3 december 1997

Gelukzalige Clement Marchisio

Dierbare Vrienden,

In meer dan dertig huizen over de wereld verspreid maken de religieuzen van de «Dochters van sint Jozef» miljoenen hosties, persen karren druiven uit, wassen duizenden kilo’s liturgisch linnen. De Basiliek Sint-Pieter van Rome maakt gebruik van hun diensten, maar ook eenvoudige kapellen in de missie. Hun leven is geheel gericht op het altaar van het Heilig Misoffer en op het tabernakel. De liefde van de Kerk voor de heilige Eucharistie maken zij aan de wereld duidelijk.

«De Eucharistie is de oorsprong en het hoogtepunt van heel het christelijk leven. De overige sacramenten, evenals de kerkelijke ambten en apostolaatswerken, hangen samen met de Eucharistie en zijn erop gericht. Want in de heilige Eucharistie ligt heel het geestelijk goed van de Kerk vervat, namelijk Christus, ons paaslam» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1324). Waarop steunt de Kerk om de waarachtige tegenwoordigheid van Jezus in het Sacrament des Altaars te bevestigen? «Dat in dit sacrament het echte lichaam en het echte bloed van Christus tegenwoordig is, «kan men niet te weten komen met de zintuigen», zegt de heilige Thomas van Aquino, «maar alleen door het geloof dat steunt op het gezag van God». En daarom zegt de heilige Cyrilles in zijn commentaar op de tekst van Lucas (22, 9): Dit is het lichaam dat voor u gegeven wordt: «Vraag u niet af of dit wel waar is, maar neem liever gelovig de woorden van de Verlosser aan; want omdat Hij de waarheid is, liegt Hij niet» (KKK, 1381).

Deze «Dochters van sint Jozef», die hun religieuze leven wijden aan de verering van Jezus in de Eucharistie, hebben als stichter Clément Marchisio gehad, die op 30 september 1984 door Paus Johannes-Paulus II is zalig verklaard. «Als man van gebed, zoals elke priester moet zijn, zei de Heilige Vader over hem tijdens de zaligverklaring, was hij zich bewust van zijn plicht God aan te roepen, de Heer van het heelal en van zijn leven, maar hij was zich ook volkomen bewust van het feit dat de ware aanbidding, waardig aan de oneindige heiligheid van God, vooral verwezenlijkt wordt door het Sacrament van het Lichaam en Bloed van Christus. Ook vertoonde hij de grootste godsvrucht in de vrome viering van het eucharistisch mysterie, bij de nauwgezette aanbidding en door de bestede zorg aan de luister van de verschillende liturgische vieringen. Hij was er namelijk van overtuigd dat de Kerk zich vooral optrekt aan de Eucharistie en dat de leden van de christelijke gemeenschap daaraan deelnemende zich mystiek vereenzelvigen met de Christus en samen één worden».

« Ik wil priester worden »

Clément Marchisio is op 1 maart 1833 geboren in het dorp Raconnigi in de omgeving van Turijn, waar zijn familie gewaardeerd wordt voor zowel hun geloof als voor de werklust. De vader, een eenvoudige schoenlapper, had slechts een droom: dat de kleine Clément, de oudste van het gezin dat vijf kinderen zal tellen, hem eens zal kunnen helpen in zijn beroep van schoenmaker. Maar nog heel jong geeft het kind te kennen: «Ik wil priester worden», dit wil zeggen pastoor. De moeder, een vrome vrouw, slaagt erin haar man te overtuigen: «Laten wij hem priester worden». Dank zij een behulpzame priester, don Sacco, kan de jongeman de middelbare school volgen en daarna filosofie gaan studeren.

Op 16-jarige leeftijd trekt Clément Marchisio de priestertoog aan, waaraan hij altijd trouw zal blijven. Hij wordt op 21 september 1856 tot priester gewijd. In zijn jeugdige ijver heeft hij zich niet helemaal een oordeel gevormd over de priesterlijke verantwoordelijkheid. Gelukkig brengt hij na zijn priesterwijding twee jaar door in het internaat, dat geleid wordt door de heilige Joseph Cafasso en dat bestemd is om de opleiding van jonge priesters te voltooien. «Het priester-zijn is de zekerste weg om naar het Paradijs te gaan en anderen er heen te leiden», zegt don Cafasso hem. Bij het verlaten van het internaat zal Clément Marchisio vaststellen: «Ik kwam daar binnen als een grote jongen en ik was een warhoofd zonder te weten wat het betekende: «priester te zijn». Ik ben er totaal anders uitgekomen, omdat ik nu de waardigheid van het priesterschap volkomen heb begrepen».

