16 November 1999

Mgr Buguet

Dierbare Vrienden,

Het is avond, 1 november 1876. Auguste Buguet luidt de klokken van Notre-Dame de Mortagne-au-Perche (Normandië). Eén van de klokken raakt los, slaat als een pons haar vorm in het gewelf en komt terecht op de klokkenluider die zij verbrijzelt. De dag na het ongeval schrijft de broer van de overledene, een priester, wiens hart diep is geroerd door deze plotselinge dood: «Mijn God, sta me toe uw goedheid te overdenken. Ik ben gebroken van smart door dit afschuwelijk ongeluk. Alleen uw goedheid kan mij nog overeind houden». Onmiddellijk klinkt dan uit zijn priesterhart de kreet op: «En zijn ziel?» Daar hij niet weet in welke geestelijke staat zijn broer is verongelukt, smeekt hij: «O, mijn God, zeg ons dat U van ons houdt… Zeg mij, dat U mijn broer hebt gered». Zeer begrijpelijke ontreddering van een mensenhart, maar die eindigt in een kinderlijke overgave aan God: «Al wat gebeurt, de geringste gebeurtenis, een haar dat uitvalt, gebeurt slechts met de toestemming of door de wil van God, en God kan niets willen of toestaan dat niet voor ons welzijn is. Vandaar mijn conclusie dat ik geheel ter beschikking van God moet blijven.»

De houding van vader Buguet komt voort uit zijn geloof in het laatste artikel van het Credo: «Ik geloof in het eeuwig leven». Het belang van dit artikel zal niemand ontgaan: het drukt in termen van tijd en doel Gods plannen met de mens uit. Welnu, tegenwoordig ondervinden veel mensen, zelfs onder de christenen, een zekere onbehaaglijkheid en ongerustheid ten aanzien van dit onderwerp: bestaat er iets na de dood? Wacht ons na de dood niet het niets? Ter verheldering van deze kapitaal belangrijke vraag, verklaart de Kerk het voortbestaan na de dood van een spiritueel element, «ziel» genoemd, dat een geweten en een wil bezit, zodat het menselijke «ik» voortbestaat. De menselijke persoon, geschapen naar Gods beeld, is inderdaad zowel een lichamelijk als een geestelijk wezen. Het bijbelverhaal geeft uiting aan deze werkelijkheid wanneer het verklaart dat God de mens boetseerde uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus: zo werd de mens een levend wezen (Gn 2, 7). Deze levensadem duidt op het intiemste van de mens, zijn spirituele «ziel» die hem heel in het bijzonder tot «Gods beeld» maakt. Iedere menselijke ziel wordt rechtstreeks door God geschapen; zij wordt niet door de ouders «voortgebracht». Bij de dood van het lichaam gescheiden, zal zij zich opnieuw met het lichaam verenigen bij de uiteindelijke verrijzenis (cf. Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 362-363, 366).

Dankzij zijn ziel kan de mens nadenken over de wereld om deze te begrijpen en niet-materiële zaken op te merken (liefde, het goede, schoonheid, rechtvaardigheid, enz). «Maar de mens vergist zich niet, wanneer hij het inzicht heeft, dat hij superieur is aan de lichamelijke realiteit (…) Door zijn innerlijkheid gaat hij immers alle natuurdingen te boven (…) Derhalve verlaat hij zich, wanneer hij een geestelijk en onsterfelijk levensbeginsel in zichzelf erkent, niet bedrieglijk op een valse fantasie die alleen zou voortvloeien uit fysieke en sociale vooronderstellingen, maar raakt hij integendeel juist de diepste waarheid van de realiteit» (Vaticanum II, Gaudium et spes, 14).

