29 Juni 1999

Heilige Theresa van de Andes

Dierbare Vrienden,

«Waartoe dienen de monniken en de kloosterorden?» Deze gedachte, ongepast in een christelijk klimaat, is bijna doodgewoon geworden in onze geseculariseerde samenleving. Paus Johannes Paulus II kon dan ook op 25 maart 1996 schrijven: «Vele mensen staan voor een raadsel en vragen zich af: waar is het godgewijde leven goed voor? Waarom dat soort leven omhelzen, terwijl er op het gebied van de liefdadigheid en evangelisatie zoveel noden zijn waarop men ook kan ingaan zonder de bijzondere verplichtingen op zich te nemen van het godgewijde leven? Is het godgewijde leven niet een soort verspillen van menselijke energie die doelmatiger en tot groter voordeel voor de mensheid en de Kerk zou kunnen worden aangewend?» (Apostolische exhortatie Vita consecrata, 104).

p deze vraag antwoordt de Heilige Vader: «Voor iemand die in het diepst van zijn hart is gegrepen door de schoonheid en goedheid van de Heer, is hetgeen wat in de ogen van de mensen wellicht verspilling schijnt, een duidelijk antwoord van liefde, een enthousiast bewijs van dankbaarheid, omdat hij op heel bijzondere wijze toegang heeft verkregen tot het kennen van de Zoon en het delen van zijn goddelijke zending in de wereld» (ibid.). Het godgewijde leven is het antwoord van liefde op een oproep van God: Gij hebt mij overgehaald, Heer, ik ben bezweken (Jr 20, 7). Deze verleiding leidt tot het buitengewoon innig deelhebben aan het mysterie van Christus door zich op eenzijdige wijze geheel aan Hem toe te wijden.

«God alleen is toereikend»

Alvorens in een Karmel in te treden verklaarde in 1913 een jong Chileens meisje van achttien jaar, dat was bekoord door Christus, aan haar verdrietige en geërgerde broer aldus de drijfveer van haar roeping: «Er bestaat in de ziel een onlesbare dorst naar geluk. Ik weet niet waarom, maar bij mij is het vertienvoudigd. Ik wil graag beminnen, maar iets oneindigs en ik wens dat dit wezen dat ik bemin niet verandert en niet een speelbal van zijn hartstochten zal zijn, ook niet van de omstandigheden van de tijd en van het leven. Ja liefhebben, maar het onveranderlijk Wezen liefhebben, God die mij oneindig lief heeft sinds een eeuwigheid.» Het natuurlijk verlangen naar geluk is van goddelijke oorsprong: God heeft het gelegd in het mensenhart om het voor Hem te winnen die het alleen kan vervullen. «Het ware geluk ligt niet in rijkdom of welzijn, noch in menselijke eer en macht, noch in welk menselijk werk dan ook, hoe nuttig dit ook moge zijn, zoals wetenschap, techniek en kunst, noch in enig schepsel, maar in God alleen, bron van alle goed en alle liefde» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1723).

Op 21 maart 1993 tijdens de heiligverklaring van de heilige Theresia van de Andes verklaarde Paus Johannes Paulus II: «Aan een geseculariseerde samenleving die leeft met de rug naar God gekeerd, geef ik met grote vreugde, als voorbeeld van de eeuwige kracht van het Evangelie, deze Chileense karmelietes. Zij geeft het heldere getuigenis van een bestaan, dat aan de hedendaagse mens uitbazuint dat in de liefde, de verering en het dienen van God, de grootsheid en de vreugde, de vrijheid en de volledige verwezenlijking van het menselijk schepsel, gelegen zijn . Het leven van de gelukzalige Theresia roept ons vanuit haar klooster zacht toe: God alleen is toereikend!»

« Lief Patertje, laten wij naar de Hemel gaan!»

Juana Fernández Solar is op 13 juli 1900 geboren in een welgesteld gezin te Santiago de Chili (Latijns-Amerika). Reeds in haar kinderjaren verraadt zij een vurige persoonlijkheid, hartelijk en intelligent, bezield van een groot verlangen naar God. «Ik herinner mij, vertelt een bevriend priester van de familie Fernández, dat zij mij, bij de hand nemend, zei: «Lief Patertje, laten wij naar de Hemel gaan! – Goed, mijn kindje, antwoordde ik haar, laten wij naar de Hemel gaan!» Toen wij allebei buiten waren, vroeg ik haar: «Zeg eens lieve meid welke kant gaan wij uit om naar de Hemel te gaan? – Daarheen», wees zij mij. En haar vinger wees naar de Cordillère des Andes. «Heel goed, grote meid, antwoordde ik weer: maar denk er wel aan, als wij deze hoge bergen zullen hebben beklommen, is de Hemel nog heel erg ver weg. Nee Juana, dit is niet de goede weg naar de Hemel: Jezus in het tabernakel, daar vind je de koninklijke weg om er te komen»».

