San Manuel Gonzalez Garcia

3 Juli 2024

H. Manuel Gonzalez Garcia

Dierbare Vrienden,

«Ik vraag te worden begraven naast een tabernakel opdat mijn beenderen, na mijn dood, zoals mijn tong en mijn pen toen ik nog leefde, voortgaan met tegen iedereen die hier voorbijkomt te zeggen: hier is Jezus! Hij is hier! Laat Hem niet in de steek!» Dit grafschrift is opgesteld door Manuel González om op zijn graf te prijken, in de kapel van het Heilig Sacrament van de kathedraal van Palencia (Spanje). Hij die “de Bisschop van de Eucharistie” of “de Bisschop van de verwaarloosde tabernakels” werd genoemd is heiligverklaard door Paus Franciscus op 16 oktober 2016..

H. Manuel Gonzalez Garcia Manuel González García is geboren op 25 februari 1877 in Sevilla (Spanje), in een nederig en vroom gezin. Zijn vader, Martin González Lara, afkomstig uit Málaga, heeft zojuist een timmermans- en meubelmakers werkplaats geopend, terwijl zijn moeder, Antonia Garcia zich ontfermt over het gezin en de kinderen. Manuel is het vierde van vijf kinderen. Hij ontvangt drie dagen na zijn geboorte het Doopsel. Antonia besteedt veel aandacht aan de zorg voor haar kinderen en boezemt hun in het bijzonder een liefdevolle devotie in voor de Heilige Maagd. Manuel krijgt het lager onderwijs op bijzondere scholen. Vervolgens gaat hij naar het Collegio San Miguel de Sevilla, waar de misdienaars voor de kathedraal worden opgeleid. Voor zijn tiende wordt hij een van de zes “officiële” misdienaars in de kathedraal van Sevilla, een groep koorknapen die, volgens een eeuwenoude traditie die eigen is aan deze stad, dansen en zingen voor het Allerheiligste tijdens de vieringen van Sacramentsdag en Maria Onbevlekte Ontvangenis.

Op elfjarige leeftijd doet Manuel zijn Eerste Communie, en voortaan zal hij trouw zijn aan de veelvuldige Communie. Korte tijd later ontvangt hij het Vormsel uit de handen van de kardinaal aartsbisschop van Sevilla.. Als leerling op het klein seminarie op twaalfjarige leeftijd, wil hij al priester worden en schrijft: «Werd ik duizend maal geboren, zou ik duizend maal priester willen worden.» De jonge jongen went snel aan het pensionaat en behaalt uitstekende resultaten in alle vakken. Opgewekt van nature, is Manuel de gangmaker tijdens de recreaties en de communautaire uitstapjes. Hij moet ook nachtelijke rondes doen in de gebouwen uit voorzorg tegen indringers en om te controleren of de deuren en vensters goed gesloten zijn; dat houdt in dat hij lange lege gangen moet doorlopen met een flakkerende lantaarn in de hand. Manuel zal later toegeven dat hij deze dienst bijzonder vervelend vond, maar destijds heeft hij er zich nooit over beklaagd. Hij gaat ook vaak naar het oratorium van de Salesianen en houdt er een grote genegenheid voor de zonen van Don Bosco en hun devotie voor de Maagd Maria Auxiliatrix aan over.

In 1894 vergezelt Manuel de nationale arbeidersbedevaart naar Rome met een groep uit Sevilla ter gelegenheid van het bisschoppelijk jubileum van Paus LeoXIII. Ter voorbereiding op de reis heeft hij Italiaans geleerd, hetgeen hem in staat stelt heel wat diensten te bewijzen. De Heilige Vader, wiens uitgemergelde gezicht diepe indruk maakt op de jongeman, viert de Mis voor de bedevaart. Terug in Sevilla, werkt Manuel met zijn professor dogmatische theologie mee aan de katholieke krant “De koerier van Andalusië” waarvan de stichter, Marcel Spinola, toekomstig kardinaal, zaligverklaard wordt in 1987 door heilige Paus Johannes Paulus II. Manuel ondertekent zijn artikelen met het pseudoniem “Gonzalo de Sevilla”. Aan het einde van zijn studies behaalt hij het doctoraat in de theologie en ontvangt de priesterwijding op 21 september 1901, op vierentwintigjarige leeftijd; hij vertrouwt zich toe aan de voorspraak van Maria Auxiliatrix. Dankzij de gulle gaven van welgestelde Sevilliaanse families, kan hij het bedrag bijeenbrengen dat nodig is om de militaire dienstplicht te ontlopen.. In het eerste jaar van zijn priesterschap studeert de jonge priester canoniek recht, waarin hij het licentiaat behaalt, en is belast met de taak van aalmoezenier in een huis voor ouden van dagen dat wordt gedreven door nonnen. Hij is zeer actief en, naast zijn studies, preekt hij naar hartenlust in de parochies van Sevilla evenals op het platteland.

