4 Augustus 1999

Heilige Jean-Louis Bonnard

Dierbare Vrienden,

«Sedert het begin van de christelijke prediking in Zuid-oost Azië, heeft de Kerk in Viëtnam vervolgingen ondergaan zoals in het Westen tijdens de drie eerste eeuwen. Duizenden christenen werden gemarteld… Het Evangelie brengt ons de woorden in herinnering waarmee Jezus Christus de vervolgingen die zijn discipelen te verduren zouden krijgen aankondigde… Jezus heeft zeer openhartig tegen zijn apostelen gesproken: U zult gehaat zijn bij alle volkeren vanwege mijn naam… maar wie tot het einde volhardt, zal gered worden (Mat. 24, 9-13)» (Johannes Paulus II, preek t.g.v. de heiligverklaring van 117 martelaren uit Viëtnam op 19 juni 1988). H. Jean-Louis Bonnard, gemarteld te Nam-Dinh (Viëtnam), 1 mei 1852, is een van die geloofsgetuigen in het Verre Oosten.

Jean-Louis, vijfde van zes kinderen van Gabriel Bonnard en Anne Bonnie wordt geboren op 18 maart 1824. Hij wordt dezelfde dag gedoopt in de Sint-Christot-en-Jarez kerk (Loire, Frankrijk). Het gezin is zeer christelijk. ’s Avonds wordt er gelezen en gekeuveld; er worden ook plannen gemaakt: «Ik word metselaar», zegt de oudste; «ik word molenaar», zegt de tweede. «Ik wil priester worden», verklaart Jean-Louis, vijf jaar oud. Vroegtijdige roeping! De jaren gaan echter voorbij en het plan van Jean-Louis verandert niet. In het gezin verheugt men zich erop een priester in de familiekring te krijgen, «maar, zo vraagt de vader realistisch, en de studie dan? en de internaatskosten?» De broers geven dit mooie antwoord: «Welnu, wij zullen doen wat wij kunnen: wij zullen allemaal een offer brengen!»

Jean-Louis doet zijn Eerste Communie in 1836. Hoewel hij zijn uiterste best doet, kost het hem moeite de catechismusles te volgen. Een van zijn klasgenoten uit die tijd beschrijft hem als «Vroom, blij, rustig karakter, vredig, nooit kwaad; qua talenten middelmatig, misschien zelfs minder dan middelmatig». Hij is niet in staat de mis te dienen, want het lukt hem niet de Latijnse antwoorden juist te articuleren. Hij zegt echter keer op keer weer dat hij priester wil worden. Het begin op het internaat is moeilijk. Omdat men vaak zijn geduld met hem verliest, krijgt hij harde woorden te horen over zijn gebrekkige vaardigheden en zijn geringe vooruitgang! Jean-Louis verliest nooit de moed.

De droom missionaris te worden

Dankzij hard werken komt hij in de eerste klas van het Klein Seminarie van Saint-Jodard. Daar is iedereen unaniem van oordeel dat hij een goede seminarist is, bijna te volmaakt, maar als leerling middelmatig. Het jaar daarop begint de jongen met het engelengezicht zich geestdriftig te interesseren voor de «Annalen van de Verspreiding van het Geloof», een tijdschrift dat is gewijd aan het werk van de katholieke missie: wat hij voor ogen heeft zijn de wijde verten, het grote en vaak gevaarlijke avontuur met soms een dramatische afloop. Het bezoek van Vader Charrier, ontsnapt uit Viëtnam waar hij ketenen heeft gedragen en op het schandbord heeft gestaan, versterken alleen maar de vermetele plannen van onze jongeman. Ondertussen werkt hij vlijtig door en boekt vooruitgang: in retorica komt hij in een middenpositie en soms hoort hij zelfs bij de besten!

Stap voor stap bereidt Jean-Louis voorzichtig zijn familie erop voor Gods wil te aanvaarden «op welke plek Hij hem ook moge roepen om Hem te dienen». Na zijn jaar filosofie is het goed merkbaar hoezeer hij is bevriend geraakt met zijn medeleerling Jean-Baptiste Goutelle. Aan het einde van de vakantie gaan beiden naar het Groot Seminarie van Lyon. Goutelle laat Lyon snel achter zich en vertrekt rechtstreeks naar Parijs naar het seminarie van de Vreemde Missies. Jean-Louis hoopt zich spoedig bij hem te voegen. Hij neemt eerst de priester die hem op de Eerste Communie heeft voorbereid in vertrouwen. Deze voert enige bezwaren aan om hem op de proef te stellen. Maar niets vermag hem uit het veld te slaan.

