1 januari 1998
Gelukzalige Anne-Marie Rivier
Dierbare Vrienden,
Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (Joh 3, 16). De verkondiging van deze Blijde Boodschap vormt de kern van de evangelisatie van het derde millennium.
«Ondervindt de hedendaagse mens de behoefte aan deze verkondiging? Op het eerste gezicht lijkt het van niet, omdat het algemene standpunt en een zekere overheersende ontwikkeling het beeld geven van een mensdom dat zeker van zichzelf is, dat graag aan God voorbijgaat en aanspraak maakt op een volstrekte vrijheid zelfs tegen de zedenwet in. Maar als men de werkelijkheid van iedere mens van nabij bekijkt, hoe zij genoodzaakt zijn hun zwakheid en hun eenzaamheid te bestrijden, bemerkt men dat de geesten, meer dan men denkt, beheerst worden door de benauwdheid, de bezorgdheid voor de toekomst en de angst voor de ziekte en de dood. Dit verklaart waarom zoveel mensen, een uitweg zoekend, zich soms bedienen van een schrikwekkende oplossing, zoals bij voorbeeld de tunnel van de drugs of die van het bijgeloof en gevaarlijke magische rituelen.
«Het christendom biedt niet een goedkope bemoediging, want het eist een waarachtig geloof en een streng zedelijk leven. Maar het geeft ons een reden om te hopen, door ons God aan te duiden als Vader, goed en barmhartig, die ons zijn Zoon heeft gegeven, ons zo zijn grenzeloze liefde tonend» (Johannes-Paulus II, Angelusgebed op 9 maart 1997).
De Zoon van God, Jezus-Christus, laat ons deze liefde ontdekken door de genegenheid van een moeder, die Hij aan ieder mens persoonlijk schenkt: Toen Jezus Zijn moeder zag en naast haar de leerling die Hij liefhad, zei Hij tot zijn moeder: «Vrouw, zie daar uw zoon». Vervolgens zei Hij tot de leerling: «Zie daar uw moeder» (Joh 19, 26-27). In het moederlijke gezicht van Maria herkennen de christenen een uitdrukking van zorgzaamheid en goedheid van God de Vader: de Heilige Maagd komt te voorschijn als degene, die de zondaars aantrekt en die door haar medegevoel en toegevendheid hun de goddelijke barmhartigheid onthult. Zij helpt hen het beletsel van de vrees te overwinnen, die de majesteit van God van nature de mens inboezemt. De groeiende aantrekkingskracht door de devotie tot Maria op generaties christenen, bewijst de voortreffelijkheid van zo’n gave.
De aanwezigheid van een Moeder is inderdaad een bron van bemoediging en vreugde. Welke ook onze levensstaat en onze verantwoordelijkheden mogen zijn, wij zijn allen omringd door het liefelijke moederschap van de Maagd Maria, die voor ons in de volgorde van de genade alle handelingen vervult die iedere moeder aan haar kinderen besteedt: zij bemint, zij waakt, zij beschermt, zij bemiddelt. Zij werkt werkelijk mede aan de geboorte en aan de spirituele opvoeding van ieder van ons. Zij laat de genade in de harten doordringen en vergroot voortdurend de ruimte tot heiliging.
Om in ons tijdperk een voorbeeld te geven van het moederlijk handelen van Maria, heeft op 23 mei 1982 Paus Johannes-Paulus II Anne-Marie Rivier zalig verklaard.
Een kleine vrouw van een meter tweeëndertig
In 1770 wordt Anne-Marie, toen zij nog maar twee jaar oud was, het slachtoffer van een ernstig ongeluk: zij valt uit het stapelbed waarvan zij het bovenste bed gebruikt. Door de val breekt zij haar heup en zij kan voortaan niet meer staan, zelfs niet met krukken. Deze treurige episode speelt zich af in haar geboortestreek, te Montpezat, in de bergen van de Ardèche.
