7 Oktober 1997

Zalige Petrus Donders

Dierbare Vrienden,

De mens kan niet leven zonder liefde. De liefde is de belangrijkste kracht die al de andere krachten bezielt. Daarom stelt God, zijn Schepper, hem een leven van liefde voor. «De hoogste zingeving van de menselijke waardigheid is gelegen in de roeping van de mens tot gemeenschap met God. Reeds vanaf zijn oorsprong wordt de mens uitgenodigd tot een dialoog met God: immers, hij bestaat alleen, doordat hij door God uit liefde is geschapen en door Hem altijd uit liefde in stand wordt gehouden; hij leeft niet volgens de waarheid, als hij deze liefde niet vrijwillig erkent en zich aan zijn Schepper toevertrouwt» (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium en spes, 19, 1).

Maar waaraan herkent men de Liefde? De heilige Ignatius van Loyola maakt ons er opmerkzaam op, dat «de liefde bestaat in wederzijdse mededeling. Wie liefheeft geeft en deelt mee wat hij heeft of van hetgeen hij heeft of vermag aan wie hij liefheeft, en zo ook omgekeerd, wie geliefd wordt aan wie hem liefheeft. Heeft de een kennis, eer of rijkdom, dan zal hij die geven aan wie ze niet heeft, en zo zal ook de ander doen jegens hem» (Geestelijke Oefeningen, 231).

God is eeuwige gelukzaligheid, onsterfelijk leven, licht dat niet dooft en Hij wil aan de mens de heerlijkheid van Zijn gelukzalig leven overbrengen. Dit goddelijk raadsbesluit komt tot ontplooiing in het werk van de schepping en in de voor eeuwen geschonken genade, maar vooral in de genade van de Verlossing na de zondeval.

Reeds de glans van de schepping openbaart ons de liefde van God, en nodigt ons uit tot de lofprijzing met de heilige Franciscus van Assisië:

«Geprezen zijt Gij, Heer, met al uw schepselen vooral zuster zon, die de dag is, en door wie Gij ons verlicht; En zij is schoon en stralend met grote glans: van U, Allerhoogste, is zij het zinnebeeld…

Geprezen zijt Gij, Heer, om zuster water, die zeer nuttig en nederig en kostbaar en rein is…

Geprezen zijt Gij, mijn Heer, om onze zuster, moeder aarde, die ons onderhoudt en voedt en verscheidene vruchten voortbrengt samen met kleurrijke bloemen en gras.

Prijst en zegent de Heer en dankt Hem en dient Hem in grote nederigheid!»

Ik bemin de Vader

Om ons hart volledig te bereiken, was het voor de liefde van God niet voldoende ons de wonderen van het heelal in bezit te geven; Hij is er gekomen uit de volle overgave van Zich-Zelf. De hemelse Vader heeft ons zijn eigen Zoon gegeven: En de liefde die God is, heeft zich onder ons geopenbaard doordat Hij zijn eigen Zoon in de wereld gezonden heeft, om ons het leven te brengen (1 Joh 4, 9). Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eigen Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (Joh 3, 16). Met zijn Zoon, die Hij ons geeft, heeft Hij ons alle mogelijke weldaden geschonken: zijn genade, zijn liefde en het paradijs. Maar Hij is nog veel verder gegaan: Hij heeft zijn Zoon uitgeleverd aan de dood op het Kruis voor onze zonden: Hierin bestaat de liefde: niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, èn Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonden uit te wissen (Joh 4, 10). God echter bewijst zijn liefde voor ons juist hierdoor, dat Christus voor ons is gestorven, toen wij nog zondaars waren (Rom 5, 8).

Van zijn kant is de Zoon volmaakt in het welbehagen van zijn Vader getreden. Vanaf het eerste moment van zijn Menswording verenigt Hij zich met het verlossende liefdesplan van de Vader: Ik ben gekomen, o God om uw wil te doen (vgl Heb 10, 5-10). Het offer van Jezus voor de zonden van de gehele wereld is de uiting van zijn liefdegemeenschap met de Vader: De Vader heeft Mij lief, omdat Ik mijn leven geef (Joh 10, 17). De wereld moet weten, dat Ik de Vader liefheb en dat Ik handel zoals Hij Mij bevolen heeft (Joh 14, 31). Door zijn gehoorzaamheid tot in de dood heeft Jezus de profetie van Jesaja over de «lijdende Dienaar» vervuld: die als een zoenoffer zijn leven gaf (vgl Jes 53, 10-12). Dit is de liefde tot het uiterste toe (vgl Joh 13, 1), die zijn waarde van verlossing, voldoening, verzoening en genoegdoening verleent aan het offer van Christus (vgl KKK, 609).