Vervolgens moet hij de toestemming van de aartsbisschop proberen te krijgen. Een bevriend priester belast zich daarmee en met succes. Jean-Louis bedankt hem en voegt eraan toe: «U bent een goed advocaat geweest, maar de zaak was niet moeilijk: het diocees wordt door mijn vertrek geenszins benadeeld, het wint er eerder bij! – Wel! Wat gaat u dan in de missie doen als u nergens voor deugt in uw diocees? is het antwoord van de priester. – Ik wil martelaar worden, antwoordt de seminarist en alles wat daarvoor is veroorloofd, zal ik doen. Dat is mijn ambitie: de eerste de beste kans grijpen waarmee ik me als martelaar zal kunnen onderscheiden!» Voor velen telt alleen de aarde: de eeuwigheid, de Hemel, de hel doen er niet toe. Jean-Louis heeft daarentegen gemikt op de Hemel en hij heeft het juist gezien. Hij wenst niet te sterven om te sterven maar hij ziet het offer van zijn leven als de mooiste daad van liefde jegens God, door de allerhoogste getuigenis die aan de Waarheid kan worden gegeven. Aan zijn ouders zal hij kort voor zijn dood schrijven: «Wanneer u deze brief ontvangt, kunt u er zeker van zijn dat mijn hoofd onder het zwaard zal zijn gevallen. Ik zal de dood hebben gevonden voor het geloof in Jezus Christus».

Getuige van de Waarheid

Martelaren zijn getuigen van de waarheid. Jezus, Koning der martelaren verklaart tegenover Pilatus: Ik ben koning: met geen andere bestemming ben ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen van de waarheid. Iedereen die uit de waarheid is, luistert naar mijn stem (Joh. 18,37). Wat is de waarheid? zo reageert de Romeinse gouverneur en trekt daarmee het bestaan van de waarheid of de mogelijkheid om die te kennen in twijfel. Tegenwoordig ook denken velen, beïnvloed door het heersende relativisme, dat alles een kwestie van mening is, dat de ene mening a priori gelijkwaardig is aan de andere totdat er door een efficiënte en besluitvaardige meerderheid een keuze wordt gemaakt die een tijdlang opgeld doet.

Als het een niet beter is dan het ander en alles aan elkaar gelijk is, als we niet kunnen zeggen dat er een

waarheid bestaat en een dwaling, een goed en een kwaad, als er alleen maar waarheid bestaat van een dag, is het zinloos zijn leven te geven, zoals de martelaren of zelfs maar een offer te brengen voor die waarheid. Wanneer er integendeel wel een waarheid bestaat, als harmonie en geluk in de menselijke orde der dingen evenals het

eeuwig heil der zielen afhangen van een hiërarchie in het goede dat we moeten bevorderen en hoe dan ook moeten verdedigen, dan verdient die waarheid onze onbaatzuchtige, intelligente en vasthoudende toewijding.

Iedere dag ervaren we het bestaan van een waarheid in de natuurkundige orde. Wij zijn in de waarheid wanneer ons denken in overeenkomst is met de werkelijkheid der dingen; in het tegenovergestelde geval, dwalen we. De wetenschappen hebben juist als taak het hun betreffende deel van de waarheid te beschrijven. Het ontkennen van de wetten die zij uiteenzetten leidt tot rampen. Een slecht gebouwde brug, bijvoorbeeld, zal gauw instorten. In de morele en godsdienstige orde bestaat de waarheid eveneens. De eerste van alle waarheden die iedereen kent is dat we het goede moeten doen en het kwade moeten vermijden. Samen met de andere morele waarheden die in het menselijk bewustzijn zijn vastgelegd (eert uw vader en uw moeder, gij zult niet doden, niet stelen…) getuigt zij van het bestaan van een transcendente hoogste Waarheid: God. «Wanneer de mens naar de boodschap van de schepselen en de stem van zijn geweten luistert, dan kan hij komen tot de zekerheid van het bestaan van God, oorzaak en einde van alles (KKK, 46)» . De bron van iedere waarheid en van elk goed bevindt zich inderdaad in God, oneindig volmaakt Wezen en Schepper van alle dingen. «De morele orde – universeel, absoluut en onveranderlijk in zijn beginselen – is objectief gefundeerd op de ware transcendente en persoonlijke God, eerste Waarheid en Hoogste Goed, diepste bron van levenskracht voor een geordende, vruchtbare maatschappij die in overeenkomst is met de waardigheid van de personen uit wie zij bestaat» (Johannes XXIII, Pacem in terris).

