15 Oktober 1999

Jubileum jaar 2000

Dierbare Vrienden,

De ochtend van 1 januari 1300 heerst er in Rome, hoofdstad van de christelijke wereld, een buitengewone drukte. De Romeinen begeven zich massaal naar de St.-Pietersbasiliek. «Heilige Vader, zeggen ze tegen de Paus, geef ons uw zegen voor wij sterven. Wij hebben van de ouderen gehoord dat iedere christen die een bezoek brengt aan de stoffelijke resten van de apostelen tijdens dit jaar van de eeuwwisseling, zowel van zijn zonden als van de straffen die de zonden met zich meebrengen zal worden verlost». ’s Avonds is de toeloop zo groot dat de doorgang bijna onmogelijk wordt in het middenschip en rond de altaren. De volgende dag en de dagen daarop is het dezelfde drukte. De pelgrims komen overal vandaan om de basiliek te bezoeken, hun schulden te belijden en bij het graf van de apostelen te bidden.

De eerste reactie van de Heilige Stoel is verrassing: van een traditie in deze zin is niets bekend. Paus Bonifatius VIII zet de archivarissen aan het werk, maar tevergeefs: zij vinden geen enkel spoor van uitzonderlijke aflaten, noch voor het jaar 1200, noch voor de voorafgaande eeuwen. Men gaat op zoek naar mondelinge getuigenissen en ontdekt tenslotte een grijsaard die beweert: «Mijn vader is in 1200 naar Rome geweest; hij heeft me op het hart gedrukt een dergelijke genade niet mis te lopen indien ik op mijn beurt de nieuwe eeuwwisseling zou halen». Aan het pauselijk hof is men perplex.

De pelgrims stromen echter nog altijd toe. Wat te doen? Het is moeilijk de godsvrucht van het volk in het ongewisse te laten. Op 22 februari overhandigt Bonifatius VIII aan het volk een bul waarmee aan de pelgrims van het jaar 1300, onder bepaalde voorwaarden, een volledige aflaat wordt verleend. De uitvaardiging van dit document heeft gigantische gevolgen. Vanuit alle landen komt men naar Rome toe. Een kroniekschrijver uit die tijd schat het aantal pelgrims in dat jaar op 2.000.000.

Paus Bonifatius VIII had voor iedere eeuwwisseling de viering van een jubileum voorzien. Maar «gezien de korte duur van het leven van de mens», bracht paus Clemens VI, in 1350, de frequentie van de jubilea terug tot elke vijftig jaar. Vervolgens wordt dat iedere 33 en dan iedere 25 jaar. Het jubileum dat uitsluitend bestond uit het verkrijgen van een volledige aflaat kreeg langzaamaan een bredere betekenis; een gelegenheid ter geestelijke vernieuwing in de liefde Gods, trouw aan het evangelie en vandaar vooruitgang voor de samenleving op het gebied van gerechtigheid en naastenliefde. Bij de bekendmaking van dat van 1950, zei paus Pius XII: «Het zeer grote jubileum heeft als voornaamste doel alle christenen aan te sporen om, niet alleen hun schulden te boeten en hun leven te beteren, maar ook om deugdzaamheid en heiligheid te verwerven, zoals ook is gezegd: Wees heilig, want Ik, de Heer uw God, ben heilig (Lv 19, 2)… Als de mensen deze stem van de Kerk goedgunstig aanhoren, …zullen niet alleen de particuliere zeden maar ook die van het openbare leven zich voegen naar de voorschriften en de christelijke geest.» Ter inleiding op het jubileum van 1975 verklaarde paus Paulus VI dat het wezenlijke van het heilig jaar «de innerlijke vernieuwing van de mens is: …de mens moet van binnen uit nieuw worden gemaakt. Dat is hetgeen het evangelie bekering en penitentie noemt… Het is een moment van genade die we gewoonlijk slechts verkrijgen wanneer wij het hoofd buigen».

