8 September 1999
Emmanuel Delaunet;
Dierbare Vrienden,
In een christelijk gezin in de Parijse regio komt op 20 november 1970 een kind ter wereld dat bij het Heilig Doopsel de voornaam Emmanuel ontvangt. Een broer, Vincent, en een zusje, Anne, zijn hem voorgegaan. De geboorte veroorzaakt een uitbarsting van vreugde in het hele gezin.
Drie dagen later spoedt de vader, meneer D., zich naar de kliniek met een bos bloemen. Zijn hart klopt heel snel, precies zoals de eerste keer. Daar staat hij op de drempel van de kamer. Maar dan is hij als aan de grond genageld: vanuit haar bed wendt zijn echtgenote hem een van tranen overgoten gezicht toe. Hij vliegt op haar af. Zij kijkt hem strak aan, strekt haar armen naar hem uit en met een van snikken verstikte stem brengt ze de woorden: «Ons kind is niet normaal!» uit. Instinctief keert de blik van de vader zich naar de wieg waarin de boreling ligt die met gesloten vuistjes slaapt. «Ik zie niets abnormaals; heeft iemand je iets gezegd? vraagt hij aan zijn echtgenote. – Nee, niemand; maar ik weet het, ik voel het, hij beweegt niet, hij huilt niet, hij kan ook niet drinken aan de borst».
De echtelieden blijven de hele middag samen bij hun kind. De volgende dag besluit mevrouw D. het kind door een kinderarts te laten onderzoeken. De specialist ondervraagt de moeder zeer liefdevol en vervolgens de vader, waarna hij in alle rust een lang en methodisch onderzoek van de baby start. Het wachten is een kwelling voor de ouders. Delicaat deelt de arts zijn diagnose mede en concludeert vervolgens: «Uw kind zal anders zijn dan de anderen.» Op een buitengewoon fijngevoelige manier vertelt hij de ouders dat het kind is aangetast door trisomie 21… het is «mongoloïde». De intuïtie van de moeder bleek juist te zijn.
We zullen evenveel van hem houden als van onze andere kinderen!
Meneer D. moet de familie op de hoogte brengen. Thuis aangekomen treft hij de grootouders, ooms en tantes van Emmanuel aan die zijn gekomen voor het nieuws. Hij kan zijn tranen niet bedwingen en stamelt: «mongoloïde». Algehele consternatie. Vervolgens vermannen ze zich en klinkt er spontaan uit ieders mond: «We zullen evenveel van hem houden… als van de anderen.» «De anderen», Vincent en Anne, zijn daar ook en stemmen er volledig mee in: «Ja, we zullen van hem houden, ja ik zal van hem houden!» «We zullen van hem houden!» Prachtig antwoord, een licht voor onze wereld. De christelijke houding van de familie van Emmanuel staat in contrast met de afwijzende houding die in onze maatschappij helaas nog vaak voorkomt ten aanzien van het gehandicapte, onbekwame – dat denkt men althans – kind, onbekwaam om gelukkig te worden of anderen gelukkig te maken. Paus Johannes Paulus II merkt hierover op: «We staan tegenover een realiteit die wordt gekenmerkt door een alom tegenwoordige cultuur die van geen solidariteit wil weten en zich in vele gevallen manifesteert als een echte «cultuur van de dood»… Men is geneigd om hem die door zijn ziekte, zijn handicap of eenvoudigweg door zijn aanwezigheid het welzijn of de levensgewoonten van de meer bevoorrechten in het gedrang brengt, te beschouven als een vijand tegenover wie men zich moet verdedigen of die moet worden uitgeschakeld. Zo wordt als het ware een samenzwering tegen het leven gesmeed» (Encycliek Evangelium Vitae, 12). De weigering om mensen die last bezorgen te verwelkomen en te laten leven (het verwekte maar «niet gewenste» kind, de gehandicapte, of bejaarde, de zieke in het terminale stadium…) geeft blijk van een grondige miskenning van de waarde van ieder mensenleven.
De mens is een zeer hoge waardigheid geschonken die diep is geworteld in de intieme band die hem verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een weerschijn van de werkelijkheid van God zelf (vgl EV, 34). Die weerschijn wordt niet tenietgedaan door een geestelijke handicap.
Ik zal u nooit vergeten!