Anne-Marie lijdt ook aan Engelse ziekte: met een normaal ontwikkeld hoofd en bovenlijf, zullen haar armen en benen spichtig blijven en als volwassene zal zij niet groter worden dan een meter tweeëndertig. Door haar gebrek sleept zij zich over de grond en haar moeder draagt haar elke dag naar de kapel van de Boetvaardigen, waar men een zeer oud beeld van de Piëta vereert. In de loop van deze bezoeken legt de moeder aan haar kind uit wie deze wenende Moeder is, die haar Zoon, afgenomen van het Kruis, in haar armen houdt. De liefde van Christus en van zijn Moeder, het verlangen iets voor hen te doen, de afschuw van de zonden die de oorzaak zijn van hun lijden en vooral het onbeperkte vertrouwen in Maria dringen langzamerhand in het hart van het tedere en edelmoedige kleine meisje door. Op een dag zegt zij zonder omhaal tegen haar moeder: «De Lieve-Vrouw van de kapel zal mij genezen!» Onverstoorbaar wacht zij op het wonder, dat niet komt en smeekt: «Heilige Maagd, genees mij, en ik zal u elke dag boeketten en kransen brengen. Als u mij niet geneest, zal ik niet meer terugkomen… Als u mij niet geneest, zal ik boos op u zijn!»
De arme gebrekkige gaat toch door met zich elke dag naar het beeld te laten brengen. Zij weet dat in de hemel Maria haar rol voortzet voor het eeuwig heil van de mensen. Met haar woorden en met haar voorbeelden, weergegeven in de Evangeliën, draagt zij bij aan onze geestelijke vorming: zij nodigt ons uit tot de volmaakte zuiverheid, tot het unieke verlangen om God te behagen, tot getrouwheid en gehoorzaamheid aan al de ingevingen van de Heilige Geest, tot het beoefenen van de deugden, tot de innerlijke vereniging met Jezus. Maria is een ziel die bemint, die opkomt, die schittert. De Heilige Maagd grijpt ook in in ons leven door haar gebed, hetgeen kan leiden tot het verkrijgen van wonderen, als zij het raadzaam acht. Haar ingevingen zijn veelvuldiger dan wij het ons voorstellen. Menigmaal zijn wij in verlegenheid gebracht door een keuze of een moeilijk te vervullen verplichting. Dan een aanroeping, een roep om hulp en het licht straalt en de vreugde keert terug. Soms zijn er ook nauwkeuriger woorden, zeer heldere opdrachten voor hen, die kinderlijk om een gedragslijn vragen. «Nooit heeft de Heilige Maagd nagelaten mij te beschermen, zodra ik een beroep op haar deed, schrijft de heilige Theresia van het Kind-Jezus. Als er mij een onrust of een hindernis overkomt, wend ik mij zeer snel tot haar en als de tederste onder de moeders belast zij zich altijd met mijn belangen» (Manuscript C, f° 26 r°). Ook Anne-Marie zal zeker de werking van deze moederlijke bescherming gewaar worden.
Thuis vertelt zij stichtelijke verhalen aan de kinderen van het dorp en zij weet voorbeeldig de aandacht van haar kleine gehoor vast te houden om hen rustig te laten blijven. Zij onderricht de katechismus en laat al deze kinderen bidden. Geleidelijk voelt zij diep in haar hart het verlangen zich toe te wijden aan God en aan het onderwijs van de kinderen. «Meer dan ooit, zal zij later zeggen, ervoer ik het vurige verlangen om te genezen».
In 1774 wordt haar vader naar God teruggeroepen. De begrafenis vindt plaats op 8 september, het feest van de Geboorte van de Allerheiligste Maagd. Juist op deze dag vraagt Anne-Marie naar haar krukken, die men ergens heeft opgeborgen. Men vindt ze weer terug. Asjeblieft! Tot ieders grote verbazing maakt zij er gebruik van en doet driemaal de ronde door het vertrek. Voor haar feest heeft de Maagd Maria haar een mooi wonder ten geschenke gegeven door haar toe te staan met behulp van haar krukken te lopen!
Meer nog dan voorheen houdt zij zich met de andere kinderen bezig en organiseert processies, de meisjes gesluierd, de jongens een kruis dragend, bidden dan allen de rozenkrans.
Een dubbele dosis wonderen
Op 31 juli 1777 valt Anne-Marie die dan negen jaar is, van de trap en breekt een dijbeen. De chirurg, die met spoed is opgeroepen, zet het been. Mevrouw Rivier, die bezield is door een geloof dat bergen verzet, haalt na het vertrek van de arts het verband eraf en smeert het gebroken been in met olie van de lamp van de Onze-Lieve-Vrouw van Pradelles. De volgende dag is het ledemaat geslonken. Op 15 augustus daaropvolgend zegt een van haar ooms tegen het kind: «Sta op en probeer te lopen». Het tweede wonder, nog opzienbarender dan het eerste: Anne-Marie staat op en loopt zonder krukken! Zij slaakt een vreugdekreet uit: «De Heilige Maagd heeft mij genezen!… De Heilige Maagd heeft mij genezen!…» In de overmaat van vreugde vertelt zij overal over de wonderen, die Maria ten gunste van haar tot stand bracht.
