Santa Philippine Duchesne

18 Juni 2025

Heilige Philippine Duchesne

Dierbare Vrienden,

«Vandaag wordt de oproep tot bekering die de missionarissen aan niet-christenen richten in vraag gesteld of verzwegen. Men ziet er een daad van “proselitisme” in; men zegt dat het volstaat de mensen te helpen om meer mens te zijn of trouwer aan hun godsdienst, dat het volstaat gemeenschappen te stichten die voor rechtvaardigheid, vrijheid, vrede en solidariteit kunnen werken. Doch men vergeet dat iedere persoon het recht heeft de Blijde Boodschap te horen van God die zich kenbaar maakt en zich in Christus geeft, om zijn roeping ten volle te verwezenlijken». Dit schreef de heilige Paus Johannes Paulus II in nr. 46 van zijn Encycliek Redemptoris missio van 7 december 1990. Door Rose-Philippine Duchesne op 3 juli 1988 heilig te verklaren, stelt dezelfde paus een voorbeeld van missionaire ijver. Deze heilige kloosterzuster heeft in de 19e eeuw namelijk bijgedragen tot de zending van de Kerk in Noord-Amerika.

Heilige Philippine DuchesneRose-Philippine Duchesne is op 29 augustus 1769 in Grenoble geboren. Zij is de dochter van Pierre-François Duchesne, advocaat in het parlement van de Dauphiné en van Rose-Euphrasine Perier. Door haar moeder behoort zij tot een zeer welgestelde familie. Bij haar doopsel wordt het kind onder de bescherming geplaatst van de heilige Rosa van Lima, de eerste heilige van de Amerika’s en van de heilige apostel Filippus. Vanaf haar kindertijd geeft het meisje blijk van de onbuigzaamheid en koppigheid eigen aan de Duchesne. Zij blijft zich inspannen om haar karakter te versoepelen en kan zich in elk geval vergeten om zich aan anderen te wijden. «Het is mijn grootste genoegen goed te doen!», zegt zij. Gegrepen door wat groot en edelmoedig is, voelt zij veel voor de missies: «Ik kreeg waardering voor het leven van missionarissen door gesprekken met een goede pater jezuïet die op missie geweest was in Louisiana… Ik was amper acht of tien jaar en prees de missionarissen toen al gelukkig».

Philippine wordt op internaat geplaatst bij de Zusters van de Visitatie, een monastieke orde in 1610 gesticht door de heilige Franciscus van Sales en de heilige Jeanne de Chantal. Het zijn slotzusters, maar hebben toch scholen voor meisjes. Eén van die scholen, Sainte-Marie-d’en-Haut, bevindt zich in Grenoble. Het geloof schoot toen diep wortel in de ziel van Philippine en de vreze Gods brengt haar ertoe alles te vermijden wat Gods blik zou kunnen beledigen. De liefde voor het Hart van Jezus wordt in haar ziel geprent. De vele schilderijen en inscripties in het klooster spreken van dit sterk woord van de heilige Franciscus van Sales: «In de heilige Kerk van God behoort alles toe aan de liefde, is alles op de liefde gefundeerd, mondt alles in de liefde uit en is alles liefde. God die de mens naar Zijn beeld geschapen heeft, wil dat in de mens alles door de liefde en voor de liefde geordend is zoals in Hemzelf».