Het enige ware goed van de mens

Het zoeken en onderschrijven van de waarheid worden echter aan de menselijke vrijheid overgelaten. God heeft de mens inderdaad geschapen met een vrije wil: «God wilde immers de mens in handen geven zichzelf te ontwerpen (Si. 15, 14) opdat hij uit eigen beweging zijn Schepper zou zoeken en door Hem aan te hangen in vrijheid tot volmaaktheid en geluk zou geraken» (Vat. Conc. II, Gaudium et spes, 17). Maar de vrijheid van de mens betekent niet dat hij zelf de waarheid kan scheppen, de waarden en de morele normen, aangezien hij die van zijn Schepper ontvangt. Volgens het christelijk geloof «leidt alleen de vrijheid die zich aan de waarheid onderwerpt, de menselijke persoon tot zijn ware welzijn. Het welzijn van de persoon bestaat erin in de waarheid te zijn en de waarheid te doen» (Johannes Paulus II, Encycliek Veritatis Splendor, 84). Het essentieel verband tussen waarheid, goed en vrijheid is verloren gegaan in de huidige cultuur en daarom is het heden ten dage één van de specifieke eisen die worden gesteld aan de zending van de Kerk, de mens er weer toe te brengen dat verband opnieuw te ontdekken tot heil van de wereld.

Met het oog op de menselijke zwakheid, is onze Vader in de Hemel zo goed geweest ons te voorzien van bovennatuurlijke steun om ons zekerder en sneller toegang te verschaffen tot de kennis van de waarheid. God heeft ons inderdaad willen openbaren «hetgeen op godsdienstig en zedelijk gebied voor het verstand op zichzelf niet ontoegankelijk is, opdat ook dit in de huidige omstandigheden waarin het mensdom verkeert, door allen gemakkelijk, met vaste zekerheid en zonder enige vermenging met dwalingen kan worden gekend» (KKK, 38). «Maar er bestaat nog een andere orde van kennis die de mens geenszins op eigen krachten kan bereiken: die van de goddelijke openbaring. Op grond van een geheel vrije beslissing openbaart God zichzelf en geeft Hij zich aan de mens. Hij doet dit door zijn mysterie te openbaren, zijn liefdevol heilsplan dat Hij vanaf alle eeuwigheid ten gunste van alle mensen heeft vorm gegeven in Christus. Hij openbaart zijn heilsplan ten volle door zijn welbeminde Zoon, onze Heer Jezus Christus en de Heilige Geest te zenden» (KKK, 50). Daarom heeft Onze Heer gezegd: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven (Joh. 14, 6). Alle mensen zijn door Hem geroepen om tot Hem te komen ten einde tot het eeuwig heil te geraken: Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered worden (Joh. 10, 9). De martelaren zijn tot aan de dood getuigen geweest van de waarheid in Christus.

«Een engelachtige ziel»

Aan het eind van de vakantie in 1846, maakt Jean-Louis Bonnard zich gereed om zijn familie definitief te verlaten. Het is de eerste acte van zijn martelaarschap, want destijds was het vertrek van een missionaris naar het Verre Oosten meestal zonder wederkeer. Na het avondgebed vraagt hij de zegen van zijn ouders. «Maar waarom? – Ik ontvang namelijk dit jaar de eerste ordetekenen van mijn priesterwijding», zegt hij voorzichtig, gezien hij hun nog niet wil aankondigen dat hij naar het seminarie van de Vreemde Missies vertrekt. De dag daarna, wanneer hij vertrekt, lijkt hij veel meer aangedaan dan gewoonlijk. Hij komt op 4 november te Parijs aan.

In zijn nieuwe huis straalt Jean-Louis van vreugde. Engel van vrede, nederig, bescheiden, begiftigd met een zeer grote naastenliefde jegens iedereen, zegt men van hem; deze beminnelijke deugden dankt hij ongetwijfeld aan de sinds zijn doop volledig intact gebleven onschuld. Een engel? Zijn ouders die door zijn vertrek zijn gekwetst delen die mening niet. Hij doet zijn best om hen gerust te stellen: «Verbeeldt u zich nu niet dat ik meteen na aankomst bij de ongelovigen ter dood zal worden gebracht… Zo’n grote eer ben ik helaas niet waardig, sterven voor het Geloof, martelaar van Jezus Christus! Die genade zult u eerst aan de Goede God moeten vragen. Maar als die gedachte u moedeloos stemt, verjaag haar dan maar, want er zijn tegenwoordig bijna geen vervolgingen meer in de streken waar onze bestemming ons heen voert. Om u ervan te overtuigen hoeft u slechts de annalen van de geloofsverbreiding te lezen, voor wat India, Maleisië, Mantsjoerije en China aangaat». Waarom vergeet hij Viëtnam? Terwijl hij daar juist heen gaat. Nadat hij op 28 december 1848 tot priester is gewijd, vertrekt Jean-Louis in februari 1849 met bestemming Hong Kong. Van daar stuurt men hem naar Ton Kin (Noord-Viëtnam) waar hij in april 1851 wordt belast met twee parochies. Hij schrijft aan zijn ouders: «De bewoners van dit land zijn zeer goede mensen. De christenen zijn zeer op ons gesteld en zijn ons van ganser harte toegewijd… Laat ons even over de vervolgingen spreken, want u weet natuurlijk wel dat we hier niet in volmaakte vrede leven… Wat ons het meest bedroeft is te zien hoe onze christenen omdat ze worden vervolgd, verplicht zijn de grootste offers te brengen tot behoud van hun geloof. Ach! Als u eens wist welke ontberingen wij moeten verduren om christen te worden en te blijven!»

