Capitano Auguste Marceau

7 Augustus 2024

Kapitein Auguste Marceau

Dierbare Vrienden,

Auguste François Marceau is geboren op 1 maart 1806 in Châteaudun (Eure et Loire). Zijn vader Nicolas-Séverin Marceau is sub-prefect van de stad, en zijn moeder, Marie-Thérèse de Carvoisin, is van oude adel. Het kind wordt twee maanden na zijn geboorte gedoopt, maar buiten het christelijk geloof opgevoed. Op achttienjarige leeftijd wordt hij toegelaten tot de Ecole Polytechnique waar hij het simonisme ontdekt. De leer van Claude-Henry de Saint-Simon (1760-1825), stelde voor de maatschappij om te vormen en de mens geluk te brengen dankzij de nijverheid, daar de economische ontwikkeling geacht werd samen te gaan met morele en intellectuele vooruitgang. Saint-Simon wilde het abstracte idee God vervangen door de “universele wet van de zwaartekracht” en een godsdienst van de wetenschap vestigen. Met de saint-simonisten ontwikkelt Auguste zijn belangstelling voor de maatschappelijke vraagstukken, maar vanuit een sektarisch en antiklerikaal oogpunt; zijn briljante intelligentie in samenspel met een sterk karakter vervult hem met trots. Hij wijdt zich aan diepgaande studies over de stoommachine en wordt er een specialist van. Nadat hij de Polytechnische Hogeschool heeft verlaten kiest hij, zonder zich in het bijzonder te interesseren voor de zee, de marine.

Kapitein Auguste Marceau In oktober 1826 scheept hij in op het korvet La Bayonnaise,voor een lange militaire cruise rond de wereld. In 1829 neemt hij deel aan de veldtocht van Madagaskar en redt een troep mariniers uit een hinderlaag, hetgeen hem op drieëntwintigjarige leeftijd een Légion d’honneur oplevert. In 1832 vertrekt hij op expeditie naar Noord-Afrika op de La Robure , stapt vervolgens over op de Sphynx , eerste stoomschip in volle zee, waarvan hij de werking verbetert. Hij neemt deel aan de wetenschappelijke expeditie die de obelisk van Luxor terugbrengt naar Parijs; deze wordt Frankrijk aangeboden door de onderkoning van Egypte en zal in 1836 in Parijs zijn plaats krijgen, op het Concorde plein. In 1835 neemt Auguste, als commandant op het escortevaartuig L’Africain deel aan de campagne van Senegal waar hij blij is de controle uit te oefenen over de techniek op zijn boot en het commando te hebben over zijn mannen. Maar hij wordt overvallen door de malaria en hij wordt bijna stervend gerepatrieerd naar Brest. Een vrome nicht neemt hem op in haar huis in Le Mans en geeft hem de beste verzorging. Op zijn nachtkastje legt ze een medaille van de Heilige Maagd en laat voor hem bidden door de broederschap van het Onbevlekte Hart van Maria, in hetzelfde jaar gesticht door eerwaarde Desgenettes, pastoor van Notre Dame des Victoires in Parijs. Zes maanden later is Auguste weer hersteld, dankzij de quinine en de toegewijde zorgen die hij mocht ontvangen.. Zijn nicht biedt hem de medaille van Maria aan maar die wordt onverschillig tussen zijn spullen gegooid..

Weldra wordt hem de stoomboot Le Minos, toevertrouwd die is belast met de bediening van de posten; hij verbetert de werking van de verwarmingsketels en dus van de snelheid van de boot. Dankzij zijn snelle reacties voorkomt hij een explosie op het schip die de onachtzaamheid van een matroos had kunnen veroorzaken. Hoewel veeleisend en punctueel in het werk en een uitstekende marineofficier, staat Marceau toch slecht aangeschreven vanwege een zekere arrogantie tegenover zijn meerderen, te meer daar hij veel competenter is dan het merendeel van zijn gesprekspartners wanneer het gaat over de machines die op stoom werken. Buiten de dienst zoekt hij afleiding in een mondain en losbandig leven waarbij godslasterlijke taal niet wordt geschuwd. Hij behoudt evenwel een zekere mate van fatsoen en een verlangen naar de waarheid.