Het programma van don Marchisio

Het begin van het parochiële priesterambt van don Marchisio verloopt rustig in een klein dorp waar de bevolking godsdienstig blijkt. Elke dag deelt hij bijna 400 communies uit tijdens de Mis. Maar dit gemakkelijke apostolaat duurt niet lang. In 1860 wordt hij pastoor benoemd van Rivalba Torinese, een fel antiklerikale streek, «het hol van de leeuw» zoals men zegt. Evenals Jezus-Christus wil hij voor zijn schapen de «goede Herder» zijn. Zijn vurigste wens is hen te redden en daardoor zichzelf te redden. De installatietoespraak die hij richt tot zijn parochianen ontvouwt zijn bij uitstek priesterlijk programma: «Ik ben u verschuldigd, zegt hij hun, het goede voorbeeld, het onderricht, mijn diensten en geheel mijzelf. Voor uw zielen moet ik mij zelfs opofferen als dit noodzakelijk is. Mijn eerste plicht is het goede voorbeeld. Als herder moet ik het licht zijn van de wereld en het zout van de aarde zijn, wat mij aan al de deugden verplicht. Ik moet mijn priesterambt hoogachten door een vroom en onberispelijk leven, en u, u moet mijn ambt eren, respecteren en navolgen. Het is niet aan mijn persoon, maar aan mijn ambt dat u deze eer en dit respect verschuldigd bent: ik beschik over krachten die noch de engelen van de Hemel noch de koningen van de aarde ooit zullen hebben. Ik kan u met God verzoenen, uw zonden vergeven, voor u openen de bron van de genaden en de poort van de Hemel, de Eucharistie consacreren en Jezus onder u laten komen, onze Redder. U moet mij zien als de gezant van God om u naar de Hemel te leiden… Mijn tweede plicht is u te onderrichten: godsdienstonderwijs aan de kinderen geven, de onwetenden onderwijzen, degenen die regelmatig de kerk bezoeken inbegrepen, raad geven aan de vaders en de huismoeders, de jeugd vermanen. En als er zich een of andere ontucht voordoet, zal ik mijn stem moeten verheffen. Wat een ongeluk voor mij, als ik niet duidelijk de waarheid zou zeggen… En op de derde plaats, ik ben geheel tot uw dienst zoals Jezus, die gezegd heeft: De Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven (Mt 20, 28). Ik moet aan u mij nachtwaken, mijn zorgen, mijn lijden besteden, op elk moment, dag en nacht, ondanks de afstand, de hitte, de kou, om u mijn hulp te geven… Aan mijn diensten zal ik mijn gebed toevoegen: de heilige Paulus heeft daardoor zoveel zielen bekeerd…»

Dit programma van zelfopoffering uit liefde voor de zielen stimuleert ons in de vervulling van de verplichtingen van onze staat. In de Geestelijke Oefeningen nodigt de heilige Ignatius ons allen uit met Onze-Heer de gehele wereld te onderwerpen, Hem te volgen in het lijden, ten einde Hem te volgen in de heerlijkheid (n. 95). Maar deze vreedzame onderwerping komt niet tot stand zonder het kruis.

De waarheid is niet altijd aangenaam

Don Marchisio begint met godsdienstles te geven aan de kinderen, die graag luisteren naar deze priester met zijn eenvoudige, duidelijke en levendige woorden. Maar op de preekstoel, in navolging van de Pastoor van Ars, preekt hij krachtig tegen de godslasteringen, de ontheiliging van de zondag en zedenbederf: «Weet eens voor altijd, zegt hij tegen zijn toehoorders, dat ik hier niet ben gekomen om u te behagen, maar om u de waarheid te zeggen en u te bekeren». De waarheid is evenwel niet altijd aangenaam om te horen. Dus gaan degenen die door zijn preken flink beledigd zijn, proberen hun pastoor het zwijgen op te leggen door hem het leven onmogelijk te maken. Zodra de lezing van het Evangelie beëindigd is, slaan de mannen een kruisteken en verlaten de kerk. Hun vrouwen volgen hen «voor de goede vrede». De jongens en meisjes haasten zich hetzelfde te doen. En de predikant staat voor een gehoor van enkele oude dove dames en kinderen. Dan neemt de aanval een grotere omvang aan: men laat door de kerkdeur een ezel binnen, die luidkeels balkt. De jonge pastoor verbergt voor een moment zijn gezicht in zijn handen en als de rust is weergekeerd, vervolgt hij zijn preek met vurigheid en overtuiging.