Eens twaalf jaar doet het kind haar eerste Communie. Zij bemerkt dan de roep om zich helemaal aan Jezus te geven door een religieus leven en grote vurigheid. «Vanaf toen, vertelt haar zus, zag zij de wereld nog slechts als een ballingsoord; alleen het religieus leven leek aan het verlangen van haar ziel te kunnen beantwoorden» Wanneer de ouders dit verlangen van hun dochter vernemen, halen zij haar bij de zusters weg en laten haar kennis maken met het leven in de wereld. Doch te midden van concerten en dans, waarbij Philippine zich op haar gemak voelt, denkt zij aan de verwezenlijking van haar roeping.. Thuis zorgt zij voor de bedelaars die aankloppen en zet zij haar studies voort. Zij legt zich vooral toe op Latijn om de Heilige Schrift beter te begrijpen. Op haar zeventiende wordt haar een goede huwelijkskandidaat voorgesteld, doch zij wijst hem af. Zij zegt de wereld vaarwel en een jaar later, in 1787, gaat Philippine binnen in het klooster van de Visitatie, tegen de wil van haar ouders in. Door haar verlangen om ooit opvoedster van internen te zijn, verkiest zij de Visitatie boven de Karmel waar zij nochtans veel van houdt. Zij sticht de zusters door haar onvoorwaardelijke liefde voor Jezus en levendige naastenliefde. Met de toestemming van haar oversten waakt zij na een goed gevulde dag biddend tot diep in de nacht. Als haar noviciaat ten einde loopt, krijgt zij van haar vader geen toestemming om haar geloften af te leggen. Hij wil dat zij tot haar vijfentwintigste wacht, maar laat wel toe dat zij in het klooster blijft. Een voorzichtige priester raadt haar aan zich daaraan te onderwerpen.

In 1789 barst in Frankrijk de revolutie uit. In 1791 worden de visitandinen van Grenoble uit hun klooster verdreven en wordt hun klooster gesloten. Philippine trekt terug in bij haar familie, op een landgoed van de Duchesne in de Drôme. Zij ontfermt zich over gevangenen en priesters die de eed op de Grondwet weigeren af te leggen. Op het einde van de revolutionaire omwenteling, in 1801, wordt Philippine gevraagd om de zorg op zich te nemen van verlaten kinderen of weeskinderen. Zij huurt daarvoor het voormalig klooster van Sainte-Marie-d’en-Haut, waar zij zich vestigt met enkele kinderen en nodigt de uitgedreven zusters visitandinen uit daar terug te keren. Enkele oude zusters komen terug, maar het blijkt onmogelijk het religieus leven weer op te nemen. Als zij dan hoort spreken over Madeleine-Sophie Barat (1779-1865) die in 1802 in Amiens de Dames van het Heilig Hart komt te stichten, stelt zij zich met haar huis ter beschikking. Mevr. Barat aanvaardt het en begeeft zich in 1804 met drie van haar zusters op weg naar Sainte-Marie. Na een kort noviciaat legt Philippine Duchesne in 1805 haar eerste geloften af; zij is dan zesendertig jaar oud. Omdat de Sociëteit van het Heilig Hart aan onderwijs is gewijd, wordt het huis van Sainte-Marie tot internaat omgebouwd.

Een nacht op het nieuwe continent

In 1806 wordt Dom Augustin de Lestrange, abt van het cisterciënzerklooster van de Trappe, gevraagd om voor de gemeenschap te preken. De predikant is terug van een missie in Noord-Amerika. Onder de indruk van de manier waarop hij ze voor de geest haalt, voelt Philippine zich opnieuw geroepen om naar de missies te gaan. Tijdens de eucharistische nachtaanbidding op Witte Donderdag krijgt zij een bijzondere genade, die zij aan Moeder Barat toevertrouwt: «Ik was heel de nacht op het nieuw continent… Ik droeg mijn schat (het Heilig Sacrament) overal mee… Ik had ook veel werk met al de offers die ik aan te bieden had: een moeder, zusters, ouders, een berg… Wanneer u mij zou zeggen: “ik zend u naar ginder”, zou ik snel antwoorden: “ik vertrek”. Twaalf jaar lang neemt Moeder Sophie geduldig de tijd om van Philippine een voltooide missiezuster te maken. Zij bemoedigt haar zachtjes: «Waarom hebt u, die zoveel van de goede Franciscus van Sales houdt, zijn geest niet in u opgenomen toen ge in zijn leerschool waart? Hoe zachtmoedig was hij niet voor zichzelf en voor iedereen met wie hij te doen had!» Eind 1815, gaat Philippine naar Parijs voor een algemene vergadering van de Sociëteit. Zij wordt aangesteld als algemeen secretaris en men vertrouwt haar de opdracht toe in de rue des Postes een gemeenschap te stichten. In januari 1817, komt Mgr. Guillaume-Valentin Dubourg, eerste bisschop van Louisiana, op bezoek en vraagt zusters voor de opvoeding van meisjes in zijn bisdom (Louisiana was in die tijd een zeer uitgebreid gebied dat zich uitstrekte van de Grote Meren in Noord-Amerika tot aan de Golf van Mexico in het zuiden, langs de Mississippi, die langer is dan 3700 km). Philippine is bereid om te vertrekken.

