1 November 1997

Gelukzalige Marie de la Providence (Eugenie Smet)

Dierbare Vrienden,

De Heer ziet het niet als gering, het sterven van zijn getrouwen (Ps 116, 15). Het is op 31 december 1640 dat de heilige Jean-François Regis, Priester van de Sociëteit van Jezus, uitgeput van vermoeidheid en ziekte daar in het pastoorsbed ligt, in de pastorie van La Louvesc, een klein gehucht in het bergland van Vavarais. Een Pater-Jezuïet waakt bij hem. Tegen middernacht zegt de Heilige, die nog bij volle kennis is, tegen zijn metgezel dat hij zich zeer slecht voelt; en even later: «Zo! eerwaarde broeder, ik zie Onze-Lieve-Heer en Onze-Lieve-Vrouw, die het Paradijs voor mij openen». Dan herhaalt hij de woorden van Jezus aan het Kruis: Vader, in uw hand beveel ik mijn geest, en zijn ziel stijgt op naar de Hemel.

Deze stichtelijke dood is een aanleiding tot vreugde, want het is zeker, dat elke mens vanuit het standpunt van het geloof zijn beloning in zijn onsterfelijke ziel ontvangt direct na de overgang naar de eeuwigheid. Voor degenen echter, die het geloof niet bezitten, is de dood een raadsel. En toch kan geen mens de vraag van zich afzetten: wat gebeurt er na de dood?

Volgens materialisten vernietigt de dood ons. Deze mening is in tegenspraak met het verstand. Immers de mens kan denken, willen, liefhebben, kijken, inzichten bedenken, hij bezit de vrijheid; al deze elementen geven hem te kennen, dat er in hem een geestelijk bestanddeel bestaat: de ziel. De onsterfelijkheid van de ziel laat zich afleiden vanuit haar geestelijke aard en haar verlangen naar het volmaakte geluk. De algemene menselijke opvatting bewijst eveneens deze waarbeid. Daarom heeft de revolutionair Robespierre zelf kunnen schrijven: «Het Franse volk gelooft in de onsterfelijke ziel». Van zijn kant heeft Voltaire, ofschoon hij een verbeten vijand van het christendom was, niet geaarzeld om over het materialisme te zeggen, dat het «een van de grootste dwaasheden is, de meeste weerzinwekkende waanzin, die ooit in de menselijke geest is opgekomen».

Een cyclus, die men niet opnieuw begint

Er bestaan andere verkeerde antwoorden op de gestelde vraag. Een ervan verspreidt zich tegenwoordig: de theorie van de reïncarnatie. Voor de aanhangers van deze leer neemt de ziel na de dood een ander lichaam op zich en wordt zo opnieuw mens. Deze leer treft men bij verschillende volkeren aan. In India (hindoeïsme en boeddhisme) is het deze leerstelling die de gehele godsdienst en de gedachtenwereld overheerst. De cyclus van wedergeboorten is iets twijfelachtigs, want hij is gekoppeld aan de misstap en de boetedoening: het is een straf en een vervloeking. Daarentegen wordt in onze westerse wereld de reïncarnatie op een positieve wijze voorgesteld: zij maakt het mogelijk alle verlangens van de mens te realiseren, die niet in één enkel bestaan kunnen worden bevredigd. Zij zal ook het middel zijn gebreken en fouten gedurende het leven goed te maken.

Deze opvatting, voortgekomen uit het heidendom, is strijdig met de Heilige Schrift en de Overlevering van de Kerk. Zij verzet zich vooral op drie punten tegen het christelijke geloof:

– Vooreerst bestaat haar belangrijkste fout uit de afwijzing van de Verlossing van de mens door Jezus, de Redder, want de reïncarnatie is fundamenteel een theorie van zelf-verlossing. Aanvankelijk lijkt zij zeer toegevend ten opzichte van de menselijke zwakheden, doch zij is in werkelijkheid onmenselijk hard. Zij laat immers op de mens het volle gewicht van een bevrijding neerkomen, die hij in feite alleen van God kan ontvangen. De mens moet geheel alleen zijn leven voltooien. Wie weet of hij de volgende keer een beter resultaat behaalt? Het christendom bevestigt daarentegen: alleen God is de unieke vervolmaking van de mens. In Jezus-Christus, in wie wij de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de zonden, dank zij de rijkdom van zijn genade (Ef 1, 7). De gemeenschap met God en het leven in God kunnen eigenlijk nooit mensenwerk zijn, doch alleen een belangenloze gave van God, die de mensheid wordt aangeboden. Onze eeuwigheid hangt niet af van de lengte van onze jaren, maar uitsluitend van het onthaal, dat wij bereiden voor de Liefde van de Christus.