Ondanks deze goede instelling ontbrak het Juana niet aan fouten. Zij is koppig, trots en egoïstisch, onderhevig aan gepruil en bevliegingen. «Ik had soms kleine aanvallen van wilde woede», zei zij. Geholpen door haar huisgenoten (zij had nog vijf broers en zussen) en vooral door de genade van haar doopsel, voert zij een zware strijd tegen haar neigingen, speciaal tegen haar prikkelbare en emotionele aard, waarop een zwakke gezondheid invloed heeft. Op zekere dag valt haar zus Rebecca Juana aan, zelfs tot het uit volle kracht slaan toe. Juana wil dit met dezelfde kracht beantwoorden. Met een gezicht rood van woede grijpt zij haar zus vast. Plotseling stopt ze: in plaats van haar te slaan, geeft zij haar een kus. Rebecca begrijpt deze heldhaftige daad van haar zus niet en verjaagt haar door tegen haar te roepen: «Ga weg! Je geeft mij een judaskus!» Over haar woede zegevierend trekt Juana zich kalmpjes terug.

Als Juana op 13-jarige leeftijd in het ziekenhuis ligt voor een ernstige blindedarmontsteking, lijdt zij erg onder eenzaamheid: «Toen mijn ogen zich vestigden op een schilderij dat het Heilig Hart voorstelde, schreef zij, hoorde ik heel zachtjes een stem die mij zei: Wat wil je, Juana! Ik ben altijd alleen in het altaar omdat Ik je bemin en jij, jij verdraagt het niet eens een moment eenzaam te zijn? Sindsdien spreekt mijn Jezus tegen mij. Uren lang sprak ik met Hem… Hij leerde mij geleidelijk hoe ik moest lijden zonder mij te beklagen. Ik deel alles met Jezus en voor Jezus.»

In de puberteitsjaren verliest zij door de neiging tot ijdelheden een deel van haar godsvruchtigheid. Maar de veelvuldige ziekten, waardoor zij verstoken is van de vermakelijkheden, brengen haar terug in de tegenwoordigheid van God en weldra grijpt de afkeer haar aan bij de herinnering aan die feesten waar de trots wedijvert met de zinnelijkheid.

Op weg naar de hoogten

Met de toestemming van haar biechtvader wijdt Juana zich op 8 december 1915 aan God toe door de gelofte van kuisheid. Paus Johannes Paulus II herinnert aan de voortreffelijke waarde van deze gelofte: «Het vreugdevol beleven van de algehele zuiverheid getuigt van de kracht van Gods liefde in de broosheid van het menselijk bestaan. De godgewijde mens is een bewijs dat hetgeen door de meeste mensen voor onmogelijk wordt gehouden, met de genade van de Heer Jezus mogelijk en werkelijk bevrijdend is. Ja, in Christus is het mogelijk met heel zijn hart te beminnen en zo ieder schepsel met de vrijheid van God lief te hebben! Meer dan ooit is dit getuigenis thans noodzakelijk, juist omdat het door onze wereld zo weinig wordt begrepen» (Vita consecrata, 88).

n 1916 houdt Juana haar eerste retraite op de manier van de heilige Ignatius van Loyola. Naar aanleiding van de overweging van «de Oproep van Christus-Koning», schreef zij: «Voorbereid zijn om Jezus te volgen overal waar Hij zal willen. Hij kiest de armoede, de vernedering, het kruis. Zal ook ik niet deze gaven ontvangen daar Hij mij heeft geschapen, mijn leven in stand houdt en mij heeft bevrijd van de hel? Beter nog, Hij heeft gedurende dertig jaren allerlei soorten smarten geleden om ten slotte te sterven aan het kruis als de meest eerloze van alle mensen?» Deze overwegingen doordrongen zodanig haar ziel dat de boetedoening, om Christus na te bootsen, voor haar een ware behoefte wordt. Haar zus Rebecca heeft verteld, dat zij duizenden listen gebruikte om haar neiging tegen te werken en zich in alles te versterven. Toch gehoorzaamt zij haar moeder die haar vraagt zich niet het voedsel te onthouden dat noodzakelijk is voor haar zwakke gezondheid. Ondanks haar beproevingen en haar ziekten blijft Juana een vrolijk en uitgelaten meisje. In de vakantie aan de kust van de Grote Oceaan maakt zij lange ritten te paard in amazonezit («ik ben zeer yankee», schreef zij), met haar vriendinnen en gezamenlijk helpen zij de priesters die zich bezighouden met de plattelandsmissie, met het geven van godsdienstlessen aan de boeren.