Nog andere kwade streken hebben hem parten gespeeld: lawaai in de kerk, fluitconcerten en uitdagende liedjes volgen elkaar zonder onderbreking op. Men doorgrondt zijn minste bewegingen, zijn gelaatstrekken, en alles is goed om achterdocht op te wekken, het uit te spinnen en het in lastertaal om te zetten. Op zekere dag valt een lompe aanrander hem aan met een stok. Behendiger neemt de priester hem de stok af, daarna geeft hij hem de stok terug en zegt: «Neem aan en doe met mij wat je wilt. Ik ben bereid te sterven. Een ding betreur ik toch niet, dat is dat je ontdekt zou worden en dat je in de handen van de justitie zou vallen». Deze barmhartigheid ontwapent zijn tegenstander.

Op het Kruis

Na alles lang in stilte verdragen te hebben, wordt Clément Marchisio ten slotte bang en vraagt overplaatsing van parochie aan. Zijn Bisschop vraagt hem moedig op zijn kruis te blijven. Clément gehoorzaamt, hij verlaat zich op het Heilig Hart van Jezus, op de Allerheiligste Maagd en op sint Jozef. «Om Jezus te beminnen, zegt hij, niet alleen in gloedvolle woorden maar in getuigenissen, moet men gehaat en verloochend worden. Men moet lijden, afgemat en vernederd zijn voor Hem. Het hoogste goed wordt op het kruis volbracht». Deze woorden stemmen in met die van Jezus: Zalig zijt gij, wanneer omwille van de Mensenzoon de mensen u haten, wanneer zij u uitstoten, u beschimpen en uw naam uit de samenleving bannen als iets verfoeilijks. Als die dag komt, spring dan op van blijdschap, want groot is uw loon in de hemel

(Lc 6, 22-23).

Aan de viering van de Mis en aan de aanbidding van het Heilig Sacrament heeft Clément Marchisio de noodzakelijke kracht ontleend om de lijdensweg van Jezus na te volgen. «De tegenstrijdigheid van al de priesters is verbonden met de Eucharistie. Hier ontvangen zij de noodzakelijke kracht om hun leven te geven tegelijk met Jezus, Hogepriester en Offergave… Vanaf het Kruis spreekt Onze-Heer tot al zijn priesters en nodigt hen uit met Hem voor de wereld tekenen van tegenspraak te zijn. De tegenspraak van Jezus maakt deel uit van de apostolische overlevering: Stemt uw gedrag niet af op de wereld (Rom 12, 2)» (Johannes-Paulus II, 9 september 1983).

Elke dag bereidt Don Marchisio zich langdurig voor op de viering van de Mis, die hij niet met traagheid doch met grote toewijding opdraagt. Ook zijn parochianen beveelt hij aan zich zorgvuldig op de Communie voor te bereiden: «Als u voor het zaaien de bodem niet voorbereidt, is het voor u nutteloos goede graankorrels te zaaien; het is evenzo met de Heilige Communie, die het voedsel voor de ziel is. Degene, die de vruchten wil ontvangen van de vereniging met God, het in stand houden van het zieleleven en het in kracht toenemen ervan, moet de noodzakelijke gesteldheid bezitten».

Een kracht om te bekeren

Hij ervaart het bovendien als een heerlijkheid lang voor het Allerheiligste Sacrament te blijven, vooral als het kruis van het onbegrip, van de laster en van de schulden te zwaar wordt. Tegen een bedroefde vrouw bekent hij: «Kijk, ook ik voel me soms overweldigd door de last van de beproevingen. Maar na vijf minuten doorgebracht te hebben voor het Allerheiligste Sacrament, dat de hoofdzaak voor ons is, voel ik me volledig herboren. Doe het ook, als u terneergeslagen en ontmoedigd bent». Ook wij kunnen putten uit de onuitputtelijke bron van de Eucharistie, het water van de genade, die ons zal sterken in de beproevingen van het leven. Ongemerkt zal Jezus in de Eucharistie verlichting brengen, eerst voor ons hart, dan soms voor anderen en het kruis zal voor ons lichter lijken om te dragen, gemakkelijker te verdragen.