In 1838 voegt hij zich bij het eskader van de Middellandse Zee in Toulon. Men vertrouwt hem de stoomboot Le Vautour toe die is belast met de bewaking van de kusten van Algerije. Hij brengt enige technische verbeteringen aan op zijn schip, ondanks de weerstand en de kritiek van zijn collega’s. Vanaf 1840 ontwaakt in hem, door de bekeringen van mariniers die hij hoogacht, een zekere belangstelling voor het katholiek geloof, zelfs al stelt hij zich aanvankelijk eerder spottend en sarcastisch op. Hij heeft ook een officier opgemerkt die vaak op ziekenbezoek gaat. Merkwaardig genoeg ziet hij dat de matrozen voor die laatste bijzonder respect aan de dag leggen. Hij weet dat het een vrome katholiek is: «En toch, denkt hij, is het een zeer intelligente man…» Op aanraden van een vriendin begint hij het katholiek geloof te bestuderen en ontdekt het geloof in de verrijzenis dat hem steunt wanneer een van zijn neven komt te overlijden. Men raadt hem een apologetisch boek aan, Le Christ devant le siècle, geschreven door een katholieke auteur uit die tijd. Vanaf het voorwoord voelt hij zich aangetrokken door de aankondiging dat de waarheid van het geloof in dat boek zou worden aangetoond..

De waarheid van het geloof

De apologetiek maakt inderdaad studie van de rationele fundamenten van het christelijk geloof. Heiligt in uw hart Christus als de Heer. Weest altijd bereid tot verantwoording aan al wie u rekenschap vraagt van de hoop die in u leeft (1 P 3,15), luidde de aansporing van heilige Petrus. «Geloof en rede zijn als de twee vleugels waarmee de menselijke geest opstijgt tot de beschouwing van de waarheid. Het verlangen om de waarheid, en uiteindelijk God zelf, te kennen is door God in het mensenhart neergelegd opdat de mens, door Hem te kennen en lief te hebben, omtrent zichzelf tot de volle waarheid zou kunnen komen» (Johannes Paulus II, encycliek Fides et ratio 14 september 1998, nr.1). Daarom schreef de heilige Paus tevens: «Aan iedereen vraag ik het diepste wezen van de mens te beschouwen die Christus door het mysterie van zijn liefde gered heeft, en te zien naar zijn voortdurend zoeken naar waarheid en zingeving. Verschillende filosofische systemen hebben de mens in de waan gebracht dat hij heer en meester zou zijn over zichzelf, dat hij autonoom, en alleen vertrouwend op zichzelf en zijn eigen kracht, over zijn lot en toekomst zou kunnen beschikken. Daarin kan de grootheid van de mens nooit gelegen zijn. Hij kan zich alleen dan geheel verwerkelijken, als hij besluit binnen te gaan in de waarheid, zijn woning te bouwen in de schaduw van de Wijsheid, en daar zijn intrek in te nemen. Zijn vrijheid en roeping om God als zijn hoogste zelfverwerkelijking te kennen en lief te hebben, zal hij alleen in dit perspectief van de waarheid volledig kunnen ontplooien» (Fides et ratio, nr.107).