«Ik dorst naar zielen»

Juana heeft de goddelijke stem gehoord: «Of ik gelukkig ben, lieve zus!, schreef zij op 15 april 1916 aan Rebecca. Ik verlang er elke dag naar om naar de Karmel te gaan om slechts nog meer te denken aan Jezus, om mij in Hem te verliezen en nog slechts zijn leven te leven: liefhebben en lijden om zielen te redden. Ja, ik dorst naar zielen omdat, ik weet het, Jezus daar het meest van houdt. Ik moet aan mijn Geliefde het bloed aanbieden dat Hij, voor elk van ons, heeft vergoten.»

Daar is de ingeslagen weg van de heiliging in antwoord op de liefde die God ons heeft betuigd in verlossende Menswording: Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, en Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen (1 Joh 4, 10). De eis tot bekering gaat alle kinderen van de Kerk aan. Maar de personen die het godgewijde leven omarmen beantwoorden deze eis door de volledige opoffering van zichzelf die zelfs gaat tot de afstand van de geoorloofde goederen. Inderdaad, door de gelofte van armoede zien zij af van het persoonlijk bezit van aardse goederen, door de gelofte van kuisheid zien zij af van het huwelijk en door de gelofte van gehoorzaamheid doen zij afstand van een geoorloofde zelfbeschikking in het beheer van hun leven. Zo volgen zij het dichtst de arme, kuise en gehoorzame Heer Jezus. Deze volmaakte liefde is een waardevol voorbeeld voor alle christenen.

In september 1917 schrijft Juana naar de Priorin van de «Carmel de Los Andes», gelegen aan de voet van de bergketen met die naam, op 70 km van Santiago en drukt haar wens uit in dit klooster in te treden. «Het leven van een karmelietes is lijden, liefhebben en bidden, en hierin ligt mijn hele ideaal. Eerwaarde moeder, mijn Jezus heeft mij vanaf mijn kinderjaren deze drie dingen geleerd.»

De cel van het hart

In het voorjaar van 1918 biedt zij zich aan als slachtoffer van liefde en berouw, in antwoord op een ingeving van het Heilig Hart van Jezus. Even daarna wordt haar ziel overvallen door duisternis. Zij vertrouwt aan een priester haar toestand van innerlijk lijden toe en voegt eraan toe: «Dit verwondert mij niet, eerwaarde Pater, omdat ik aan Christus heb gevraagd mij van elke vertroosting te onthouden, opdat de andere zielen die ik bemin in de sacramenten en in het gebed vrede en vreugde zullen vinden.»

Het verlossende Lijden van Christus heeft aan het lijden, nasleep van de erfzonde, een nieuwe betekenis toegekend: het lijden kan een deelneming worden aan het verlossingswerk van Jezus. Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk, zei de heilige Paulus (Kol 1, 24). Zeker, het lijden is op zich geen weldaad, maar Jezus heeft zich verwaardigd het op zich te nemen voor onze geestelijke wedergeboorte. Als wij dan ook in het voetspoor treden van de lijdende Christus, werken wij mee aan het heilswerk van de zielen en, gerijpt door de Heilige Geest en de naastenliefde, kunnen wij voor ons-zelf en voor anderen de zaligmakende genade verkrijgen voor het eeuwig leven. Er bestaat tussen de gelovigen – van de Hemel, van het vagevuur en van de aarde – een aanhoudende liefdesband en een rijke uitwisseling van alle weldaden, de gemeenschap van de heiligen genaamd. In deze bewonderenswaardige uitwisseling komen de verdiensten van de een ten goede aan de anderen.

Op 11 januari 1919 legt Juana met haar moeder een bezoek af in de «Carmel de Los Andes», gekozen omdat dit het armste klooster van Chili is. De voorafgaande dagen werd haar roeping op de proef gesteld: zij dacht dat zij meer voor het zieleheil zou kunnen doen als zij in een werkende Orde intrad. Maar nauwelijks was zij binnen de muren van het kleine klooster, of zij voelde al haar twijfels verdwijnen: «Ik voelde mij in een vrede en geluk zo groot dat ik het onmogelijk kan uitdrukken. Ik zag duidelijk dat God mij daar wilde hebben en ik voelde in mij een kracht om alle hindernissen te overwinnen om karmelietes te worden en mij daar voor altijd op te sluiten.