Het martelaarschap van alledag

Weinigen zijn geroepen hun bloed te vergieten, maar alle gedoopten moeten iedere dag een samenhangend getuigenis afleggen van hun geloof, al kost het groot leed. Wanneer de morele orde die door God is gewild ter discussie wordt gesteld en door de geest van het publiek wordt verworpen, kan trouw aan deze orde talloze moeilijkheden voortbrengen onder de gewoonste omstandigheden. De christen, gesteund door de deugd van de kracht, is dan geroepen tot een heldhaftige verbintenis om aan God trouw te blijven. Hij komt zelfs zo ver dat hij «de moeilijkheden van deze wereld lief gaat hebben met het oog op de beloning in de eeuwigheid» (H. Gregorius de Grote).

Onder deze heldhaftigheid van alledag behoort ook het stille, maar vruchtbare en sprekende getuigenis van «alle dappere moeders die zich zonder voorbehoud aan hun gezin wijden, die lijden wanneer ze hun kinderen ter wereld brengen en die vervolgens bereid zijn alle vermoeienissen te dragen, alle offers te aanvaarden, om hun het beste van zichzelf over te dragen». Bij het verrichten van hun zending «vinden deze heldhaftige moeders niet altijd steun in hun omgeving. Integendeel, de beschavingsmodellen die vaak door de sociale communicatiemedia worden aangeprezen en verspreid, bevorderen het moederschap niet. Om zogenaamd vooruitstrevend en modern te zijn, doet men het voorkomen alsof de waarden van trouw, kuisheid en offervaardigheid, die heel wat christelijke echtgenotes en moeders gesierd hebben, voortaan uit de tijd zijn» (Johannes Paulus II, Encycliek Evangelium vitae, 86).

Altijd en onder alle omstandigheden

Maar hoewel het de christenen ter harte gaat God en de naaste te eren, ten koste van werkelijk dagelijks een kruis te dragen, ook al is dat vaak niet even duidelijk, is het voor hen in ieder geval volstrekt uitgesloten dat ze Gods wet zouden geweld aandoen. H. Ignatius van Loyola schrijft in zijn Geestelijke oefeningen: «De eerste wijze van nederigheid is noodzakelijk voor het

eeuwig heil. Zij bestaat hierin dat ik mij zo deemoedig en nederig maak als ik maar kan, opdat ik in alles zal gehoorzamen aan de wet van God onze Heer. Ik neem dus niet in overweging een goddelijk of menselijk gebod te overtreden, mij tot doodzonde verplichtend, ook al zouden ze mij heer van alle geschapen dingen in deze wereld maken of al zou het mij mijn eigen aardse leven kosten». Het gebod van de liefde tot God en de liefde tot de naaste houdt geen enkele maximale limiet in, maar er is wel een minimale limiet waaronder dit gebod geweld wordt aangedaan. Er zijn gedragingen die nooit en in geen enkele situatie, het juiste antwoord kunnen zijn, dat wil zeggen in overeenstemming met de menselijke waardigheid. De limiet waaronder de liefde tot God en die tot de naaste geweld wordt aangedaan is hetgeen de negatieve geboden (bijvoorbeeld: gij zult geen echtbreuk plegen) verbieden: ieder mens is «semper et pro semper», voor altijd en onder alle omstandigheden aan deze geboden gebonden (cf. Encycliek Veritatis splendor, 52).

Hoop stelt niet teleur!