Eeuwige bestemming

Waar blijft de ziel dus na de dood? «Getrouw aan het Nieuwe Testament en aan de Traditie, gelooft de Kerk in de gelukzaligheid van de rechtvaardigen die op een dag bij de Christus zullen zijn. Zij gelooft dat de zondaar een eeuwige straf, die hem berooft van de aanblik van God, te wachten staat en dat die straf zijn weerslag heeft op heel zijn wezen. Zij gelooft tenslotte voor de uitverkorenen in een eventuele, aan de aanschouwing van God voorafgaande zuivering, een zuivering die niets gemeen heeft met de straf van de verdoemden. Dat bedoelt de Kerk wanneer zij spreekt over hel en vagevuur» (Congregatie voor de Geloofsleer, Brief van 17 mei 1979). Uit wat het Geloof hier leert, blijkt wel de ernst van het probleem waarvoor het zielenheil ons stelt, want de bestemming van de mens na de dood is onherroepelijk en eeuwig. Daarom kon Onze-Lieve-Heer ook zeggen: Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zijn ziel verliest? (Mt 16, 26). Nu begrijpen we ook de bezorgdheid van vader Buguet voor het eeuwig lot van zijn broer. In de verwachting van het heil, bidt hij voor hem om te verkrijgen dat hij het paradijs zal mogen binnengaan. Vervolgens gaat zijn gedachte uit naar alle overledenen en dan beschouwt de priester deze dood als een uitnodiging van de hemel om een werk van barmhartigheid ten gunste van alle verscheiden zielen op zich te nemen. Er gaan echter nog meerdere jaren voorbij voor dit plan concreet wordt verwezenlijkt.

Maar wie is die priester Buguet? Paul-Joseph Buguet wordt geboren op 25 maart 1843, te Bellavilliers, in de Orne. Zijn ouders zijn zeer arm en komen moeizaam aan de kost voor zichzelf en hun twee jongens. Een serieuze klassieke opleiding aan een college in Mortagne, bereidt Paul voor op het Priesterseminarie van Sées in 1862. Daar geeft hij zich met grote zorg over aan de studie «voor God, de Kerk en de zielen». «Er zijn drie dingen waar ik naar moet streven, schrijft hij: versterving, nederigheid en

ingekeerd

heid. Daarmee zal het me lukken een heilige priester te worden». Hij ontvangt de priesterwijding op 26 mei 1866.

Na twaalf jaar ambtsuitoefening, als kapelaan in Sainte-Honorine-la-Chardonne en als pastoor in Saires-la-Verrerie, komt vader Buguet op 1 augustus 1878 aan in de parochie van la Chapelle-Montligeon (700 inwoners) waar hij als pastoor is aangesteld. De gemeente is arm; de trek naar de stad bedreigt het platteland. Weggeconcurreerd door de nieuwe fabrieken, sluiten de oude huisweverijen. De jongeren gaan naar de stad, waar hun geloof ruw op de proef wordt gesteld. «Bedroefd over deze nood met als uitzicht een verlaten parochie, bracht ik lange ogenblikken door aan de voet van het beeld van Sint-Jozef die ik smeekte mij een middel te doen vinden om werk en brood aan dit volk te geven, zonder dat het gedwongen zou zijn de middelen van bestaan in de steden te gaan zoeken».

Vader Buguet, die zijn verlangen om de overledenen te hulp te komen niet is vergeten, ziet zich aldus geconfronteerd met twee belangen die hij moet verdedigen: «Ik probeerde twee doelen met elkaar te verenigen: laten bidden voor de in de steek gelaten zielen in het vagevuur, deze verlossen van hun straffen door het Misoffer dat de hoogste boetedoening insluit en, in ruil daarvoor, een middel vinden de arbeiders aan de kost te brengen. Naar mijn idee was dat zoiets als een wederzijdse gave onder lijdende zielen in het vagevuur en arme verlaten zielen op aarde. Het was een wederzijdse verlossing». Met bijzondere hulp van de Voorzienigheid zal hij dit dubbele doel bereiken.