De ontketende kwellingen zullen een tiental jaren voortduren. Na lang het doen en laten van hun pastoor nagegaan te hebben, merken verschillende parochianen zijn getrouwheid op in de vervulling van zijn verplichtingen. «Nooit heeft men hem de minste onvolkomenheid zien begaan in de naleving van de geboden van God en van de Kerk», zei een van hen. Velen zijn geraakt en gesticht en bekeren zich. Het getij keert en de hardnekkigste tegenstanders besluiten zich te bekeren. Maar ten koste van hoeveel gebeden, persoonlijke gesprekken, momenten van verlatenheid en eenzaamheid en akten van geduld, heeft hij het heil van God verkregen voor de zielen van zijn parochianen! «Hij hoort biecht als een engel», wordt er gezegd: scherpzinnigheid, fijngevoeligheid, barmhartigheid, in een woord: wordt er gezegd: «met het hart», zo is zijn stijl. Maar als zij zijn bekeerd, hebben zijn parochianen nog niet allen hun slechte gewoonten uitgeroeid en verscheidenen blijven arme zondaars: «Hetgeen mijn hart verscheurt, zegt hij, en mij verhindert er vrede mee te hebben, is om te zien dat er zoveel zonden uit onverschilligheid worden begaan, alsof de zonde niets is. Het is evenwel het grootste kwaad dat er op aarde kan zijn. Niet alleen veroorzaakt de zonde het verderf voor de eeuwigheid, maar het is reeds in het tegenwoordige leven een soort hel. Ach! Wat een geluk om in staat van genade te zijn… O Heer, geef aan mijn stem de macht in de harten binnen te dringen en een zeer sterke kracht om de ontucht te verslaan en uit te roeien!»

Tweeërlei barmhartigheden

Don Marchisio spreekt zo uit «geestelijke» barmhartigheid. Maar de barmhartigheid voor de stoffelijke noden is ook doel van heel zijn bezorgdheid. Niemand verlaat zijn huis zonder hulp te hebben ontvangen. Hij gaat zelfs zover zijn beddegoed weg te geven, lakens en dekens, aan de armen het nodige om in een stal een toevlucht te zoeken. Tussen 1871 en 1876 bouwt hij een tehuis voor kinderen, alsmede een weverij om aan de meisjes een bezigheid en een salaris te verschaffen. De vrouwelijke goedwilligheid helpt hem deze liefdadige taken tot een goed einde te brengen. Hij verenigt hen in een communiteit met als naam de «Dochters van sint Jozef».

Het voorbeeld van don Marchisio nodigt ons uit werken van barmhartigheid te beoefenen, namelijk «de daden van naastenliefde waardoor wij de medemens te hulp komen in zijn lichamelijke en geestelijke noden. Onderricht geven, goede raad verstrekken, troost brengen en moed inspreken zijn geestelijke werken van barmhartigheid, evenals vergiffenis schenken en onrecht geduldig verdragen. De lichamelijke werken van barmhartigheid zijn dan: de hongerigen spijzen, de vreemdelingen herbergen, de naakten kleden, de zieken en de gevangenen bezoeken, de doden begraven. De aalmoes, die men aan de armen verstrekt, is een van de belangrijkste getuigenissen van de broederlijke liefde: het is ook een daad van gerechtigheid die aan God welgevallig is» (KKK, 2447).

Maar de barmhartigheid van don Marchisio is vooral nauwlettend op de manier waarop Jezus zelf wordt bejegend in het Sacrament des altaars. Hij is in het diepst van zijn ziel gekrenkt als hij verneemt dat er heiligschennis van de Eucharistie heeft plaats gevonden. De aanblik van liturgische gewaden in slechte staat, zoals vuile altaarkleden en morsig altaarlinnen, doet hem erg veel verdriet. Na lang gebeden en raad gevraagd te hebben aan zijn overheden, vertrouwt hij dan ook aan de «Dochters van sint Jozef» een heel verschillende opdracht toe dan die waarvoor hij hen verenigd heeft. De speciale opdracht van de zusters zal dus zijn om met groot respect, volgens de normen van de Kerk, de materie te maken van het eucharistisch offer, om de gewaden, de altaarkleden te vervaardigen, om te zorgen voor de gepastheid en voor de eerbewijzen, die de Eucharistie vereist. Zij zullen godsdienstles geven aan de kinderen met het oog op de voorbereiding op de eerste communie en ook de liturgische opleiding van de misdienaars en gelovigen behartigen. De zusters, en vooral de medeoprichtster zuster Rosalie Sismonda, onthalen eenstemmig en met geestdrift dit nieuwe doel van hun Instituut.

