25 Mei 1999

Gelukzalige Bartolo Longo

Dierbare Vrienden,

«Welke zijn tegenwoordig de belangrijkste behoeften van de Kerk? Wees niet verbaasd over het antwoord, dat u bedrieglijk eenvoudig, ja zelfs bijgelovig of onwerkelijk zou kunnen vinden: een van de grootste

behoeften is zich te verdedigen tegen het kwaad, dat wij de duivel noemen» (Paulus VI, 15 november 1972). In feite is de duivel geen uitvinding van de Middeleeuwen, maar een bestaand spiritueel, bedorven en verderfelijk wezen. Hij laat degenen die zijn bestaan weigeren te herkennen, afdwalen van de leer van de Bijbel en van de Kerk (ibid.). Van de duivelse ingrepen, uitvoerig vermeld in heiligenlevens, volgt hier een merkwaardige gebeurtenis verhaald door Sulpicius Severes, leerling van de heilige Martinus (IVe eeuw).

Ik ben de Christus

Op een dag staat de duivel, met een luisterrijk uiterlijk, vorstelijk gekleed en dusdanig glimlachend dat niets zijn identiteit verraadt, naast de heilige Martinus die in gebed is.

De Heilige, kennelijk gedachteloos, bewaart het stilzwijgen. «Open je ogen, Martinus, zegt de duivel, ik ben de Christus; na besloten te hebben op aarde neer te dalen, heb ik gewild aan jou te verschijnen». De Heilige zegt niets. Als de duivel vervolgt: «Martinus, waarom aarzel je te geloven wat je ziet? Ik ben de Christus». De Heilige van hogerhand verlicht, antwoordt hem: «Jezus heeft volstrekt niet gezegd dat hij zou komen in purper gekleed en omkranst met een diadeem. Ik voor mij, ik zal in de Christus geloven als Hij zich aan mij vertoont op de manier waarop Hij voor mij geleden heeft en met de stigma’s van zijn Lijden». Bij deze woorden gaat de duivel in rook op en vult de kloostercel met een ondraaglijke stank. «Dit feit heb ik uit de eigen mond van de heilige Martinus», voegt de verteller eraan toe.

Uw aanschijn wil ik zoeken

Wat is het doel van de duivel? Het afwenden van het verlangen van de mens naar zijn Christus ten gunste van zichzelf en zich de eer laten betuigen die alleen aan God is verschuldigd. Want, zoals Paus Johannes Paulus II het herinnert aan de in Parijs verzamelde jeugd, op 24 augustus 1997, «de mens zoekt God. De jonge mens weet in het diepst van zijn hart, dat dit zoeken de innerlijke wet is van het geweten. Het mensdom zoekt zijn weg in de zichtbare wereld en, door de zichtbare wereld heen, zoekt hij het onzichtbare tijdens de spirituele weg. Ieder van ons kan de woorden van de Psalmist herhalen: Uw aanschijn, Heer, wil ik zoeken: Wend uw aangezicht niet van mij af (Ps 27, 8-9). Ieder van ons heeft een persoonlijke geschiedenis en draagt in zich het verlangen God te zien, een verlangen dat men ervaart meteen als men de geschapen wereld ontdekt». Dit zoeken naar God komt overeen met de reden van bestaan van ons leven hier op aarde, want «God heeft ons ter wereld gebracht om Hem te kennen, Hem te dienen en Hem te beminnen, en zo in het Paradijs te komen» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1721).

Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen, schrijft het eerste gebod voor. Dit gebod «omvat het geloof, de hoop en de liefde». Wie God zegt, spreekt over een onveranderlijk, steeds gelijkblijvend wezen, trouw en volkomen rechtvaardig. Daaruit volgt dat wij noodzakelijkerwijs zijn uitspraken moeten aanvaarden en Hem een absoluut geloof en vertrouwen moeten schenken. Hij is almachtig, barmhartig en oneindig geneigd om goed te doen. Wie zou niet op Hem al zijn hoop durven vestigen? En wie zou Hem niet beminnen, wanneer hij de schatten van goedheid en tederheid beschouwt, die Hij aan ons heeft medegedeeld? (KKK, 2086).

Een voortdurende verleiding

De mens erkent de opperheerschappij van zijn Schepper op de eerste plaats door het gebed. God aanbidden is Hem erkennen als God, als Schepper en Redder, als Heer en Meester van al wat bestaat, de oneindige en barmhartige Liefde… De aanbidding van de unieke God bevrijdt de mens die in zichzelf is gekeerd, bevrijdt hem van de slavernij van de zonde en de afgoderij van de wereld.

