zullen ze samen vier lange reizen ondernemen, in met zeil afgedekte rijtuigjes om de clausuur te respecteren, zowel in de snijdende kou van de winter als in de verzengende hitte van de zomer, langs paden vol hinderlagen, en ondanks de ziekten van de Moeder.

De reden die Teresa van Avila ertoe drijft kloosters te stichten is haar compassie met Christus die lijdt in zijn Kerk. In haar “Relaas” van 9 februari 1570, doet ze verslag van een goddelijke gunst die ze ontving in de carmel van Malagón. De Heer heeft haar te verstaan gegeven dat Hij op dat moment in zijn lichaam dat de Kerk is groot lijden ondergaat. Wat kan ik doen, Heer, om zoveel leed te verzachten? vraagt de Moeder. Ik ben tot alles bereid! Christus antwoordt haar terstond: het is niet het moment uit te rusten; haast je met de stichting van die kloosters; ik schep er vreugde in dichtbij de zielen te verkeren die erin wonen. In een tijd waarin het mysterie van de werkelijke tegenwoordigheid van Christus in de Eucharistie sterk wordt afgewezen, onder de invloed van het protestantisme, is Teresa vervuld van het verlangen nieuwe kloosters te zien verschijnen waarin het Heilig Sacrament geëerd wordt. Haar visie op de hel en het besef dat zielen verloren gaan brengen de Moeder er ook toe stichtingen te verwezenlijken die beogen te bidden voor het heil der zondaren.

Vier reizen met een heilige

De eerste rondreis van de twee zusters strekt zich uit van juni tot november 1579; ze gaan naar Medina, Valladolid, Alba de Tormes en Salamanca, en keren vervolgens terug naar Avila. In Salamanca zet Anna, op verzoek van Moeder Teresa, zich weer aan het bestuderen van de schrijfkunst, die ze had geleerd in haar kinderjaren; als voorbeeld neemt ze die van de heilige zelf. Op die manier vervult ze de taak van secretaresse door de brieven van de Moeder over te schrijven en vervolgens de in allerijl gedicteerde brieven te verbeteren. De tweede reis is van november van hetzelfde jaar tot juli 1580; ze bezoeken de communauteit van Malagón en richten de nieuwe stichting van Villanueva de la Jara in. In de loop van de derde reis, vanaf de maand augustus 1580 tot september 1581, gaan ze naar Medina, Valladolid en brengen vervolgens de stichtingen van Palencia en Soria tot stand. De vierde reis, van januari tot oktober 1582, is de laatste van Moeder Teresa: Medina del Campo, Valladolid en Palencia om uit te komen in Burgos waar ze een klooster oprichten op 26 januari 1582, na een zeer moeizame reis. De Moeder is heel ziek. De stichting van Burgos is nauwelijks achter de rug of het huis staat plotseling onder water door een grote overstroming van de nabijgelegen rivier, en de zusters ontsnappen ternauwernood aan de dood. Op 26 juli aanvaarden ze de terugreis naar Avila, via Valladolid en Medina. Daar verplicht Pater Antonio de Jesús hen naar Alba de Tormes te gaan, waar ze aankomen op 20 september. Twee weken later geeft Moeder Teresa haar geest terug aan God.

«In de namiddag van 3 oktober 1582, zo schrijft Zuster Anna, ging Pater Antonio de Jesús een bezoek brengen aan de stichteres en toen hij zag dat ik geen rust nam vroeg hij me iets te gaan eten. En toen ik was weggegaan kwam de heilige niet tot rust, ze liet haar blik rondgaan van de ene hoek van het vertrek naar de andere. En de Pater vroeg haar of ze mij bij zich wilde hebben, en met gebaren antwoordde ze ja en werd ik teruggeroepen. En toen ik kwam begon ze te lachen zodra ze me zag en overstelpte me met blijken van dank en liefde waarbij ze me in haar handen nam en haar hoofd in mijn armen legde; en zo is ze in mijn armen geklemd blijven liggen tot ze haar laatste adem uitblies, en ik was doder dan de heilige zelf.»