– Bovendien kunnen de aanhangers van de reïncarnatie de leerstelling van de Kerk over het bijzondere oordeel niet aannemen: «De dood maakt een einde aan het leven van de mens als de tijd waarin hij de in Christus zichtbaar geworden genade kan aanvaarden of verwerpen… Zodra hij gestorven is, ontvangt ieder mens in zijn onsterfelijke ziel de eeuwige vergelding in een bijzonder oordeel dat zijn leven in het licht van de Christus plaatst, zodat hij ofwel een loutering ondergaat ofwel onmiddellijk in de gelukzaligheid van de Hemel binnentreedt ofwel onmiddellijk voor eeuwig verdoemd wordt» (KKK 1021, 1022).

– Ten slotte kan de theorie van de reïncarnatie niet in overeenstemming zijn met de opstanding van de lichamen aan het einde van de wereld voor het laatste oordeel. De Kerk «gelooft en belijdt vast dat op de dag van het laatste oordeel alle mensen met hun lichamen voor de rechterstoel van Christus zullen verschijnen om verantwoording af te leggen over hun daden» (KKK 1059). Dit algemene oordeel aan het einde van de wereld zal de onherroepelijke uitspraak gedaan tijdens het bijzondere oordeel op het moment van de dood er niet bij in het geding betrekken, maar dit zal ten doel hebben de sociale rechtvaardigheid te herstellen: onze goede of slechte daden hebben een stichtende weerslag of geven ergernis aan onze naaste. Soms duurt deze invloed zelfs voort in de op aarde nagelaten werken. Aan het einde der tijden zal de deugd geprezen zijn en het kwade veroordeeld in tegenwoordigheid van alle mensen. Gerechtigheid zal ook worden gedaan aan de uit de dood opgestane lichamen naar gelang zij deel zullen hebben gehad aan het goede of aan het kwade. Ten slotte zal de Wijsheid van de Goddelijke Voorzienigheid in de leiding van de geschiedenis van de mensheid zichtbaar worden.

Een laatste barmhartigheid

Als trouw bewaarder van de Leer van Jezus-Christus, de Zoon van God, is het alleen de Kerk die ons het volle licht over de dood en het wezenlijke van het hiernamaals aandraagt. In het vervolg van de gehele Openbaring bevestigt het Tweede Vaticaans Concilie dat het «verloop van ons aardse leven uniek is» (Lumen Gentium, 48). Het moment van de dood is dus beslissend.

Degene die sterft in de vriendschap met God en die volledig gezuiverd is van zonden, treedt onmiddellijk binnen in de glorie van de Hemel. De Hemel is de staat van het uiterste en volkomen geluk en de verwezenlijking van de diepste verlangens van de mens. Daar, waar de gelukzaligen voor altijd leven met Christus; zij zijn gelijk aan God, daar zij Hem van aangezicht tot aangezicht aanschouwen.

Doch, als iemand sterft in staat van doodzonde, in de weigering van Gods Liefde, daalt hij onmiddellijk na de dood af in de hel, het «eeuwige vuur» (vgl KKK 1035). De dood bevestigt hem in de innerlijke staat van verzet tegen God. Dit is ook wat de heilige Catherina van Genua zegt: «De zielen die in de hel zijn, hebben deze aarde met kwade opzet verlaten en zijn altijd in staat van doodzonde. En deze zonde is hun nooit vergeven en dit kan ook niet, omdat zij niet meer in staat zijn hun wil te veranderen. Op het moment van de dood is dit vastgelegd en het eindigt nooit» (Verhandeling over het Vagevuur, hfst 4). En dan nog: «Zij die sterven in de genade en de vriendschap van God, maar nog niet volkomen gelouterd zijn, ondergaan, hoewel zij reeds van hun eeuwigheid verzekerd zijn, na hun dood een loutering ten einde de noodzakelijke heiligheid te verwerven om in de vreugde van de Hemel te kunnen binnengaan. Deze laatste loutering van de uitverkorenen is geheel verschillend van de straf van de verdoemden» (KKK 1030, 1031).