Na het doel van zijn Congregatie te hebben vastgelegd, stelt don Marchisio haar zorgzaam onder de bescherming van sint Jozef: «Laten wij, zegt hij, alles in de handen van sint Jozef leggen. Het is onze goede voedstervader, die het ons aan niets zal laten ontbreken… Bidt, klopt op de deur van de Goddelijke Voorzienigheid en verwacht alles van God door de voorspraak van sint Jozef». Hij moedigt eveneens het vertrouwen in Maria aan. «Laten wij steeds tot Maria gaan, herhaalt hij, en zij zal niet nalaten ons te helpen. Laten wij denken aan haar zuiverheid, aan haar nederigheid, aan haar vereniging met God, aan haar onderwerping aan Gods wil en laten wij trachten haar in ons te doen schitteren om op haar te gelijken… Houdt Maria in uw hart… De Madonna weet dat wij haar kinderen zijn. Zij is de Moeder van ons eeuwig heil. Laten wij moed houden: eens zullen wij onze goede hemelse Moeder zien. Hebt u nagedacht over het geluk een moeder te hebben?»

De beklimming van de top

Ondersteund door de moederlijke hand van Maria schrijdt don Marchisio alsmaar voort op de weg van de heiligheid. Vijf jaar voor zijn dood heeft hij aangekondigd, dat hij met 70 jaar zou sterven. Maar hij zal eerst nog een zeer donkere nacht moeten doormaken: «Ik ongelukkige! kreunt hij. Nog nooit heeft de duivel mij zo gekweld! Welke smarten heeft hij mij niet laten doorstaan? Hoe heeft hij mij ontgoocheld door mij mijn nutteloze leven te laten zien! Wat een bekoringen, zelfs om mijn Instituut van religieuzen te vernietigen!» Gesteund door de hulp van de Heilige Maagd komt hij de beproeving zegevierend te boven.

Op 15 december 1903 moet hij ’s morgens de Mis gaan opdragen en de medestichtster zuster Kosalie Sismonda bezoeken, die stervende is en die twee uren eerder dan hij haar ziel zal teruggeven aan God. Maar hij wordt onwel: «Als ik alleen nog de Mis kon celebreren!… Zal ik vandaag misschien niet het brevier kunnen bidden!» Weldra begint de doodsstrijd, benadrukt door korte gebeden: «Heer, ontferm u over mij!… Schenk mij een zuiver hart!… Jezus, Maria, Jozef!» Dit waren zijn laatste woorden.

Zo gaat van deze wereld over naar de andere, degene die geschreven heeft: «De dingen van deze wereld zijn niets. De Hemel, de eeuwigheid verwacht mij. Hoe zal het er zijn voor mij, voor ons? Een miljoen jaren na mijn dood, zal ik slechts aan het begin staan van de eeuwigheid. De aarde is een plaats van doortocht, waar ik als reiziger ben. Het leven is een ogenblik dat voorbijvliegt als het water van een bergstroom».

In het voorjaar van 1891 had don Marchisio de bisschop van Mantua, Mgr. Sarto ontmoet, de toekomstige heilige Paus Pius X. Deze heeft later tegen de «Dochters van sint Jozef» gezegd: «Weet u dat uw pastoor van Rivalba een heilige is? Ja, uw stichter. Men moet ruimschoots rekening houden met zijn woorden, met zijn raadgevingen en met zijn herinneringen». Dat wij zullen kunnen profiteren van het voorbeeld van deze Zalige om de barmhartigheid te beoefenen, opdat onze devotie voor de Heilige Eucharistie met de dag zal toenemen en met hem in het hemelse Paradijs te geraken. Het is de genade die wij u toewensen, alsmede allen die u dierbaar zijn, levend en overleden.