Venerabile Edel Marie Quinn

14 Mei 2025

Eerbiedwaardige Edel Marie Quinn

Dierbare Vrienden,

Vanaf de vijfde eeuw geëvangeliseerd door de heilige Patrick, heeft Ierland talrijke missionarissen naar de wereld gezonden. In 1921 was in Dublin het legioen van Maria gesticht, een vereniging van katholieke leken die met kerkelijke goedkeuring en onder de machtige leiding van de Onbevlekte Maria Gods roem zoekt te verwerven via de heiliging van haar leden, het gebed en de vrijwillige dienst aan de naaste. Zij beoogt Maria naar de wereld te brengen als een onfeilbaar middel om de wereld te winnen voor Jezus. Vandaag is ze een organisatie die verscheidene miljoenen leden in ongeveer 170 landen telt.

Eerbiedwaardige Edel Marie QuinnDe 15de december 1994 verklaarde de heilige Paus Johannes-Paulus Edel Marie Quinn, lid van het legioen van Maria, eerbiedwaardig. Geboren te Kanturk in de Ierse Republiek (het zuiden) op 14 september 1907, ontvangt het kind het doopsel vier dagen nadien. Haar ouders kozen de voornaam van Adèle, maar de priester verstaat Edel; denkend dat het gaat om de bloem «Edelweiss», zoekt hij geen verdere informatie en schrijft die naam in het register in. Edel is de oudste van haar gezin; vier broers en zusters zullen haar volgen. Charles, de vader, is bankbediende; dankzij zijn bevorderingen zal hij vaak verhuizen met zijn huisgenoten alvorens zich voorgoed te vestigen te Dublin in 1924. Mevrouw Quinn geeft het voorbeeld van werkzame, aandachtige en zachte goedheid, bezield door een diepe vroomheid.

Een kloosterlinge die Edel kende toen ze tien jaar was, zal getuigen: «Het was een echt duiveltje op school, niet dat zij brutaal was, maar zij liep altijd over van enthousiasme, was levendig en opgewekt, op de uitkijk om hondenhokken te maken… Aan kinderlijke eenvoud verbond ze een daadwerkelijke zelfbeheersing en een grote uitstraling… Haar onbaatzuchtigheid en haar inschikkelijkheid waren merkwaardig.. Geboren organisatrice deed ze al wat ze ondernam, goed.» Het jong meisje munt uit in sport en dans.. Ze ontvangt een stevige christelijke vorming. Vanaf haar eerste communie in 1916 zal zij de honger naar de eucharistie bewaren. Tegenslagen van haar vader verplichten Edel haar studies te onderbreken en huiswaarts te keren. Zij gaat alle dagen naar de Mis en leest veel.

Op negentienjarige leeftijd zoekt het jong meisje een baan. Aangeworven als secretaresse in een huis voor invoer, sinds kort door een Fransman in Dublin gesticht, zal ze er een herinnering achterlaten van een schuchtere, maar dappere persoon. Zij past zich vlug aan en wordt een secretaresse bekwaam om vertrouwelijke opdrachten uit te voeren. Zij leert Frans; haar geestelijk leven zal veel gebruik maken van vele auteurs in deze taal. Vanaf haar eerste ontmoeting was de werkgever getroffen door haar glimlach: «Iets helders en vrijmoedigs, vol aandacht en begrip, dat licht uitstraalt.» De rijke menselijke hoedanigheden die ze ontplooit maken dat hij op haar verliefd wordt. Op het punt Ierland te verlaten voor zaken vraagt hij haar ten huwelijk. Zijn verrassing is groot Edel te horen antwoorden dat zij dit niet kan aannemen, want zij heeft zich aan God toegewijd. Inderdaad, het jong meisje heeft vanaf haar jonge leeftijd een roep tot het beschouwende religieuze leven ervaren. Evenwel, vrezend dat haar weigering negatieve effecten zou hebben op het geestelijk leven van haar aanbidder, blijft ze enkele tijd met hem in correspondentie door vriendelijke brieven die hem geweldig goed doen.