Geen enkele bezoedelde kan binnengeleid worden in de Tegenwoordigheid van de Heer. Elke zondesmet is een belemmering voor de innige ontmoeting met God, waarvan de Heiligheid een volkomen zuiverheid vereist van hen, die de Hemel binnengaan. Dit beginsel moet niet alleen begrepen worden wat betreft de zware zonden («doodzonden»), die de vriendschap met God verbreken en vernietigen, maar ook aangaande de zondesmetten die deze vriendschap verduisteren. Daartoe behoren de dagelijkse zonden en de reeksen zware zonden, die de mens in staat van genade kunnen houden na de vergeving van de misstap verkregen door het sacrament van de Biecht of door een volmaakt berouw in geval van het sacrament van begeerte. De

heilige Caesarius van Arles zegt dat de dagelijkse zonden: «zonder de ziel te kunnen doden, maken zij haar toch dusdanig misvormd, dat zij enigermate of met een grote schok de Hemelse Echtgenoot kunnen raken» (Preek 104, 3). Gelukkig biedt de Barmhartigheid van God ons de troostende mogelijkheid van een volledige loutering na de dood.

Een klein meisje zal ons helpen het mysterie van het Vagevuur beter te begrijpen.

In de voorzienigheid van God verkeren

Met de uitbundigheid van haar twaalfjarige leeftijd rende Eugénie op zekere dag samen met haar vriendinnen achter de vlinders aan en plotseling staat zij dan stil: «Weten jullie waaraan ik denk?» zegt zij tegen haar vriendinnen; en zonder op een antwoord te wachten, vervolgt zij ernstig: «Zegt mij eens, als een van ons in een gevangenis van vuur terechtkwam en dat het ons mogelijk zou zijn door een eenvoudig woord haar te bevrijden, hoe vlug zouden wij dan dat woord uitspreken, niet waar?… Dat is toch wat in het Vagevuur gebeurt: de zielen zijn daar alsof zij in een gevangenis van vuur zitten. De Goede God verwacht slechts een gebed om hen daaruit te bevrijden en dat gebed bidden wij niet». Deze woorden nauwelijks uitgesproken rent zij geestdriftig verder, nadat een enkele mooie vlinder bij haar een ontastbare diepzinnigheid had opgeroepen, waarin een wonderbare genade haar een ogenblik had ondergedompeld. Maar wie is dit meisje?

Eugénie Marie-Joseph Smet is op 25 maart 1825 geboren in Lille (Frankrijk), in een gezin met een sterke christelijke traditie. Al zeer vroeg doet het dankgebed zich in haar ziel gevoelen en twee zaken maken vooral grote indruk op haar: het Vagevuur en de Goddelijke Voorzienigheid. «Mijn God, bidt zij op de leeftijd van 12 jaar, U bent mijn Voorzienigheid: och! als ik eens de Uwe kon zijn!» Toen zocht zij de manier om «de reddende engel te zijn van Hem, Die haar met het goede overlaadde», zij gaf zich dit antwoord: «Zo! kijk hoe zal ik de reddende engel zijn van de Goede God: Hij bemint zozeer de zielen in het Vagevuur en Hij kan hen niet bevrijden uit hoofde van Zijn gerechtigheid! welnu! ik zal Hem zelf deze zielen geven, die Hij bemint en ik zal iedereen vragen Hem ervan te geven door gebeden en door kleine offers».

De zielen in het Vagevuur verduren inderdaad zeer grote smarten voor hun volledige loutering. De aard van het lijden van het Vagevuur wordt niet nader verklaard door het leergezag van de Kerk. De heilige Catharina van Genua bevestigt, dat de vertraging van het aanschouwen van God van aangezicht tot aangezicht voor de ziel zeer pijnlijk is. Gescheiden van het lichaam, ziet de ziel immers duidelijk, dat God haar enige laatste doel is; ook verlangt zij hevig zich te kunnen verenigen met het Hoogste Goed, wat zij zeer vurig bemint.