Begin 1902 zendt de aartsbisschop van Sevilla hem uit naar Palomares del Rio ter prediking van een missie; daar treft hij een meer dan verwaarloosde kerk aan: stof en smerigheid, spinnenwebben tot in het tabernakel en altaar-lakens in slechte staat. Hij zal er aldus verslag van doen: «Ik ben recht op het tabernakel afgestapt… en wat voor tabernakel, mijn God! Wat een beproeving voor mijn geloof en mijn moed om niet meteen naar huis te vluchten! Maar ik ben niet gevlucht. Daar, neergeknield… heeft mijn geloof een Jezus gezien, zo vredig, zo geduldig, zo goed en die me aankeek… die me veel zei en nog meer vroeg, een blik waarin alles werd weerspiegeld wat triest was in het Evangelie… De blik van Jezus Christus in zijn tabernakels is een blik die de ziel doorboort en nooit meer vergeten kan worden. Het is voor mij een startpunt geworden om mijn hele priesterschap te bezien, te begrijpen en aan den lijve te ervaren». De genade die hij dan ontvangt stimuleert hem en richt hem op de eucharistische werken.

Het christelijk leven een nieuwe impuls geven

In 1905 wordt hij benoemd als pastoor van de voornaamste parochie, San Pedro de Huelva en ontvangt in hetzelfde jaar de functies van aartspriester, verantwoordelijke van een geheel van parochies(decanaat genoemd). Hij wordt geconfronteerd met een houding van godsdienstige onverschilligheid bij velen, maar met zijn liefde en vindingrijkheid neemt hij de initiatieven die het christelijk leven de juiste impulsen geven. Zo organiseert hij novenen die echte retraites worden voor de parochianen. In 1906, tijdens een bijeenkomst van de geestelijkheid, religieuzes en leken, bereikt hij dat allen zich willen inzetten voor de verdediging van Maria Hemelvaart, aldus vooruitlopend op de verkondiging van het dogma van Pius XII in 1950.. Hij laat ook lezingen geven voor een beter begrip van het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis. Nieuwe broederschappen zien het licht waaronder broederschappen gewijd aan Heilige Jozef en aan de Heilige Maagd. In 1906, geïnspireerd door zijn werk voor “De koerier van Andalusië”, richt hij het tijdschrift “De kleine zaadkorrel” op dat is bedoeld als tegenwicht tegen de invloed van de plaatselijke antiklerikale verenigingen. In die tijd publiceert hij het eerste van zijn talrijke boeken: “Wat een priester vandaag kan”, waar alom naar verwezen wordt.

Nadat hij heeft opgemerkt hoeveel kinderen op straat rondhangen, opent hij in 1908 de scholen van het Heilig Hart van Jezus, voor jongens en voor meisjes. Een van zijn medewerkers op wie hij kan steunen is Meester Siurrot, een advocaat die afziet van een briljante loopbaan om te gaan lesgeven in de eerste klassen van de lagere school. Om het schoolleven beter te organiseren aarzelt de pastoor niet soortgelijke instellingen te bezoeken in Granada en Sevilla. Hetzelfde jaar vestigt hij in een buitenwijk van de stad een school en een kapel, met de hulp van een groep vrouwen. Zijn werken worden opgemerkt en leiden tot de vraag een lezing te organiseren in het kader van de IIIe Sociale Weken van Spanje, die werden gehouden in Sevilla in 1910.

