8 September 1997

Heilige Jean-Gabriel Perboyre, martelaar

Dierbare Vrienden,

«In verband met de hedendaagse ontwikkeling van de wereld zijn er steeds meer mensen, die zich de meest fundamentele vragen stellen of die deze vragen met een nieuwe hevigheid waarnemen. Wat is de mens? Welke betekenis heeft het lijden, de pijn of de dood?… Wat gebeurt er na dit leven?» (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudium et spes, 10). De vraag over het einde van ons leven moet tot de meest fundamentele gerekend worden. Het antwoord dat men hierop geeft, bepaalt de richting van geheel ons handelen. Het volgende verhaal zal ons helpen dit te begrijpen.

Bij nacht, midden in een tropische storm en op een hoogte van tienduizend meter boven de razende Grote Oceaan, zet de gezagvoerder van de

Boeing 747 Tahiti-Hawaï zelf de situatie uiteen aan de vierhonderd

verschrikte passagiers: «Het toestel vliegt dwars door de top van een wervelstorm, waarvan het hoogste punt te hoog is om er overheen te vliegen… toppunt van pech, wij hebben een volledige electrische storing… het noodkompas buiten werking… grote afdrijving van de koers tengevolge van de zeer krachtige wind… buiten geen enkele waarneming, geen ster noch een herkenningsteken… op de laatste druppel brandstof, over twee uur zullen de straalmotoren stoppen».

Een verstikte stem vraagt: «Wat zou u nodig hebben, gezagvoerder, om ons hieruit te halen? – Het Noorden! De richting Noord, tot op de graad nauwkeurig… zo niet, dan riskeren wij in een cirkel rond te draaien… alleen de juiste richting kan ons naar dat eiland terugbrengen en ik heb absoluut het noorden nodig om dit te berekenen».

1e passagier: «Gezagvoerder, mijn vrouw heeft een grote intuïtie, dat is erfelijk, zij heeft een gevoel voor die dingen; het noorden is die kant op…» – 2e passagier: «Helemaal niet! De wetenschap van de aardstralen is zeer nauwkeurig en ik heb hier mijn slinger: Kijk zelf maar!…» – 3e passagier: «Nee toch! In de parapsychologie werkt men met het overbrengen van gedachten: door mij te concentreren op de hersengolven van de man voor het radarscherm op Hawaï, zal ik de goede richting ontvangen…» – 4e passagier: «Fout! De astrologie zal ons redden. In mijn horoscoop van vandaag wordt het succes van al mijn kennis gegarandeerd, maak er gebruik van en stuur dus daarheen…» – 5e passagier: «Excuseer me! Ik ben in mijn achtste reïncarnatie. In mijn vorig bestaan ben ik postduif geweest…» – 6e passagier: «Alstublieft! Met welk recht laat men zo op een beslissende en eenzijdige manier zijn persoonlijke overtuigingen gelden? Met zijn allen bij deze gemeenschappelijke zaak betrokken, kan iedereen zich uit naam van respect, verdraagzaamheid en vrijheid zich uiten door middel van het democratisch stemrecht, waardoor er een overeenstemming naar voren komt ten aanzien van de bepaling van het Noorden…» Enz.

Tot en met de 360e passagier. Hij is degene die een kompas bij zich heeft. Het was een ouderwets model, dat er onooglijk uitzag en dat dan toch maar het Noorden aanwees. Gered? Niet zo vlug! Luister eens naar al die protesten en twijfels, die geuit worden tegen de eigenaar van het kompas. Begrijpt u het kabaal, veroorzaakt door de lichtgeraaktheid en de gekrenkte eigendunk van al die mensen? Is het ten slotte aanneembaar dat die ene gelijk heeft en de rest niet? Wie is hij dan wel om te beweren dat hij de enige bezitter van de waarheid is!