Marceau komt tot het besef dat de filosofie, vooral deze die het bestaan van God ontkent, niet kan volstaan voor het geluk van de mens. Hij ontmoet van tijd tot tijd een priester uit Toulon. Door het lezen van het ene na het andere boek, het ene na het andere gesprek met christelijke vrienden is hij tenslotte intellectueel overtuigd van de waarheid van het geloof, maar dat verandert niets in zijn leven; zijn trots en zijn levenswijze zijn nog een obstakel voor zijn bekering. Men stelt hem dan voor te bidden. Daar hij geen enkel gebed kent, zelfs het Onze Vader of het Wees gegroet, Maria niet, leent hij discreet het gebedenboek van zijn huisbediende. Hij begint ook vaak het kruisteken te maken.. In juli 1841 gaat hij te biecht bij eerwaarde Morin, aalmoezenier van de marine in Toulon. Op het moment dat hij vervolgens de Eucharistie ontvangt wordt hij overvallen door een hevige bekoring die zich verzet tegen de werkelijkheid van de geheiligde Hostie: «Geloof ik in de werkelijke aanwezigheid van Christus?» De bekoring legt hij naast zich neer en antwoordt niet; wel beklaagt hij zich na de Communie bij de Heilige Maagd dat hij niet meer devotie voelt. Dan zwelt zijn hart zich plotseling op en lopen zijn ogen over van tranen. Hij is vijfendertig jaar oud.. Een van zijn vrienden, officier zoals hij, die hem ondervraagt over zijn bekering, geeft hij ten antwoord: «Ik heb gedaan wat je me gezegd hebt: ik heb gelezen, ik heb gebeden en God heeft de rest gedaan!»

In een lade

Auguste Marceau herinnert zich dan de medaille van Notre Dame des Victoires die hem was overhandigd door zijn nicht na zijn terugkeer uit Senegal toen hij bijna was doodgegaan.. Tot zijn grote vreugde vindt hij haar weer terug in een lade, bevestigt haaraan de ketting van zijn zakhorloge, neemt vervolgens contact op met eerwaarde Desgenettes, gaat regelmatig naar zijn kerk als hij in Parijs is en treedt toe tot de mariale broederschap. Zijn vertrouwen in Maria wordt zo groot dat al zijn zeereizen voortaan onder de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw komen te staan.

Begin 1842 ontmoet Marceau in Nantes de eerbiedwaardige Heer Léon Papin-Dupont (1797-1876), bijgenaamd de “heilige man van Tours”, apostel van de devotie tot het Heilig Aangezicht van Jezus en de eucharistische aanbidding, man vol ijver voor de werken van naastenliefde. Het is het begin van een spirituele vriendschap die tot uitdrukking zal komen door middel van een overvloedige correspondentie. Het voornaamste onderwerp van hun brieven is God, maar ook hun mariale en sociale werken, en hun gehechtheid aan de eucharistische aanbidding voor de bekering van de zondaars. Onder zijn invloed verandert Auguste en legt een grote nederigheid aan de dag. Hij zoekt personen die net als hij ontvankelijk zijn voor spirituele gesprekken. De stijl van zijn brieven, droog en conventioneel voor zijn bekering, verandert. Zijn brieven ademen nu genegenheid en tederheid.. Onder de eerste personen die de officier graag goed wil doen bevindt zich zijn eigen moeder die zich onder zijn invloed zal bekeren.

Auguste wordt verweten zijn geloof te openlijk te belijden door, bijvoorbeeld, in uniform, met een kaars in de hand, deel te nemen aan een processie op Sacramentsdag. Hij antwoordt dan: «Ik ben openlijk ongelovig en een helaas te spraakzame apostel van de leugen geweest; niets meer dan terecht dat dit schandaal dat ik in de maatschappij heb veroorzaakt, hersteld wordt…» Zijn verleden heeft hem gevoelig gemaakt voor kwesties van herstel en boetedoening, met name voor gebeden ter herstel van godslastering. Hij begrijpt dat «elke fout tegen de rechtvaardigheid en de waarheid begaan, de verplichting tot herstel van de schade met zich meebrengt, zelfs als de dader vergiffenis verkregen heeft» (Catechismus van de Katholieke Kerk, nr.2487).