Terwijl ze wacht op de vervulling van haar roeping, ontspant ze zich door te golfen of door muziek te maken. Maar geleidelijk laat ze deze gewettigde genoegens varen ten bate van toewijding om haar moeder thuis, de armen en de zieken te helpen. De zondag is voor haar werkelijk de dag des Heren. Ze woont verscheidene Missen bij en verdiept haar geloof zodat haar christelijke vorming zich ruimschoots verdiept. Haar dorst naar gebed en ingetogenheid is hevig. Heel vaak nochtans neemt ze tijd om haar vrienden te helpen door naar hen met medegevoel te luisteren. Vanaf 1927, op twintigjarige leeftijd, in afwachting om te weten in welke gemeenschap ze kloosterlinge zal worden, sluit ze zich aan bij het legioen van Maria, een vereniging gesticht door Frank Duff (1889-1980), een bediende bij het staatsministerie (zijn zaligverklaringsproces is geopend). Hij had alleen eraan gedacht een groep van enkele personen te stichten; maar zijn plaatselijk initiatief zal zich uitstrekken op wereldniveau. Hijzelf zal worden geroepen om in aanwezigheid van de bisschoppen van de gehele wereld tijdens het concilie van Vaticanum II te spreken. De onderwerping aan het kerkelijk leergezag is voor de legionairs een fundamenteel principe. Zij nemen deel aan het leven van hun parochie door samen te werken met al haar activiteiten, voornamelijk het bezoek aan gezinnen en zieken, zowel thuis als in de hospitalen. Elke legionair moet een wekelijks apostolisch werk volbrengen.

Tijdens een bijeenkomst van de kinderen van Maria, waarvan ze lid is, raakt Edel bevriend met een jonge legionaire die haar voorstelt aan zowel de verantwoordelijke als aan de aalmoezenier. Geestdriftig geworden vraagt Edel om toegelaten te worden tot de beweging, wat haar wordt toegestaan. Weldra gaat ze al snel verder dan wat voorgeschreven is en bezoekt ze vijf avonden per week personen in nood. Na twee jaar dienst als gewoon actief lid, wordt zij verantwoordelijk voor een groep die voor weggelopen meisjes zorgt. Twee avonden per week begeeft ze zich naar het huis voor de bekeerlingen Sancta Maria, waar ze haar gave van stralende sympathie beoefent. Ze wordt dan ook met blijdschap ontvangen door de kostgangers die haar niet graag zouden willen laten vertrekken.

Mijn grootste blijdschap

De sterke en veeleisende franciscaanse spiritualiteit van de Clarissen trekt Edel aan. In 1932, wanneer haar plan om binnen te treden bij deze kloosterlingen in Belfast vorm aanneemt, valt ze ziek door tuberculose, destijds haast ongeneeslijk. «Al wat gebeurt, is mooi», dit wil zeggen, is toegestaan door God, zegt zij. Men zendt haar naar een sanatorium waar ze haar leven van toewijding en versterving, opgewekt en in dienst van allen, voortzet. Zij leest vele boeken van spiritualiteit, en heel in het bijzonder de geschriften van de heilige Theresia van het Kind Jezus. Na achttien maanden, die haar lang lijken, keert ze naar huis, met haar glimlach de bezwaren ontwapenend van hen die hadden gewenst dat ze haar rust verlengt. Gedurende enkele maanden de geneeskundige voorschriften volgend, hervat ze haar beroepswerk en haar inzet voor het Legioen. De uitbreiding ervan is nog traag in die tijd. Ze breidt zich uit buiten Dublin slechts in 1927, en buiten Ierland slechts in 1928 en begint tenslotte in Schotland. Maar vanaf datzelfde jaar versnelt het ritme. In 1930, vestigt het Legioen zich in India, daarna in Latijns-Amerika het volgend jaar. In 1934 wordt in Lourdes een bedevaart van het Legioen georganiseerd; Edel sluit erbij aan. Bij haar terugkeer wordt ze met enkele metgezellinnen als stichteres naar Wales gezonden: ontmoetingen, conferenties, verschillende bezoeken, inzonderheid aan de bisschoppen: een uitslovend werk gedurende vijftien dagen, dat grote vruchten oplevert. Paradoxaal genoeg, keert ze naar Ierland terug met een betere gezondheid. Gedurende die tijd ontstaan groepen in Afrika. In 1936 vertrekt Edel als missionaris van het legioen van Maria naar midden- en oostelijk Afrika. Een sterke oppositie nochtans is gerezen tegen deze zending op de hogere Raad van het Legioen maar de goede barmhartigheid van Edel en haar faam hebben samen met de hulp van de heilige Geest gezegevierd over alles. «Lijden om de liefde van Jezus Christus is mijn grootste vreugde», schrijft ze.