Met de blik gericht op het jaar 2000, ziet de Kerk zich gesteld tegenover talloze uitdagingen. Monseigneur Cordes, vice-voorzitter van de pauselijke Raad voor de leken, stelde ze op een internationale ontmoeting in 1992 aldus voor: «In de Kerk wordt Christus door miljoenen katholieken niet gevolgd en zij zijn Hem niet gehoorzaam, zelfs terwijl ze zich nog altijd katholiek noemen en bij gelegenheid aan liturgische vieringen van de Kerk deelnemen. Andere miljoenen zijn het spoor bijster en hebben geen duidelijk beeld meer van de fundamenten van het geloof, ze zijn zelfs op een dwaalspoor gebracht door onjuiste catechese. Zelfs nu het communisme niet meer de grote bedreiging vormt zoals dat het geval is geweest, kunnen het westers materialisme, de verwereldlijking en de consumptiedrang (verkeerd gebruik maken van de goederen van deze wereld) een veel grotere bedreiging vormen voor het leven van de ziel. En naast de zichtbare wonden van de Kerk, kennen miljarden van onze gelijken op de dag van vandaag nog altijd Christus niet en leven onder verscheidene vormen van maatschappelijke en persoonlijke onderdrukking. Velen zijn nog slaaf van de zonde en in de ban van het Kwade. Waarom zouden we niet gewoon erkennen dat Satan aan het werk is om de mensen van God te scheiden – zoals de Schrift ons leert: Uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om te verslinden (1 Pe 5, 8)?»

Een krachtige pedagogie

Paus Johannes Paulus II roept, met het oog op deze uitdagingen, alle christenen op om het grote Jubileum van het jaar 2000 te vieren: «Met het Jubileum komen we bij de krachtige taal die God gebruikt in zijn heilspedagogie om de mens aan te sporen zich te bekeren en penitentie te doen, het principe en de weg tot eerherstel van zichzelf en de voorwaarde om hetgeen terug te vinden wat hij op eigen krachten niet zou kunnen bereiken: de vriendschap van God, zijn genade, het bovennatuurlijk leven, het enige waarin de diepste verlangens van het mensenhart kunnen worden vervuld» (Bul Incarnationis mysterium, IM, 29 november 1998, 2).

De «krachtige taal» die God gebruikt met het oog op ons heil, is ook die van de profeten tot aan de H. Johannes de Doper en vooral van Jezus, de goddelijke Meester: Maar als u zich niet bekeert, zult u allemaal, net als zij, omkomen (Lc 13, 3). Ga binnen door de nauwe poort. Want wijd is de poort en breed is de weg die naar de ondergang leidt; er zijn vele mensen die daarlangs gaan. Hoe nauw is de poort en hoe smal de weg die naar het leven leidt; er zijn maar weinig mensen die hem vinden. (Mt 7, 13-14). Jezus onthult ons om welke ernstige dingen het gaat in ons leven op aarde: de manier waarop we hebben geleefd zal onherroepelijk onze eeuwige bestemming bepalen. Het leven hierbeneden is eenmalig : De mensen sterven slechts eenmaal, en daarna komt het oordeel (He 9, 27). «Daar wij echter dag noch uur kennen, leert ons het Tweede Vaticaans Concilie, moeten wij, zoals de Heer ons vermaant, voortdurend waken om bij het eind van onze enige aardse levensloop met Hem ter bruiloft binnen te gaan en bij de gezegenden te worden geteld en niet zoals de slechte en luie knechten te worden weggeworpen in het eeuwige vuur, in de duisternis buiten, waar geween is en tandengeknars» (Lumen gentium, 48). De Heer heeft ons voor twee wegen geplaatst: de weg van het leven en de weg van de dood (Jr 21, 8). Het is aan ons de ene of de andere te kiezen.

