Beato Henri Planchat

25 december 2024

Zalige Henri Planchat

Dierbare Vrienden,

«Hebt u in Parijs een kleine priester ontmoet met roodgekleurde hoed en versleten soutane, schoenen met gaten, zeer arm omdat hij alles aan de armen geeft, die slechts naar de rijken gaat om aalmoezen te vragen; die bij tij en ontij de meest afgelegen voorsteden doorkruist, alle zolders op klimt, zieken bezoekt, hulp biedt aan de meest verwaarloosden?… Medeburger, heeft u deze priester ontmoet, wel nu, dat is mijn zoon!» In deze bewoordingen vraagt de moeder van Henri Planchat, een in 1871 door de leiders van de Commune van Parijs gevangengenomen priester, aan een afgevaardigde op Justitie om gratie voor haar zoon. Ze heeft geen woord te veel gezegd, alles is waar. De Kerk eert voortaan deze priester als zalige en martelaar.

Zalige Henri Planchat Marie-Mathieu Henri Planchat is op 8 november 1823 geboren in Bourbon-Vendée, (tegenwoordig La Roche-sur-Yon), als oudste in een gezin met vier kinderen. Zijn vader is rechter aan het kantongerecht. De familie leeft in volledige trouw aan het katholiek geloof; de grootvader van Henri heeft veertien priesters verborgen op gevaar van eigen leven in de donkere dagen van de Terreur 1792-94). Drie kinderen Planchat, Henri en zijn twee zussen, zullen religieuzen worden.

In 1832 vestigen de magistraat en zijn gezin zich in Lille en daar doet Henri zijn Eerste Communie in 1835.. Vanaf dat ogenblik ervaart hij een intens verlangen Jezus te ontvangen in de Heilige Eucharistie; zijn biechtvader staat het hem echter veel te zelden toe naar zijn smaak; destijds is de Heilige Communie voor de gelovigen slechts op bepaalde dagen toegankelijk. Hij gevoelt eveneens een grote devotie voor de Heilige Maagd.

In 1837 gaat Henri als interne leerling naar het Collège Stanislas in Parijs. Ondanks de goede schoolresultaten valt het leven op het pensionaat hem te zwaar en wordt hij somber en zwijgzaam. Zijn vader vertrouwt hem dan toe aan eerwaarde Poiloup, directeur van het Collège de Vaugirard. Gediplomeerd in 1842, schrijft de jongeman zich in aan de Rechtenfaculteit, maar blijft wonen in het Collège de Vaugirard waar hij werkt als surveillant en repetitor. Zijn geestelijk dagboek getuigt van de strijd die hij moet voeren tegen zijn onstuimig en trots temperament. Hij voert ook strijd tegen de ontmoediging omdat hij zo langzaam is in het verbeteren van zijn tekortkomingen: «De boom van mijn ziel moet vruchten dragen in lijdzaamheid. Ik moet mijn onvolkomenheden verdragen, niet zozeer om ze lief te hebben maar evenmin om ze groter te maken door tweespalt en ontmoediging. Evenals de graankorrel die in de aarde is gevallen onmerkbaar groeit, zo ook groeit het goede in de zielen maar langzaam».

Vanaf 1843 vraagt en verkrijgt Henri toelating tot het Parijse seminarie Saint-Sulpice. Maar zijn vader, verbannen om politieke redenen naar Algerije om president van de rechtbank van Oran te worden, vraagt hem eerst zijn rechtenstudie af te maken; de jongeman meent hem te moeten gehoorzamen. Noodgedwongen als leek schrijft hij zich in bij de Société de Saint-Vincent-de-Paul; hij leert er de harde werkelijkheid van de armoede kennen en hoe die te verhelpen. Weldra voegt hij zich bij katholieken die in de rue du Regard een patronaatsgebouw hebben geopend waar jonge arbeiders in opleiding een christelijke vorming en gezonde ontspanning kunnen genieten.