De harten winnen

De eerste brief van Edel gedurende de reis is om degenen te bedanken die haar hebben gezonden niettegenstaande de risico’s waarvan ze goed bewust is. Op 23 november bereikt ze de Keniaanse haven van Mombasa, Britse kolonie, waar de mohammedaanse invloed zeer sterk is. Edel begeeft zich onmiddellijk naar de hoofdstad van het land, Nairobi, waar ze contact opneemt met de voornaamste plaatselijke katholieken, onder wie zich enkele legionairs bevinden. Zij luistert zonder zich te laten ontmoedigen door de bezwaren, organiseert een conferentie voor de voorstelling en, op 15 december, is de eerste groep gesticht; Pater Maher, missieoverste van de streek, wordt er de geestelijke leider van. Edel legt zich toe haar apostolaat te stichten binnen dat van de missionarissen, hopend alzo hen te winnen voor haar zaak. De begindagen zijn vaak zwaar maar haar vereniging met God en haar vriendelijkheid laten toe vele harten te winnen. Ze behandelt de priesters met een grote eerbied. Bij haar contact vallen de vooroordelen weg bij de Europeanen en onder de Afrikaanse inboorlingen. Indien ze zich onbuigzaam toont bij de algemene beginselen, uiteengezet in het het Handboek van de Legionair, voor de praktische details daarentegen, blijkt haar gemak ter aanpassing aan de levensvoorwaarden van Equatoriaal Afrika merkwaardig: ze slaat gade en respecteert het Afrikaanse tempo zonder iets te bruuskeren. Geconfronteerd met ontgoochelingen en tegenslagen laat ze de armen niet zakken. Zij slaagt erin heel wat vijandelijkheden tussen de etnische groepen te kalmeren, en bepaalde tradities inzake de rol van de vrouwen, beschouwd als alleen huiselijk, te versoepelen.

De evangelisatie is een prioriteit voor het Legioen. Door bezoek aan huizen en met andere middelen wordt een contact met elk persoon vastgelegd. Christus zien en dienen in de zieken en de achtergestelden is een ander wezenlijk deel van het legioenapostolaat.

De basiseenheid van het Legioen heet een praesidium; normaal steunt het op een parochie, die overigens er verscheidene kan hebben. Om een actieve legioniair te worden is het noodzakelijk zijn toetreding te vragen in een praesidium. Tijdens de wekelijkse vergaderingen wijst men een taak toe aan de leden, die over het algemeen met tweeën werken. Na een periode van geslaagde proeftijd leggen de leden een belofte af van legionair. Bewust van de noodzaak van de steun van de genade telt het Legioen hulpleden die zich door het gebed ermee verenigen. Het bestuur van het Legioen wordt uitgevoerd via verschillende raden op plaatselijk, gewestelijk en nationaal niveau.

Spijts haar gebrekkige gezondheid vertoont Edel een verrassende weerstand tegen de vermoeidheid en de hitte. Een religieuze die haar gekend heeft zal bijgevolg zeggen: «Dit was een persoon die het minst met zichzelf rekening hield!» Dankzij haar toewijding vestigden zich honderden groepen van het legioen van Maria in Kenia, de evangelisatie in de diepte versterkend. Zij leert een weinig Swahili en stukjes van verscheidene andere dialecten. De organisatie van het Legioen met zijn twee aan twee-apostolaat en zijn wekelijkse verslagen bloeit uitstekend, in het bijzonder dankzij het dynamisme van de alomtegenwoordige jonge missionaris, die aandachtig elke groep volgt, maar zich ook op de hoogte houdt van de ontwikkelingen van het Legioen in Europa, in Amerika en tot in China. Edel organiseert periodieke gewestelijke bijeenkomsten en sticht te Nairobi een hoofdkwartier. Zij onderhoudt een overvloedige briefwisseling, zowel met de groepen die ze gesticht heeft, de bisschoppen en de plaatselijke missionarissen als met haar vrienden in Dublin.