Vriendschap, alsook adoptie, wordt aangeboden om in vrijheid te worden aanvaard of geweigerd. Hij die verkiest te weigeren heeft geen erfdeel in het koninkrijk van Christus en van God (Ef 5, 5). Door de ernstige zonde verbreekt de mens de band van de goddelijke vriendschap en begeeft zich op de weg die naar de eeuwige ondergang leidt. «De doodzonde is een radicale mogelijkheid van de menselijke vrijheid zoals de liefde zelf, zo leert de Katechismus van de Katholieke Kerk. Ze brengt het verlies mee van de liefde en van de heiligmakende genade, dit wil zeggen van de staat van genade. Wanneer ze niet wordt vrijgekocht door het berouw en de vergiffenis van God, dan veroorzaakt de doodzonde de uitsluiting uit het koninkrijk van Christus en de eeuwige dood van de hel, want onze vrijheid heeft de macht keuzen te maken voor altijd, onomkeerbare keuzen.» (KKK, 1861).

Het is slecht en bitter om de Heer uw God te verlaten

In het evangelie worden wij heel vaak gewaarschuwd voor de eeuwige gevolgen van de ernstige zonde: Indien uw rechteroog u aanstoot geeft, ruk het uit en werp het van u weg; want het is beter voor u, dat één van lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen. En als uw rechterhand u aanstoot geeft, hak ze af en werp ze van u weg; want het is beter voor u, dat één van uw lichaamsdelen verloren gaat dan dat heel uw lichaam in de hel terecht komt (Mt 5, 29-30). Bij de H. Benedictus treffen we een weerklank aan van dit onderricht in de waarschuwing die hij de monniken geeft om «de dag des oordeels te vrezen» en «de hel te duchten» (Regel, hfdst. 4). De Verlosser nodigt ons uit een heilzame vrees voor het eeuwige ongeluk te koesteren als Hij zegt: Weest niet bevreesd voor hen die wel het lichaam kunnen doden maar niet de ziel; vreest veeleer Hem die én ziel én lichaam in het verderf kan storten in de hel (Mt 10, 28). Deze woorden laten ons zien hoe slecht en bitter het is de Heer onze God te verlaten (Jr 2, 19). Zij zijn bedoeld om het geweten wakker te schudden en daarin het berouw te doen ontkiemen, dat wil zeggen, «de zielesmart vanwege de zonde die men bedreven heeft en de afschuw ervan, vergezeld van het voornemen voortaan niet meer te zondigen» (KKK, 1451).

Wanneer het voortkomt uit liefde tot God die bovenal wordt bemind, wordt het berouw «volmaakt» genoemd. Het onvolmaakte berouw, of «attritie», komt voort uit het besef hoe afschuwwekkend de zonde is of uit angst voor de eeuwige verwerping; als dit de wil om te zondigen uitsluit en gepaard gaat met de hoop op vergeving, is het een ware gave van God, een impuls van de H. Geest die, op aarde, onafgebroken zijn genade aanbiedt aan hen die zich van hem scheiden, want God wil dat alle mensen gered worden en tot kennis van de waarheid komen (1 Tm 2, 4) (vgl. KKK, 1452-1453). De H. Ignatius van Loyola legt in zijn «Geestelijke oefeningen» de weldoende rol uit van het onvolmaakte berouw: «Hoewel wij er vooral naar moeten verlangen dat de mensen God, onze Heer, dienen, uit zuivere liefde gedreven, moeten wij echter veel lof hebben voor de vrees voor de goddelijke majesteit; want de kinderlijke vrees is niet alleen vroom en zeer heilig, maar zelfs de slaafse vrees (onvolmaakt berouw, wanneer de mens zich niet tot iets beters of iets nuttigers verheft, helpt hem zeer om uit de doodzonde te geraken en, wanneer hij eruit is, komt hij gemakkelijk tot de kinderlijke vrees welke God zeer aangenaam en lief is, omdat zij onscheidbaar is verenigd met zijn liefde» (n. 370).