Een zoete gedachte

Moeder Philippine, die tot overste werd benoemd van al de huizen die in Amerika zullen gesticht worden, begeeft zich in 1818 met vier zusters naar Bordeaux. Op 21 maart wordt het vertrek naar de Nieuwe Wereld voorbereid en na een letterlijk stormachtige reis van zeventig dagen meren zij op het feest van het Heilig Hart aan in New Orleans. Het eerste dat Moeder Duchesne doet is knielen en de aarde kussen, de ogen vol tranen. Dan volgen nog eens tweeënveertig dagen met een raderstoomboot op de Mississippi, en komen de vijf zusters tenslotte aan in Saint-Louis, een bescheiden gehucht van zesduizend inwoners. Het werd in 1764 door de Fransen gesticht en ligt ongeveer 1000 km noordelijker. Mgr. Dubourg ontvangt hen heel hartelijk. Daarna gaan zij naar Saint-Charles, enkele kilometers verder, één van de twee oudste steden ten westen van de Mississippi, en gesticht in 1765. Daar openen de zusters het eerste huis van de congregatie buiten Europa. Het is slechts een houten hut en de zusters zijn onderworpen aan alle gestrengheden van een pioniersleven: extreme koude, zwaar labeur, gebrek aan geld, de trage post tussen Amerika en Frankrijk. Moeder Philippine heeft bovendien veel moeite om Engels te leren. Het verblijf bestaat uit een kosteloos internaat en school voor arme meisjes.. Maar schaarste, honger en gebrek aan leerlingen verplichten de zusters het volgende jaar zowel het ene als het andere te sluiten. «Wij hadden de zoete gedachte om les te geven aan de volgzame en onschuldige meisjes van het land, maar luiheid en dronkenschap treffen de vrouwen evenals de mannen…», schrijft Moeder Philippine weemoedig.

De katholieke Kerk is in de Verenigde Staten geen bloeiende Kerk. De migranten zijn dikwijls avonturiers zonder zin voor moraal. De jezuïeten die in 1815 door Paus Pius VII opnieuw in ere waren hersteld, ontwikkelen zich aan een vlug tempo, maar beperken zich tot het oprichten van jongensscholen aan de Atlantische kust. Voor meisjes bestaan geen scholen. Het slavenstelsel is nog in voege en de zusters die deze menselijke instelling zelf niet kunnen afschaffen, stellen slaven te werk voor hun verschillende werkzaamheden. Nochtans zegt het Tweede Vaticaans Concilie: «Dit evangelie verkondigt en proclameert immers de vrijheid van de kinderen van God, verwerpt elke slavernij, tenslotte een uitvloeisel van de zonde, heeft een heilig ontzag voor de waardigheid van het geweten en zijn vrije beslissing, moedigt onophoudelijk de verveelvoudiging aan van alle menselijke talenten tot dienstbaarheid aan God en tot welzijn van de mensen en het beveelt allen aan in de liefde van allen» (Gaudium et spes, nr. 41).