In augustus 1847 behaalt Henri zijn licentiaat in de rechten en verkrijgt van zijn vader de toestemming naar het seminarie te gaan. Rechter Planchat overlijdt in juni 1848 en Henri vertrekt voor een paar maanden naar Algerije om zijn moeder en zus te ondersteunen. Wanneer hij weer terug is in Parijs onderscheidt hij zich op het seminarie door zijn geest van armoede.. In zijn dagboek schrijft hij: «Wanneer men zich wil bekeren gaat men niet te biecht bij hen die mooie pendules en mooie tapijten in hun appartementen hebben… Ik zal in mijn meubilering alles vermijden dat naar elegantie zou kunnen zwemen.» Wanneer de datum van de priesterwijding nadert kan de seminarist aan zijn moeder schrijven: «Ik ben gelukkig. Mijn geluk wordt iedere dag groter, in de volledige en onomkeerbare zelfopoffering van heel mijn wezen aan de Heer». «Het is lang geleden, zo constateert hij, dat de genade een beroep op mij deed voor de armen, in de geest van het geloof. Ik neem mij vast voor nooit een gelegenheid te laten ontgaan deze impuls te volgen.» Hij hoedt zich echter voor de onrust, zelfs wanneer die wordt veroorzaakt door te ijveren voor het goede. «Dat is de ware naastenliefde niet. In de natuurlijke activiteit zit venijn voor de naastenliefde. De ware naastenliefde zit in de intimiteit met de ziel; zij omhult haar, zij doordringt haar. Wat zullen haar levend vuur diep in mijn ziel en de uitwendige processen geweldig zijn!» Op 21 december 1850 wordt eerwaarde Planchat tot priester gewijd.

De arbeiders terugbrengen naar Christus

Op 3 maart 1845 stichtte een leek, Jean Léon Le Prévost (1803-1874) met twee vrienden in Parijs een vereniging, de Broeders van Saint-Vincent-de-Paul, bestemd ter evangelisatie van de volksklassen. Uitsluitend uit lekenbroeders bestaand, specialiseert de vereniging zich in het organiseren van patronaten waar arbeiders onthaald en gesteund worden, in de zeer harde context van het economisch liberalisme dat was voortgekomen uit de Revolutie van 1789. De bedoeling van de stichters was de arbeiders terug te brengen naar Jezus Christus en naar de Kerk. Drie dagen na zijn wijding voegt eerwaarde Planchat zich bij deze jonge congregatie en aanvaardt nederig, als priester, zich te onderwerpen aan een leek als overste. Pas in 1869 zal de Heilige Stoel in het goedkeuringsdecreet preciseren dat «het Instituut onder de leiding van een priester moet staan».

De revolutie van februari 1848 had aangetoond hoe urgent de sociale kwestie was. Tegenover het socialisme dat afschaffing van particulier bezit voorstaat, denken katholieke leken (Armand de Melun, Frédéric Ozanam) na over de middelen die aan de maatschappelijke verhoudingen gerechtigheid en menselijkheid kunnen teruggeven en voorkomen in de liberale «wetten van de jungle», met hun voor de natuurlijke orde verwoestende socialistische utopieën, te vervallen.. In Grenelle, in het zuid-westen van Parijs, begint eerwaarde Planchat zijn apostolaat. In 1850 leven 80% van de 8.000 inwoners, ten gevolge van de maatschappelijke crisis die sluiting van talloze fabrieken met zich heeft meegebracht, in behoeftige omstandigheden; het godsdienstige leven is bijna niet bestaand. De Broeders van Saint-Vincent-de-Paul hebben zich er in 1847 gevestigd en er is een patronaatsgebouw opgericht. In december 1850 verschaft «het kookfornuis van Saint-Vincent» de armen van de wijk bijna gratis eten..