In het Vagevuur is er ook een of ander voelbaar verdriet. De buitensporige gehechtheid aan alle werkelijke zonden, zelfs aan de dagelijkse zonden, wordt daar vereffend door een voelbaar lijden, dat de schepselen ondergaan. De Latijnse Kerk onderricht in navolging van talrijke Kerkvaders en Kerkleraren, dat een van de instrumenten van dit lijden het werkelijke vuur is. «De Overlevering van de Kerk spreekt met verwijzing naar bepaalde Schriftteksten van een louterend vuur» (KKK 1031). De hevigheid van het lijden blijft toch in verhouding staan met de aard en de ernst van de fouten, die uitgeboet moeten worden.

Bovennatuurlijke solidariteit

Vastbesloten de zielen in het Vagevuur te hulp te komen, weet Eugénie nog niet tot welk soort leven God haar roept. Op Allerheiligen 1853 krijgt Zij onder de Heilige Mis de ingeving om een genootschap van gebed en goede werken te stichten voor de zielen van de gestorvenen, De volgende dag, op Allerzielen, krijgt zij de volgende gedachte: «Er zijn gemeenschappen, die aan alle noden van de strijdende Kerk beantwoorden, maar geen enkele ervan is geheel gewijd aan de lijdende Kerk door de beoefening van werken van godsvrucht en liefdadigheid». Dit zal juist het voornaamste idee zijn voor het Genootschap en ook voor de Kloosterregel, die hiervan uit zal gaan. Eugénie, die Moeder Marie van de Voorzienigheid zal worden, had altijd de intuïtie gehad, dat de werken van barmbartigheid, vooral die werken die ten behoeve van de armen in deze wereld, het meest doelmatige middel zou zijn om de armen van het hiernamaals te hulp te komen. En door dienaressen te worden van de armen, de zieken, de gevangenen, de bejaarden, in een woord van de behoeftigen, zullen de Helpsters van de gelovige zielen het ideaal van hun stichtster verwezenlijken: «Bidden, lijden en werken voor de zielen in het Vagevuur».

De Heilige Schrift leert ons immers, dat men de zielen in het Vagevuur kan verlichten, Het offer door Judas de Makkabeeër gebracht voor de doden verklarend, bevestigt dit: Het is een heilige en vrome gedachte te bidden voor de overledenen, opdat zij van hun zonden zullen worden vrijgesproken (vgl 2 Mak 12, 45). De Kerk heeft altijd de gedachtenis van de overledenen geëerd en ten gunste van hen gebeden en goede werken aangeboden en vooral het Heilig Misoffer. De liturgie van 2 november is speciaal voor dit doel ingesteld, dank zij het initiatief van de heilige Odilon, Abt van Cluny (998). De Canon van elke Mis bevat een voorspraak ten behoeve van de overleden gelovigen. Deze bovennatuurlijke solidariteit is een aspect van de gemeenschap van de Heiligen, die God zeer welgevallig zijn, zoals Onze Heer het eens heeft geopenbaard aan de eerbiedwaardige Marie Lataste: «Je zou niets beters kunnen doen, dat het meest welgevallig is aan God, dan de zielen in het Vagevuur te hulp te komen». De zielen, die wij helpen door onze gebeden, onze aalmoezen, onze offers en door de H. Missen opgedragen voor hun intentie en die wij zo op een doelmatige wijze onze aanhankelijkheid hebben betuigd, zullen ervoor in ruil niet verzuimen op hun beurt ons te hulp te komen.

Zo heilzaam dit gebruik is voor de overledenen, is het ook voor ons. Het houdt ons geloof levend en het sterkt onze hoop, en het wordt zo een aansporing tot heiliging en boetvaardigheid. Wij kunnen ons reeds op aarde louteren van de lichte tekortkomingen tengevolge van onze menselijke zwakheid. «Hier op aarde is het een groot en heilzaam Vagevuur, de geduldige mens, blootgesteld aan zware beledigingen, is meer bedroefd over de kwaadwilligheid van de ander dan over zijn eigen schade; die oprecht bidt voor hen die hem verdrietig maken, die meer neigt naar het medegevoel dan naar het kwaad, die zichzelf geweld aandoet en zich

inspant om het vlees volkomen te onderwerpen aan de geest» (Navolging van Christus, 1, I hfst 24).