Uitgenodigd door Mgr. Dubourg, steken Moeder Duchesne en haar zusters de stroom over en komen in volle winter aan in Florissant. Deze gemeente, waar Mississippi en Missouri samenstromen, gelijkt op een Frans dorp. De bisschop heeft hiervoor gekozen om dichter bij de Indiaanse stammen te zijn. De zusters krijgen een boerderij ter beschikking. Al spoedig dienen zich leerlingen aan. Tegen het kerstfeest van 1819 is er een kapel. Postulanten worden opgenomen in de gemeenschap en Moeder Philippine opent zonder te dralen een noviciaat. Zij verspreidt de eredienst tot het Heilig Hart en onder haar invloed wijdt de bisschop de kerk die hij in Florissant laat bouwen, toe aan het Heilig Hart. Moeder Sophie Barat had aan haar meisjes bij hun vertrek naar Amerika gezegd: «Als u in dat land niet meer zou doen dan één enkel altaar op te richten voor het Heilig Hart van Jezus, is dat voldoende voor uw eeuwig geluk!». Er doen zich bekeringen voor onder de Algonkijnen en Osages, maar de Irokezen staan er onder invloed van Engelse protestanten niet voor open.

Weerspannige leerlingen

In 1821 biedt een rijke weduwe een uitgestrekt terrein aan in Grand Coteau bij New Orleans. Moeder Philippine gaat erheen en richt een internaat in waar zeventien meisjes zich inschrijven. Door deze stichting kunnen meisjes uit welgestelde families van New Orleans worden opgenomen. De Moeder keert daarna terug naar Florissant waar het werk moeizaam verloopt omdat de leerlingen weerspannig zijn en weinig geneigd tot regelmaat. In 1823 komt een groep Belgische jezuïeten aan, onder wie pater De Smet, die Moeder Philippine zal beschouwen als «de grootste heilige van Missouri en ongetwijfeld van alle Amerikaanse staten». Onder leiding van pater Van Quickenborne geven deze paters een grote impuls aan de missie in Missouri. Mgr. Dubourg wint door zijn begeestering ook andere missiecongregaties, waaronder de lazaristen, die zich in dat gebied komen vestigen.

Al of niet in Jezus Christus geloven, is geen onverschillige zaak.. Wie de Heer niet kent, mist een essentiële waarheid. «Soms verliezen we het enthousiasme voor de zending, schrijft Paus Franciscus, en vergeten we dat het Evangelie een antwoord is op de diepste vraag van de mens» (Exhortatie Evangelii gaudium, 2013, nr. 265).

De heilige Paus Johannes Paulus II schrijft: «Vandaag bestaat… de verleiding om het christendom te reduceren tot een menselijke wijsheid, tot een soort wetenschap om goed te leven. In een sterk geseculariseerde wereld heeft een «geleidelijke secularisatie van het heil» plaatsgevonden, waarbij men wel voor de mens opkomt, maar voor een gehalveerde mens die gereduceerd is tot zijn horizontale dimensie. Wij weten daarentegen dat Jezus gekomen is om het integrale heil te brengen dat heel de mens en alle mensen omvat, en om hen open te stellen voor de wonderbare horizonten van het kindschap Gods… Iedere mens [heeft ] Jezus Christus nodig, die de dood en de zonde heeft overwonnen en de mensen met God heeft verzoend… De Kerk kan niet nalaten te verkondigen dat Jezus gekomen is om het gelaat van God te openbaren en om door het kruis en de verrijzenis het heil te verdienen voor alle mensen (Encycliek Redemptoris missio, nr. 11). Daarom komt de verkondiging van Christus door het levensgetuigenis en het woord iedere gelovige toe (cfr. Catechismus van de Katholieke Kerk, nrs 904-905). «Het is onmogelijk christen te zijn als men de wereld met haar ambitie omarmt en men niet vurig verlangt naar de dag dat Christus alle mensen zal verzamelen onder de aanroeping van Zijn Naam» (P. Lacordaire, 1802-1861, Lettre à un jeune homme, Brief aan een jongeman).