Gij zult de Heer uw God aanbidden en Hem alleen dienen, zegt Jezus, Deuteronomium aanhalend (Dt 6, 13). De aanbidding van de ene ware God sluit de verering van de andere goden uit. Andere godheden vereren dan de Unieke, zou vervallen in afgoderij betekenen. Afgoderij betreft niet alleen de valse eredienst van het heidendom. Zij blijft een voortdurende verleiding tegen het geloof. Zij bestaat uit het vergoddelijken van wat niet van God is, bij voorbeeld de duivels (satanisme), de macht, het genot, het ras, de voorouders, de Staat, het geld, enz. Gij zult niet God dienen èn de mammon, zegt Jezus (Mt 6, 24). De afgoderij kan zich niet verenigen met het genadeleven. Heel vaak raken de mensen die door de duivel zijn misleid in de war met hun redeneringen en verruilen de goddelijke waarheid voor de leugen. Zij dienen liever het schepsel dan de Schepper ofwel, zonder God levend en stervend in de wereld, stellen zij zich bloot aan de wanhoop en aan het verlies van het eeuwig leven.

Maar de christen weet dat hij in zich het vermogen behoudt de listen van de duivel te verijdelen: de geloofswaarden verlichten hem over het goede en het kwade, De overwinning van Jezus, door zijn Kruisdood en zijn Verrijzenis, houdt de nederlaag van de satan in. Het is waar dat de duivel nog veel macht heeft hier op aarde. Doch zoals de heilige Caesarius zegt: «Over de lauwen, de achtelozen, over degenen die God eigenlijk niet vrezen, heerst hij. Hij is als een hond aan de ketting die niemand kan bijten als het niet iemand is die hem met een dodelijke zekerheid te dicht nadert… Hij kan blaffen, hij kan u aanzetten, maar bijten, hij kan het absoluut niet, tenzij men het wil».

De genade van God laat de mens deelnemen aan de overwinning van Christus en geeft hem de macht de duivels te overwinnen. Om ons in deze overtuiging te bevestigen, heeft Paus Johannes Paulus II op 26 oktober 1989 Bartolo Longo zaligverklaard, «de man van de Heilige Maagd», die verscheidene maanden de slaaf van de satan is geweest.

De Tien Geboden behalve één

In 1841, bij Brindisi in het zuiden van Italië, wordt er een kind geboren dat bij het doopsel de voornaam Bathélemy ontvangt, afgekort Bartolo. Zijn familienaam is Longo. Al heel jong blijkt hij intelligent, vroom en levendig te zijn. «Ik was, zegt hij, een driftige en brutale deugniet, beetje een straatjongen». Tot zijn zestiende jaar wordt hij opgevoed in een religieus gymnasium. In de klas bezorgen zijn kwajongensstreken hem nogal wat straf en het is hem een marteling tijdens de pauze op zijn plaats te moeten blijven zitten! Bij uitzondering blijft hij op de dag van zijn eerste H. Communie anderhalf uur bewegingloos in dankgebed. Begiftigd op een buitengewoon geheugen begint hij met zestien jaar de rechtenstudie aan de universiteit van Napels, waar hij een zeer goed resultaat behaalt.

Tegelijkertijd volgt hij lessen in de filosofie bij een uitgetreden priester. Getroffen en verblind door de antiklerikale gezindheid, wijkt hij langzamerhand af van de sacramenten en bidt niet meer. Een vraag kwelt hem: «Is Christus God of niet?» Een vertrouweling van zijn geestelijke tobberijen nodigt hem dan uit: «Ga met mij mee. Ik zal je naar een plaats brengen, waar al je twijfels zullen worden opgelost». Op 29 mei 1864 wordt hij ingeleid in de geheimen van het magnetisme en van het spiritisme: draaiende tafels, antwoorden en waarzegging van helderzienden. Bartolo vraagt aan «de geest»: «Is Jezus Christus God?» – «Ja», antwoordt het medium. «De Tien Geboden zijn die waar? – «Ja, behalve het zesde (Gij zult geen echtbreuk plegen)». – «Welke van de twee godsdiensten is de ware: de katholieke of de protestantse?» – «Alle twee zijn vals», verklaart de geest gemaakt deftig.