De clausuur van de beschouwende Religieuzen is een manier om het paasmysterie van Christus te beleven. De doodservaring wordt vanzelf een overvloed van leven en verschijnt als een blijde aankondiging van de mogelijkheid die aan ieder wordt geboden om alleen voor God te leven in Jezus Christus. De clausuur doet denken aan die «cel van het hart» waarbinnen ieder is geroepen in verbondenheid met de Heer te leven (vgl. Vita consecrata, 59).

« Het is Sint-Jozef die voor het wonder zorgt»

eind van het jaar 1917 kwamen op zekere dag Juana en haar moeder uit de kerk, toen het meisje na de mis zonder aanleiding zei: «Weet u mama, dat ik karmelietes wil worden?» Mevrouw Fernández wist iets af van de werking van de genade in de ziel van haar dochter. Haar antwoord was rustig en eenvoudig: «Als je vader zijn toestemming geeft, zal ik mij daar niet tegen verzetten.» In het voorjaar van 1919 schrijft Juana, die bij vrienden verblijft, aan haar vader om deze goedkeuring te verkrijgen. Zij legt haar hele hart en haar hele geloof in deze brief die zij dateert op 25 maart, feest van Maria-Boodschap. De omstandigheden zijn niet gunstig want de financiële situatie van het gezin is verslechterd en men moet vrezen dat de bruidsschat, noodzakelijk om in de Karmel in te treden, niet kan worden betaald.

De tijd verstrijkt en, ofschoon Juana bij haar ouders terug is, rept haar vader totaal niet over de brief. Als zij op het punt staat weer te vertrekken, staat zij eindelijk voor haar vader om hem te kunnen aanspreken. Met alle tederheid en fijngevoeligheid die zij gewend is, vraagt zij hem de gewenste toestemming te geven. Zich geweld aandoend antwoordt hij: «O mijn kind, als dit zo Gods wil is, sta ik het niet in de weg.» Dolblij roept Juana uit: «Het is Sint-Jozef die voor het wonder heeft gezorgd!»

In een brief onthult Juana aan haar broer Lucho het innerlijk vuur dat in haar brandt: «De ziel, gekluisterd door de vereistheid van haar lichaam en door de sociale omgeving waarin zij leeft, blijkt verbannen en hunkert er, onophoudend, met een vurig verlangen naar, die oneindige horizon te aanschouwen die breder wordt naarmate zij ernaar kijkt, zonder ooit de grenzen in God te ontmoeten. Beste Lucho, je kunt dit nu niet begrijpen, maar ik zal bidden opdat God eens aan jouw ziel zal doen blijken, hoe in zijn oneindige goedheid, Hij zich in mijn ziel manifesteert… Bedenk vooral dat het leven zo kort is; je weet reeds dat dit leven niet hét leven is». Vergeleken met het eeuwig leven, waarin wij inderdaad God, van aangezicht tot aangezicht, zullen zien in het onbeschrijfelijk en oneindig geluk, bevrijd van elk lijden, verdient het aardse leven de naam leven niet.

De ware rijkdom

Op 7 mei 1919 sluiten de deuren van de «Carmel de Los Andes» zich definitief achter de postulant, die voortaan de naam Zuster Theresia van Jezus zal dragen. «God zij gezegend, schreef zij haar moeder reeds daags daarna. Ik ben in mijn kleine klooster. Ik doe reusachtige moeite om op klompen te lopen. Ik krijg een onbedaarlijke lachbui als ik mijn onbeholpenheid zie. Ik ben ten slotte gelukkig, want ofschoon ik niets zal bezitten, vind ik alles in God». Zij verliest niets van haar gevoel voor humor: «Hier verstelt men en herstelt men het linnengoed veel, want wij zijn arm. Stel je voor, het habijt dat ik heb te repareren, bestaat uit meer dan vijftig stukken. Er is niets meer van de oorspronkelijke stof over!»

In alle religieuze gemeenschappen wordt de armoede in ere gehouden. Zonder de waarde van de geschapen goederen te verloochenen, wordt ze door de vrijwillig aanvaarde armoede gerelativeerd. De belangrijkste betekenis ervan is aan God, die de ware rijkdom van het menselijk hart is, door de navolging van de arme Christus, getuigenis af te leggen: Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het Rijk der hemelen (Mt 5, 3). In een vaak materialistische wereld, hunkerend naar geld, onverschillig voor de noden en voor het lijden van de zwaksten, veroordeelt de evangelische armoede de afgodische kracht van het geld. Het is een oproep tot een gematigd gebruik van de goederen van deze wereld (vgl. Vita consecrata, 89-90).