Haar liefde tot God wordt groter door de ontvangen genade. Op ’n dag komt iemand haar in het bos tegen: «Waar ga je toch naar toe? – Naar de woestijn om God te aanbidden». Men brengt haar naar huis, doch haar verlangen naar eenzaamheid en naar het gebed neemt niet af. Haar naastenliefde beweegt haar ertoe om alles wat zij maar kan weg te geven. Zij helpt zelfs een blinde met bedelen door haar aan de hand te nemen om haar te geleiden.
Met elf jaar doet zij haar Eerste Heilige Communie: «Ik was zo klein, zal zij later vertellen, dat ik om de heilige tafel te bereiken mijn linnen hoed onder mijn knieën moest leggen». Haar moeder leert haar lezen en schrijven en zendt haar vervolgens naar de zusters van Onze-Lieve-Vrouw te Pradelles om zich verder te bekwamen. Als zij daarna weer thuisgekomen is, wordt zij door haar ijver aangezet tot talrijke pastorale en liefdadige werken: zij geeft godsdienstles, sleept de jongelui naar de Mis en naar de biechtstoel, verzorgt de zieken en begeleidt de stervenden. Het dagelijks ontvangen van de H. Communie, het bidden van de rozenkrans en van de kleine officie van de Onbevlekte Ontvangenis, ondersteunen haar zieleleven. Haar uitstraling is zodanig, dat men haar vraagt voor verschillende intenties novenen te houden.
Op zeventienjarige leeftijd verzoekt zij om haar intrede bij de zusters van Onze-Lieve-Vrouw. Maar de raad van zusters weigert de toelating wegens haar slechte gezondheid. Een zeer pijnlijke verrassing! «Deze weigering deed slechts mijn verlangens ontvlammen, zal zij later bekennen: daar men mij niet in het klooster wil laten intreden, zal ik zelf een klooster stichten!» Een ijzersterk geloof, een blind vertrouwen in de Allerheiligste Maagd en een ontzaglijk grote naastenliefde omarmen de ziel van onze «kleine» Anne-Marie.
« Allen naar het Paradijs »
In 1786 keert zij terug naar Montpezat. Zij is achttien jaar, maar houdt de heel kleine lichaamslengte. Dat verhindert haar niet aan haar pastoor te vragen om haar als hoofd van een school aan te stellen. De pastoor vindt haar verzoek belachelijk, oordelend dat zij noch respect, noch gehoorzaamheid van de kant van de kinderen zal afdwingen. Anne-Marie houdt aan en houdt aan… Niet alleen wil zij de meisjes samenbrengen, maar zij wenst ook goede huismoeders te vormen, overtuigd als zij is van de rol van evangelieprediker van de gezinnen en van de belangrijkheid van de inwijding in de godsdienst vanaf de prilste jeugd: «De eerste indrukken zijn het belangrijkst voor het leven!» zal zij zeggen. De pastoor geeft ten slotte toe. Zij heeft dus de toestemming een school op te zetten in al de vertekken van een huis, dat toebehoort aan de zusters dominicanessen. De school opent aan het begin van het schooljaar 1786 en wordt bevolkt door vooral arme kinderen die gratis worden toegelaten en nog kinderen van de welgestelden.
De jonge onderwijzeres is veeleisend, doch zij is bemind bij de meisjes, die begrijpen dat haar vastberadenheid in hun voordeel uitvalt en voortspruit uit haar liefde voor hen. Haar pedagogische methode is eenvouding en volledig met gezond verstand. Zij is zich ervan bewust, dat de totale opleiding van een kind een degelijke en diepgaande geestelijke en dogmatische vorming moet omvatten. Haar verlangen de zielen die aan haar zijn toevertrouwd naar hun eeuwige gelukzaligheid te begeleiden, doet haar vaak herhalen: «Lieve kinderen, ik wil jullie allen naar het Paradijs brengen».