Het onvolmaakt berouw bevordert de ontvankelijkheid voor de genade en de vergeving van God in het sacrament van de biecht. Dat is voor een christen het normale middel, door God voorzien, teneinde vergeving van zware zonden, begaan na het doopsel, te verkrijgen. Men neemt zijn toevlucht tot dit sacrament via de persoonlijke en volledige belijdenis, gevolgd door de absolutie, «de enige gewone manier waarop de gelovigen zich met God en de Kerk verzoenen, tenzij deze vorm fysiek of moreel onmogelijk is» (KKK, 1484). Voor deze regel bestaan grondige redenen: «Christus is in ieder sacrament daadwerkelijk aanwezig. Hij wendt zich persoonlijk tot iedere zondaar afzonderlijk: Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven (Mc 2, 5). Christus is de dokter die zich over elke zieke buigt die Hem nodig heeft om genezen te worden» (ibid.).

Ons laten genezen door Christus

De eerste wezenlijke daad van degene die tot het sacrament van de biecht zijn toevlucht neemt is het berouw. De tweede is de belijdenis van zijn zonden tegenover de priester: «De boetelingen moeten in de biecht alle doodzonden opsommen waarvan zij zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek bewust zijn, zelfs wanneer deze zeer verborgen zijn en slechts ingaan tegen de laatste twee van de tien geboden» (KKK, 1456). De Kerk voorziet dat in bepaalde gevallen «van ernstige noodzaak» aldus beoordeeld door de bisschop van het diocees, men zijn toevlucht mag nemen tot gemeenschappelijke viering van het boetesacrament met algemene belijdenis en absolutie. In dit geval is het voor de geldigheid van de absolutie nodig dat de gelovigen het voornemen maken op de gepaste tijd hun zonden individueeel te belijden (vgl. KKK, 1483).

Om van een doodzonde te kunnen spreken, moeten drie voorwaarden tegelijk zijn vervuld: «Elke zonde die een zwaarwegende materie tot object heeft en die wordt begaan met volle kennis en weloverwogen toestemming, is een doodzonde. Wat een zwaarwegende materie is, dat wordt verduidelijkt in de tien geboden, naar het woord van Jezus tot de rijke jongeling: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand tekort doen, eer uw vader en uw moeder (Mc 10, 19)» (KKK, 1857-1858). Ernstig van zichzelf zijn de zonden van afgoderij, geloofsverzaking, goddeloosheid, maar ook die van ontucht, gemeenschap vóór het huwelijk, overspel, anticonceptie, abortus enz. Wanneer een van de drie voorwaarden ontbreekt is het een dagelijkse zonde; deze verbreekt de vriendschap met God niet maar kwetst die. Zonder strict noodzakelijk te zijn, «helpt de belijdenis van onze dagelijkse zonden ons ook werkelijk ons geweten te vormen, te strijden tegen onze slechte neigingen, ons te laten helen door Christus en voortgang te boeken in het geestelijk leven. Door vaker in dit sacrament de barmhartigheid van de Vader te ervaren, worden wij ertoe aangezet zelf, zoals Hij, barmhartig te zijn» (KKK, 1458).

Het boetesacrament bevat tenslotte de «genoegdoening». Uit de zonde opgestaan moet de zondaar nog zijn zonden «goedmaken» op gepaste wijze ofwel zijn zonden «uitboeten». Deze genoegdoening heet ook wel «penitentie» (KKK, 1459). Deze wordt door de priester opgelegd, rekening houdend met de persoonlijke situatie van de boeteling en gericht op diens geestelijk welzijn.