Priester Delacroix, pastoor in een parochie dichtbij New Orleans, doet in 1826 op Moeder Duchesne beroep om een stichting te doen in Saint-Michel, niet ver van de grote stad.. Deze stichting gebeurt in grote armoede en met een buitengewoon vertrouwen op de goddelijke Voorzienigheid. In 1827 neemt Moeder Philippine een vestiging over van de Dochters van het Kruis in Bayou-la-Fourche, niet ver van Saint-Michel, met de negen zusters en negen internen die het huis telt.

Pijnlijke eenzaamheid

In 1827 wordt eveneens een huis aangeboden, dit keer door de pastoor van Saint-Louis. Moeder Philippine opent er een weeshuis, een internaat en een school voor externen. Mgr. Dubourg is een grote steun voor de Moeder maar ondervindt al lang talloze moeilijkheden, hij is verzadigd van bitterheden en is het slachtoffer van verraad. Hij keert naar Frankrijk terug waar hij tot bisschop van Montauban wordt benoemd. Voor de Moeder is dit vertrek heel pijnlijk, het laat haar in diepe eenzaamheid achter: «Wij hebben vandaag geen andere ijverige vriend dan Jezus, schrijft zij, iedere andere steun verdwijnt en verwijdert zich van ons». In oktober 1828, komt de school van Saint-Charles, op vraag van de jezuïeten terug tot leven. Zes huizen zijn nu verspreid over de vallei van de Mississippi. Moeder Philippine wordt opnieuw overste van de huizen van de Congregatie van het Heilig Hart in Louisiana. Zij is zestig jaar en heeft een zwakke gezondheid. Bovendien denkt zij niet bekwaam te zijn. Zij schrijft in de lente van 1829 aan Moeder Barat: «Wat mij betreft, ik ben nog slechts een versleten stok, goed om zo vlug mogelijk weg te werpen… In mijn handen loopt alles verkeerd. Ik zie me als een oude leeuw die niet meer kan bewegen en die door alles uitgeput raakt».

In 1834 bevindt zij zich in Florissant. Haar verantwoordelijkheden beletten haar niet om dikwijls de nacht bij zieken door te brengen. Zij doet ook dagelijkse dingen zoals het verstellen van kleren, de zorg voor het hoenderhof en de tuin, maar laat hierbij de religieuze vorming niet achterwege. De kinderen zeggen: «Door haar werden de goddelijke waarheden levendig en werkelijkheid voor ons». Bovenal erkent zij de prioriteit van het goddelijk Officie. Van zodra zij de klok hoort die het Officie aankondigt, begeeft zij zich ingetogen naar de kapel. De liefde die zij voor haar Congregatie betoont, is innig. Tijdens de recreatie vertelt zij aan de jonge zusters over het begin van het Instituut en de werken van de heilige Moeder Madeleine-Sophie Barat in de heldhaftige tijden in Frankrijk.

In 1840 wordt voor de missies in Amerika een nieuwe algemene overste benoemd. Van iedere verantwoordelijkheid ontlast, keert Moeder Philippine terug naar Saint-Louis om zich meer aan het gebed te wijden. Het is de wens van pater De Smet dat zij in het gebied van de Boven-Mississippi met drie gezellinnen een stichting doet bij de Potawatomis, een inheems volk dat onder dwang naar het westen moest verhuizen en dat zich ten dele had bekeerd. In 1841 krijgt zij er toelating voor. Meerderen verzetten zich hiertegen omdat de gezondheid van Moeder Philippine achteruitgaat, maar de jezuïetenpater die de missie leidt, dringt erop aan: «Zij moet komen! Zij kan niet veel meer werken, maar haar gebed zal de missie doen welslagen. Haar aanwezigheid zal Gods genadigheid over ons werk aantrekken». Een honderdtal Indianen te paard verwelkomen de Moeder met enthousiasme. Zij vormen een erehaag voor haar tot aan het huis van de Missie Sainte-Marie in Sugar Creek, die de jezuïeten in maart 1839 gesticht hadden, met een school voor de Potawatomis en een landbouwbedrijf.