Auguste begint heiligenlevens te lezen. Van heilige Ignatius van Loyola onthoudt hij een kernspreuk die hij op zichzelf toepast: «Een enkele overwinning op jezelf is te verkiezen boven een groot aantal heilige werken die anderen verrichten door hun natuurlijke neigingen te volgen.» Hij overpeinst vaak de vier uitersten. De werkelijkheid van het vagevuur, teken van de goddelijke barmhartigheid die de gelovigen die zijn gestorven in de gratie van God het middel verschaffen zich te zuiveren van de resten van hun zonden, raakt hem overigens diep. Een jaar na zijn bekering houdt hij een retraite in het trappistenklooster Meilleraye. Het monastiek leven trekt hem, maar hij begrijpt dat God hem bij de marine wil.

Een bijzonder werk

Op 3 mei 1843 woont hij in Toulon het vertrek bij van een groep Maristen naar Oceanië, op een boot van de regering. Een bisschop in de groep vertelt hem over de moeilijkheden die de missionarissen ontmoeten om schepen te vinden die accepteren hen naar Oceanië te vervoeren. De Maristen, gesticht in 1822 in Lyon door de zalige Jean-Claude Colin, hebben in 1836 van de Paus de opdracht gekregen dat werelddeel te evangeliseren. Een van hun leden, heilige Pierre Chanel, is reeds gestorven als martelaar in de uitoefening van hun apostolaat. In de maand mei 1842 had pater Colin een rapport gestuurd aan de prefect van de Geloofsverbreiding in Rome, waarin hij met name schreef: «Ten einde volkeren van Oceanië voor te bereiden op het Evangelie, zouden er, ten dienste van de missionarissen, twee of drie schepen moeten komen die door evenzoveel christelijke en toegewijde kapiteins bestuurd zouden moeten worden, voor dit bijzonder werk.»

Marceau begint zich voor deze kwestie te interesseren. Van zijn kant heeft de scheepsbouwer uit Le Havre, Louis-Victor Marziou (1814-1890), het plan opgevat de katholieke missies in Oceanië te hulp te komen.. Een pater jezuïet uit Lyon spreekt met hem over Marceau, en hij neemt contact met hem op om hem het commando over een schip dat dit deel van de wereld tot bestemming heeft voor te stellen.Vervuld van vreugde schrijft Auguste aan zijn moeder: «Men stelt mij het prachtigste commando voor waar ik ooit van heb kunnen dromen… Begrijp je het geluk dat mij ten deel zou vallen om op die manier ieder ogenblik van de dag bezig te zijn met de verheerlijking van Gods naam, en bijdraag aan het prachtigste werk dat men in deze tijden kan bedenken?» Gelijktijdig stelt de marine hem een missie van twee jaar voor in Brazilië. Hij moet dan een moeilijke keuze maken: of bij de koninklijke marine blijven of ontslag nemen uit het leger om zich ten dienste te stellen van de missies. In dat laatste geval zal hij alle voordelen kwijtraken van zijn militaire status: soldij, bevordering, maatschappelijke positie… Hij neemt dus twee dagen om te bidden en na te denken en biedt vervolgens zijn ontslag aan bij de marine, en geeft alles op wat tot dan toe zijn leven was geweest.. De minister van Zeemacht is verbaasd en vraagt om uitleg. Wanneer hij de diepere beweegredenen van Marceau begrijpt, heeft hij er bewondering voor en verkrijgt voor hem een onbeperkt verlof met behoud van zijn soldij en zijn recht op bevordering. Marceau ziet hierin een toepassing van het woord van Jezus: Zoekt eerst het Koninkrijk en zijn gerechtigheid: dan zal dat alles u erbij gegeven worden (Mat. 6,33).