De leer en de praktijk van de aflaten zijn nauw verbonden met de uitwerking van het boetesacrament. In de bul Incarnationis mysterium, verklaart Paus Johannes Paulus II het aldus: «Iedere zonde, zelfs de dagelijkse, brengt een ongezonde gehechtheid aan de schepselen met zich mee, welke zuivering behoeft, hetzij in dit leven, hetzij na de dood, in de toestand die men het Vagevuur noemt. Deze zuivering bevrijdt ons van wat wordt genoemd de «tijdelijke» zondestraf; als deze eenmaal is uitgeboet, wordt hetgeen de volledige eenwording met God en met de broeders in de weg staat, uitgewist» (IM, 10). Zo sluit «het feit weer met God te zijn verzoend niet uit dat er nog bepaalde gevolgen van de zonde over zijn waarvan wij ons noodzakelijkerwijs moeten zuiveren… Dankzij de aan de berouwvolle zondaar verleende aflaat, wordt de tijdelijke straf voor de reeds vergeven zonden kwijtgescholden voor wat betreft de schuld» (Ibid., 9). Degene die een volledige aflaat heeft verkregen is dus klaar om onmiddellijk de hemel in te kunnen zonder eerst naar het vagevuur te moeten. Indien deze aflaat wordt toegepast op een ziel in het vagevuur, wordt die aanstonds van haar straffen bevrijd.

Een overschot aan liefde

«De aflaat wordt verkregen door toedoen van de Kerk krachtens haar macht om te binden en te ontbinden, een macht die haar door Christus Jezus verleend werd. Zij spreekt voor een bepaalde christen ten beste en opent voor hem de schat van de verdiensten van Christus en van de heiligen om van de barmhartige Vader kwijtschelding van de tijdelijke straffen te verkrijgen» (KKK, 1478).

In Christus zijn in overdaad de genoegdoening en de verdiensten van de Verlossing aanwezig. Bovendien zijn de gebeden en de goede werken van de heilige Maagd Maria en van alle heiligen voor God van een onmetelijke waarde. Aldus «ontstaat er tussen de gelovigen een wonderlijke uitwisseling van geestelijke goederen («gemeenschap van de heiligen» geheten), op grond waarvan de heiligheid van de één ten goede komt aan de anderen, ver boven de schade die de zonde van de één heeft kunnen berokkenen aan anderen. Er zijn personen die zoiets als een overdaad aan liefde, verdragen leed, zuiverheid en waarheid nalaten, die over de anderen wordt uitgestort en hen tot steun is» (IM, 10).

Voor het Jubileum van het jaar 2000, opent de Kerk haar geestelijke schatkamers voor de gelovigen door middel van het toekennen van een particuliere aflaat: «Het hoogtepunt van het Jubileum is de ontmoeting met God de Vader, door Christus de Verlosser, op bijzondere wijze in zijn Kerk aanwezig via de sacramenten. Vandaar dat iedere schrede op het pad van het Jubileum, voorbereid door de pelgrimstocht, als vertrek- en aankomstpunt de viering van het sacrament van de verzoening heeft, evenals van het sacrament van de Eucharistie…

Na op waardige wijze te zijn overgegaan tot de sacramentele biecht, die normaal gesproken de individuele biecht hoort te zijn, kan de gelovige, door het uitvoeren van hetgeen hij is verplicht, in een gepaste tijdsspanne, de gave van een volledige aflaat ontvangen of toepassen, dagelijks zelfs, zonder verplichting opnieuw te moeten biechten… Daarentegen is het gepast dat deelname aan de Eucharistie – noodzakelijk voor iedere aflaat – plaatsvindt op de dag zelf dat men de voorgeschreven werken volbrengt» (Apostolische Rechtbank: Bepalingen aangaande de verkrijging van de aflaat van het Jubileum, 29 november 1998).