Doordat hij is gemaakt naar het beeld van God en als een uniek schepsel is begiftigd met verstand en vrije wil, is de mens in staat zijn Schepper te kennen en lief te hebben. Hij is geroepen om een liefdesverbintenis met Hem aan te gaan, zelfs wanneer die een tijd lang of zelfs een leven lang op dit ondermaanse moeilijk of mysterieus wordt gemaakt. «Laten we trachten te begrijpen hoe teder de liefde van God is», zei moeder Teresa uit Calcutta. «Want Hij zelf zegt in de Schrift: Zou een moeder haar kind vergeten, Ik vergeet u nooit! In mijn handpalmen heb Ik u geschreven (vgl Js 49, 15-16). Wanneer je je alleen, verworpen, ziek en vergeten voelt, weet dan weer dat je voor Hem kostbaar bent. Hij houdt van je. Je bent van groot belang in zijn ogen.»
Het belang van ieder mens in de ogen van God komt des te meer tot uiting in de Verlossing, de afkoping van de zonden: Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om onze zonden uit te wissen (1 Joh 4, 10). «Door het kostbaar bloed van Christus te aanschouwen, leert de gelovige de bijna goddelijke waardigheid van elke mens te erkennen en te waarderen; hij kan in steeds nieuwe bewondering en dankbaarheid uitroepen: Hoe groot en waardevol moet de mens wel zijn voor zijn Schepper, als hij «zulk een groot Verlosser heeft verdiend» (uit het Exultet van de Paasnacht), en als God zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven opdat de mens niet verloren zou gaan, maar het eeuwig leven zal hebben! (vgl Joh 3, 16)» (EV, 25).
«Kind van God, geheel en al»
Het leven dat Gods Zoon aan de mensen is komen geven, beperkt zich niet tot het bestaan in de tijd. Het is geroepen in alle eeuwigheid voort te duren. De apostel Johannes schrijft: Hoe groot is de liefde die de Vader ons betoond heeft! Wij worden kinderen van God genoemd en we zijn het ook!… Geliefden, nu al zijn wij kinderen van God en wat wij zullen zijn is nog niet verschenen, maar we weten dat, wanneer Hij zal verschijnen, wij aan Hem gelijk zullen zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is (1 Joh 3, 1-2).
De grootvader van Emmanuel laat deze waarheid goed uitkomen wanneer hij schrijft: «Het Doopsel van mijn kinderen (en van mijn kleinkinderen) is voor mij elke keer weer een groots moment geweest. Tegenwoordig schijnt men het accent op de «intrede in de Kerk» te leggen. Dat is goed. Maar wat ik er zelf vooral in zie is het geboren worden van dat kind van ons vlees tot het Leven van God zelf. Emmanuel zal qua verstandelijke ontwikkeling en lichamelijke capaciteiten niet zijn zoals andere kinderen. Maar ik weet en ik voel hier geen enkele minderwaardigheid in; het is een Kind van God, ten voeten uit, aan deze essentiële waardigheid verandert de ziekte niets.»
Op deze wijze «komt de christelijke waarheid over het leven tot haar volheid. Niet enkel de oorsprong van het leven, namelijk omdat het uit God komt, bepaalt de waardigheid ervan, maar ook het doel ervan, namelijk dat het leven is bestemd om in gemeenschap te treden met God, om Hem te kennen en te beminnen» (EV, 38). Deze liefdesverbintenis is niet voorbehouden aan een elite van volmaakt gevormde mensen. Zij strekt zich ook uit tot alle «armen» van lichaam of geest. «Blinden zien en lammen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd» (Luc 7, 22). Met deze woorden van de profeet Jesaja (35, 5-6; 61,1) verklaart Jezus de zin van zijn zending: zo vernemen allen die in hun bestaan van een of andere handicap te lijden hebben de blijde boodschap dat God zorg voor hen draagt; zij worden ervan verzekerd dat ook hun leven een gave is die de Vader zorgvuldig in zijn handen bewaart (vgl. Mt 6, 25-34) (EV, 32).
Zijn beperktheden overschrijden
Geliefden, als God ons zo heeft liefgehad, moeten ook wij elkaar liefhebben (1 Joh 4, 11). De opvoeding van Emmanuel is gebaseerd op geduld en op de alles doordringende liefde waartoe de Heilige Johannes ons aan-
spoort. Zo’n opvoeding veronderstelt dat we precies weten wat de aard van de handicap is. Professor Jérôme Lejeune, die in 1959 de oorzaak van trisomie 21 heeft ontdekt, legt uit dat deze ziekte geen raciale smet is en ook niet het gevolg van syfilis, alcoholisme of de slechte hersenkwaliteit van de ouders, zoals men tot dan toe had gedacht: het is een chromosoomafwijking. Het «mongoloïde» kind bezit alle organen, de gehele genetische machinerie die een mens eigen is, zonder «fout in het bouwplan»; het heeft alleen een teveel aan genetische informatie omdat zijn cellen door een afwijking een chromosoom teveel hebben. Het betreft een ziekte die de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens in de weg staat, zonder het geheugen, noch het gevoelsleven aan te tasten van de door deze ziekte aangetaste persoon.