Op 14 oktober 1919 wordt Zuster Theresia ingekleed in de Karmel in tegenwoordigheid van haar familie en talrijke vrienden, en begint het noviciaat. Gedurende deze proeftijd maakt zij afwisselingen door van buitengewone mystieke gunsten en van grote verleidingen, vooral tegen het geloof. Maar haar vrolijke aard wordt er niet zozeer door aangetast.

Rijp voor de oogst

Begin maart 1920 beweert Zuster Theresia dat zij binnen een maand zal sterven. Inderdaad wordt zij op 2 april, Goede Vrijdag, ernstig ziek, zij heeft tyfus. Op Paasmaandag ontvangt zij met een grote godsvrucht de laatste sacramenten en de dag daarna, wordt het haar toegestaan haar eeuwige gelofte af te leggen. Op de 12e, na slechts elf maanden leven als karmelietes, gaat Zuster Theresia van Jezus de vreugde van de Hemel binnen.

«Zij zal snel wonderen doen», had Pater Julian Cea enkele dagen na haar dood aangekondigd. Sindsdien schrijft een ontelbaar aantal mensen aan haar voorspraak genaden en allerlei gunsten toe. Het klooster van de «Carmel de Los Andes», dat op 2 februari 1998 het eeuwfeest van haar stichting vierde, is de meest bezochte bedevaartplaats van Chili geworden en heel veel jongelui ontvangen daar zeker de genade om een christelijk leven te beginnen of opnieuw te beginnen.

De invloed en de postume uitstraling valt op bij een jong meisje dat met twintig jaar is overleden. Dit leven, zonder aanzien in de ogen van een samenleving, verzot op tijdelijke doelmatigheid, is door de Kerk toch als voorbeeld gesteld van menselijk welslagen. Het geheim van de heilige van Chili is gelegen in de diepgaande vereniging met Christus en in de beoefening van de ware liefde, in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken (Rom 5, 5). Deze liefde, in tegenstelling tot de valse liefde op zoek naar het egoïstisch genoegen, vereenzelvigt zich met de mateloze zelfopoffering; het bezorgt geluk aan de mens.

«God heeft in haar op bewonderenswaardige wijze het licht van zijn Zoon Jezus Christus laten stralen, zei de Paus tijdens de heiligverklaring van onze heilige, opdat zij een lichtbaak en een gids voor de wereld zou zijn, die blind en onbekwaam lijkt om de goddelijke luister waar te nemen… Aan een jeugd die voortdurend wordt aangetrokken door de boodschappen en de aansporingen van de erotische cultuur, aan een samenleving die de echte liefde, die een gave is, verwisselt met het hedonistische gebruik (voor zijn eigen plezier) van de ander, bazuint deze jonge maagd van de Andes de schoonheid en het geluk uit, die voortkomen uit zuivere harten.

«In haar gezin leerde zij God te beminnen boven alles. En, daar zij voelde dat zij volledig aan haar Schepper toebehoorde, wordt haar liefde voor de naaste nog groter en beslissender. Dit bevestigt zij in een van haar brieven: «Wanneer ik bemin, is het voor altijd. Een karmelietes vergeet nooit. Vanuit haar kleine kloostercel, vergezelt zij de zielen die zij bemint in de wereld» (augustus 1919). Haar vurige liefde beweegt Theresia ertoe te wensen om met Jezus te lijden en zoals Jezus… Zij wil een onbevlekte hostie zijn, gegeven als een blijvende en stilzwijgende offergave voor de zondaars. «Wij zijn mede-verlossers van de wereld en de verlossing van de zielen komt niet tot stand zonder kruis» (Brief, september 1919)… In een wereld waar men strijdt om zich waar te maken, om te bezitten en te overheersen, leert zij ons dat het geluk is de laatste te zijn en de dienaar van allen, het voorbeeld navolgend van Jezus, die niet is gekomen om gediend te worden maar om te dienen en zijn leven te geven voor de verlossing van de menigte».

Wij vertrouwen aan de heilige Theresia van de Andes, alsmede aan de Onbevlekte Maagd en aan Sint-Jozef, al degenen toe die u dierbaar zijn, levenden en overledenen.