Ongezonde nieuwsgierigheid

Bartolo is bezig zijn geloof te verliezen. In plaats van te luisteren naar de stem van de waarheid die ons bereikt door Christus en de Kerk, laat hij zich bedriegen door de duivel zelf, die het ware met het valse weet te verwisselen om de zielen te misleiden en tot zonde te drijven. De verwerping van het zesde gebod brengt de jonge man tot al de onzedelijke uitspattingen, terwijl de twijfel over de waarheid van het katholicisme hem leidt tot godsdienstige onverschilligheid. Verleid door de magie, levert Bartolo zich over aan de waarzeggerij en aan het spiritisme; hij wordt een eersterangs medium en zelfs «spiritistisch priester».

De waarzeggerij pretendeert de waarheid te voorspellen uitgaande van tekens ontleend aan de natuurlijke wereld of met behulp van bijzondere middelen of vaardigheden. Hiertoe behoort de astrologie (beweert de

open toekomst van mensen te onderscheiden in de sterren of in de stand van de sterren), het kaartleggen (zich de toekomst laten voorspellen door de kaarten), het handlezen (ontcijfering van de lijnen in de hand), enz. De slechtste en meest ernstige uiting van waarzeggerij is de geestenbezwering of spiritisme, dit wil zeggen de toevlucht nemen tot de geesten van overledenen om met hen in contact te treden en zo de toekomst te onthullen.

De christen kan niet aannemen dat zijn leven wordt beheerst door willekeurige magische rituelen of dat zijn toekomst tevoren geschreven staat in de loop van de sterren of andere vormen van voorspelling. «God kan de toekomst aan zijn profeten of andere heiligen openbaren. De juiste christelijke houding tegenover de toekomst houdt niettemin in dat men volledig vertrouwt op de goddelijke Voorzienigheid en elke ongezonde

nieuwsgierigheid laat varen» (KKK, 2115).

Exclusieve verering

«Men moet alle vormen van waarzeggerij verwerpen; een beroep doen op de Satan of op de demonen, het oproepen van geesten van overledenen of andere praktijken, waarvan ten onrechte wordt aangenomen dat zij de toekomst «ontsluieren». Het raadplegen van horoscopen, de astrologie, het handlezen, het verklaren van voortekens en van aanwijzingen van het lot, de fenomenen van helderziendheid, het gebruik van mediums… zijn in strijd met de eerbied en het respect, vermengt met liefdevolle vrees, die wij aan God alleen verschuldigd zijn» (KKK, 2116).

De gedoopte weigert al de praktijken van magie voor zover zij strijdig zijn met het geloof in God de Schepper en met de eredienst die Hem alleen toekomt. Zij verzetten zich tegen de erkenning van Jezus Christus als enige Verlosser van de mensheid en van de wereld, en tegen de gave van zijn Geest. Die praktijken zijn gevaarlijk voor het eeuwig heil. «Alle praktijken van magie en toverij, waardoor men ernaar streeft de occulte krachten te beheersen om ze aan zich dienstbaar te maken en een bovennatuurlijke macht te verkrijgen over zijn naaste – al was het om zijn gezondheid te redden – zijn ernstig in strijd met de deugd van godsvrucht… Het gebruik van zogenaamde medicijnen wettigt noch het aanroepen van boze geesten noch het misbruiken van de lichtgelovigheid van sommige mensen» (KKK, 2117).

Het mysterie doorgronden

Bartolo verliest zijn goede gezondheid, hij is snel uitgeput door het langdurig vasten dat de duivel hem vraagt en door allerlei hallucinaties. Hij schrijft later: «De kwade geest die in mij voer, wilde zich meester maken van mijn ziel, die vanaf mijn prilste jeugd was gericht op vroomheid en van mij zijn verering en blinde gehoorzaamheid vragen. Hij gaf zich uit als de Aartsengel Michaël, die mij voorschreef psalmen te bidden en streng te vasten. Hij eiste dat zijn naam, als teken van macht en bescherming, bovenaan mijn brieven werd geschreven en ik hem, in rode letters geschreven, op een driehoekig perkament op mijn hart zou dragen.

Maar de jonge man, ongerust over het bovennatuurlijke en het hiernamaals, wordt vooralsnog steeds gedreven door het verlangen het mysterie van de andere wereld te doorgronden. Inderdaad kan niemand geheel voorkomen over het raadsel van leven en dood in het onzekere te verkeren. «De mens komt op de wereld, zegt Paus Johannes Paulus II, hij wordt uit de moederschoot geboren, groeit op en wordt volwassen; hij ontdekt zijn roeping en ontwikkelt zijn persoonlijkheid in de loop van zijn werkzame jaren; dan nadert het moment waarop hij de wereld moet verlaten. Hoe langer zijn leven is, hoe meer hij zijn eigen onzekerheid ondervindt, hoe meer hij de vraag stelt over de onsterfelijkheid: of er in het hiernamaals grenzen zijn aan de dood?» (Parijs, 24 augustus 1997).