De liefde roept om liefde

De liefde van Christus laat ons geen rust (2 Kor 5, 14). De liefde betuigd door de lijdende Jezus beweegt ons ertoe liefde voor liefde te vergelden door, zover het in ons vermogen ligt, de onderlinge uitwisseling te verwezenlijken van de weldaden, waarover de heilige Ignatius spreekt. Jezus «heeft ons de weg gebaand om in zijn voetstappen te treden (vgl 1 Pe 2, 21). Hij wil immers zelfs hen die er het meest profijt van hebben, deelgenoot maken van zijn verlossend offer. Dat is op verheven wijze verwezenlijkt in de persoon van zijn moeder, die meer dan ieder ander nauw betrokken is bij het mysterie van zijn verlossend lijden» (KKK, 618). «Wij moeten de stadia van het leven en de mysteries van Christus voortzetten en in onszelf vervullen. Wij moeten dikwijls tot Hem bidden dat Hij de mysteries in ons en in heel zijn kerk voltooit en tot vervulling brengt. (…) Want Gods Zoon heeft het voornemen zijn mysteries aan ons mee te delen, ze in heel zijn kerk op een of andere wijze te ontwikkelen en voort te zetten, zowel door de genade die Hij ons wil schenken, als ook door de vruchten die Hij door deze mysteries in ons wil bewerken» (Sint Jean Eudes, KKK, 521). Zo zijn al de Heiligen geroepen geworden om in hun lichaam aan te vullen wat nog ontbreekt aan het Lijden van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk (Kol 1, 24).

De Paus heeft op 23 mei 1982 vijf Zaligen tot de eer des altaars verheven, waaronder Pater Petrus Donders. «In deze mannen en in deze vrouwen hebben wij de waarachtige afspiegeling gezien van de liefde die de onvergelijkelijke rijkdom uitmaakt van God in het innerlijke van het trinitaire leven, die zich openbaart in de gave van zijn eniggeboren Zoon voor het heil van de wereld, in het bijzonder in zijn verlossend offer… Door het voorbeeld van zijn leven, heeft Pater Donders getoond hoe de verkondiging van de Blijde Boodschap van de Verlossing en de bevrijding van de zonden steun en bevestiging moeten vinden in een waarachting evangelisch leven, een leven van werkelijk bestaande liefde voor de naaste, vooral voor de allerkleinste broeders van Christus» (Preek van 23 mei 1982).

Een scholier van tweeëntwintig jaar

Petrus Donders is op 27 oktober 1809 geboren. Zijn familie woont in een armoedig houten huis in een dorp aan de rand van Tilburg (Nederland). Na de lagere school helpt Petrus (Peerke) zijn vader die het beroep van wever uitoefent, maar op zeer jeugdige leeftijd voelt hij zich aangetrokken tot het priesterschap. Hij is zeven jaar wanneer zijn moeder deze aarde verwisselt voor het hiernamaals. Als de Priester bij hem thuis komt, maakt Peerke zich meester van het missaal: «Eens zal ik ook zo’n missaal hebben». Hij zal later schrijven: «Ik zal de Goede God nooit genoeg kunnen danken mij te hebben behoed voor de talrijke gevaren die mijn gelukzaligheid in gevaar zouden kunnen brengen en mij te hebben geleid tot Maria, zijn Moeder. Na God is zij het aan wie ik mijn roeping moet toeschrijven». Maar hij zal nog enkele jaren moeten werken als wever.