De Mis van maandag

Al geruime tijd had vader Buguet het gevoel gecommandeerd te worden door een innerlijke stem die hem zei een liefdewerk in het leven te roepen ter verlossing van de in de steek gelaten zielen in het vagevuur. Wanneer hij op een dag het Heilig Misoffer opdraagt in een kapel gewijd aan de H. Jozef, Patroon van de Goede Dood, ontvangt hij voor dat doel een «opdracht». Een tamelijk ongewoon feit zal het startsein geven aan het nieuwe liefdewerk.

«’s Maandags droeg ik graag de Mis op voor de meest in de steek gelaten zielen van het vagevuur en ik bemerkte dat die zielen heel wat gunsten voor mij verkregen, vertelt de priester. In mei 1881, kwam iemand die ik niet kende me vragen een Mis op te dragen voor haar intenties. Ze was zo te zien ongeveer vijftig jaar oud; ze was toen zeer eenvoudig gekleed, zoals een vrouw van het volk; ze wekte respect en vertrouwen. Een week later, tijdens de Mis die ik op haar verzoek opdroeg, was ik verbaasd haar achterin de Kerk te zien staan, gekleed in een hemelsblauwe jurk en het hoofd bedekt met een lange witte sluier die viel tot aan haar middel. Wie was het? Ik ben het nooit te weten gekomen… Ze bad geruime tijd voor het altaar van de Heilige Maagd». Meerdere personen hebben deze vrouw die tot twee keer toe is gekomen, gezien. Toen ze weer vertrok, keken een tiental personen haar na. Ze was plotseling verdwenen. Dat zijn de feiten.

Een stuiver!

Vanaf 3 september 1884 onderneemt hij de nodige stappen om het Werk te organiseren. Eerst heeft hij de toestemming van de bisschop nodig om een vereniging op te richten teneinde Missen te laten opdragen ten gunste van de meest in de steek gelaten zielen van het vagevuur. De bijdrage die van de verenigingsleden wordt verlangd bedraagt één stuiver (vijf cent) per jaar. «Mijn beste pastoor wat gaat u met één stuiver doen? vraagt de bisschop hem – Monseigneur, dat is het werk van de armen. – Welnu, doet u maar zoals u wilt. Lukt het u niet, heeft u toch de verdienste en als het God belieft, zal niets uw Werk tegenhouden».

Vader Buguet wordt dan «de handelsreiziger van de Zielen van het Vagevuur». Hij doorkruist de streek, van parochie naar parochie. Een stuiver, dat kan je niet weigeren. Zijn bezoeken worden gecompleteerd met een blaadje dat sneller en verder vliegt dan hij. Drie jaar later kennen alle diocesen in Frankrijk het Werk . Het buitenland blijft niet achter: Engeland, Nederland, Italië, Spanje, Canada, vervolgens de Antillen, China, Japan, Ceylon ( Sri Lanka), Palestina, Rusland, Syrië… Vóór het einde van de eeuw heeft vader Buguet, met de wandelstok in de hand, Europa, een deel van de Verenigde Staten en van Canada doorkruist.

Dit apostolaat maakt het nodig een blaadje te drukken om kond te doen van het spirituele initiatief van Montligeon. Het begin is zeer bescheiden. Langzaam maar zeker worden er echter tweedehands drukkerijmachines aangeschaft, arbeiders leren het vak, er komen bestellingen van het buitenland. Beetje bij beetje ontstaat een fabriek die bewonderenswaardig goed is geoutilleerd. Op die manier verwezenlijkt vader Buguet met behulp van de Voorzienigheid zijn wens werk te verschaffen aan zijn parochianen.