Een vurige ijver

Anna keert terug naar Avila op 3 november 1582. Moeder Maria de San Jerónimo, nicht van Moeder Teresa, is daar tot priorin verkozen. Op een dag verschijnt de Moeder-stichteres aan Zuster Anna en verklaart dat ze haar alles mag vragen wat ze wil. «Ik vraag u, antwoordt deze, de Geest van God: dat Hij altijd in mijn ziel moge wonen!» Negen jaar later, in 1591, wordt Moeder Maria de San Jerónimo gekozen als priorin in Madrid voor drie jaar; ze neemt Zuster Anna van Sint-Bartholomeus met zich mee. Trouw aan haar roeping van dienstbaarheid, doet ze haar uiterste best alle zusters blijdschap en steun te bieden en de vrede te bewaren in de communauteit van Madrid.. De twee zusters keren terug naar Avila in september 1594. Maar ze vertrekken weldra naar een nieuwe stichting in Ocaňa, waar ze drie jaar blijven. De volgende vier jaren worden doorgebracht in Avila, in afwachting van een stichting in Frankrijk. Het hart van Zuster Anna, die de apostolische ijver van de stichteres heeft geërfd, brandt van bekommernis om hen die in Frankrijk teloorgaan.

Mevrouw Acarie, een mystieke moeder van zes kinderen, heeft de gewoonte opgevat in haar woning in Parijs mannen en vrouwen bijeen te brengen onder wie voorname dames van het Hof en academici die ernaar verlangden een veeleisende spiritualiteit in praktijk te brengen. Reeds in 1601 leest Mevrouw Acarie de geschriften van de heilige Teresa. Door een verschijning van deze heilige begrijpt ze dat ze geroepen is een carmel in Frankrijk te stichten. Om ervoor te zorgen dat deze nieuwe carmel de geest van de heilige zou bezitten wordt besloten zusters in Spanje te gaan halen die de stichteres gekend hebben. Pierre de Bérulle, grondlegger van het Oratoire de France, zet zich vol ijver in voor de verwezenlijking van deze stichting evenals Michel de Marillac, die minister van Justitie is in 1626; meerdere jaren achtereen worden de nodige stappen gezet, niet zonder veel moeilijkheden, te meer daar de verhoudingen tussen Frankrijk en Spanje gespannen zijn. Bovendien zijn de Paters karmelieten terughoudend ten aanzien van het vertrek van de Zusters, en de apostolisch nuntius moet tussenbeide komen om de weigering van de Generaal Overste ongedaan te maken.

Op 17 oktober 1604 komen zes Spaanse karmelietessen aan in Parijs: Anna de Jesús, Isabel de los Angeles, Beatriz de la Concepción, Eleonor de San Bernardo, Isabel de San Paulo en een wit gesluierde zuster (dat wil zeggen een lekenzuster), Anna van Sint-Bartolomeus. Een passende plek is voor hen in gereedheid gebracht in de priorij Notre-Dame-des-Champs. Weldra worden zes Franse kandidates ingekleed die de school van de Spaanse zusters volgen, zo zeer zijn ze onder de indruk van hun heiligheid en hun menselijke kwaliteiten. Anna van Sint-Bartholomeus gaat onmiddellijk aan het nederig werk in de keuken.. Haar ideaal is de gehoorzaamheid; daarover schrijft ze: Wij hebben niets beters aan God te geven dan onze wil. Hij waardeert de kleine dingen die wij doen uit gehoorzaamheid even zeer als de grote, want Hij kijkt niet naar de grootsheid, maar naar de liefde waarmee ze worden gedaan en naar de zelfverloochening.