Zij behaalt met de kinderen bemoedigende resultaten. Haar geheim? Durf, vastberadenheid, aanstekelijke blijdschap en veel goede moed. Enige raadgevingen die zij later aan haar zusters zal geven voor het onderwijs: «Val niet op door uw talenten, zelfs niet om kinderen aan te trekken voor de school… Als kinderen goede resultaten boeken, moeten zij zich niet als begaafden beschouwen, om te willen uitblinken. Bij het aanspreken geen geleerde woorden gebruiken. Bewonder hun kleding niet: geef hun integendeel de afkeer voor sieraden en mode».
Zij waarschuwt de nieuwe onderwijzeressen: «De kinderen hebben soms genoeg kwaadwilligheid om het karakter van een pas aangekomen zuster op de proef te stellen, omdat zij willen zien of zij veerkracht en waakzaamheid heeft, of men haar ongestraft voor de gek kan houden. Degene die de leiding over een klas heeft, moet een strenge en ernstige houding aannemen, die te kennen geeft dat men zonder omhaal zijn plicht moet doen, en ook een aardige en beleefde toon die hen wint».
«Let op de zuiverheid en hoeveelheid van de voeding; jonge kinderen moeten voldoende eten. Slaap en lichaamsbeweging zijn noodzakelijk. Geef hun een warme drank als zij het koud hebben. Als zij ziek zijn, roep dan een arts zonder hun «huismiddeltjes» te geven. Dring hun geen voeding op, waarvoor zij een onweerstaanbare afkeer hebben…»
In de strijd
1789: De revolutie breekt uit. Anne-Marie doet alles wat in haar macht ligt om de weerspannige priesters te helpen, die vervolgd worden wegens hun trouw aan de Paus, om hun priesterambt uit te oefenen. Naar gelang de omstandigheden verzamelt zij overdag of ’s nachts de gelovigen om te biechten, de Mis bij te wonen en te communiceren. Wanneer de priester niet kan komen, geeft zijzelf onderricht. In die dagen dat de guillotine niet stilstaat, moet men een nuchtere taal gebruiken. Zij aarzelt dan ook niet met kracht te spreken over de Gekruisigde Jezus, voorbeeld van moed en standvastigheid, over de vier uitersten van de mens, over de doodzonde die leidt tot de verdoemenis, over het Paradijs beloofd aan degenen die trouw zullen gebleven zijn aan het Evangelie en aan de Kerk van Rome. Daarna ondervraagt zij haar gehoor: «Belooft u mij voor Jezus-Christus te sterven?» En met tranen in de ogen antwoorden allen: «Ja!»
Zij zal spoedig door de revolutionaire commissaris gedagvaard worden, die haar verbiedt zulke bijeenkomsten te leiden op straffe van opsluiting in het huis van bewaring en veroordeeld te worden. Maar deze kleine vrouw van een meter tweeëndertig houdt stand en betrouwbare personen wijst zij zelfs het huis Rivier aan als verzamelplaats.
Ofschoon het als nationaal bezit was verklaard, is het dominicaanse huis in Montpezat niet verkocht. Anne-Marie zet de school daar voort. Zij heeft weldra een zestal kostschoolmeisjes, waaraan zij een vorm van communiteit probeert te geven: haar idee van een klooster achtervolgt haar steeds. Haar ijver voor het zieleheil bezielt haar met een grote durf. «God ondersteunt mij zó zeer, vertelt zij, dat in de plaats van te denken om de ondernomen werken op te geven, ik aan nog grotere dacht. Hier, dacht zij bij zichzelf, zijn de kinderen onderricht, de vrouwen en jonge meisjes geholpen, maar elders, wie houdt zich met zoveel arme zielen bezig?… En ik brand van verlangen om overal tegelijk te zijn…» Wij zijn in 1793, als de revolutie op z’n hevigst is. Drie jonge meisjes voelen zich aangetrokken door haar idee en sluiten zich bij haar aan. Anne-Marie wijst aan ieder een dorp in de omgeving aan om daar godsdienstonderwijs te geven en de jeugd te helpen overeenkomstig het Evangelie te leven.