Onder sommige omstandigheden kan het in acht nemen van Gods wet moeilijk zijn; het is echter nooit onmogelijk. «God beveelt geen onmogelijke dingen, maar met zijn bevel nodigt Hij je uit te doen wat je kan en te vragen wat je niet kan, en Hij helpt je om het te kunnen. Zijn geboden zijn niet moeilijk te onderhouden (1 Joh. 5, 3) zijn juk is zacht en zijn last is licht» (Concilie van Trente, Sessie VI, hfdst. 11). «In het reddende kruis van Jezus, in de gave van de Heilige Geest, in de sacramenten die opwellen uit de doorboorde zijde van de Verlosser (vgl. Joh. 18, 34), vindt de gelovige de genade en de kracht om altijd Gods heilige wet te onderhouden, ook te midden van de meest ernstige moeilijkheden» (Encycliek Veritatis splendor, 103).

De hoop staat dus altijd open en de hoop wordt niet teleurgesteld (Rom. 5, 5). Derhalve «zou het een zeer ernstige dwaling zijn te concluderen… dat de door de Kerk onderwezen norm op zich slechts een ideaal zou zijn, dat men vervolgens zou moeten aanpassen aan, afmeten en faseren naar de zogenaamde concrete mogelijkheden van de mens: overeenkomstig een afwegen van de verschillende mogelijkheden van het goede in kwestie. Wat zijn echter de «concrete mogelijkheden van de mens»? En over wat voor mens heeft men het? Een mens die wordt beheerst door de begeerte of een mens die is verlost door Christus? Het gaat immers hierom: de werkelijkheid van de verlossing door Christus. Christus heeft ons verlost! Dat wil zeggen: Hij heeft ons de mogelijkheid gegeven de hele waarheid van ons zijn te verwezenlijken. Hij heeft onze vrijheid bevrijd van de heerschappij van de begeerte» (Ibid.). In de praktijk wordt ons vooral in het gebed de H. Geest geschonken. Daarom leert de Katechismus: «Het is een levensnoodzakelijkheid om te bidden… Niets weegt op tegen het gebed; want wat onmogelijk is, maakt het mogelijk, wat moeilijk is, gemakkelijk» (KKK, 2744).

«Gevangene voor Christus!»

Op 1 maart 1851 had keizer Tu Duc een verordening ter vervolging uitgevaardigd. Tijdens een bezoek aan de christenen van Bôi-Xuyen in maart 1852, wordt Vader Bonnard gearresteerd, op aangifte van een heidense mandarijn en wordt naar Nam-Dinh gevoerd. «Hier, schrijft hij aan zijn bisschop, Monseigneur Retord, ben ik nu in de gevangenis en ’s nachts aan de halsriem en aan de ketenen… Ik ben blij en zeg bij mezelf dat het kruis van Jezus heel wat zwaarder was dan mijn halsriem en het stemt me gelukkig om samen met Paulus te zeggen: Ik ben gevangene voor Christus… Ik ben nog heel jong; ik zou u graag hebben geholpen en de zorg voor de dierbare christenen aan wie ik zo ben gehecht op me genomen hebben… Het vlees en het bloed zijn armzalig, maar leert Jezus in de Hof van Olijven mij niet, met geduld en uit liefde voor Hem, alle pijnen die Hij me stuurt te doorstaan?»

Daarop volgen de ondervragingen. Men wil weten waar de missionaris heeft gewoond: «Slaat u mij al naar believen, maar hoopt u er niet op mij één woord te ontrukken dat de christenen zou kunnen schaden». Men stelt hem voor het Kruis met de voeten te treden, anders wordt hij geslagen met de rotting en ter dood veroordeeld: «Ik vrees noch uw rotting, noch de dood. Een dergelijke lafheid begaan, dat nooit! Ik ben niet gekomen om mijn godsdienst te verloochenen, noch om de christenen een slecht voorbeeld te geven».

Op 8 april, Witte Donderdag, brengt Vader Tinh, gezonden door Monseigneur Retord, Vader Bonnard de communie: «Werkelijk, zegt deze laatste, men moet in de gevangenis zitten met de riem om de hals om te begrijpen hoe lieflijk het is zijn God te ontvangen!» En hij schrijft aan zijn ouders: «Huilt u niet, ik ben gelukkig dat ik zo mag sterven. Laten we daar boven met elkaar afspreken. Ik wacht daar op u allen. Laat geen verstek gaan». Onthoofd op 1 mei 1852, treedt hij de eeuwige vreugde binnen.

Laten wij, door de aanvaarding van de veelvuldige kleine kruisen van ons alledaags bestaan, met een grenzeloos vertrouwen in de Zeer Heilige Maagd en in Sint Jozef, in zijn voetsporen treden. «Heilige Jean-Louis Bonnard, wij vertrouwen u al degenen toe die ons dierbaar zijn, levenden en overledenen!»