Een miskend dogma

In een van de eerste voor het Werk gedrukte blaadjes wordt geconstateerd hoe weinig men in het algemeen zorgt voor de zielenrust van de overledenen: «U weet heel goed, beste lezers, hoe weinig de mensen van de wereld zich bekommeren om de doden. Wanneer zoon

– en dochterlief enkele tranen hebben vergoten boven het stoffelijk overschot van hun ouders, wanneer ze op hun graf een paar bloemenkransen hebben gelegd en, hoogstens in de betere families, een paar Missen hebben aangevraagd voor beider zielerust, denken ze tegenover hen aan hun plichten te hebben voldaan». Ook nu nog wordt het dogma van de loutering van de zonden in het vagevuur vaak miskend. De Katechismus van de Katholieke Kerk zet deze geloofswaarheid aldus uiteen: «Zij die sterven in de genade en de vriendschap van God, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, ondergaan, hoewel ze reeds van hun eeuwig heil verzekerd zijn, na hun dood een loutering ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de hemel te kunnen binnengaan… De Kerktraditie verwijst naar bepaalde teksten in de Schrift (cf. 1 Kor 3, 15; 1 Pe 1, 7), en spreekt van een louterend vuur» (KKK, 1030-1031). Deze laatste loutering van de uitverkorenen is iets heel anders dan de verdoemden in de hel meemaken: deze laatsten zijn voor altijd uitgesloten van het paradijs en zullen de liefde niet kennen. De zielen in het vagevuur beminnen God en zijn er zeker van naar de hemel te gaan wanneer ze hun boete hebben gedaan.

«De zonde heeft een dubbel gevolg, verklaart de Katechismus. De zware zonde leidt tot verbreking van de gemeenschap met God. Daardoor maakt ze ons onbekwaam voor eeuwig leven, waarvan het gemis «de eeuwige zondestraf» genoemd wordt (de hel). Anderzijds brengt elke zonde, ook een dagelijkse, een ongezonde gehechtheid aan de schepselen met zich mee. Deze gehechtheid heeft een loutering nodig , hetzij hier op aarde, hetzij na de dood in de toestand die vagevuur genoemd wordt. Deze loutering bevrijdt van wat men de ’tijdelijke zondestraf’ noemt. Deze beide straffen moeten niet beschouwd worden als een soort wraakneming die God van buitenaf oplegt, maar als iets wat uit de aard van de zonde zelf voortvloeit» (KKK, 1472).

De hoogste barmhartigheid

Het vagevuur is de hoogste barmhartigheid die God voorbehoudt aan hen die in de liefde zijn gestorven, maar die niet volledig aan de hoge eisen die de liefde stelt hebben kunnen voldoen. Zij zouden God nu van aangezicht tot aangezicht moeten zien maar ze kunnen het niet. «Het leed, hiervan het gevolg, is louterend. Het is een soort verbanning, een leed in de liefde en liefdesleed, maar zuiver louterend en verzoenend» (Kardinaal Journet, 1891-1975, Vergeving van de zonde – Aflaten, 1966-67).

Het vuur van het vagevuur is als een werktuig van de Goddelijke Gerechtigheid en raakt de ziel op een manier die niet in woorden is uit te drukken «in haar diepste wezen». De zielen die dat vuur verduren doorstaan onafgebroken, zo groot en zo hevig als zij is, een pijn waaraan ze niet kunnen ontkomen. De Kerkvaders leren dat het lijden in het vagevuur alles overtreft wat wij ons aan aardse ontberingen kunnen voorstellen. Er is echter ook troost aan verbonden. De grootste troost is de zekerheid door God te worden bemind en Hem niet meer te kunnen verliezen door de zonde. Bovendien vervult de liefde waaraan de zielen in het vagevuur smartelijk lijden, hen met een innige vreugde en stelt de hoop hen in staat in alle zachtmoedigheid geduld te oefenen.