Louter met Hem verenigd

Zij bekomt dat zekere groepen door de inlanders zelf gesticht worden, en doet alzo door de Afrikanen aannemen de evangelisatoren te worden van hun eigen landgenoten, wat voorheen uitsluitend de taak was van de missionarissen en de catechisten.. Zij vecht eveneens met succes tegen de gebruikelijke traagheid van de autochtonen, de vijandschap van de tovenaars, de moeilijkheden van de verbindingen, vooral in het regenseizoen. Zij ziet erop toe de momenten van inkeer, zelfs gedurende de reizen te bewaren: «Gewoonweg met Hem verenigd zijn, in éénheid met Maria. Juist Hem beminnen in mijn ziel gedurende de dag op reis, mijn activiteiten verenigend met gelijkaardige activiteiten die Hij gedaan heeft.» In één van haar lievelingsgebeden vraagt ze: «Verleen ons, Heer, ons, die dienen onder de standaard van Maria, deze volheid van geloof in U en het vertrouwen in haar, die ongetwijfeld de wereld overwinnen. Geef ons een levendig geloof bezield door liefde!» (cf. Ga 5,6)

De mis blijft het middelpunt van haar leven. Bij één gelegenheid blijft ze nuchter tijdens zeventien uren om de heilige communie te ontvangen. Edel kent het heilig sacrament haar buitengewone weerstand toe: «Hoe zou het leven ledig zijn zonder Hem!» schrijft ze. Haar vurige liefde voor de Moeder Gods, haar kinderlijk vertrouwen en haar volledige afhankelijkheid jegens Haar zijn overheersende kenmerken van haar leven. Op een dag vraagt men haar of zij ooit iets aan Onze-Lieve-Vrouw geweigerd heeft: «Neen, antwoordt ze, ik heb haar nooit iets geweigerd van wat haar, dacht ik, aan het hart lag.» De spiritualiteit van het Legioen is gericht op de devotie tot de heilige Geest en tot de Maagd Maria. Franck Duff heeft zich zeer laten inspireren door de «Verhandeling van de ware Godsvrucht tot de Maagd Maria» van de heilige Louis- Marie Grignion de Montfort. Deze heilige toont erin dat Maria leidt naar Jezus: «Door de Allerheiligste Maagd Maria is Jezus Christus in de wereld gekomen, en ook door haar moet hij heersen in de wereld…» (nr. 1) Onder de eigenschappen van de ware godsvrucht tot Maria onderstreept hij: «De ware godsvrucht tot de heiige Maagd brengt de ziel ertoe de zonde te vermijden en de deugden van de Allerheiligste Maagd, speciaal haar grote nederigheid, haar levendig geloof, haar gehoorzaamheid, haar aanhoudend inwendig gebed, haar versterving na te volgen; zij verstevigt de ziel in het goede, en brengt haar ertoe niet gemakkelijk de devotiepraktijken te verlaten; zij maakt haar moedig om zich tegen de wereld te verzetten in haar manieren en leuzen, tegen het vlees, in zijn vervelingen en zijn hartstochten evenals tegen de duivel, in zijn bekoringen; zodat een persoon werkelijk toegewijd aan de Maagd Maria geenszins veranderlijk, verdrietig, angstvallig noch angstig is… Een ware toegewijde bemint haar en dient haar trouw in de afkeer en de dorheid evenals in de gevoelige zoetheden en godsvrucht; hij houdt evenzeer van haar op Golgotha als op de bruiloft van Kana.. Oh! Wat is zo’n devoot van de heilige Maagd aangenaam en kostbaar in de ogen van God en diens heilige Moeder!» (nrs 108, 110)

«Zij zijn niet bereid»