Heilige Indianen

«Daar zijn kleurlingen, zal Moeder Philippine schrijven, die heilig zijn. Er zijn ook heiligen onder de “wilden”. Men ziet in deze missie wat men elders volstrekt niet ziet, het geloof herinnert hier sterk aan de eerste tijd van de Kerk… Eens gedoopt, kennen de voormalige heidenen geen dronkenschap meer, noch diefstal, noch roverij… De Potawatomis komen ’s morgens bijeen voor het gezamenlijk gebed, de Mis en het onderricht, en ook voor het avondgebed.» De plaatselijke overste vermeldt dat de heilige Hostie twee keer uit de handen van de priester ontsnapte en zich vanzelf verplaatste naar de lippen van een arme vrouw. Moeder Duchesne bemerkt dat het christendom niet alleen de ziel van de inheemse bevolking transformeert, maar ook de trekken van hun fysionomie. Een indiaanse vrouw vertelde dat de godsdienst haar geleerd was door de Heilige Maagd zelf die zij dikwijls zag. De sublieme deugden van haar leven en dood bevestigen de oprechtheid van haar kinderlijk getuigenis. Een goede Indiaan had van zijn engelbewaarder heel het lijdensverhaal van Christus geleerd. Al spoedig verspreidt de devotie tot de Harten van Jezus en Maria zich over het volk van de Plathoofden. Maar andere stammen uit de buurt blijven nog overgeleverd aan de praktijk van het kannibalisme.

Na de eerste momenten van vreugde lijkt de evangelisatie moeilijk te worden. De Moeder verliest nochtans de moed niet en wegens haar lange uren van contemplatief gebed noemen de Indianen haar «de vrouw die altijd bidt». «Heer, Gij alleen bent het centrum waarin ik rust vind, zegt zij tot Jezus. Geef mij Uw arm om mij te ondersteunen, Uw schouders om mij te dragen, Uw borst om tegen te leunen, Uw Kruis om mij te dragen, Uw Lichaam om mij te voeden.. In U, Heer, slaap ik en rust ik in vrede.» Het lukt haar niet om zich in de Indiaanse taal uit te drukken: «Zij is moeilijk en gewoon barbaars. Eindeloze woorden van acht tot tien lettergrepen, helemaal geen woordenboek, geen grammatica, geen boek… Ik denk niet dat ik zo een taal kan leren!». Haar gezondheid kan het harde leven en het ijskoud klimaat niet langer aan en vanaf juli 1842 gaat zij terug naar Saint-Charles. Daar is haar gebedsapostolaat stichtend en bemoedigend voor haar zusters en de leerlingen. Zij krijgt in de Eucharistie grote genaden die naar buiten blijken. Op 18 november 1852 sterft zij tegen de middag in Saint-Charles terwijl zij de namen van Jezus, Maria en Jozef prevelt. Zij is drieëntachtig.

«De missieactiviteit vormt ook nu nog de grootste uitdaging voor de Kerk… Het wordt steeds duidelijker dat de volkeren die nog niet de eerste verkondiging van Christus ontvangen hebben de meerderheid van de mensheid vormen… Alle christengelovigen moeten het apostolisch verlangen om aan anderen de vreugde en het licht van het geloof over te dragen als een wezenlijk element van hun geloof ervaren. Dit verlangen moet om zo te zeggen honger en dorst worden om de Heer te doen kennen als de blik zich uitbreidt tot de onmetelijke horizonten van de niet-christelijke wereld» (Encycliek Redemptoris missio, nr. 40). Het voorbeeld en de voorspraak bij God van de heilige Rose-Philippine Duchesne zullen ons helpen om Christus te verkondigen daar waar de Heer ons geplaatst heeft.

Zalige Anna van Sint Bartholomeus

Eerbiedwaardige Edel Marie Quinn

Zalige Nicolas Sténon

Zalige Henri Suso