Weer de Heilige Maagd
In 1794 verkoopt de revolutionaire regering het huis van de Dominicanessen in Montpezat. Anne-Marie en haar gezellinnen, die moeten verhuizen, vragen aan de Heilige Maagd hun een teken van bemoediging te geven: het beeld van Maria beweegt en glimlacht hun toe. Gesterkt door dit wonder, vestigen zij zich in het dorp Thueyts in een ander huis van de Dominicanessen en richten daar een school op. De toeloop is zodanig, dat Anne-Marie de jongens moet toevertrouwen aan de Broeders van de Christelijke Scholen. Haar voorbeeld trekt twee andere meisjes aan, die bereid zijn haar te helpen. Op zekere dag roept zij haar vijf gezellinnen bij zich en zegt hun opeens: «Laten wij bij elkaar gaan wonen en wij stichten een klooster!» Allen stemmen toe en de oprichting is een feit. De eerste toestemmingen van de bisschop zijn gegeven en op 21 november 1796, op het feest van de Opdracht van Maria in de Tempel, wijden Anne-Marie en haar dochters zich toe aan God en aan de jeugd, onder de bescherming van Onze-Lieve-Vrouw van de Opdracht. «Wij waren niets, wij hadden niets, wij konden niets, zal zij later zeggen. Zou u nog betwijfelen, dat het de Goede God is geweest, die dit alles heeft geleid?» De spiritualiteit van de stichtster heeft namelijk als grondslag de deugden van geloof, van hoop en van naastenliefde, met een heel apostolische betekenis. Voor haar gaat het erom om met de Christus het Verlossingswerk te voltooien. Daarom schrijft zij: «Onze roeping, dat is Jezus-Christus».
Bij het begin van het schooljaar 1798 telt de school van Thueyts 62 kostschoolmeisjes en er moet een nieuw huis gekocht worden, welbegrepen zonder geld te hebben… Maar de Voorzienigheid die nimmer te kort schiet jegens iemand, die op haar vertrouwt, voorziet erin, en de benodigde financiën zijn snel verzameld. In 1801 keurt de aartsbisschop Mgr d’Aviau de voorlopige kloosterregel goed, die de Moeder-Overste Anne-Marie hem heeft voorgelegd. Zijzelf wordt bevestigd als overste voor het leven en twaalf religieuzen doen hun gelofte. Het grootste gedeelte van de communiteit verplaatst zich in 1815 van Thueyts naar Bourg-Saint-Andréol in het grote klooster van de Visitatie, dat met moeite door de stichster is verworven. «Ik heb nog nooit anders naar geld gezocht dan door het gebed en het is er altijd gekomen», zal zij erkennen terwijl zij naar een beeld van de Allerheiligste Maagd wijst.
Wonderbaarlijk worden de scholen talrijker. Op het moment dat zij deze aarde verlaat om eindelijk de Maagd Maria te zien, die zij op deze wereld zo overtuigend bemind heeft, telt haar congregatie 300 religieuzen verdeeld over 141 instellingen. Thans zijn er ongeveer 3000 zusters van de Presentatie, verdeeld over 9 provincies waarvan 3 in Europa en 6 in de Verenigde Staten. Zij zijn zowel onderwijskrachten en ziekenzusters als parochiëel opvoedsters.
Op 3 februari 1838, terwijl zij het tweede gedeelte van het «weesgegroet» bidt: «Heilige Maria Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood», ontslaapt Moeder Anne-Marie vredig. Onze-Lieve-Vrouw was er volgens afspraak.
Doordat wij aan Maria vragen om voor ons te bidden, erkennen wij dat wij arme zondaars zijn, en richten wij ons tot de «Moeder van barmhartigheid», tot de volmaakte Heilige. «Nu», in het heden van ons leven, verlaten wij ons op haar. Moge zij in onze harten de zekerheid ingeven dat God ons bemint, en moge zij ons nabij zijn in de momenten van eenzaamheid, als wij geneigd zijn het op te geven wanneer er moeilijkheden zijn. Dat ons vertrouwen zich uitbreide, zodat wij vanaf nu «het uur van de dood» in haar handen kunnen leggen. Moge zij daar aanwezig zijn, zoals zij ook aanwezig was bij de dood aan het Kruis van haar Zoon, en moge zij ons in het uur van ons heengaan opnemen als onze moeder om ons te leiden naar Jezus, in het Paradijs.
Het is de genade die wij u toewensen op voorspraak van de heilige Jozef. Wij bidden voor al uw overledenen.






