21 december 1999

Gelukzalige Marie-Catherine Troiani

Dierbare Vrienden,

Waarom zoveel nieuwe heiligen? Ieder jaar volgt bijna de ene zalig- of heiligverklaring op de andere. Lopen we niet het gevaar dat daarmee de gebeurtenis op zich wordt gebanaliseerd? Johannes Paulus II die het eenentwintigste jaar van zijn pontificaat is ingegaan heeft reeds 770 zalig- en 280 heiligverklaringen uitgesproken.

Allen zijn wij geroepen tot heiligheid en het voorbeeld van zoveel heiligen is een krachtige bemoediging ter verwezenlijking van dit streven. «Bij het aanschouwen immers van het leven van hen die Christus getrouw zijn gevolgd, voelen wij een nieuwe prikkel om de toekomstige stad (de hemel) op te zoeken en ontdekken wij tevens de veiligste weg om door de wederwaardigheden van de wereld heen, volgens ieders eigen staat en omstandigheden, tot de volmaakte vereniging met Christus, dit is tot heiligheid te geraken. In het leven van degenen die, in onze mensheid delend, niettemin vollediger naar het beeld van Christus zijn omgevormd, doet God zijn aanwezigheid en zijn gelaat stralend voor de mensen verschijnen. Door hen spreekt God ons aan en geeft Hij ons een teken van zijn Rijk» (Vaticanum II, LG, 50).

De beoefening van de deugden in een graad van heldhaftigheid, de vereiste voorwaarde voor iedere zaligverklaring, gaat verder dan wat onze menselijke krachten vermogen; zij geeft blijk van de werking van de Heilige Geest en, wanneer Die zich herhaaldelijk voordoet in een groot aantal personen is die werking een argument ten gunste van de goddelijkheid van de Kerk. Het is ons van nut degenen die reeds in de hemel wonen te kennen, «Want in het vaderland opgenomen en bij de Heer inwonend, houden ze niet op door Hem, met Hem en in Hem voor ons bij de Vader ten beste te spreken… Aldus is hun broederlijke bekommernis voor onze zwakheid een kostbare hulp» (Ibid., 49). Daarbij zijn «de mannelijke en vrouwelijke heiligen altijd bron en oorsprong van vernieuwing geweest op de moeilijkste ogenblikken in de geschiedenis van de Kerk» (KKK, 828). Het is dus zeer geschikt deze voorbeelden te tonen aan de mensen die in onze troebele tijden vaak het spoor bijster zijn. Zo verklaarde Paus Johannes Paulus II op 14 april 1985 zuster Marie-Catherine Troiani zalig en zei over haar: «Het geloof en de liefde schitteren in haar leven. Zij ontmoette veel leed en ellende: slavernij, honger, armoede, in de steek gelaten nieuwgeboren kinderen en zieken, uitbuiting en mensen die naar de rand van de maatschappij worden gedreven… Zoals de Goede Samaritaan uit de parabel van het evangelie, stond ze stil bij iedere broeder en zuster die in hun lichaam of hun geest leden, reikte hun met liefde haar weldoende hand… Niemand werd uitgesloten van haar naastenliefde: katholieken, orthodoxen, mohammedanen vonden bij haar onthaal en hulp, omdat zuster Marie-Catherine in iedere persoon die door leed werd getekend het lijdend gezicht van Christus herkende».

De laatste zijn

Constance Troiani, geboren op 19 januari 1813, verliest haar moeder op zesjarige leeftijd. Ze komt dan in een internaat van oblaten van de Clarissen van Ferentino (Italië). Het is een intelligent, gevoelig meisje met een zeer pittig karakter maar niettemin gehoorzaam, probeert altijd de stilte in acht te nemen en haar tekortkomingen goed te maken. Op een dag stellen familieleden haar voor naar de wereld terug te keren, maar zij weigert. Ze is gelukkig in haar klooster en blijft liever daar om God te dienen met een radicale gave van heel haar persoon. Als ze zestien is, op 8 december 1829, ontvangt ze het kloosterkleed onder de naam van zuster Marie-Catherine en legt een jaar later de geloften af. Vanaf die tijd voelt ze zich sterk aangetrokken tot de contemplatie van Jezus aan het Kruis en tot het met liefde volbrengen van penitentie. Doordat ze zich bijzonder voelt aangetrokken tot het verborgen leven, waarin ze het de mensen onbekende leven van Jezus in Nazaret navolgt, wordt ze afgehouden van de belangrijke taken die zij in het klooster heeft: «Ik wil altijd de laatste zijn in het huis van God, wat voor een non de grootste glorie is», schrijft ze.