Ter verkrijging van een volledige aflaat moet aan verscheidene voorwaarden worden voldaan: gebiecht hebben, de eucharistische communie hebben ontvangen, vrij zijn van iedere gehechtheid aan de zonde, zelfs de kleine, het werk dat aan de aflaat is verbonden volbrengen en bidden voor de intenties van de Paus. Voor het Jubileum van het jaar 2000 bestaat het te volbrengen werk normaal gesproken uit een pelgrimsreis: een pelgrimsreis naar Rome, of naar het Heilig Land of naar de kathedrale kerk van zijn of haar diocees (ofwel naar de door de bisschop van het diocees aangewezen plek), of ook het bezoeken op gepaste tijd van personen die in moeilijkheden verkeren (zieken, gevangenen, bejaarden en eenzamen, gehandicapten, enz.), alsof het een pelgrimsreis betrof naar God die in hen aanwezig is.

Er is slechts één poort

Het grote Jubileum van het jaar 2000 zal beginnen met de opening van de Heilige Poort. Elk van de vier grote Romeinse patriarchale basilieken (Sint-Pieter, St.-Jan van Lateranen, St.-Maria de Meerdere, de St.-Paulus-buiten-de-muren) bezit aan de voorkant een speciale poort, de «Heilige Poort» genaamd, die slechts wordt geopend bij gelegenheid van jubilea. In de nacht van 24 op 25 december 1999, zal de Paus de Heilige Poort van de Sint-Pieter openen en plechtig haar drempel overschrijden, daarbij de Kerk en de wereld het Heilig Evangelie tonend.

Dit symbolische gebaar «is een verwijzing naar de overgang die elke christen geroepen is te maken van de zonde naar de genade, verklaart de Paus. Jezus heeft gezegd: Ik ben de deur (Joh 10, 7), om te laten zien dat niemand toegang tot de Vader kan krijgen dan door Hem. Deze aanwijzing die Jezus van zichzelf geeft getuigt ervan dat Hij alleen de door de Vader gezonden Verlosser is. Er is slechts één poort die wijd openstaat om het leven in eenheid met God binnen te gaan en die poort is Jezus, enige en absolute weg van het heil» (IM, 8). De apostel Petrus verklaart dan ook: Buiten Hem (Jezus) is er geen heil. En zijn Naam, aan de mensen gegeven, is de enige die ons kan redden (Hnd 4, 12). «De aanwijzing van de Poort, zo vervolgt de Paus, herinnert aan de verantwoordelijkheid die elke gelovige heeft om de drempel ervan te overschrijden. Deze poort doorgaan betekent verkondigen dat Jezus Christus de Heer is» (IM, 8). De plechtige rite waarmee de Heilige Poort wordt geopend betekent ook «dat de geestelijke schatten van de Kerk op grotere schaal toegankelijk zijn voor hen die, gedreven door het verlangen hun schulden te boeten, wensen gebruik te maken van de voorrechten van het grote Jubileum» (Pius XII, 12 december 1949).

Het Jubileum zal tevens de gelegenheid zijn voor de christenen om nader tot elkaar te komen met het oog op de door Christus gewenste eenheid.; een moment om vergeving te vragen en zich met de mensen te verzoenen; dat moet gepaard gaan met een vastberaden praktizering van de naastenliefde, vooral jegens hen die in armoede en aan de rand van de maatschappij leven. Het is ook een moment om het getuigenis van de martelaren in herinnering te brengen (cf. IM, 4, 11, 12, 13).

De vreugde van het Jubileum is pas volledig als wij daarbij onze blik keren naar de Heilige Maagd Maria: «Vrouwe van stilzwijgen en luisteren, onderdanig in de handen van de Vader. De Maagd Maria wordt als «heilige» door alle generaties aangeroepen, omdat zij de wonderen die de H. Geest in haar heeft verricht, heeft weten te erkennen. De volkeren zullen haar onvermoeibaar blijven aanroepen, haar, de Moeder van Barmhartigheid en zij zullen onder haar bescherming altijd een toevlucht vinden. Dat zij die, samen met haar zoon Jezus en de H. Jozef op pelgrimsreis ging naar de heilige tempel van God, de weg bescherme van hen die de pelgrims zullen zijn in dit jubileumjaar! (IM, 14). Wij bidden voor al uw intenties en in het bijzonder voor al uw overledenen.