Op 4 maart 1910 maakt hij een groep volgelingen die aan zijn apostolische activiteiten meewerken deelgenoot van zijn hartenwens: «Sta mij toe, mij die zo vaak de steun inroep van uw naastenliefde ten gunste van arme kinderen en alle verwaarloosde armen, vandaag uw aandacht te vestigen op en uw medewerking te vragen voor de meeste verwaarloosde van alle armen: het Heilig Sacrament.. Ik vraag jullie om een aalmoes van genegenheid voor Jezus Christus in het Heilig Sacrament… Ik vraag jullie voor de liefde tot Maria Onbevlekt Ontvangen en de liefde voor dat Hart, die zo weinig wordt gedeeld, Maria’s te worden van deze verwaarloosde tabernakels». Zo ontstaat het Werk voor de Calvarie Tabernakels, welke een vrouwelijke tak omvat, de “Maria’s voor de Tabernakels”, benaming die refereert aan de “drie Maria’s” die Jezus vergezelden op de berg van Golgotha (Zo stonden bij Jezus’ kruis zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena… Joh. 19,25), vervolgens een mannelijke tak, de “Leerlingen van heilige Johannes”. De bedoeling is een antwoord van herstellende liefde te geven op de liefde van Christus in de Eucharistie. Het eerste doel van het werk is het bezoeken en onderhouden van de tabernakels, maar ook van de heiligdommen van de kerken met het oog op de eucharistische eredienst. In 1912 komt Manuel met de “Juanitos” en “Juanitas” voor het eucharistisch herstel door kinderen.

Een zeer kostbare aanwezigheid

«De aanbidding van de Eucharistie buiten de Mis is van onschatbare waarde voor het leven van de Kerk. Deze aanbidding is nauw verbonden met de viering van het eucharistisch Offer. De tegenwoordigheid van Christus onder de heilige gedaanten die na de Mis bewaard worden – aanwezigheid die zolang voortduurt als de gedaanten van brood en wijn intact zijn, – komt voort uit de viering van het Offer en is gericht op de sacramentele als ook de geestelijke communie. Het is de taak van de Herders ook met hun persoonlijke getuigenis ertoe aan te moedigen om de eucharistische aanbidding, in het bijzonder de uitstelling van het Allerheiligste Sacrament, alsook de aanbidding voor Christus aanwezig onder de eucharistische gedaante, te koesteren.

Het is mooi om bij Hem te zijn, om dicht aan zijn borst te liggen als zijn geliefde leerling.. (cf. Joh. 13,25), en om de oneindige liefde te voelen van zijn hart. Als het Christendom zich in onze tijd moet onderscheiden, met name in de kunst van het bidden, hoe zou men dan geen nieuwe behoefte kunnen voelen om lang te blijven in geestelijk gesprek, in stille aanbidding, in een houding van liefde, vóór Christus die aanwezig is in het Allerheiligst Sacrament? Hoe dikwijls, dierbare broeders en zusters, heb ik dit ervaren, en heb ik hierin kracht, troost en steun gevonden!

Talrijke heiligen hebben ons het voorbeeld van deze praktijk gegeven, dat herhaaldelijk is geprezen en aanbevolen door het Leergezag.» (EncycliekEcclesia de Eucharistia, nr. 25).

Ontstaan in Huelva, zal het Werk van de Tabernakels zich uitbreiden over heel Spanje, Portugal en België. Vervolgens zal de Atlantische Oceaan worden overgestoken: Cuba, in 1913, Argentinië, Venezuela, Mexico, enz. De snelle verspreiding van het Werk brengt Manuel González ertoe de Paus om diens goedkeuring te vragen. Hij gaat naar Rome eind 1912 en op 28 november wordt hij in audiëntie ontvangen door Zijne Heiligheid Pius X aan wie hij wordt voorgesteld als “de apostel van de Eucharistie”. Heilige Pius X geeft blijk van grote belangstelling voor al zijn apostolisch werk en zegent het Werk. In december 1915 benoemt Paus Benedictus XV Mgr. González tot hulpbisschop van Málaga; op 16 januari daaropvolgend ontvangt deze de bisschopswijding in de kathedraal van Sevilla, uit handen van kardinaal Almaraz y Santos. Weldra start hij met het apostolisch bezoek aan het diocees Málaga, hetgeen de oude bisschop niet meer bij machte is te volbrengen. Acht maanden lang wijdt hij zich zeer gewetensvol aan deze taak. In januari 1918 sticht Mgr. González de “Eucharistische diocesane Missionarissen”, in het verlengstuk van de “Leerlingen van Heilige Johannes”, die zelf al een broedplaats voor roepingen zullen worden. Op 1 februari overhandigt hij hun een herderlijke instructie over hun doelen, hun middelen en hun actieradius. Ze zullen van parochie naar parochie gaan, om te preken en biecht te horen