Nauwelijks is eerwaarde Planchat aangekomen of hij begint zijn «jacht op de zielen» door die armen op te zoeken die de gewoonte zijn verloren naar de kerk te gaan. Geen enkele vorm van ellende of spotternij kan hem ontmoedigen. De wasvrouwen die hem uitschelden krijgen als antwoord medailles en prentjes aangeboden waarop deze vrouwen, beschaamd, hem vijf frank geven, een groot bedrag, voor het opdragen van Missen. In augustus 1851 valt hij uitgeput flauw op de rand van het trottoir..

Hij is ernstig verzwakt en moet weldra naar Italië vertrekken om weer op te knappen. Alvorens na een jaar terug te keren naar Parijs, wordt hij in particuliere audiëntie ontvangen door Paus Pius IX, die hem nieuwe moed geeft. In april 1853 hervat hij zijn apostolaat in Grenelle waar hij acht jaar zal blijven..

Henri klopt op alle deuren, tot op de armste en bouwvalligste. Hij neemt de biecht af, belast zich met individuele bekeringen en reguleert honderden huwelijken. Hij gaat recht op zijn doel af, sprekend over God, onverschillig voor de spotternijen over zijn groen geworden soutane en zijn fragiele voorkomen. Zijn invloed op de zielen is slechts te verklaren uit zijn diepgaande verbondenheid met God. «Honderd woorden tot God, een enkel tot de mensen», dat is zijn devies. Maar hij werkt niet in afzondering; hij laat zich helpen door leken uit de buurt, die in 1853 een groep hebben gevormd onder de naam «Arbeiders Vereniging van de Heilige-Familie», die zich ten doel stelt «onderlinge hulp en steun, maar ook evangelisatie van de arbeiders door de arbeiders» te bevorderen. Weldra start hij een patronaat voor jonge arbeidsters.

Eerwaarde Planchat verlicht de lichamen en de zielen en spaart daarvoor kosten noch moeite. Op een zeer koude dag keert hij terug naar de communauteit op blote voeten, hetgeen de verontwaardiging van de conciërge oproept. Om zich te verontschuldigen geeft hij als verklaring: «Ik heb mijn schoenen op de Esplanade des Invalides aan een arme gegeven die er geen had. Wat wilt u, hij was ouder dan ik!» Zijn heiligheid irriteert de geestelijkheid ter plaatse. In 1861 ontketent de pastoor van Grenelle een lastercampagne tegen hem.. De superieuren van eerwaarde Planchat zijn verplicht hem uit Parijs te verwijderen en sturen hem naar Arras om aldaar de leiding over een opvoedkundige instelling voor wezen en jongens in vakopleiding op zich te nemen. Hij blijft er twee jaar waarin hij de internen aanmoedigt veelvuldig te communie te gaan..

Een dringende uitnodiging

In de loop der eeuwen hadden leken christenen zich langzaam maar zeker verwijderd van de veelvuldige Communie; ze stelden zich tevreden met een communie op hoogtijdagen.. De jansenistische dwaalleer had in de 17e eeuw zelfs beweerd dat de sacramentele communie moest worden voorbehouden aan een klein aantal zeer volmaakte gelovigen. Talloze heiligen hebben echter gepleit ten gunste van de veelvuldige Communie. Deze spirituele beweging heeft tot gevolg gehad dat, op bevel van heilige Paus Pius X, het decreet Sacra Tridentina werd afgekondigd (20 december 1905), dat, ter herinnering aan een richtlijn van het concilie van Trente, bepaalt:

«I – De veelvuldige en dagelijkse Communie, als door Christus onze Heer en door de katholieke Kerk vurig gewenst, zij aan alle gelovige christenen van elke stand en rang vergund; zodat niemand die in staat van genade is en met goede en vrome bedoeling tot de H. Tafel nadert, daarvan verwijderd mag worden gehouden.