Tussen juni 1843 en september 1844 woont Marceau in Brest waar hij, niet zonder moeite, een Sint Vincentius Conferentie opricht. Hij neemt deel, in 1845, met Marziou, aan de oprichting van de Société Française de l’Océanie (SFO), en zoekt mee naar donateurs. Deze maatschappij zal missionarissen in staat stellen onder goede omstandigheden te reizen en alle steun op het goede moment te ontvangen. Marceau gaat zelfs naar Rome, waar hij Paus Pius IX ontmoet, om bekendheid te geven aan de onderneming. Met een miljoen francs en een notering op de Beurs, telt de maatschappij de Heilige Vader, kardinalen, bisschoppen, koning Carlo-Alberto van Savoye enz. onder haar leden. Met de oprichting van de SFO streven Marceau en Marziou niet precies dezelfde doelen na. De scheepsbouwer blijft weliswaar de gulle christen, maar heeft ook commerciële doelen op het oog, terwijl Marceau alles, zichzelf incluis, wil wijden aan God. Hij wil zelfs godsdienstige mariniers, met geloftes, en denkt erover een vorm van noviciaat op te zetten… Maar op financieel niveau blijkt deze droom nogal utopisch.

Een drijvend klooster

Er wordt een driemaster, De Ark des Verbonds, gekocht en gezegend op 30 augustus 1845 in Nantes.. De naam is een verwijzing naar de Heilige Maagd, de nieuwe ark des verbonds. Die vaart reeds op 15 november uit onder het bevel van Marceau. Twaalf Maristen, meerdere leken van goede wil, verschillende boerderijdieren hebben erin plaats genomen; er wordt ook buskruit meegenomen, door de regering toevertrouwd aan Tahiti. Het schip vertrekt vanuit Nantes, vaart de hele Atlantische Oceaan af om vervolgens via de Straat van Magellaan Zuid-Amerika te bereiken. Op 7 april is het schip in Chili, in Valparaiso. Een week later vertrekt het weer naar de Markiezeneilanden waar ze na veertig dagen varen aankomen. In de ogen van Marceau is het schip een drijvend klooster, op weg naar de heiligheid, waaraan hij zelf het voorbeeld moet geven. Aan boord wordt dus een bijna monastieke dagindeling in acht genomen, met ochtendgebed onder leiding van de commandant, en avondgebed, rozenkrans, Mis wanneer mogelijk, geestelijke lezingen… De Maristen zijn verrukt wanneer ze zien hoe de mariniers vrijwillig deelnemen aan de oefeningen. Het Kerstfeest wordt op zee gevierd. De voorbereiding ervan strekt zich uit over meerdere weken, met repetities van de gezangen, versiering van het schip.

Op 8 juli bereikt men Tahiti waar de commandant met een rozenkrans in de hand zijn boot redt die op een klif is gelopen. Ze gaan er zeven weken aan land, tijd voor Marceau om zich bezig te houden met de zaken van de SFO, en een handelshuis te vestigen in Papeete, volgens de instructies van Marziou. Op 14 juli maakt een Amerikaanse walvisvaarder tegenover de Maristen melding van de moord op Mgr. Epalle, in Santa Isabel, op de Salomonseilanden, op 16 december. Voor Pater Collomb die deel uitmaakt van de reis en die was benoemd als coadjutor van Mgr. Epalle, is het een zware klap en hij spreekt erover met de commandant die hem probeert op te beuren. Op 4 september komt de Ark des Verbonds eindelijk aan in het deel van Oceanië dat aan de Maristen is toevertrouwd. Marceau is blij; tot dan heeft hij zijn missie vervuld. Hij zou nu zo goed als mogelijk de missionarissen willen helpen zich op die eilanden te installeren.. De boot vaart weldra naar de archipel van de Samoa-eilanden waar hij ongeveer een maand zal blijven.. Daar vestigt Marceau een nieuwe handelspost van de SFO en maakt indruk op de bevolking door zijn goedheid, die vele vooroordelen jegens de katholieke missie wegneemt. Op 20 oktober verlaat het korvet de Samoa-eilanden op weg naar Wallis waar het op de 23e aankomt. Het begeeft zich vervolgens naar Futuna waar Marceau door een hevige emotie wordt bevangen wanneer hij een priester het altaar ziet bestijgen voor de Mis, gekleed in de soutane van Pater Chanel, waar de bloedvlekken nog op te zien zijn. De Ark zet dan koers naar Nieuw-Caledonië. Marceau stelt voor een retraite aan boord te houden tijdens de overtocht die een week duurt. Op 11 februari 1847 komt de Ark in San Cristobal, op de Salomonseilanden, aan.