In 1937, schrijft Mgr. Riberi, de apostolische nuntius van de Afrikaanse missies, een brief aan de drieëndertig bisschoppen voor wie hij verantwoordelijk is om bij hen te pochen met het Legioen. Hij beveelt er Edel en haar actie aan. Deze drukt haar dankbaarheid uit voor dit gebaar, en maakt gebruik ervan om haar apostolaat uit te breiden en vormt het voornemen om zich te begeven naar Oeganda, land waar de voorouderlijke tradities nog veel moeilijker te overwinnen zijn dan in Kenia. Men vertelt haar dat de lieden niet klaar zij om het Evangelie te ontvangen. Bewust van de kortheid van het leven, van het hare in het bijzonder laat ze zich niet tegenhouden en slaagt erin in dat land veelvuldige vurige groepen te stichten tot grote blijdschap van de missionarissen die deze kostbare hulp op prijs stelden.

In 1938 is Edel door malaria aangetast. De geneesheren schrijven haar rust voor. Voor de eerste maal wordt deze chronisch ziekte erkend als overwonnen en zij neemt enkele weken tot kalmte, nochtans discreet blijvend over dat onderwerp in haar brieven naar Dublin om haar oversten niet te alarmeren. Niettegenstaande deze voorzorgsmaatregel bereikt hen de informatie, en ze nodigen haar uit te rusten in Ierland om haar gezondheid op te knappen. Zij wijst het aanbod met beleefdheid af. In 1939 wordt de oorlog verklaard en sommigen houden rekening met het ergste in Afrika.. Edel schrijft in haar privé-aantekeningen: «Welk onbegrensd vertrouwen moeten we in de goddelijke liefde hebben. We kunnen niet te veel beminnen. De zwakheid die Hij ons achterlaat mag ons niet beletten ons werk te doen… Wat mijn werk betreft, nu zal het beginnen werkelijk nuttig te zijn: de oorlog gaat verhinderen dat men nieuwe missionarissen zendt.»

In januari 1940, op verzoek van de aartsbisschop van Port-Louis, Mgr.. Leen, begeeft ze zich naar het eiland Mauritius spijt de tegenwoordigheid van Duitse duikboten en vlottende mijnen. In vijf maanden, dank zij de aanbevelingen va de prelaat en met hulp van de pastoors en de missionarissen sticht ze vijf groepen, tellend ongeveer driehonderd actieve legionairs en een centraal orgaan, daarna keert ze naar het Afrikaanse vasteland terug. Men kan verzekeren dat ze van het eiland Mauritius heeft gehouden en zich erdoor heeft bemind gemaakt, zoals in alle landen waar ze vertoefd heeft. P.. Margeot, geestelijke directeur van het Legioen voor het eiland, zal zeggen: «Juffrouw Quinn was een ziel van een verbluffende eenvoud.. Zij had een zeer grote inwendige éénheid verwezenlijkt en bleek volkomen overgegeven aan Gods wil..» Aan de aartsbisschop zal hij toevertrouwen dat hij graag, het ogenblik gekomen, zou willen getuigen op haar canonisatieproces. In Tanzanië, waar ze in september 1940 aankomt, zeer vermoeid door de reis langer gemaakt door het feit van de oorlog, zet ze zich onmiddellijk aan het werk. Niemand is bewust van de vermoeidheid die haar overweldigt, want ze beantwoordt alle verzoeken. Maar, in maart 1941, telegrafeert ze naar Dublin: « Aanval pleuritis. Heel zwak.. Gewicht: vierendertig kilo. Onmogelijk het werk voort ze zetten. Thans aanzienlijke rust noodzakelijk. Wacht de richtlijnen op.» Het antwoord komt aan: «Doet zoals u gelooft!». Een geneesheer vertelt haar dat na zoveel tijd doorgebracht te hebben in de tropen, het onontbeerlijk is dat ze zich begeeft naar een subtropisch gebied om haar gezondheid te herstellen; zij beslist naar Johannesburg in Zuid-Afrika te gaan. Voortaan bezoekt ze vooral de sanatoria en neemt een betrekkelijke rust in religieuze gemeenschappen. De eerste zes maanden blijft ze bedlegerig, maar bevordert haar geestelijk leven, in het bijzonder door de eucharistische godsvrucht. Ondanks de richtlijnen van Dublin zet ze haar omvangrijke briefwisseling voort. Zes maanden na haar aankomst treedt ze een ziekenhuis binnen in handen van zusters Dominicanessen, waar ze elke dag zal kunnen communiceren.. Haar goed humeur en haar vriendelijkheid doen haar bemind worden door allen. Niettegenstaande haar extreme magerheid, is ze buitengewoon levendig en vrolijk. In de herfst van 1942, met de toelating, bekomen van de geneesheren, keert ze terug naar Nairobi. De reis, door de oorlog ingewikkeld gemaakt, zal bijna drie maanden in beslag nemen. Zij verblijft in een klooster, maar hervat haar werk zoveel haar krachten het haar toelaten, de vergaderingen van groepen van Kenia bijwonend, en vele brieven schrijvend. Haar vrolijkheid slaagt erin haar toestand een beetje te verbergen.