De medische wetenschap heeft goede hoop de slachtoffers van deze kwaal ooit daarvan te genezen. Zoals de meeste geestelijk gehandicapten onderscheidt Emmanuel zich van andere kinderen door zijn indolentie. Maar mevrouw D. legt zich niet neer bij dit gegeven: vastberaden spoort ze het kind aan zijn beperktheden te overschrijden. Wanneer hij voorover valt, komt hij niet op de gedachte zijn hoofd te beschermen met zijn handen. Zijn moeder leert hem hoe hij moet vallen, op een matras, met de armen uitgestoken, totdat het een automatisme is geworden. Om hem te leren lopen, pakt ze het ene en vervolgens het andere been en laat hem steunen tegen de wand en dat dagen lang totdat hij het alleen kan; geduld doet wonderen! Met dezelfde aanpak leert ze hem de trap op- en afgaan… Het duurt niet lang of Emmanuel doet mee aan een partijtje hardlopen samen met zijn vader, zijn broer en zijn zusje en van tijd tot tijd laten ze hem als eerste eindigen onder applaus van zijn moeder. Het heeft hem veel energie gekost om zijn tong, lippen en tanden te wennen aan het gebruik van klinkers en medeklinkers. Hij praat graag maar zijn uitspraak is vaak onduidelijk. Wanneer men hem niet begrijpt, laat men hem één, twee, drie keer herhalen wat hij wil zeggen: tot hij het moe wordt, zijn hoofd tussen zijn handen pakt, een minuut of twee, om vervolgens weer rechtop te gaan zitten en het juiste woord eruit brengt, of een synoniem ervan. Hij heeft een scherp besef van goed en kwaad, van wat mag en niet mag. Terwijl hij zo bezig is of zich vermaakt, verspreidt hij blijheid om zich heen. Daarbij is hij ook een plaaggeest en heeft aan schelmenstreken geen gebrek. Lachen kan hij als de besten. Hij houdt van sport: met voetballen slaat hij een uitstekend figuur, bij judo is hij niet voor een kleintje vervaard. Bij het kaatsspel krijgt zijn armslag iets «magisch»: nooit mist hij het doel. Van de evenwichtsbalk is hij niet bang: hij staat altijd zijn mannetje. De vakantie brengt het gezin in de bergen door met soms wat lange wandeltochten, vooral lang wanneer het bergopwaarts gaat en dan hoor je hem met zijn kleine stemmetje: «Kunnen we heel even ergens uitrusten?»
Gedompeld in tederheid
Over het algemeen zijn alle mensen die met Emmanuel in aanraking komen, gecharmeerd door de verschillende trekken van zijn karakter. Allereerst schenkt hij zijn vertrouwen aan iedereen, zonder voorbehoud. Vervolgens is de blik die hij op je laat rusten zo buitengewoon liefdevol dat hij zich als water over je uitspreidt en tot in iedere holte doorstroomt. Hij dompelt je onder in zijn tederheid.
Emmanuels geval bevestigt het getuigenis van Jean Vanier, stichter van de Ark: de aandacht die welwillend aan gehandicapten «wordt geschonken zet zich beetje bij beetje om in een verbintenis van harten want, zelfs met een handicap beantwoordt een mens liefde met liefde… Door een relatie van wederzijds vertrouwen verandert het beeld van de gekwetste en depressieve persoon in een positief beeld door de persoon zijn eigen waarde en waardigheid te leren ontdekken en hem hoop en een reden om te leven geven… Zwakke mensen bezitten een geheimzinnige macht die uitnodigt tot eenwording, hen die er ontvankelijk voor zijn verandert, ze dichter bij het hart van God brengt. Zij zijn een bron van eenheid».
In het lijden… met Jezus
Op 30 januari 1976 krijgt Emmanuel een flinke neusbloeding, gevolgd door koortsaanvallen. Op 17 maart wordt hij in het Parijse ziekenhuis La Salpétrière opgenomen. Er wordt een ruggemergpunctie uitgevoerd. De onderzoeken wijzen uit dat hij leukemie heeft. Zeven jaar lang wordt hij talloze malen in het ziekenhuis opgenomen maar elke keer lost het ene familielid het andere af om te zorgen dat hij nooit alleen is. Tussentijds verblijft hij in het gezin maar aan het eind krijgt hij de ene terugval snel op de andere.: juli 82, april 83, juli 83.