Het unieke antwoord

In de moderne maatschappij, zoals in de Boeing van dit verzonnen verhaal (copyright: Feu et Lumière, Abbaye Blanche, 50140 Mortain. France), blijken er veel mensen van de wijs te zijn, «zonder kompas», als het gaat om de fundamentele vragen over de mens, over de zin van het leven, over de waarheid: zij zijn in de war gebracht en zoeken tevergeefs antwoorden bij theoriën die tegenwoordig in zwang zijn: materialisme, reïncarnatie, sekten, New Age, enz. De Heilige Vader leidt ons terug in de goede richting als hij schrijft: «Voor de mens die zoekt naar de waarheid, de gerechtigheid, het geluk, de schoonheid, de goedheid, en die onvoldaan blijft door de stellingen die de ideologiën van de onverschilligheid en van het materialisme hem bieden, voor de mens die de afgrond nabij is […] van de wanhoop en het verdriet of die verstard is in het vruchteloze genot en de zelfvernietiging van het gezonde verstand – voor de mens die het beeld van God in zijn geest en in zijn hart gegrift draagt en die de dorst voelt naar de volkomenheid – is het unieke antwoord de Christus. De Christus komt de mens tegemoet om hem te bevrijden van de slavernij van de zonde om hem zijn oorspronkelijke waardigheid terug te geven» (Johannes Paulus II, Opent de poorten voor de Verlosser, 23 december 1982).

In de storm van de moderne wereld hebben wij dus een kompas, dat ons het Noorden aanwijst: Onze Heer Jezus-Christus, de mens geworden Zoon van God, Die Zijn missie op de wereld voortzet door de Katholieke Kerk, Zijn «Mystieke Lichaam». Maar voor sommigen van onze tijdgenoten is Jezus-Christus niet God en kan het bestaan van God zelfs niet bewezen worden. Tegenovergesteld bevestigt de Katechismus van de Katholieke Kerk met het Eerste Vaticaans Concilie: «Onze moeder de heilige Kerk houdt en leert dat God, beginsel en doel van alle dingen, door het natuurlijk licht van het menselijk verstand met zekerheid gekend kan worden vanuit de geschapen werkelijkheden» (KKK, 36).

Want uit de grootheid en de schoonheid van de schepselen wordt men door vergelijking de Schepper gewaar (W 13, 5). «Ondervraag de schoonheid van de aarde, ondervraag de schoonheid van de zee, ondervraag de schoonheid van de onmetelijke lucht die ons omgeeft, ondervraag de schoonheid van de hemel… ondervraag dit alles. Dit alles antwoordt u: zie hoe schoon wij zijn! Hun schoonheid is een belijdenis. Wie anders heeft deze schepselen die onveranderlijk schoon zijn, gemaakt dan Hij (God), Die onveranderlijk schoon is?» (Sint Augustinus, preek 241, 2). «Terwijl alle schepselen al wat zij zijn en al wat zij hebben, van Hem ontvangen hebben, is Hij alleen zijn eigen wezen en is Hij van zichzelf al wat Hij is». God als Opperwezen, geheel volmaakt, zonder begin en zonder einde, is noodzakelijkerwijze Uniek (vgl KKK, 213, 228).

Verschillende godsdiensten beroepen zich op deze unieke God, doch zij spreken zich op belangrijke punten tegen (bij voorbeeld over de godheid van Jezus-Christus of over het primaatschap van de Paus…). Maar God kan zichzelf niet tegenspreken. Als Hij een godsdienst heeft geopenbaard, is zij noodzakelijkerwijze uniek.