Dienaar van Maria

Ondanks grote financiële moeilijkheden stuurt Marceau een optimistisch verslag naar Frankrijk. Hij vaart nog een paar maanden in Oceanië en keert vervolgens terug naar Frankrijk. Tijdens die reis duikt hij in het boek «Verhandeling over de ware devotie tot de Heilige Maagd Maria» van heilige Louis-Marie Grignion de Montfort, en wijdt zich toe aan Jezus via Maria. Voortaan zal hij zijn brieven ondertekenen met “dienaar van Maria”, vervolgens “dienaar van Maria Onbevlekt Ontvangen”. Ter hoogte van Gorée (Senegal), wordt de Ark meegesleept in krachtige zeestromingen richting zandbanken waar de boot ten onder dreigt te gaan. Marceau en zijn passagiers roepen Maria aan en de boot wordt gered. Drie oorlogsschepen waren te hulp gekomen; de bemanning van de schepen feliciteren Marceau die antwoordt: «God heeft ons gered door de bemiddeling van Haar die men nog nooit tevergeefs heeft aangeroepen.» Midden juli 1849 bereikt de Ark Brest. Sinds zijn vertrek in november 1845 tot zijn terugkeer in deze haven is de Ark elf keer bijna gezonken of gestrand. Auguste wordt tamelijk koel ontvangen. Zijn expeditie heeft lang geduurd en verkeert financieel in zwaar weer. Marziou neemt het hem kwalijk en besluit hem slechts de helft van zijn soldij uit te keren. Voor Marceau is het geld niet belangrijk want hij is trouw aan het idee van een “missionaire marine”.. De Paus slaat hem dan tot ridder in de orde van Heilige Gregorius de Grote.. Marceau denkt nog maar aan één ding, weer vertrekken. Maar de revolutie van 1848 heeft de SFO een fatale klap toegebracht en deze zal spoedig uiteenvallen.

De gezondheid van Marceau krijgt echter botkanker te verduren. Op deze ziekte reageert hij met volledige overgave aan de Heer, maar doorloopt tevens een nieuwe spirituele nacht die het boek van heilige Alfonsus van Liguori “Het groot middel van het gebed” hem helpt te overleven. Hij trekt zich terug in Lyon in het moederhuis van de Maristen missionarissen en treedt toe tot de Derde Orde van Maria. Tijdens een bedevaart naar La Salette ontmoet hij Maximin, de jonge ziener.. In december 1850 denkt hij erover priester te worden, maar zijn gezondheid staat hem dat niet toe. Hij begeeft zich naar Saint-Symphorien, dichtbij Tours, naar zijn zus, en ontmoet er opnieuw Monsieur Dupont. De 1e februari 1851 krijgt hij een aanval van asfyxie. Enkele uren voor zijn dood, al pratend over zijn missie in Oceanië met de Ark des Verbonds , verklaart hij: «Het is het mosterdzaadje; de Goede God zal het te zijner tijd tot wasdom doen komen. Het is heel wat dat is gezaaid». Nadat hij de laatste sacramenten heeft ontvangen slaapt hij vredig in.

Laten wij, naar het voorbeeld van Auguste Marceau, voortdurend onze toevlucht nemen tot de Maagd Maria in ons leven van iedere dag, en laten we de Moeder van de Kerk vragen om een hoop apostolische werkersom in de hele wereld het Kruis van Jezus Christus te planten.

Eerbiedwaardige Claire de Soria

H. Manuel Gonzalez Garcia

H. Philippe Smaldone

Zalige Maria-Antonia de Paz y Figueroa