De invloed van de goede engel

Maar de goede engel waakt over hem. Hij laat hem een oude vriend ontmoeten, Professor Vicenzo Pepe, voor wie hij hoogachting en respect heeft. Op de hoogte gesteld van de spiritistische praktijken van Bartolo, raadt hij hem aan er berouw over te hebben en te gaan biechten. «Je wilt dus in een gekkenhuis sterven en bovendien verdoemd worden?», vraagt hij hem. De slag komt aan. «Men spreekt zelden en weinig over de vier uitersten van de mens (dood, oordeel, hel, paradijs), zegt Paus Paulus VI. Maar het Tweede Vaticaans Concilie herinnert ons aan deze ernstige waarheden die ons aangaan, inbegrepen de verschrikkelijke waarheid van een mogelijke eeuwige straf die wij de hel noemen, waarover Christus zonder terughoudendheid spreekt (vgl. Mt 22, 13; 25)… Er valt iets te vrezen. Luisteren wij naar de profetische stem van de heilige Paulus: Dierbare vrienden, gij hebt altijd naar mij geluisterd, maakt dus nu, in mijn afwezigheid, met niet minder ernst werk van uw heil dan toen ik bij u was (Fil 2, 12). De belangrijkheid en de onzekerheid van onze eindbestemming is altijd een dankbaar onderwerp van meditatie geweest en een ongeëvenaarde energiebron voor het moreel en ook voor de heiligheid van het christelijk leven» (8 september en 28 april 1971). Gesterkt door de woorden van Professor Pepe, verschijnt Bartolo in de biechtstoel van Pater Radente.

Geconfronteerd met deze vreemde figuur met

zeeroversbaard, denkt de Pater eerst dat hij te maken heeft met een oplichter die zijn slag wil slaan! Maar als de jonge man, na lang te hebben getwijfeld, dichterbij komt en tegen hem spreekt, weet de priester de juiste woorden te vinden waardoor bij zijn biechteling de schellen van de ogen vallen. De biecht is openhartig en diepgaand. Later zal Bartolo verklaren aan degenen die niet geloven aan de invloed van de duivel in het spiritisme: «Ik heb het ondervonden en het was door een wonder van de Allerheiligste Maagd dat ik ervan ben bevrijd». Voor hem begint er een nieuw leven in dienst van de Heilige Maagd. Hij gaat elke dag de rozenkrans bidden, het gebed waaraan hij tot het eind van zijn leven trouw zal blijven. Bartolo treedt in bij de dominicaanse Derde Orde onder de naam «fratel Rosario» (broeder Rozenkrans). Hij is dan 31 jaar. Onder leiding van Pater Radente zet hij zich aan de studie van de werken van de heilige Thomas van Acquino.

Een regen van wonderen

In die tijd blijft hij het beroep van advocaat uitoefenen. Maar door zijn zwakke gezondheid is hij niet in staat regelmatig te werken. Liefdevolle personen maken zich ongerust over hem. De barones Marianna de Fusco, die weduwe is, nodigt hem uit zich bij haar te komen vestigen als huisonderwijzer van haar kinderen. Zij bezit in de buurt van de ruïnes van het oude Pompeï, bij Napels, landgoederen waarvoor zij niet de mogelijkheid heeft om zich ermee bezig te houden. Om haar een dienst te bewijzen biedt «fratel Rosario» zich aan om die te beheren. Hij wordt zich dan bewust van de verschrikkelijke geestelijke en materiële nood in die streek. Wat te doen tegenover zoveel noden? Hij begint met een broederschap van de Heilige Rozenkrans te stichten. Hij trekt door de streek en gaat de boerderijen binnen om aan de mensen te leren bidden, terwijl hij ook medailles en rozenkransen uitdeelt. Langzamerhand keert het praktiseren van de godsdienst terug. Vervolgens bouwt hij op aanraden van de bisschop een kerk, die hij laat toewijden aan Maria. Hij hangt boven het hoofdaltaar een schilderij van de Heilige Maagd op, die spoedig een ware regen van wonderen vanuit de Hemel laat neerdalen. Paus Leo XIII: «God heeft zich van deze beeltenis bediend door ontelbaar veel genade te verlenen, wat de wereld heeft ontroerd».