De grote stilte

Kort daarna verplichten de Oversten van de Orde die de verdiensten en capaciteiten van Zuster Anna van Sint-Bartholomeus onderkend hebben, van de staat van lekenzuster over te gaan naar die van koorzuster. Ze wordt dan aangewezen als priorin van een klooster dat wordt gesticht in Pontoise in januari 1605. Anna zet zich volledig in voor het onderwijzen van het teresiaanse charisma, met name door stilte te beoefenen. Laten we in Zijne Majesteit God, onder alle andere zaken, een bewonderenswaardig ding onderscheiden, zo schrijft ze: «de grote stilte waarmee Hij alle mysteries van onze Verlossing verrichtte. Laten we naar zijn voorbeeld onze stilte voor zijn liefde bewaren. Laten we onze werken alleen voor Hem doen, in stilte; dat is wat het meeste telt. Onze Heer zelf zegt dat Hij in het geheim zal spreken tot de nederige van hart. Daar voegt ze nog aan toe: Oh, gelukzalige stilte! Door deze stilte, Heer, roep Jij en laat Jij je onderricht weerklinken in de hele wereld, en uit deze stilte, meer dan in de bestudering van boeken, putten zij die Jou liefhebben de Wijsheid. De Heer is voor ons Bron van levend water geworden opdat wij niet zouden omkomen in die oceaan van beproevingen. Zonder het geloof kunnen wij geen vooruitgang boeken op de koninklijke weg van de mysteries van God. Het geloof opent de ogen en geleidt ons. Daar waar geen geloof is, is er geen licht noch een weg die leidt naar het Goede.»

Maar op 5 oktober hierop volgend, wordt ze gekozen als priorin van de communauteit van Parijs. Ze verlaat Pontoise, om twee uur in de ochtend, in het grootste geheim en vermomd opdat niemand in de communauteit en in de stad haar zou beletten te vertrekken. Hoewel haar nieuwe communauteit slechts één religieuze telt die haar gelofte heeft afgelegd, omvat zij talrijke novices. Moeder Anna zet zich volledig in voor de taak een familie te stichten die in vuur en vlam staat voor de liefde van Christus. Tot haar grote voldoening komt een fraaie broederschap tot stand, ondanks het taalprobleem. Zij wenst te leven onder het gezag van de Paters karmelieten, maar dat wordt haar niet toegestaan. Weldra mengt Pierre de Bérulle zich in het leven van de communauteit en zaait er ongewild onenigheid, door de priorin haar functie niet te laten uitoefenen. Moeder Anna gaat er diep onder gebukt. Op 18 mei 1608 wordt ze naar Tours gestuurd, voor de stichting van een Carmel. In de stad is de situatie verschillend van die in Parijs.. Het klooster ontsnapt weliswaar aan de invloed van Meneer de Bérulle, maar talloze protestanten die de komst van de karmelietessen niet bepaald waarderen, spreken kwaad over hen. Het lukt Moeder Anna evenwel de situatie om te keren: ze krijgt respect en verkrijgt zelfs enkele bekeringen. «Die teresianessen van wie wij niet houden, zo wordt er gefluisterd, gaan ons nog allemaal bekeren tot het geloof.» Moeder Anna van Sint Bartholomeus in Frankrijk brengt aanzienlijk werk tot stand: de uitgever van de brieven van kardinaal de Bérulle verklaart dat zij in de geschiedenis van het herstel van de katholieke Kerk in Frankrijk een plaats verdient die de geschiedkundigen haar nog niet hebben gegeven.»

Moeder Anna schrijft talloze brieven, altijd spontaan en eenvoudig, vol van overlopende liefde, maar ook opmerkelijk behoedzaam. In die brieven laat ze zich altijd zien als iemand die zich bekommert om de anderen. Anna is een vrouw vol van leven die, zoals ze het zelf zegt, niemand toestaat bedroefd te zijn.