Mooi en geheimvol

De zielen in het vagevuur kunnen niets doen om hun straffen te verlichten. Maar «ter aflossing van die straffen zijn de voorbeden van de levende gelovigen hun van nut, dat wil zeggen: offerandes bij de mis, aalmoezen en andere vrome werken die gelovigen voor andere gelovigen volbrengen» (Concilie van Florence). «Deze leer vindt ook steun in de gebedspraktijk voor de overledenen, waarover de Heilige Schrift al spreekt: Daarom liet Judas de Makkabeeër voor de overledenen een zoenoffer opdragen, opdat zij van hun zonden zouden worden vrijgesproken ( 2 Makk. 12, 45). Vanaf de eerste tijden heeft de Kerk de nagedachtenis van de overledenen geëerd door voor hen voorbeden te verrichten en vooral door voor hen het offer van de eucharistie op te dragen, opdat zij na gelouterd te zijn, kunnen komen tot de gelukzalige aanschouwing van God. De Kerk beveelt ook aalmoezen, aflaten en werken van boetvaardigheid aan ten gunste van de overledenen: «Laten we hun nu hulp bieden en ons om hun nagedachtenis bekommeren. Als immers de kinderen van Job door het offer van hun vader gereinigd zijn, waarom twijfelt gij er dan aan dat onze offers voor de doden hun enige troost verschaffen? (vgl. Job 1, 5). Laten wij dus niet moe worden hulp te bieden aan hen die heengegaan zijn en onze gebeden voor hen op te dragen.» (H. Johannes Chrysostomus)» (KKK, 1032). «Wij raken hier aan iets moois en geheimvols, schrijft kardinaal Journet. Een grote mate van naastenliefde (te betrachten op aarde) had ons van onze hele zondenstraf kunnen zuiveren; het vagevuur kon vermeden worden, in die zin is het iets abnormaals en dat verklaart dat de Kerk van het vagevuur, als zodanig tot onmacht veroordeeld, geheel en al afhankelijk is van de naastenliefde van de Kerk op aarde». Er bestaat dus tussen de gelovigen van het vagevuur en hen die nog op aarde zijn « een bestendige liefdesband en een overvloedige uitwisseling van allerlei goederen» (Paulus VI, vgl. KKK, 1475).

We begrijpen nu ook vader Buguet wanneer deze schrijft: «Mijn God, schenk mij de genade mij van deze gedachte te doordringen: Boetedoening. Ach! Als ik al de lieflijkheid zou begrijpen die in dat woord is vervat, zou ik de versterving niet vrezen zoals nu. Ik zou met liefde penitentie doen, zij zou een troost voor mij zijn… Welnu! Laten we daarom ter vermindering van het vagevuur penitentie doen. Daarvoor kunnen wij alles aanbieden, van de vroege ochtend tot de late avond, al onze droefenissen, verdriet, ongerustheid…» En hij wijdt zich moedig aan het «Werk van Boetedoening». De zijbeuk van het oude kerkje van Montligeon wordt de zetel van dit Werk. In steeds groter aantal kwamen de pelgrims bidden aan de voet van Onze-Lieve-Vrouw van de Verlossing. Zes jaar na aanvang van dit apostolaat, vat vader Buguet, gesteund door meerdere priesters onder zijn medewerkers, het plan op haar te kronen met een groots bouwwerk.

Een basiliek midden op het platteland

Op een dag in de zomer van 1894 staat de stichter van het Werk voor zijn bisschop: «Monseigneur, ik zou graag een grote kerk bouwen voor de meest in de steek gelaten zielen van het vagevuur. – Hoeveel heeft u in kas? – Een kleine 50 000 frank (goud). – Welnu! Beste pastoor, wanneer u 100 000 frank hebt, kunt u beginnen». Uit het veld geslagen, keert de priester terug naar Montligeon. Daar treft hij een brief aan van een dame uit Parijs met een uitnodiging haar te komen bezoeken voor een gift die zij hem wil doen. Hij stuurt er een van zijn medewerkers heen.De gift bedraagt precies 50. 000 frank! De verbaasde bisschop verleent zijn toestemming om de werkzaamheden te beginnen. Om de mensen te prikkelen nieuwe giften te doen, brengt de stichter het driemaandelijkse Bulletin van de Kerk van Onze-Lieve-Vrouw van Montligeon uit. Het resultaat is en blijft buitengewoon: een wijdse basiliek midden op het platteland. Zijn bouwplan heeft de vorm van een Latijns kruis van 74 meter lengte. De voorgevel wordt door twee spitse torens geflankeerd. Binnen verheft zich boven het hoofdaltaar een beeld van de H. Maagd die het Kindje Jezus draagt dat ze aanreikt aan een ziel, voorgesteld in de vorm van een mens die op het punt staat het paradijs binnen te gaan. Een andere ziel stelt de zekere afwachting van de hemel voor. Het geheel is uit een blok marmer van Carrare gehouwen; het is 3m70 hoog en weegt 13 ton. Alles voert tot bewondering, tot gebed voor de levenden en overledenen, tot de levende en zekere verwachting van de hemel.