Naar het ideaal van de beschaving

Met de toeloop van pelgrims bij het nieuwe heiligdom komen er ex-voto’s van erkenning binnen en ook aalmoezen. Bartolo profiteert ervan om een weeshuis te stichten, waar hij wezen en kinderen van gevangenen opvangt en hun zo verzekert van een opvoeding, een beroep en godsdienstonderwijs. Drie jaar na de stichting schrijft hij aan de toenmalige criminologen, die beweerden dat kinderen van criminelen zeker criminelen zouden worden: «Wat hebt u gedaan om de Christus uit de scholen te verwijderen? U hebt vijanden gemaakt van de sociale orde, oproerkraaiers… Wat hebben wij integendeel gewonnen, wij die de Christus hebben gebracht in de scholen van de zonen van gevangenen? Wij hebben hen omgevormd tot eerlijke en deugdzame jonge mensen, die ongelukkigen die u zou willen prijsgeven aan de droeve ellende of in een gekkenhuis zou willen werpen».

«Er bestaat geen echte beschaving zonder morele beschaving en geen morele beschaving zonder de ware godsdienst, schreef Paus Pius X… Als men het grootst mogelijke welzijn in de samenleving wil bereiken en voor elk van de leden door broederschap of zo men zegt door de alles omvattende solidariteit, dan hebben wij nodig de vereniging van de geesten in de waarheid, de vereniging van de wilskracht in de moraal, de vereniging van de harten in de liefde van God en van zijn Zoon Jezus Christus. Maar deze vereniging is slechts te verwezenlijken door de katholieke naastenliefde, welke derhalve de enige is die kan leiden naar het spoor van de voortgang van het ideaal van de beschaving» (Brief over het spoor, 25 augustus 1910).

De samenwerking van Bartolo met de barones de Fusco veroorzaakt echter kwaadsprekerij en bezorgt hun zowel over de een als over de ander een ware roddelcampagne. Zij raadplegen Paus Leo XIII die hun antwoordt: «Trouw met elkander. En er zal niemand meer wat kunnen zeggen». Op 19 april 1885 trouwt Barthélemy Longo met barones de Fusco. De echtelieden blijven maagdelijk naar het voorbeeld van Maria en Jozef, wat de twee echtgenoten niet verhindert elkander zeer lief te hebben. Dank zij hen komt het werk van Pompeï tot stand en breidt het zich uit. Weldra zijn er een dertigtal huizen gebouwd en daarna een ziekenhuis, een drukkerij, een station, een sterrenwacht, een postkantoor, enz. De ellende van vroeger heeft plaats gemaakt voor een bloeiende welvaart. «Men moet wel spreken van een wonder», roept degene uit die Bartolo indertijd met het spiritisme in contact had gebracht.

Rustig sterven

Maar er zijn geen rozen zonder doornen: in 1905 wordt de oudste zoon van de barones, die onzakelijk is, failliet verklaard. Er wordt een klacht ingediend bij de heilige Paus Pius X» «De collectegelden van missen belanden in de zakken van de zoon van mevrouw Bathélemy Longo» Om deze treurige, op de spits gedreven, zaak in orde te brengen, ziet Bartolo ten gunste van de Heilige Stoel spontaan af van al zijn werken. «Heilige Vader, zegt hij tegen de Paus, kan ik thans rustig sterven? – O nee! antwoordt de Paus, u moet niet sterven, maar werken, beste Bartolo». Uit gehoorzaamheid zal hij derhalve werken tot het einde van zijn krachten.

Zijn laatste dagen brengt Bartolo door in een gewijde stemming en in gebed. Getroffen door een dubbele longontsteking, overlijdt hij op 5 oktober 1926, op de leeftijd van zesentachtig jaar. De Allerheiligste Maagd verwelkomt haar trouwe dienaar: «Mijn enige wens is Maria te ontmoeten, die mij heeft gered en mij zal redden uit de klauwen van de satan». Dit waren zijn laatste woorden.

«Met de rozenkrans in de hand zegt de zalige Bartolo Longo tegen ieder van ons: «Wek uw vertrouwen in de Heilige Maagd van de Rozenkrans. Geëerde Heilige Moeder, bij U leg ik al mijn verdriet, al mijn hoop en al mijn vertrouwen neer!»» (Preek van de zaligverklaring). Wij bidden voor u en voor al degenen die u dierbaar zijn, levenden en overledenen.