Op 22 maart 1920 benoemt Paus Benedictus XV Mgr.González tot titulair bisschop van Málaga. De prelaat besluit deze gebeurtenis te vieren met een banket voor arme kinderen, meer dan voor de autoriteiten. Drieduizend kinderen worden aldus ontvangen en bediend door priesters en seminaristen. Vervolgens organiseert hij als eerste daad in zijn bisschoppelijke waardigheid een processie voor de Heilige Maagd van Victoria, patroonheilige van Málaga. Het is een afbeelding van de Heilige Maagd, zittend, met haar Goddelijk Kind op de knieën, uitgevoerd ter herinnering aan de bevrijding van de stad van de Moorse overheersing, in de XVe eeuw. De bisschop zal zich iedere zaterdag naar haar heiligdom begeven. Hij zet zich spoedig in voor de heropleving van de scholen en het catechismusonderricht in de parochies. De straatprediking die hij beoefent door te praten met iedereen die hij tegenkomt brengt hem het besef bij dat de grootste nood de nood aan priesters is.

De Eucharistie, hoeksteen

Met een eindeloos vertrouwen op het Heilig Hart van Jezus begint hij tussen 1920 en 1924 met de bouw van een nieuw seminarie. Hij wil een «substantieel eucharistisch seminarie vestigen, waarin de Eucharistievanuit pedagogisch oogpunt, de efficiëntste stimulansen wetenschappelijk gezien de eerste leermeester en het eerste leervak is; voor de discipline, de waakzaamste toezichthouder; voor het ascetisch leven het levendigste voorbeeld; economisch gezien de grote voorzienigheid; en in de architectuur de hoeksteen». Het seminarie wordt opgedragen aan het Eucharistisch Hart van Jezus en krijgt als voornaamste middelpunt het tabernakel. De bisschop wenst dat het zo licht en functioneel mogelijk wordt ontworpen, meer als een dorp dan als een grote instelling. Daarvoor zoekt hij een mooie plek hoog achter de bisschopsstad. Het geld wordt niet gemakkelijk bij elkaar gebracht. Het aandeel van het volk in de bouw van het seminarie is echter aanzienlijk en omvat gaven in natura, zoals stenen. Op de bouwplaats melden zich vrijwilligers waaronder seminaristen die in de vakanties werken als metselaars en timmerlieden. De prelaat zorgt overal heel goed voor, zelfs voor de watervoorziening.

Het onderscheiden van waarachtige roepingen, in een context waarin het aantal seminaristen daalt en de geestelijkheid alleen maar ouder wordt, vormt een van zijn prioriteiten. Hij wenst ze een menselijke, spirituele en intellectuele vorming aan te bieden, maar het liefste wil hij dat ze apostelen worden. De leraren worden met zorg uitgekozen, al naar gelang hun vroomheid en kennis. Jonge priesters worden ter afronding van hun opleiding naar pauselijke academies in Rome en Comillas in Castilië gestuurd. Zijn priesters, evenals de leden van zijn verscheidene stichtingen stelt de bisschop als weg naar de heiligheid voor «hostie te worden in vereniging met de gewijde Hostie», hetgeen betekent «zich aan God geven ten gunste van de naaste en wel op de meest absolute en onherroepelijke wijze». Voor Mgr. González zijn de eredienst voor het Heilig Hart en die voor de Eucharistie met elkaar verbonden. Hij stelt alles in het werk om die te ontwikkelen. Hij neemt de uitdrukking «het Hart van Jezus is Sacrament» over en maakt er het thema van zijn eerste pastorale brief aan zijn diocees van. In navolging van heilige Theresia van Avila zegt hij: «Mijn Jezus wordt niet bemind omdat mijn Jezus niet gekend is» en voegt eraan toe «en niet wordt ontvangen in de Eucharistie».