Al vroeg heeft Emmanuel Jezus willen ontvangen. «En ik?» zei hij telkens als hij zijn moeder zag communiceren. Tijdens de zondagsmis is hij zelden verstrooid en wanneer het om de dingen Gods gaat «is hij er volledig bij». Soms deelt hij standjes uit aan kinderen die lawaai maken in de kerk of maakt hun duidelijk dat ze moeten zwijgen. Van dag tot dag wordt zijn geloof rijper. De aantrekkingskracht van «Jezus-Hostie» wordt steeds groter. Witte Donderdag, 23 maart 1978, ontvangt hij Hem voor de eerste keer. Vanaf die dag communiceert hij tijdens iedere mis met een vurig verlangen en van diepe vroomheid vervuld. Op een dag, na de communie in een parochiekerk van Auxerre, loopt hij niet terug naar zijn plaats naast zijn ouders maar blijft hij zitten op een plaats in het koor, met gebogen hoofd boven zijn gevouwen handen. Zijn vader vraagt hem in het voobijgaan: «Wat doe jij daar, Emmanuel? Ik bid Maria dat mama niet meer huilt.» De Plechtige Communie ontvangt hij op 24 april 1983.
Die gevoeligheid, dat open staan voor het goddelijke hebben de meeste trisomiepatiënten met elkaar gemeen. Jezus klopt aan de deur van ieders hart, maar bij deze kleinen wordt Hem het snelst opengedaan. In een commentaar op de toespraak van Paus Paulus VI waarin deze de gehandicapten aanspoort het pad naar de heiligheid te bewandelen, verklaart Jean Vanier: « Sommige mannen en vrouwen met een geestelijke handicap zijn inderdaad Heiligen. Door hun eenvoud, hun dorst naar liefde en de manier waarop ze openstaan voor Jezus beschamen ze de groten van deze wereld, zij die het buiten de dienstbaarheid en de vereniging van harten zoeken. In hun armoede en beperktheid zijn de gehandicapten rijk in het geloof, zoals de apostel Jacobus het ons in herinnering brengt: Luister, geliefde broeders en zusters: heeft God degenen die in de ogen van de wereld arm zijn, niet uitgekozen om rijk te zijn in het geloof en om erfgenamen te zijn van het koninkrijk dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben?» (Jac 2, 5)
Een afschuwelijke misdaad
De gehandicapten «horen echter bij de meest onderdrukte personen in onze wereld, ondanks de vooruitgang die in sommige landen is geboekt. Velen, meer en meer, worden al aan de kant gezet zodra ze aan de moederborst liggen.» (Jean Vanier). Op een dag ontvangt professor Lejeune op zijn spreekuur een trisomiepatiënt van tien jaar die zich in zijn armen stort en zegt: «Ze willen ons dood; jij moet ons beschermen, want wij zijn te zwak, wij zullen ons niet kunnen verdedigen!» De vorige dag had hij met zijn ouders naar een televisieuitzending over abortus gekeken waarin werd uitgelegd dat het dankzij de prenatale diagnose mogelijk is het chromosoom trisomie 21 op te sporen en deze ongewenste kinderen weg te maken. Sindsdien neemt de professor het onvermoeibaar op voor het ongeboren kind. Hij had begrepen dat de allereerste bedreiging voor het leven van gehandicapten gelegen was in de prenatale diagnose wanneer deze werd uitgevoerd om tot abortus aan te zetten. «De prenatale diagnose waaraan geen morele bezwaren kleven wanneer deze wordt uitgevoerd om vast te stellen of het ongeboren kind eventueel een behandeling nodig heeft, wordt al te vaak een aanleiding om abortus voor te stellen of te plegen.» (Joh. Paulus II, EV 14). Terwijl abortus op zich altijd een zeer ernstige zonde is. Paus Joh. Paulus II schrijft: «Het gebod: gij zult niet doden, heeft absolute waarde voor een onschuldige. En dit des te meer, wanneer het gaat om een menselijk wezen dat zwak en zonder bescherming is, dat slechts in de absolute aard van het goddelijk gebod een radicale bescherming vindt tegen willekeur en machtsmisbruik van een ander… De beslissing met voorbedachten rade om een onschuldig menselijk wezen het leven te ontnemen is moreel altijd slecht en kan nooit geoorloofd zijn, noch als doel, noch als middel om te komen tot een goed doel… Volstrekt niemand kan op enigerlei wijze toestaan dat een onschuldig menselijk wezen wordt gedood, of het nu een foetus is of een embryo, een kind of een volwassene, een bejaarde, ongeneeslijk zieke of iemand die in doodsstrijd verkeert. Bovendien is het niemand geoorloofd deze dodelijke handeling voor zichzelf of voor een ander, die aan zijn verantwoordelijkheid is toevertrouwd, te zoeken, ja mag er zelfs noch expliciet noch impliciet mee instemmen. En geen enkel gezag mag haar wettelijk opleggen of toestaan» (Ibid., 57).