II – Die goede stemming bestaat hierin, dat hij, die tot de H. Tafel nadert, hierbij niet aan het gebruik of aan ijdelheid of aan menselijke berekeningen toegeve, maar dat hij aan Gods welbehagen wil voldoen, nauwer met Hem in liefde wil verenigd worden, en met dit goddelijk geneesmiddel tegemoet wil komen aan eigen zwakheden en fouten».

De Catechismus van de Katholieke Kerk brengt het nauwkeurig onder woorden: «De Heer nodigt ons dringend uit om Hem in het Sacrament van de Eucharistie te ontvangen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u (Joh.. 6,53)… De Kerk beveelt echter de gelovigen ook ten zeerste aan op alle zon- en feestdagen de heilige Eucharistie te ontvangen, of nog vaker, zelfs iedere dag». Onder verwijzing naar heilige Paulus (1 Kor. 11,27-29), herinnert de Catechismus ons eraan dat Hij die zich van een zware zonde bewust is, het Sacrament van de Verzoening moet ontvangen voordat hij te communie gaat (nrs. 1384,1385,1389).

De drie pijlers

Terug in Parijs in 1863, krijgt eerwaarde Planchat weldra de leiding over het patronaat Sainte-Anne, in Charonne, een arbeiderswijk (20e arrondissement). Vanwege persoonlijke conflicten kan hij er tot 1870 niet ook wonen, maar zal iedere dag terug moeten om te slapen in Vaugirard, in het andere uiteinde van Parijs. Weldra komen vijfhonderd jongeren in opleiding en arbeiders naar Sainte-Anne, dat gezond vermaak biedt en middelen om een waar christelijk leven te leiden. De priester bouwt een kapel die in 1867 zal worden ingezegend, en een huis dat voltijds de jongeren in opleiding die geen familie hebben zal opvangen. Zijn methode berust op drie pijlers: godsdienstonderricht, het sacrament van Boetedoening en de veelvuldige Communie. Hij is van oordeel dat het de geestelijk leider toekomt te bepalen of de kinderen aan wie hij leidinggeeft bekwaam zijn veelvuldig de communie te ontvangen. Iedere zondag is hij aanwezig in de biechtstoel, vanaf zes uur ’s ochtends, en andere priesters komen hem helpen zodat iedereen voor de Hoogmis kan biechten.

Eerwaarde Planchat gelooft in de heiligmakende waarde van het Heilig Sacrament en de Communie ter bescherming van zijn jongelieden tegen slechte invloeden. «Door dezelfde liefde die zij in ons ontsteekt, behoedt de Eucharistie ons voor doodzonden in de toekomst. Hoe meer wij deelhebben aan het leven van Christus en voortgang maken in onze vriendschap met Hem, hoe moeilijker het ons valt met Hem te breken door de doodzonde.. De Eucharistie is er niet op gericht doodzonden te vergeven. Dit is eigen aan het Sacrament van de Verzoening. Het is eigen aan de Eucharistie het Sacrament te zijn van hen die zich in volledige gemeenschap met de Kerk bevinden.» (CKK 1395).

In de belegerde stad

Begin 1870 beleeft het patronaat Sainte-Anne zijn hoogtijdagen: vierhonderd jongeren in opleiding en arbeiders zijn er vaste klant en meer dan vijfhonderd ouderen staan er nog altijd mee in contact. De wijk Charonne verandert onder de invloed van dit centrum dat voortaan dag en nacht bewoond wordt door religieuzen. Maar op 2 september komt plotseling het nieuws van de Franse militaire ramp in Sedan. De 19e bezet het Pruisische leger Parijs dat vier maanden in staat van beleg zal verkeren. De Parijse arbeiders en hun gezinnen zijn veroordeeld tot werkeloosheid ten gevolge van de stop op handel en industrie. De honger heeft ze weldra in de houdgreep. Eerwaarde Planchat bedelt van deur tot deur en slaagt erin voldoende geld te verzamelen om open tafel te houden ondanks de exorbitant hoge prijzen van de eetwaren. Hij opent weldra in Sainte-Anne een ambulancedienst die honderden oorlogsgewonden opneemt. Hij verschaft duizenden soldaten die nietsdoend rondlopen in de belegerde stad, welzijn naar lichaam en ziel. Iedere dag gaat hij naar het front om de gewonden hulp te verlenen en de meest ernstige gevallen de laatste sacramenten aan te bieden. Op 7 februari 1871 ontvangt het patronaat 8.000 soldaten waarvan er 5.000 te communie gaan nadat ze hebben gebiecht. Dit glansrijke succes ergert de socialistische en anarchistische leiders. Een commandant beveelt de priester, «in zijn eigen belang», de soldaten niet meer af te houden van hun militaire plichten door ze naar het patronaat te lokken, een leugenachtige beschuldiging. Hij is geheel en al zijn ambt toegewijd en probeert zich niet buiten schot te houden.