Gezien haar kwaliteiten, worden haar echter verantwoordelijkheden toevertrouwd waarvan de voornaamste die van secretaresse van de abdis is. In en door haar verscheidene werkzaamheden doet zuster Marie-Catherine haar best te leven met God, door te pogen Hem in alles te behagen door trouw haar plicht van staat te vervullen. Ze is van mening dat veel fouten voortkomen uit het vergeten dat de Heer altijd aanwezig is. Op de dag van haar professie, schrijft ze: «Ik ga me eraan wennen iedere daad, voor ik hem uitvoer, aan God aan te bieden en over het geheel bij voortduring te leven in Gods aanwezigheid, daarbij iedere dag beter dan de vorige te willen maken». De H. Benedictus zegt ook in zijn Regel: «De mens moet ervan overtuigd zijn dat God voortdurend van boven in de hemel op hem neerziet, op alle tijden en dat zijn handelingen overal plaatsvinden onder het oog van de Goddelijkheid en door de engelen op ieder uur van de dag worden gerapporteerd» (hfdst. 7). Tot zijn jongeren richt de H. Don Bosco de aanbeveling bij zichzelf te zeggen wanneer ze in bekoring komen: «Hoe kan ik me ertoe laten brengen deze zonde te begaan in aanwezigheid van God, God de Schepper, God de Redder, de God die me op ditzelfde moment het leven kan afnemen? Ga ik dit doen in aanwezigheid van God die, terwijl ik Hem beledig, mij naar de eeuwige straffen van de hel kan sturen?»Bewust van Gods aanwezigheid, bevindt zuster Marie-Catherine zich vaak in samenspraak met Hem. Men hoort soms hoe ze uitroept: «O Jezus, geef mij het vuur (van uw liefde) opdat ik voor U kan verteren!» Ze zegt graag: «laten we in het binnenste van het Hart van Jezus dringen; daar hebben we het goed en kan niemand ons nog kwaad doen».

Moeten we verder?

Haar liefde voor het verborgen leven gaat gepaard met een sterke neiging tot het missie-apostolaat. De heilige Voorzienigheid, aan wie zij zich volledig heeft overgegeven, laat haar wachten tot ze 46 is voor die wens in vervulling gaat. De biechtvader van de communiteit die in 1852 terugkeert van een reis naar Egypte, maakt bekend dat de apostolisch gedelegeerde in Caïro, Mgr. Cuasco, erover klaagt dat er geen religieuzen zijn voor de christelijke opvoeding van de jeugd. De nonnen van Ferentino besluiten dan een huis in Caïro te openen. Zes jaar later, vertrekken zes religieuzen, waaronder zuster Troiani, naar Egypte. Onderweg in Malta vernemen ze het overlijden van Mgr. Cuasco. Moeten we de reis voortzetten? Zuster Marie-Catherine steekt het groepje een riem onder het hart: «Wij zijn niet op weg gegaan om aan de oproep van een prelaat gevolg te geven maar aan de oproep van God». Op 14 september komen ze te Caïro aan. De nieuwe apostolische vicaris bereidt hun een tamelijk koele ontvangst. Maar weldra worden ze gesterkt door de komst van een Egyptisch meisje dat hun ter opvoeding in het katholiek geloof door een dame van stand wordt toevertrouwd. Dat is tevens de basis van de eerste school. Leerlingen van alle talen en geloofsovertuigingen stromen snel toe. Aan de armsten wordt de voorkeur gegeven. Van het begin af aan is Zuster Marie-Catherine de Overste van de nonnen. Met de grootste zorg voedt ze de kleine meisjes op en tijdens de catechismusles vertelt ze van God die een zeer goede Vader is die we niet met onze zonden mogen beledigen. Pedagogisch is niets beter dan zelf een voorbeeld van deugd te zijn.

«Mamma bianca».

De ijver van Moeder Marie-Catherine gaat nog verder. Op verzoek van twee priesters die werken aan de afschaffing van de slavernij, richt ze de «Wijngaard van Sint-Jozef» op, een stichting die kleine zwarte slaven wil vrijkopen en onderwijzen. Tegelijkertijd wordt de stichting van in de steek gelaten kinderen in het leven geroepen. Deze werken dragen vruchten in overvloed. De kinderen, geraakt door de goedheid van haar die zij «mamma bianca – witte mama» noemen, willen graag worden onderricht in de geloofswaarheden om het Doopsel te mogen ontvangen.