De kerk biedt een onvergetelijk schouwspel. Maar het is slechts een bouwwerk, bedoeld om pelgrims beter te kunnen ontvangen en te inspireren tot gebeden, hetgeen het voornaamste en bovennatuurlijke doel is van het Werk van Boetedoening. Zoals alle werken Gods, is ook dit werk niet gevrijwaard van tegenstrijdigheden. Antiklerikale kranten vallen vaak vader Buguet aan. Ze beschuldigen hem van winstbejag vanwege de aanzienlijke sommen geld die door zijn handen gaan voor de bouwwerken en de op te dragen missen. De priester heeft de wijsheid en de genade zich deze kwaadwillende en lasterlijke insinuaties niet aan te trekken.

Hij ontvangt daarentegen van Leo XIII en de heilige Pius X welverdiende kerkelijke waardigheden, met de titel van «Monseigneur». Zijn nederigheid lijdt er niet onder: hij bleef in alle eenvoud dezelfde plaats innemen in de Kerk. Zijn manier van spreken blijft zoals men van hem gewend was, onoverdreven joviaal. «Alles komt tot stand door het gebed van de nederige mens, zegt hij… God zegent de plannen van de mens die bidt en zich vernedert». En wanneer men hem vraagt hoe hij zijn Werk heeft kunnen verwezenlijken, volstaat voor hem als antwoord: «Ik bid en Onze-Lieve-Heer doet de rest». Monseigneur blaast geruisloos de laatste adem uit in Rome, op 14 juni 1918.

Het vuur van de liefde

Het voorbeeld van Monseigneur Buguet nodigt ons uit bemiddelaars te worden voor de zielen in het vagevuur, in het bijzonder dit jaar 1999 waarin de Kerk de duizendjarige gedenkdag van de overleden gelovigen viert, ingesteld op 2 november door de H. Odilo, abt van Cluny, geestelijke zoon van de H. Benedictus. «Voor de zielen van het vagevuur, schreef paus Johannes Paulus II ter gelegenheid van die verjaardag, is het wachten op het eeuwige geluk, op de ontmoeting met de Geliefde, een bron van lijden vanwege de straf die te wijten is aan de zonde die God op verre afstand houdt. Maar tevens is er de zekerheid dat de ziel, wanneer de tijd van de loutering is verstreken, degene naar wie zij verlangt tegemoet zal gaan… Ik moedig dus de katholieken aan vurig te bidden voor de overledenen onder hun familieleden en voor alle broeders en zusters die zijn gestorven, opdat zij kwijtschelding verkrijgen van de straffen die het gevolg zijn van hun zonden… Vertrouwend op de bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw, van de H. Odilo en van de H. Jozef, patroon van de zalige dood, en de gelovigen die bidden voor de overledenen, verleen ik van ganser harte mijn apostolische zegen».

Laten wij zelf leven in grote liefde tot God, teneinde nu reeds ons geheel te zuiveren van onze tekortkomingen. Om met de H. Theresia van het Kindje Jezus en het H. Aanschijn te spreken: «Ik weet dat ik het zelf niet eens zou verdienen deze plek van boetedoening binnen te gaan, aangezien alleen de heilige zielen er toegang tot hebben, maar ik weet ook dat het vuur van de liefde heiligmakender is dan dat van het vagevuur». Laten wij aan de H. Geest vragen in ons het vuur van zijn liefde te ontsteken en het aanschijn van de aarde te vernieuwen.