Op 18 maart 1871 breekt de opstand van de Commune van Parijs uit, tegen de reguliere regering onder voorzitterschap van Adolphe Thiers die naar Versailles is gevlucht. Socialisten, communisten of anarchisten, de «communards», vestigen in de hoofdstad een dictatuur. Parijs is voortaan in handen van extremistische facties. In een explosie van antireligieuze haat, aangewakkerd door de pers, worden kerken geschonden. Op Witte Donderdag, 6 april 1871, dringt een groep communards Sainte-Anne binnen, op zoek naar eerwaarde de Broglie wiens broer gedeputeerde van Versailles is. Omdat ze deze priester niet kunnen vinden (die Henri Planchat had weggestuurd om hem in veiligheid te brengen), zegt een commissaris, revolver in de hand, «burger Planchat» zijn arrestatie aan. Hij wordt naar het gemeentehuis van het 20e arrondissement gebracht waar hij wordt onderworpen aan een verhoor. Op Goede Vrijdag wordt hij overgebracht naar het Hoofdcommissariaat van Politie waar hij de Paasdagen doorbrengt in een piepklein cachot. Op 12 april ziet hij in de gevangenis Mazas vijfentwintig geestelijken terug die daar gegijzeld werden, onder wie de aartsbisschop van Parijs, Mgr. Darboy. De gevangenen zitten daar 39 dagen in individuele cellen, zonder de Mis te kunnen opdragen. De gemoederen onder het gepeupel zijn zeer verhit door de opeenvolgende mislukkingen van de communards en men zoekt naar «verraders» op wie men zich kan wreken.

De inwoners van Charonne die met stomheid zijn geslagen door de arrestatie van eerwaarde Planchat komen in het geweer. Er wordt een petitie georganiseerd die 300 keer ondertekend wordt: «Wij verzekeren dat eerwaarde Planchat niet in staat is de regering, welke die ook zij, kwaad te berokkenen. Hij is in onze wijk de steun en toeverlaat in onze ellende; zijn onuitputtelijke naastenliefde missen wij, vooral in de situatie waarin wij ons nu bevinden. Wij verzoeken het comité dus deze burger, die al zovele jaren bekend is en geëerd wordt in onze buurt, zijn vrijheid terug te geven». Deze petitie zal onbeantwoord blijven, maar de gevangene zal tot het einde door de parochianen van Charonne, niet zonder risico’s en gevaren, van voedsel worden voorzien,

Bij voorkeur priesters treffen

Op 21 mei vallen vanuit Versailles de troepen van de Nationale Vergadering bij verrassing Parijs binnen; ze hebben een week nodig om zich meester te maken van de hele stad.. Vanaf dat moment kent het geweld geen grenzen meer. Rigault, procureur van de Commune, roept uit «We hebben gijzelaars, onder wie priesters: laten we die bij voorkeur treffen» Op 22 mei, worden 54 gevangenen van Mazas overgebracht naar de gevangenis van la Roquette. Omdat ze even samen zijn kunnen ze biechten en te communie gaan, terwijl de jezuïeten het Heilig Sacrament bij zich hebben.