Voor de gezonde kinderen wordt een voedster gevonden en daarna worden ze in gezinnen geplaatst waar ze een waardig leven kunnen leiden. Maar het overgrote deel van deze kleine meisjes is aan het eind van zijn kracht en sterft weldra. De zuster verschaft hen het eeuwig leven in de hemel door ze te laten dopen. Daar komt de naam «engelenklas» vandaan die wordt gegeven aan de kinderen die zo zijn opgenomen.

De bovennatuurlijke vreugde over hun tenhemelopneming verzacht het leed van zoveel sterfgevallen. Tot hun vreugde vinden de zusters een enkele keer diepe troost, zoals toen de kleine Myriam op haar sterfbed zei: «Ik moet nog even doorlijden om de kroon te ontvangen. Nog een beetje smart en ik zal voor immer de vreugde Gods smaken!» Na de heilige Communie te hebben ontvangen stierf zij in vrede met een verheerlijkt gezicht: ze zag «een Schone Vrouwe vergezeld van andere even schone zielen die naderbij kwamen en haar uitnodigden hen te volgen».

Op een dag schrijft Moeder Overste: «Een Turk uit Constantinopel, een schoenmaker, heeft me voor weinig geld zeven kinderen bezorgd. Voorheen had hij me er drie of vier gebracht die ziek waren, met de aanbeveling: «Doopt u ze opdat ze naar het paradijs zullen gaan». Hij zelf wil christen worden en hij heeft een schilderij gemaakt dat de Madonna voorstelt». Die man had het belang van de Doop begrepen. De Heer Jezus Zelf heeft ons de noodzaak van het Doopsel onderwezen: alleen wie geboren wordt uit water en geest, is in staat het koninkrijk van God binnen te gaan (Joh,5). Hij heeft dan ook zijn discipelen bevolen het Evangelie te verkondigen en alle volkeren te dopen: Ga, en maak alle volkeren tot leerling; doop hen in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest (Mt 28,19). Wie tot geloof komt en gedoopt wordt, zal gered worden, maar wie niet tot geloof komt, zal veroordeeld worden (Mc 16,16).

«Deze smart tast mijn ziel niet aan»

Vanaf haar oorsprong heeft de Kerk haar opdracht gelovigen te dopen uitgevoerd. Zij heeft dit sacrament niet alleen aan volwassenen toegediend, maar ook aan kleine kinderen. In zijn tijd sprekend over bepaalde christenen die de erfzonde ontkenden (Pelagianen), zei de H. Augustinus in 412: «Ze moeten wel toegeven dat de Doop voor kinderen noodzakelijk is, want ze kunnen niet ingaan tegen de praktijk van de universele Kerk die onbetwistbaar is doorgegeven door de Heer en de Apostelen».

De H. Gregorius van Tours († 594) verhaalt dat omstreeks 495 de koningin, H. Clotilde, als eerstgeborene een zoon kreeg die zij liet dopen. Maar het kind overleed zodra het was gedoopt. Hierdoor verbolgen, maakt koning Clovis, die nog heiden was, de koningin aldus het verwijt: «Als het kind aan mijn goden was toegewijd, zou het nog leven, terwijl het na de doop in de naam van uw God niet in leven is kunnen blijven». De koningin was sterk in haar geloof en antwoordde: «Ik zeg dank aan de Almachtige God, Schepper van het heelal, die mij niet geheel en al onwaardig heeft geoordeeld om het kind van mijn vlees aan zijn Koninkrijk te verbinden. En de smart daarvan tast mijn ziel niet aan; want ik weet dat hij geroepen is deze wereld te verlaten in zijn doopkleed om gespijzigd te worden in het aangezicht van God». Ze kreeg vervolgens een tweede zoon die zij eveneens liet dopen en in leven bleef.

Tegenwoordig wordt de Doop van kleine kinderen soms beschouwd als een aantasting van hun vrijheid, want hij houdt verplichtingen in die op volwassen leeftijd wellicht ter discussie kunnen worden gesteld. Tegen dit bezwaar kan men inbrengen dat de verantwoordelijkheid voor de opvoeding op de eerste plaats bij de ouders berust. Evenals de ouders de keuzen maken die noodzakelijk zijn voor het leven en de gerichtheid van hun kinderen op de ware menselijke waarden (zoals bijvoorbeeld hun onderwijs), zo ook mogen zij hun niet het wezenlijke goed onthouden van het goddelijk leven waarvoor ze zijn geschapen. Zo kunnen de kinderen, zodra het geweten ontwaakt, beschikken over bovennatuurlijke gaven die door de genade van de doop hun bezit zijn geworden. Het binnentreden in het christelijk leven is, verre van een vrijheidsbeperking, een bevrijding van de zonde en de toegang tot de ware vrijheid van de kinderen van God. Bovendien heeft iedere mens zijn verplichtingen van aanbidding en onderwerping jegens zijn Schepper. Doordat we van de dopeling een kind van God maken, biedt de Doop ons de mogelijkheid deze plichten volledig te vervullen.