Paus Paulus VI voegt hieraan toe in de Encycliek Ecclesiam suam na vermelding van de diverse monotheïstische godsdiensten: «Wij kunnen natuurlijk niet deze uiteenlopende godsdienstige uitingen delen, noch dat wij onverschillig kunnen blijven alsof zij in alles gelijkwaardig waren, ieder op zijn eigen manier, en alsof zij hun gelovigen vrijlieten te onderzoeken of God-Zelf niet de foutloze, volmaakte en afdoende vorm heeft geopenbaard waaronder Hij gekend, bemind en gediend wil worden; integendeel plichtshalve moeten wij onze overtuiging uiten, dat de ware godsdienst uniek is en dat dit de christelijke godsdienst is, en de hoop koesteren, dat zij als zodanig herkend wordt door allen, die God zoeken en beminnen» (6 augustus 1964). Het Tweede Vaticaans Concilie verklaart in de zelfde geest: «God heeft Zelf het mensdom de weg leren kennen, waarmede de mensen door Hem te dienen het heil kunnen verkrijgen en de gelukzaligheid bereiken. Wij geloven dat deze unieke en ware godsdienst voortbestaat in de katholieke en apostolische Kerk, aan wie de Heer Jezus de opdracht heeft toevertrouwd haar aan alle mensen kenbaar te maken, toen Hij tegen de apostelen heeft gezegd: Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat ik u bevolen heb (Mt 28, 19-20)» (Dignitatis humanæ).

Wanneer God spreekt

De Katholieke Kerk is de door God geopenbaarde godsdienst, omdat zij gesticht is geworden door Jezus-Christus, waarlijk God en waarlijk Mens. De Evangeliën, ongetwijfeld historische boeken, doen verslag van het leven van Jezus-Christus, de enige persoon in de geschiedenis die Zichzelf God genoemd heeft en Die de waarheid van zijn uitspraken heeft bewezen door wonderen, die alleen God kan doen (bij voorbeeld de opwekking uit de dood van Lazerus, Joh 11, 1-44). Dit is juist een belangrijk feit, zoals Mgr. Vernon Johnson, de katholiek geworden anglicaanse dominee, het opmerkt: «Wij hebben hier te maken met het meest overweldigende feit in de geschiedenis van het mensdom: God-Zelf – dit is een historisch feit –, is op aarde gekomen; dit is geen buitengewone leraar of een groot profeet, maar God-Zelf in de Persoon van Jezus-Christus, Die geleefd heeft onder de mensen. Waarom? Ten einde de mens het middel te tonen om zich te redden. Wanneer OnzeHeer Jezus-Christus spreekt, is het God Die spreekt. Hieruit volgt dat Zijn Leer niet gewijzigd kan worden, want de Waarheid kan zich niet tegenspreken. Het blijft niet het voorrecht van een volk, het is het erfdeel van de mensheid in zijn geheel. Wanneer God spreekt, moet de mensheid luisteren en gehoorzamen» (Een Heer, een Geloof, hfst IV). Degene, die weigert naar Hem te luisteren en Hem te gehoorzamen, veroordeelt zichzelf voor eeuwig.

Om zijn zending door de eeuwen heen voort te zetten, heeft Jezus-Christus Zijn zichtbare en hiërarchische «Kerk» willen instellen; Hij heeft tegen Petrus gezegd: Gij zijt Petrus; en op deze steenrots zal Ik mijn kerk bouwen (Mt 16, 18). Deze Kerk is begiftigd met talrijke tekenen, die duidelijk haar goddelijke oorsprong laten blijken: «De Kerk is op grond van haar verheven heiligheid, haar onuitputtelijke vruchtbaarheid van al het goede, haar onoverwinnelijke duurzaamheid, zelf een belangrijke en voortdurende reden voor geloofwaardigheid en een onweerlegbaar bewijs van haar goddelijke zending» (Eerste Vaticaans Concilie, Dei Filius, hfst 3).

Een vurig getuige

De goddelijke zending van de Kerk strekt zich uit over de hele aarde en in alle tijden, volgens het woord van Jezus: Gaat en onderwijst alle volkeren. «Onze godsdienst moet worden onderwezen aan alle volkeren en moet zelfs onder de Chinezen worden verspreid, opdat zij de ware God zullen kennen en het hemelse geluk zullen bezitten», beweerde moedig de heilige Jean-Gabriel Perboyre, missionaris in China tegen de mandarijn, die belast was hem te ondervragen. Deze laatste antwoordde: «Wat kunt u verdienen door uw God te aanbidden – Het zieleheil, de Hemel, waar ik hoop te komen na mijn dood».