Op zekere dag schrijft hij de pastoor van zijn parochie om hem te vragen of hij wil helpen bij het beginnen van de studie latijn. De Priester is erg in verlegenheid gebracht: deze jongeman afwijzen zou een fout zijn, maar zou het niet een onvoorzichtigheid zijn hem naar het seminarie te sturen? Deze jongen is reeds 22 jaar, en hij heeft nauwelijks uitgeblonken op de lagere school… Na heel wat moeilijkheden, zit hij daar toch in de banken van zijn klas en ondergaat de hatelijkheden van de jonge leerlingen. Langzamerhand slaagt hij erin de genegenheid van allen te winnen: van de leraren, leerlingen en bedienden. In 1839 gaat hij naar het Groot-Seminarie in Haaren met de bedoeling Missionaris te worden. Daar ontmoet hij Mgr. Jacques Grooff, de Apostolisch Vicaris van Suriname (Nederlands Guyana). De prelaat geeft de theologiestudenten een uiteenzetting van de geestelijke noden van zijn vicariaat. De seminaristen luisteren naar hem met belangstelling, doch één enkele, Petrus Donders, maakt zijn voornemen kenbaar hem te volgen. Mgr. Grooff neemt hem aan. Na op 5 juni 1841 tot Priester gewijd te zijn, wordt Petrus op 14 april 1842 officieel benoemd tot «apostolisch Missionaris» Aanstonds begeeft hij zich naar zijn missiepost, zijn ziel uitbundig van vreugde.

Gedurende de eerste veertien jaar zal Petrus Donders vanuit Paramaribo (de hoofdstad van Suriname) het apostolaat uitoefenen. Al op 7 oktober 1842 neemt Mgr. Grooff hem mee naar de melaatsenkolonie van de regering in Batavia, dat te midden van het palmbomenbos is gelegen. Zij komen daar in de avond van de 8e aan. Na de melaatsen gezegend te hebben, begeeft de Apostolisch Vicaris zich naar de houten kerk waar men het Onze Vader zingt.

Diepe emotie

«Een diepe emotie, heeft Petrus Donders opgeschreven, deed mijn hart inkrimpen bij het zien van dit gezelschap. Sommige zieken hadden hun tenen verloren, anderen hun handen; nog anderen hadden verschrikkelijk gezwollen benen. Enkele zieken waarbij de tong was aangetast, konden niet meer praten; allen konden nog nauwelijks lopen». En hij besluit: «Hun ziekte is niet een ongenade. Wat is God toch goed voor hen en hoe vaderlijk is zijn Voorzienigheid! Want voor de meerderheid van hen is de ziekte het enige middel dat tot de gelukzaligheid leidt». Immers, «heel vaak leidt ziekte ertoe God te zoeken en naar Hem terug te keren» (KKK, 1501).

Mgr. Grooff en zijn metgezel blijven tot 20 oktober in de melaatsenkolonie. De jonge Missionaris doopt drie kinderen en twee grijsaards. Hij laat drie bejaarde vrouwen hun Eerste Heilige Communie doen en ook nog een jong meisje van 11 jaar, dat gedoemd is tot een vroegtijdige dood. Hij trouwt twee zieken zo goed als zonder vingers. Maar de Missionarissen troosten bovenal deze ongelukkigen, die bij hun vertrek hen huilend naar de boot vergezellen.

Op de rivier wijst Mgr. Grooff zijn metgezel op een ander werkterrein: de koffie-, katoen-, en suikerrietplantages, waar de slaven zwoegen. Er bestaan ongeveer 400 van dergelijke ondernemingen, waar 40.000 Afrikanen gedwongen worden zonder ophouden te werken onder de zweep van hun bewakers. Alleen de dood zal hen bevrijden. Het is niet gemakkelijk hen te benaderen, want de eigenaren wantrouwen de katholieke Missionarissen als hun uitgesproken vijanden van hun zedeloosheid en schandelijke praktijken. Petrus Donders moet de verschrikkelijke bewakers trotseren. Maar als men hem afwijst, gaat hij met een glimlach weg, terwijl hij hen het allerbeste toewenst. Zodra het mogelijk is en na langdurig gebeden te hebben, komt hij een keer, twee keer en meer keren terug om deze harde mensen in een gunstige stemming te brengen. Zo slaagt hij erin een bewaker voor zich te winnen, die hem zijn gang laat gaan. Op dezelfde manier krijgt hij toegang tot drie, dan vijf en later tot tweeëndertig van deze slavenkampen, waar hij aan de slaven godsdienstonderricht geeft. Het aantal gedoopten stijgt van 1145 in 1845 tot 3000 in 1866. Het gebed, het onvermoeibare geduld en de eenvoud van de Missionaris hebben deze sprong voorwaarts veroorzaakt.