«Aan hen die dit leven gaan verlaten, geeft de Kerk naast de Ziekenzalving ook de Eucharistie als Viaticum. De gemeenschap met het lichaam en bloed van Christus, ontvangen op het ogenblik van de overgang naar de Vader, heeft een bijzondere betekenis en een bijzonder belang. Zij is zaad van eeuwig leven en de kracht tot verrijzenis, naar de woorden van de Heer: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag (Joh. 6,54).» (CKK 1524).

Op 24 mei dringt een groep, door vrouwen geleid gepeupel de gevangenis van la Roquette binnen en overmeestert zes gijzelaars onder wie Mgr.. Darboy, en vier willekeurig gekozen priesters. Zij worden gefusilleerd onder de ogen van de andere gevangenen. De 25e worden 25 Dominicanen van het klooster van Arcueil op de avenue d’Italie doodgeschoten, met acht geregelde bezoekers van hun college. Eerwaarde Planchat brengt de dag door met biecht horen van de gevangenen. Op 26 mei wordt hij met negen andere geestelijken en een veertigtal burgerlijken uit de gevangenis gehaald door «kolonel» Emile Gois. Het konvooi trekt door Belleville; onderweg hoort men stemmen uit de opgewonden menigte verwensingen en doodsbedreigingen uiten aan het adres van de gijzelaars.. Een getuige verhaalt: «Eerwaarde Planchat liep met neergeslagen ogen, diep in zichzelf gekeerd, terwijl hij ongetwijfeld er slechts aan dacht God het offer van zijn leven aan te bieden». Tegen zes uur, wanneer de gevangenen in de rue Hao aankomen worden ze door de gehergroepeerde menigte geslagen en naar een muurtje op een braakliggend terrein gedreven waarvoor ze in gelid worden opgesteld.

Eerwaarde Planchat smeekt de vaders van gezinnen te sparen en biedt zichzelf aan om te sterven in hun plaats. Sommige commune leiders aarzelen of ze wel bevel zullen geven tot iets onherstelbaars.. Plotseling hoort men een revolverschot, gevolgd door een ongecontroleerde schietpartij; de moordpartij, met geweren, revolvers en bajonetten, duurt een half uur. De moordenaars laden en schieten hun wapentuig zonder ophouden af. Volgens sommige getuigen sterft eerwaarde Planchat op zijn knieën, al biddend tot zijn laatste ademtocht. Geen enkele gijzelaar ontkomt. «Er schijnt geen georganiseerde executie plaats te hebben gevonden, maar een door de massa gepleegde lynchpartij», zal de historicus Robert Tombs verklaren.

Henri Planchat, de «apostel van Charonne» is erkend als martelaar door Paus Franciscus en zaligverklaard in de kerk Saint-Sulpice op 22 april 2023, samen met vier religieuzen van de congregatie der Heilige Harten van Jezus en Maria (ook wel «Picpus» genoemd), die zoals hij het slachtoffer werden van de moordpartij in de rue Hao. Wij kunnen God, op voorspraak van eerwaarde Planchat, vragen om de genade missionarissen van de Eucharistie te worden, dat sacrament van de liefde waarvan Jezus heeft gezegd: Ik ben het brood, dat uit de hemel is neergedaald. Als iemand van dit brood eet, zal hij leven in eeuwigheid. Het brood dat Ik zal geven, is mijn vlees, ten bate van het leven der wereld (Joh.6,51-52). Moge de zalige Henri ons eveneens helpen ons, naar zijn voorbeeld, in te zetten ten dienste van de armen en ongelukkigen die God op onze weg brengt.. Al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringste van mijn broeders hebt gij voor Mij gedaan. (Mat 25,40).

Zalige Maria-Antonia de Paz y Figueroa

Zalige François Faà di Bruno

Zalige Alberto Marvelli

Zalige Maria Laura Mainetti