Evangeliseren door middel

van de Eucharistie

De bisschop heeft geconstateerd in welke staat van verval heel wat kerken in zijn diocees zich bevinden en hoe arm talloze priesters zijn en hoe gebrekkig de plechtige viering van de erediensten zijn. De soevereine voortreffelijkheid van God, oorsprong en uiteindelijke bestemming van de mens en de hele schepping, vraagt erom gevierd te worden met een eredienst. De Kerk heeft dan ook altijd bijzonder veel aandacht geschonken aan de ornamentiek van haar gebedshuizen ten einde de Heer te prijzen aan wie ze onderdak verlenen, verborgen in de Heilige Eucharistie. De eersten die van deze schoonheid profiteren zijn de armen. Om het euvel dat hij vaststelt te verhelpen doet Mgr. González zijn best de parochianen opnieuw te richten op de goddelijke Liefde, te beginnen met het bijeenbrengen van een kleine groep toegewijde zielen die gaan werken als de gist in het deeg. Sommige “Maria’s van de Tabernakels” wensen hun hele leven te wijden aan de zorg voor Jezus in de Eucharistie. Omdat ze ervaren hebben hoezeer Jezus hen lief heeft, willen ze er met hun leven van getuigen. In samenwerking met zijn zus Maria Antonia, brengt Mgr. González deze groep vrouwen bijeen in een communauteit, op 3 mei 1921; dat zijn de eerste “Maria’s Nazarenas” die later de congregatie “Eucharistische Missionarissen van Nazareth” zullen worden. Zij worden eucharistische vrouwen genoemd, dat wil zeggen: uitgezonden ter evangelisatie door middel van de Eucharistie, zoals de Heilige Familie van Nazareth, in alle eenvoud, broederlijk, geheel aan gebed gewijd, blij, dankbaar en toegewijd.

Dankzij het werk van de priesters in zijn diocees en in de naburige diocesen hervinden vele zielen het leven van de genade. De bewegingen die door Mgr. González zijn opgericht leveren een groot aantal eucharistische aanbidders op, die vol ijver tabernakels bezoeken en aanbiddingen van het Allerheiligst Sacrament organiseren. De prelaat heeft een uitgesproken voorkeur voor de nachtelijke aanbidding door mannen en op een dag roept hij uit: «Ik wil de vastberaden medewerking van moedige mannen!» In zijn bisschopsstad zijn in feite genoeg aanbidders om een altijddurende aanbidding te organiseren.. De bisschop ontwikkelt ook het Werk van de Tabernakels en de Calvaries en organiseert bijeenkomsten per decanaat en per diocees. Het mosterdzaadje dat is geplant in de parochie van San Pedro de Huelva ontwikkelt zich tot een boom van een aanzienlijke afmeting. Op een eucharistisch congres in Toledo kan men duizenden “Leerlingen van heilige Johannes” aantreffen en drieduizend “Maria’s van de Tabernakels”. Deze werken actief mee en maken zich zeer nuttig in de organisatie van de missies.

Als een herrijzenis

Maar de revolutie verspreidt zich dan in Spanje. In april 1931 wordt de Republiek uitgeroepen. Op 11 en 12 mei steken antiklerikale groepen talloze religieuze gebouwen in Málaga in brand. In de nacht van de 11e neemt een groep het bisschoppelijk paleis onder handen en steekt het in brand. De bisschop en de andere mensen die er wonen slagen erin alle hosties in het tabernakel te nuttigen en te ontkomen. Zij verbergen zich in het huis van een priester. Het gebouw waarin het bisschoppelijk paleis is gevestigd wordt verwoest, met de archieven en de kunstschatten die het bevatte. De prelaat ziet zich genoodzaakt de stad te verlaten; hij gaat naar Gibraltar waar de Engelse bisschop van het diocees hem verwelkomt. «Heer Jezus, vergeef ons en vergeef uw volk! Heb medelijden met ons die hebben gezondigd en aanvaard het offer van ons leven voor uw Koningschap in Spanje, speciaal voor het diocees! Onbevlekte Moeder, red onze zielen, neem ons bij de hand!» Dan begint voor hem een periode van ronddolen waarin hij kort verblijft op verschillende plekken in de periferie van zijn diocees, en legt in Rome een ad limina bezoek af tijdens hetwelk hij constateert dat de Paus met belangstelling en grote ongerustheid de ontwikkeling van de situatie in Spanje volgt. Tijdens een ontmoeting met de nuntius licht deze hem in over de situatie in Málaga en raadt hem aan niet terug te keren, maar zijn diocees vanuit Madrid te besturen. Daar wordt de bisschop ondergebracht bij een adellijke familie die in haar woning een kapel heeft met het Heilig Sacrament.