Ondanks deze missiereizen naar het achterland, is Petrus Donders een groot gedeelte van het jaar aan Paramaribo gebonden, waar hij de ongeveer 2000 katholieken verzorgt. Door zijn naastenliefde is hij voor iedereen een vader geworden; hij deelt alles wat hij heeft aan de armen uit. Wanneer hij niets meer heeft, past hij bij zijn Bisschop een kunstgreep toe om zijn portemonnaie te laten openen: «Maar mijn beste vriend, zegt deze op zekere dag tegen hem, u geeft maar, altijd maar geven! Wat zult u doen als ik dood ben? – O! God sterft niet», antwoordt hij hem.

Eens had hij niets meer over dan zijn horloge om een gezin in moeilijkheden te helpen. Dus gaat hij een opkoper zoeken om het te verkopen. Ontroerd als hij is, wil de koopman hem het voorwerp teruggeven; maar Petrus Donders is niet thuis en hij geeft het dus aan de Bisschop. Tegen etenstijd kondigt deze zijn tafelgenoten aan: «Beste vrienden, men heeft mij een horloge ten geschenke gegeven. Laten wij het verloten en zien wie de gelukkige winnaar zal zijn». Natuurlijk komt het bij Petrus Donders terecht, die met een glimlach bedankt.

In 1843 offert Petrus Donders zich boven zijn kracht op tijdens een choleraepidemie, doch hij wordt niet besmet. Zeven jaar later slaat de gele koorts toe, wat erger is dan de cholera. Deze keer wordt Petrus Donders door de ziekte geveld en verkeert vier weken tussen leven en dood alvorens weer te genezen. «Wie van u zou van ganser harte naar Batavia willen gaan, waar de regering de melaatsen opsluit? vraagt op zekere dag de Bisschop aan zijn Missionarissen – Ik, Monseigneur», antwoordt terstond Petrus Donders.

Achtentwintig jaren onder de melaatsen

Hij vertrekt. Hij zal er 28 jaren blijven: het is een post waar niemand vóór hem het langer dan twee jaar heeft kunnen uithouden. «De Priester heeft voor de melaatsen gedaan, wat geen ander op de wereld zou hebben kunnen doen», zal een soldaat getuigen die dienst doet in Suriname. «Toen ik hem eens vroeg mij toe te staan een kijkje in de barakken te nemen, zei de Pater – O! nee, jongeman, u zou een dergelijke verschrikking niet kunnen verdragen!» Voor hun eeuwig heil overwon Petrus Donders dagelijks en gedurende meer dan een derde van zijn leven dit ondraaglijk schouwspel.

Van tijd tot tijd komen er bij de kolonie boten met nieuwe melaatsen aan, die van wanhoop huilen bij het zien van deze plek vanwaar zij nooit meer zullen vertrekken. Maar plotseling bedaren zij als zij het vaalbleke en vermagerde gezicht van Petrus Donders zien verschijnen. In zijn ogen veel goedheid; op zijn lippen de glimlach; uit zijn mond komen bemoedigingen. Hij leidt de nieuwelingen naar hun hutten en draagt koeken en verfrissingen aan. Hij nodigt hen uit zich te verheugen, want, zegt hij hun, «voortaan zijn wij vrienden», wat hij hun goed laat merken.

Zijn melaatsen onderwijst hij de godsdienst, hij helpt hen bidden, verzorgt hen en helpt hen, die geen handen meer hebben, met het eten. Hij weigert echter te helpen bij chirurgische operaties, want hij kan het nog steeds niet verdragen bloed te zien. Men begrijpt van toen af de heldhaftigheid beter, waarvan hij blijk geeft door gedurende zoveel jaren met grote gevoeligheid de zware beproeving te weerstaan.

De directeur van de kolonie wil in 1873 de kinderen van de melaatsen aan het gevaar van besmetting onttrekken. Wanneer men hen met geweld van hun ouders wil losrukken, ontstaat er een ommekeer in de melaatsenkolonie. De Pater vraagt dan aan de soldaten zich terug te trekken en richt zich daarna tot de menigte: «Als u van uw kinderen houdt, laat hen dan niet aan de lepra sterven!» Dan scheiden de moeders zich van hun kleuters. Alleen een Chinees vlucht weg met zijn kind, vastbesloten het eerder te doden dan het uit handen te geven. Petrus Donders haalt hem in en overtuigt hem.