Een schitterend geschenk

In feite «is de Doop de mooiste, de schitterendste gave Gods» (H. Gregorius van Nazianze). De twee voornaamste gevolgen ervan zijn de zuivering van de zonden en de nieuwe geboorte in de Heilige Geest. Door het Doopsel worden alle zonden vergeven en allereerst de erfzonde. «De Kerk heeft altijd geleerd, hierin de heilige Paulus volgend, dat de geweldige ellende waaronder de mensen gebukt gaan en hun neiging tot het kwaad en de dood niet zijn te begrijpen, zonder deze in verband te brengen met de zonde van Adam en het feit dat hij op ons een zonde, die de «dood van de ziel» is, heeft overgedragen en waarmee wij allen zijn besmet bij de geboorte. Op grond van deze geloofszekerheid dient de Kerk het doopsel toe tot vergeving van de zonden, zelfs aan kinderen die geen persoonlijke zonden hebben bedreven» (KKK, 403). Alle persoonlijke zonden van volwassenen die het Doopsel ontvangen, evenals alle zondestraffen worden kwijtgescholden. Bovendien maakt de Doop van de nieuweling hem tot een aangenomen zoon van God, mede-erfgenaam van de hemel met Christus, tempel van de Heilige Geest. De Allerheiligste Drievuldigheid verleent aan de dopeling de heiligende genade en de theologale deugden die hem in staat stellen te geloven in God, op Hem te hopen en Hem lief te hebben. Hij kan zodoende een heilig leven leiden, bewogen door de Heilige Geest. Maar de genade, ontvangen bij het Doopsel, moet worden ontwikkeld. De H. Paulus vraagt aan de Efeziërs zich te gedragen al naar gelang de grootheid van de ontvangen gaven: ik vraag u met aandrang om een leven te leiden dat beantwoordt aan de roeping die u van God ontvangen hebt (Ef 4, 2-3). Paus Johannes Paulus II herinnerde ons tijdens zijn bezoek aan Frankrijk in 1996 aan het feit dat «het hele geestelijke leven rechtstreeks voortvloeit uit het sacrament van het heilig Doopsel». Door dit sacrament hebben we beloofd voor eeuwig Satan en diens bekoringen te verzaken en ons aan Jezus Christus te geven om ons kruis in navolging van Hem alle dagen van ons leven te dragen. Het is een eis van heiligheid, evenredig aan de mate van de ontvangen genaden.

De nieuwgedoopte staat niet alleen bij de verwezenlijking van deze opdracht. Het Doopsel verenigt hem met alle kinderen Gods door zijn inlijving in de Kerk, het Lichaam van Christus: Want wij allen, Joden en Grieken, slaven en vrijen, zijn in de kracht van één en dezelfde Geest tot één lichaam gedoopt, en allen zijn wij doordrenkt van één Geest (1 Kor 12, 13). Als ledematen van het Lichaam van Christus, nemen de gedoopten deel aan het heilig priesterschap van Christus, d.w.z. aan zijn zending: het geloof verkondigen en deelnemen aan de apostolische activiteit van de Kerk ( vgl. KKK, 1268, 1270).

«Wees waakzaam en vertrouw op God!»

Om haar rol van missionaris te vervullen, zag Moeder Marie-Catherine zich al snel genoodzaakt tot uitbreiding van het oud huis waarnaar de meisjes bleven toestromen. Zij vraagt audiëntie aan bij de onderkoning van Egypte, Ismaël Pacha. Kalm en openhartig vraagt ze hem om een dak en om brood en zij krijgt van hem een stuk grond en een jaarlijkse toelage voor voedsel. In het vervolg zal de onderkoning, die toch moeilijk bereikbaar is en door haar wil worden geïnformeerd over de noden van het Instituut, snel audiëntie verlenen aan Moeder Overste, om deze noden «als een vader» te lenigen. De dienares van God aarzelt niet de hand uit te steken naar de rijken en machtigen om voor de kinderen overvloedige en wel bereide spijzen te verkrijgen Moeder Marie-Catherine neemt nog vaker haar toevlucht tot de heilige Voorzienigheid en tot de H. Jozef. «Alles wat ik aan de H. Jozef vraag, verkrijg ik!» roept ze op een dag triomfantelijk uit. Op een avond wordt de Overste gewaarschuwd dat er voor de volgende dag volstrekt niets meer is, geen voedsel en geen geld. Het wachtwoord dat de Moeder geeft: «Houd moed! Wees waakzaam en vertrouw op God, alles zal goed komen!» Zij zelf brengt de nacht al biddend door in de kapel. Welnu, hoe groot is de verrassing van de kosteres de volgende dag wanneer zij om de hals van het beeld van de H. Jozef een goedgevulde beurs ziet hangen! Het geloof van de Moeder was in staat bergen te verzetten.