Op 5 augustus 1935 benoemt Pius XI Mgr. González tot bisschop van Palencia, een stad die meer dan tweehonderd kilometer ten noorden van Madrid is gelegen. Hij neemt dan afscheid van Málaga door middel van een brief aan de geestelijkheid en een andere aan het seminarie, en komt dan op 12 oktober, op de feestdag van de Maagd van de Zuil van Zaragoza, in Palencia. De ontvangst is hartelijk. Na de verbanning uit Málaga en zijn kruisweg als banneling ervaart hij zijn aankomst in Palencia als een herrijzenis. Zijn eerste bezoek is dat aan het seminarie, gewijd aan heilige Jozef. Hij bezoekt alle parochies van het diocees dat hij van noord naar zuid, van oost naar west doorkruist.Hij besteedt bijzonder veel zorg aan het onderzoeken van de staat waarin de kerken verkeren en vooral de tabernakels. Overal beveelt hij de eucharistische eredienst en de catechismus aan. Hij laat leden van zijn Eucharistische Werken naar Madrid komen om onderafdelingen op te richten in het diocees. Op 1 januari 1937 richt hij een laatste tijdschrift op, Reina, voor kinderen.; vervolgens sticht hij in 1939 de “Herstellende Eucharistie Jeugd” op, ten gevolge van de Spaanse Burgeroorlog die was gekenmerkt door vele gevallen van schennis van het Allerheiligst Sacrament in de zone die werd gecontroleerd door de Republikeinen, en in de context van de ontbrande Tweede Wereldoorlog. Hij verklaart onomwonden dat oorlogen de straf voor de zonden zijn. De nieuwe beweging heeft tot doel het land voor deze plaag te behoeden, door middel van gebeden en vrijwillige offers van kinderen, naar het voorbeeld van de drie herdertjes die Onze-Lieve-Vrouw hebben gezien in Fatima in 1917.

Mgr. González voelt de dood naderen.. Zijn verlangen naar de Hemel neemt toe. Hij heeft zijn hele leven hoofdpijnen geleden, maar nu worden ze nog erger. Hij keert zeer ziek terug van een bedevaart naar Onze-Lieve-Vrouw van de Zuil. Hij wordt op 31 december 1939 in het sanatorium van de Rozenkrans in Madrid opgenomen, waar hij in vrede en berusting zijn lijden ondergaat. De 4e januari daaropvolgend, zeer vroeg in de ochtend, ontvangt hij de Communie voor de laatste keer. De nuntius bezoekt hem, maar hij kan hem slechts antwoorden met een glimlach. Zijn broer komt op bezoek en stopt hem een Maagd van de Vreugde, van de parochie waar hij is gedoopt in Sevilla, in de handen; hij herkent haar, en sluimert weg in de dood.

«Manuel González is een toonbeeld van geloof in de Eucharistie, wiens voorbeeld de Kerk van vandaag blijft aanspreken», zei Paus Johannes Paulus II in de preek bij de zaligverklaring (29 april 2001). Laten we deze heilige navolgen in zijn nooit aflatende verbinding met de Heer in het Heilig Sacrament waaruit wij alle genaden zullen putten die wij nodig hebben om daar te komen waar de engelen en de heiligen Hem zien van aangezicht tot aangezicht (1 Cor. 13,12).

ohn Bradburne

Eerbiedwaardige Claire de Soria

Kapitein Auguste Marceau

H. Philippe Smaldone