De liefde en het voorbeeld

Op den duur geeft Moeder Anna van Sint-Bartholomeus alle hoop op onder het wettelijk gezag van de Paters karmelieten te leven. Pierre de Bérulle is hierin het struikelblok. Op voorstel van de karmelieten van Nederland en met toestemming van de Pater Generaal, vertrekt ze naar Antwerpen, in Vlaanderen, dat dan onder het gezag van Spanje staat. Op 6 november 1612 vindt de stichting plaats, in grote armoede, maar met onmetelijk vertrouwen op de Voorzienigheid, op de manier van heilige Teresa. Drie jaar later verhuist de kleine communauteit en betrekt haar definitief klooster. De Moeder brengt de teresiaanse pedagogie in praktijk die zuiverheid en eenvoud, gehoorzaamheid en volledige openheid van geest vereist. «Wanneer men ze (de novices) met beleid en liefde leidinggeeft bereikt men dat ze de bittere dingen voor lief nemen. Het is goed openhartig tegen hen te spreken en soms voor onze eigen fouten of sommige bekoringen uit te komen, om hun de moed te geven die van henzelf te bekennen. Wanneer men deugdzaamheid alleen met woorden onderwijst, als de werken niet zichtbaar zijn, is het geen goed onderwijs. De veeleisendheid van het religieuze leven kan men slechts laten zien door de liefde en door het voorbeeld te geven, beter dan door strengheid en dreigementen.» De Regel verklaart overigens: «De Priorin zal de weg van de zachtheid bewandelen en slechts rechtlijnig en streng optreden onder uitzonderlijke omstandig- heden.» In deze geest bidt de Moeder graag dit gebed: «Heer, indien U mij moet bestraffen, heb ik liever dat het om teveel zachtheid gebeurt dan om teveel strengheid.» Zijzelf leeft heel sober en slaapt ongeveer drie uur per nacht. Maar haar verstervingen hebben nederigheid tot doel: «Uiterlijke versterving zal je nauwelijks van dienst zijn, verklaart ze tegenover haar Zusters, wanneer die niet door nederigheid en innerlijke versterving aan banden is gelegd… Laten we in de vreze Gods en in heilige nederigheid ons voorwaarts bewegen. De vergissingen die we uit pure zwakheid begaan, die vergeeft God ons onmiddellijk, maar lauwheid in de liefde, vooral als die voortduurt, die mishaagt Hem in hoge mate.»

Wanneer Moeder Anna er aankomt leeft Vlaanderen nog in vrede. De “Tachtigjarige Oorlog” (1568-1648), opstand van een deel van de Nederlanders, met name de protestanten, tegen de katholieke koning van Spanje, is inderdaad onderbroken door een wapenstilstand van twaalf jaar, tot stand gekomen door het verdrag van Antwerpen 1609). Wanneer de wapenstilstand is afgelopen worden de vijandelijkheden hervat. In de nacht van 13 op 14 oktober 1624, krijgt de stad Antwerpen een verrassingsaanval van de protestanten van over zee te verduren. Ondanks dat het nacht is, roept de priorin haar Zusters bijeen om te bidden, en zo komt het dat een storm de schepen uiteendrijft en de plannen van de agressor tenietgedaan worden. Iedereen schrijft deze bevrijding toe aan de gebeden van Anna van Sint-Bartholomeus.

De twee laatste jaren van haar leven lijdt de Moeder aan meerdere ziektes. Op 7 februari 1626, vier maanden voor haar dood, heeft ze een visioen van de Heilige Drie-eenheid. Op 7 juni, de zondag van de Allerheiligste Drie-eenheid worden haar vrienden en de hooggeplaatste hovelingen toch nog overvallen door haar dood. Moeder Anna is zesenzeventig jaar.

Moeder Anna van Sint-Bartholomeus is door Paus Benedictus XV op 6 mei 1917 zaligverklaard. Laten we haar vragen voor ons getrouwheid aan het dagelijks innerlijk gebed en grote ijver voor het heil der zielen te verkrijgen!

Zalige Alberto Marvelli

Zalige Maria Laura Mainetti

Eerbiedwaardige Edel Marie Quinn

Heilige Philippine Duchesne