Tegenwoordig is in het geweten van heel wat mensen het besef van de ernst ervan geleidelijk verduisterd. «Dat abortus in de mentaliteit en de zeden van de mensen en zelfs in de wet wordt aanvaard, is een sprekend teken van een zeer gevaarlijke crisis van het morele bewustzijn, dat steeds minder in staat is het goede van het kwade te onderscheiden, zelfs wanneer het fundamentele recht op leven in het geding is. Tegenover zo’n ernstige situatie is het meer dan ooit nodig moedig de waarheid voor ogen te houden en de dingen bij hun naam te noemen zonder toe te geven aan gemakkelijkheidsoplossingen of aan de verleiding zichzelf te bedriegen. Zeer stellig klinkt in dit verband het verwijt van de profeet Jesaja: «Wee hen die het kwade goed noemen en het goede kwaad, die van het duister licht maken en van het licht duisternis (Js 5, 20)» (EV, 58).
Sommigen trachten abortus te rechtvaardigen door te beweren dat de bevruchte eicel tot op een zeker aantal dagen niet kan worden beschouwd als menselijk leven van een persoon. In werkelijkheid is er «vanaf het moment van bevruchting van de eicel begin van menselijk leven, dat noch het leven van de vader, noch dat van de moeder is, maar van een nieuw menselijk wezen dat zich voor zichzelf ontwikkelt. Als het niet reeds vanaf dat moment menselijk is, zal het dat nooit worden. De moderne genetische wetenschap levert alleen maar kostbare bevestigingen van dit vanzelfsprekende gegeven. Zij heeft aangetoond dat vanaf het eerste moment het program van wat dit menselijk leven zal zijn, vastligt: het zal een mens zijn, een individueel mens met zijn dan reeds bepaalde karaktertrekken.» (Congregatie voor de Geloofsleer, 18 november 1974). Gesterkt door een dergelijke overtuiging, verworven dankzij de wetenschap, merkte professor Lejeune graag op: «De meest materialistische student in de Geneeskunde moet wel erkennen dat het menselijk leven begint bij de conceptie, anders is hij gezakt!»
Je bent te moe!
Op 7 september 1983 verklaart de arts tegenover de ouders dat er niets meer aan te doen is. Hoewel hij aan het eind van zijn krachten is, wil Emmanuel de laatste zondagen naar de mis en de mis dienen. Zijn broer tracht hem ervan te weerhouden: «Je bent te moe en daarbij zul je niet eens kunnen knielen.» Met een ongelooflijke moed om te laten zien dat hij het kan en dat hij ernaartoe wil, drukt Emmanuel zich op, maakt zich los van de vloer en staat op, zonder hulp, maakt een kniebuiging en staat vervolgens weer op, recht als een kaars. Hij gaat Jezus dienen. Op 27 september wordt niets meer ondernomen. Emmanuel kan alleen nog kermen in zijn bed. Vader en moeder staan samen over hem heen gebogen. Zwakjes maar helder neemt het kind het woord: «Je weet dat ik veel van je houd, papa – Je weet dat ik veel van je houd, mama.» Het zijn zijn laatste woorden aan zijn ouders. Het is zijn manier om te zeggen: «tot ziens in de hemel».
«Emmanuel, God met ons, zal een met hoop geladen symbool blijven. Want christenen zijn mensen voor wie de geboorte, het leven en de dood van een klein gehandicapt kind meer waard zijn dan alle applaus aan de afgoden, meer dan alle heerschappijen en meer dan alle goud van de wereld» (Eerwaarde Maurice Cordier, vroegere pastoor van de familie van Emmanuel).
Moge de Heilige Maagd Maria en de H. Jozef ons leren zien en Jezus leren dienen in onze broeders, met name in de armsten onder hen! De monniken bidden voor u, voor uw overledenen en voor al uw intenties.