Vele bange ogenblikken

In 1863 wordt Moeder Marie-Catherine gekozen tot abdis van haar communiteit. De grote uitbreiding verlangt dat andere zusters hulp komen bieden. Maar ondanks de verzoeken van de Moeder, toont het klooster van Ferentino geen belangstelling voor Egypte. De Overste ziet zich dus genoodzaakt een onafhankelijke religieuze familie te stichten. Op 5 juli 1868 verheft de H. Stoel de «Missionaire Zusters Franciscanessen van Egypte» tot Instituut. De roepingen stromen toe in groten getale met als gevolg de stichting van nieuwe huizen. Tussen 1868 en 1874 worden twee weeshuizen en vier scholen geopend.

In 1882 breekt de Engels-Turkse oorlog uit, terwijl drie nieuwe stichtingen in voorbereiding waren. De Italiaanse consul vraagt de zusters van Caïro zich gereed te maken voor vertrek, want men kon niet meer voor hun veiligheid instaan. Nadat ze enkele kinderen bij bevriende families hebben kunnen onderbrengen verlaten de stichteres, de zusters en de overige meisjes Caïro. In een goederentrein bereiken ze na vele bange ogenblikken via Jeruzalem, Marseille en Napels tenslotte Rome. Op de boot hebben ze zelfs niets meer te eten. Om de meisjes moed in te spreken zegt de Moeder liefdevol: «Jezus aan het kruis kreeg zelfs geen druppel water. Zouden jullie dan willen dat wij alles kregen wat wij verlangen?»

Wanneer de rust eenmaal in Egypte is weergekeerd, stuurt Moeder Marie-Catherine drie van haar zusters naar Caïro om de staat van het huis te bezien: alles is ongeschonden. Dank u, H. Jozef! De zusters keren dus terug. Onmiddellijk na aankomst worden ze bestormd door hun oude leerlingen die de schoolbanken weer innemen. In 1883 maakt de cholera talloze slachtoffers. De angst slaat opnieuw toe. «Moeder, vraagt een zuster aan de Overste, jaagt onze ellende u geen schrik aan? – Dochter, alleen het gebrek aan geloof jaagt mij schrik aan». «Laat je nooit ontmoedigen, zei ze toen, want wat de Heer niet onmiddellijk toestaat, stuurt hij op een gunstiger ogenblik… De Heer beschikt alles voor ons aller bestwil, zelfs wanneer, op het eerste gezicht, het lijkt of het niet zo is. Alle tegenstrijdigheden moeten worden bezien als geestelijke voordelen. Lijden is de ware rijkdom van de bruiden van God».

«Wat kunnen we beter verlangen dan het Paradijs?»

Op 10 april 1887, de vooravond van Pasen, begeeft een uitgeputte Moeder Troiani zich te bed. Er is geen enkele hoop op genezing, het organisme is «tot op de draad» versleten. Op 6 mei, nadat ze een laatste keer de heilige Eucharistie heeft ontvangen, buigt ze vreedzaam het hoofd en geeft de geest. «Wij hebben twee levens, had zij geschreven, het huidige en het toekomstige. Het eerste bestaat uit strijd, het tweede is daarvan de uitkomst, de beloning en de bekroning. Het eerste is een zeereis, het tweede is de haven; het eerste duurt slechts een ogenblik, het andere kent noch ouderdom noch dood». Wat ze ook haar dochters vaak aanbeval: «Doet goed jullie plicht; we hopen op een dag naar boven te gaan, in de vreugde, in het paradijs. Na zoveel vermoeienissen en leed, wat kunnen we beter verlangen dan het paradijs?» Haar begrafenis op 7 mei is een ware triomf: christenen en mohammedanen zijn aanwezig om een laatste eer te bewijzen aan deze apostel van de naastenliefde.

Laten we de Zalige Marie-Catherine Troiani vragen ons te leiden bij het vervullen van onze dagelijkse plicht, de weg naar de eeuwige zaligheid. Wij bidden tot de H. Jozef voor al uw intenties, in het bijzonder voor uw gezinnen, voor de levenden en de doden.