Begin 1944 is zij opnieuw gedwongen tot volledige rust bij een gemeenschap van Ierse zusters. Zij gaat door met het maken van plannen voor uitbreiding voor de toekomst die anderen zullen verwezenlijken. Haar laatste reis laat haar toe een beetje meer dan een maand te blijven in Kisumu aan het Victoriameer op achttien uren van reis per trein. Meer dood dan levend teruggekeerd, hervat ze op 11 april het werk in Nairobi. Spijt de verergering van haar toestand weigert ze de geneesheer te laten roepen: «Ik wil geen ophef maken!» Haar laatste verslag naar Dublin, gepost op 4 mei, zal pas na haar dood aankomen. «Ten overstaan van Maria, de houding van een kind jegens zijn moeder hebben. Vertrouwen hebben dat ze zal doen wat het beste is», had ze ooit geschreven. In dergelijke gesteldheid ontvangt ze de laatste sacramenten, voldoende bij bewustzijn om zich innerlijk aan te sluiten bij gebeden. Na acht jaar werk in Afrika sterft Edel Quinn te Nairobi in het klooster van de zusters van het Kostbaar Bloed, de Heilige Naam van Jezus lispelend, 12 mei 1944, zevenendertig jaar oud.

Gelukkig, duizend keren gelukkig!

De ziel van de ware devoot van Maria, schrijft de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort, «neemt haar toevlucht tot haar in alle noden van lichaam en geest, met veel eenvoud, vertrouwen en tederheid; ze smeekt de hulp af van haar goede Moeder in haar twijfels om opgericht te worden; in haar bekoringen om ondersteund te worden; in haar zwakheden om versterkt te worden; in haar valpartijen om weer rechtgezet te worden; in haar ontmoedigingen om aangemoedigd te worden; in haar scrupules om ervan afgehouden te worden; in haar kruisen, werkzaamheden en grillen van het leven om getroost te worden… Gelukkig dus en duizend maal gelukkig de christenen, die nu zich trouw en geheel aan Maria vasthechten zoals aan een stevig anker. De gevolgen van de storm van deze wereld zullen hen niet doen ondergaan, noch hun hemelse schatten doen verliezen. Gelukkig zijn de mannen en de vrouwen die binnengaan in hemel zoals in Noahs ark! De wateren van de stortvloed van de zonden die zovelen overspoelen, zullen hen geenszins beschadigen, want: Qui operantur in me non peccabunt: Degenen die in mij zijn om te werken aan hun heil zullen niet zondigen, zegt zij samen met de Wijsheid (Si 24,30)» (Ibid. nr.. 175).

Vragen we de eerbiedwaardige Edel Quinn voor ons de genade te verkrijgen in het Hart van de Maagd MARIA, Moeder van de Kerk, een grote bezorgdheid voor de eeuwige bestemming van de mensen van onze tijd, vrijgekocht door het Bloed van haar Zoon!

Zalige Maria Laura Mainetti

Zalige Anna van Sint Bartholomeus

Heilige Philippine Duchesne

Zalige Nicolas Sténon