In 1867 wordt hij als 57-jarige na zes maanden noviciaat geprofest in de Congregatie van de Allerheiligste Verlosser (Redemptoristen); het zijn de onvoorziene omstandigheden die hem daartoe hebben geleid, maar hij verbergt zijn vreugde niet te zijn toegelaten tot het monnikenleven. Behalve zijn apostolaat bij de melaatsen, wijdt hij zich dan aan de bekering van de volksstam van Caribië, wilde mensen en kannibalen. Hij moet hen eerst zien te achterhalen in de wouden en in de moerassen en hen dan met zachtmoedigheid benaderen. Zij luisteren zonder tegenspraak naar hetgeen hij vertelt over de Hemel, over de hel, over het eeuwig leven en over Jezus Verlosser. Maar als de Missionaris de christelijke zedenleer uiteenzet, worden zij doof gewend als zij zijn aan de polygamie (veelwijverij) en aan de ontucht. De onverzettelijke vijanden, de tovenaars zeggen tegen de indianen: «Als u uw kinderen laat dopen, zullen zij omkomen». De inboorlingen verbergen dan toch hun kinderen als er een Missionaris verschijnt. Toch slaagt Petrus Donders erin verschillende tovenaars te bekeren, welk voorbeeld weldra wordt opgevolgd en wel zo goed dat een getuige zal kunnen zeggen: «In deze streek hebben bijna alle indianen het geloof omhelsd».

Volmaakte gelijkenis

Ter volmaking van de gelijkenis van Petrus Donders met Jezus, verworpen en versmaad door degenen die Hij kwam redden, laat de Voorzienigheid toe dat de Missionaris in januari 1883 uit de melaatsenkolonie weggezonden wordt. De melaatsen, geleid door een zekere Jozef aan wie Pater Donders verwijten heeft gemaakt over zijn schandalig gedrag, komen de Bisschop bezoeken. Zij vragen om de verwijdering van de Missionaris onder voorwendsel dat hij te oud is. De Bisschop gaat daarmee accoord. In november 1885 wordt Petrus Donders naar Batavia teruggezonden om in de dringende noden te voorzien. Hij zal daar zijn leven beëindigen te midden van de melaatsen, die hem knielend verwelkomen.

In december 1886 krijgt hij een ernstige nierontsteking. In de nacht van 5 op 6 januari 1887 vraagt hij om de laatste sacramenten, die hem gegeven worden door een melaatse Pater-Redemptorist. Op 12 januari vraagt de zieke om een arts: hij overlijdt op vrijdag 14 januari om half vier ’s nachts. Alle melaatsen huilen om hem, zelfs diegenen die hem enkele maanden tevoren uit Batavia wilden wegsturen.

Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden (Joh 15, 13). Zoals de Verlosser heeft Petrus Donders zijn leven gegeven voor zijn broeders. Dat wij in navolging van hem mogen lezen in het lijdensverhaal van Christus de glansrijke openbaring van Gods Liefde voor ons: «O! onpeilbare liefde van barmhartigheid, om ons uit de slavernij van de zonde te verlossen, hebt U de Zoon gezonden» (Liturgie van het Vigilie van Pasen). Laten wij aan de Geest van Liefde vragen om van het gekruisigde Hart van Jezus neer te dalen tot in het innerlijke van onze harten. Dan zullen wij deze woorden van de heilige Theresia van het Kind-Jezus verstaan: «Leven uit liefde is niet op aarde zijn tent bouwen op de Berg Thabor, het is met Jezus opgaan naar Calvarië, kijken naar het Kruis als naar een kleinood».

Gedurende de maand oktober, de maand van de heilige Engelen, bidden wij heel bijzonder tot onze Engelbewaarder. Wij vragen om zijn machtige bescherming op onze tocht naar het hemels vaderland. Deze bijzondere genade vragen wij voor u en voor allen die u dierbaar zijn. Wij bidden ook voor al uw dierbare overledenen.