Een bereikt ideaal

De stichting van een kloosterorde gaat altijd door een smeltkroes van beproevingen. Duizend angsten bestormen het hart van Moeder Marie van de Voorzienigheid: diepe innerlijke droefheid en totale materiële armoede. Maar de Voorzienigheid laat haar nooit in de steek. Op zekere dag, als haar ziel door zwaar leed wordt beproefd, vertrouwt zij haar verslagenheid toe aan de heilige Pastoor van Ars. Deze laat haar antwoorden: «Mijnheer Pastoor lacht om het relaas van al uw beproevingen en hij draagt mij op u mede te delen, dat deze kruisen bloemen zijn, die weldra hun vruchten zullen geven… Als God vóór u is, wie zal er dan tegen u zijn?» Een andere brief besluit hij zo: «Een huis dat zich optrekt aan het Kruis, zal niet meer de storm, noch de regen vrezen: dit is de Goddelijke bekrachtiging».

Terwijl haar kloosterorde haar vertakkingen uitspreidt in Frankrijk en in het buitenland, gaat Moeder Marie van de Voorzienigheid haar kruisweg, verteerd door een ziekte die haar geen enkele rust laat. Uitgeput door het lijden behoudt zij uiterlijk haar vertrouwde rust, haar geestdrift en haar aanstekelijke vrolijkheid. Niemand beter dan zij weet al het leed te troosten en het vertrouwen en de vrede te verbreiden. «Al mijn kracht, herhaalde zij vaak, staat in het licht van het Kruis». Haar vurige naastenliefde verteert haar volkomen voor God en de zielen. Zij brengt tot stand, wat de heilige Theresia van het Kind-Jezus enkele jaren later zal schrijven in een van haar gedichten: «Om Uw heiligheid te kunnen aanschouwen – Moet men, ik weet het, door het vuur gaan – Zelf kies ik voor mijn Vagevuur – Jouw brandende Liefde, O! Hart van mijn God» (Gedicht nr 23).

In het Vagevuur heerst immers de Liefde van God. Zonder deze Liefde zou het lijden niet bij machte zijn het wonderbaarlijke werk van de loutering voort te brengen. De zielen genieten daar van een innige en onverstoorbare vrede, want zij accepteren volledig Gods Wil over hen. Ondanks hun grote smarten, zijn zij gelukkig door hun liefde voor God, door de zekerheid bemind te zijn door Hem, Onze-Lieve-Vrouw en de Heiligen en ook door de vaste hoop op de Hemel en de zekerheid van hun gelukzaligheid.

Onweerstaanbare zekerheid

In 1870, het zwaarste jaar van de frans-duitse oorlog, gingen de gedachten van Moeder-Overste nog meer uit naar het Vagevuur: «Mijn God, riep zij uit, dat de zielen voor U mogen verschijnen! Mijn Jezus, barmbartigheid! Ik kan niet anders meer denken dan aan de zielen die hun eeuwigheid binnengaan. Dit is toch een werkelijkheid! en wat voor werkelijkheid!» Op 7 februari 1871 geeft de vrome stichtster haar ziel zachtjes terug aan God. Zij had geleefd met het Kruis, het Kruis opende voor haar het Paradijs. «Laten wij ons vastklampen aan het Kruis, had zij enige tijd tevoren gezegd: het is onze enige hoop… Het leven is zo kort…! en de eeuwigheid zal nooit eindigen. Laten wij reeds in de eeuwigheid zijn».

De dag na de plechtigheid van de Zaligverklaring, op 26 mei 1957, gaf Paus Pius XII in een toespraak een korte samenvatting van het wezenlijke van de boodschap, nagelaten door Zuster Marie van de Voorzienigheid: «Al wie de verloochening nastreeft van al zijn persoonlijke belangen en van al het baatzuchtige en zich zonder voorbehoud wijdt aan het universele verlossingswerk, zal zoals Marie van de Voorzienigheid het lijden en de beproeving leren kennen, maar ook de onweerstaanbare zekerheid van wie zich verlaat op de kracht van God-Zelf en met een nederig vertrouwen het uur van de overwinning zonder einde tegemoetziet: Heer bij U zoek ik mijn toevlucht, laat mij niet voor immer vernederd (Ps 71, 1)».

Dit is de genade die wij u toewensen, aan u evenals aan al diegenen die u dierbaar zijn. Wij bidden ook speciaal voor uw overledenen.