Tijdens de heiligverklaring van de heilige Jean-Gabriel Perboyre op 2 juni 1996, zei Paus Johannes-Paulus II over hem: «Hij had een unieke hartstocht, de Christus en de verkondiging van Zijn Evangelie. Door zijn trouw aan deze hartstocht moet hij ook gerekend worden tot de vernederden en veroordeelden, en heden kan de Kerk plechtig zijn heerlijkheid uitspreken in het hemelse heiligenkoor».

In 1817 gaat de 15-jarige Jean-Gabriel samen met zijn oudere broer Louis naar het klein-seminarie van Montauban (Frankrijk), geleid door de Priesters van de Missie of Lazaristen, de geestelijke zonen van de heilige Vincentius a Paulo. Hij ervaart daar het verlangen zich te wijden aan de Missie in de heidense landen. Na zijn noviciaat in Montauban wordt hij naar Parijs gezonden voor zijn theologische studies en wordt daarna Priester gewijd. In 1832 vertrekt zijn broer Louis als Lazarist per schip naar de Missie van China, doch hij sterft aan de koorts tijdens de overtocht. Weldra kondigt Jean-Gabriel zijn familie zijn wens aan te willen vertrekken. om de vrijgekomen post door de dood van zijn broer in te nemen.

Maar wegens zijn zwakke gezondheid dachten zijn oversten daar anders over. Zij benoemden hem als onderdirecteur van het seminarie van de Lazaristen in Parijs. Als zeer actief medewerker van een oudere directeur, had hij als stelregel meer te onderrichten door het voorbeeld dan door woorden. Hij draagt zijn liefde voor Jezus over aan de novicen: «De Christus is de grote Leraar van de wetenschap. Alleen Hij geeft het ware licht… Er is maar een ding belangrijk: Jezus-Christus kennen en beminnen, want Hij is niet alleen het Licht, maar het Voorbeeld, het Ideaal… Dus is het niet voldoende Hem te kennen, men moet Hem navolgen. Wij kunnen slechts de gelukzaligheid bereiken door de gelijkvormigheid met Jezus-Christus». Hij schrijft aan een van zijn medebroeders: «Vergeet niet dat de eeuwige gelukzaligheid een aangelegenheid is, waarmee men zich moet bezighouden voor alles, bovenal en altijd».

Toch houdt hij in zijn hart het vurige verlangen naar de Missie te vertrekken; als hij aan de seminaristen de stille getuigen toont van het martelaarschap van François-Regis Clet, die men naar Parijs heeft meegebracht, zegt hij hun: «Hier is het habijt van een martelaar… wat een geluk als wij eens het zelfde lot ondergaan!» Ook vraagt hij: «Bidt dus goed dat mijn gezondheid beter wordt en dat ik naar China kan gaan om daar Jezus-Christus te prediken en voor Hem te sterven».

Eindelijk krijgt hij van zijn oversten de toestemming voor zijn vertrek naar China, waar hij op 10 maart 1836 aankomt. Zijn ijver voor het zieleheil laat hem honger en dorst doorstaan ter meerdere glorie van God. Hij staat dag en nacht klaar om overal heen te gaan waar zijn priesterambt hem roept. Hij slaat geen acht op vermoeidheid noch op slapeloze nachten. Bovendien wordt hij door hevige neigingen van wanhoop overvallen. Maar Onze-Heer verschijnt hem, troost hem, en de blijdschap keert terug in de ziel van de apostel.

Blootgesteld aan het lijden

In 1839 wordt er een vervolging tegen de christenen ontketend. Op 15 september bevinden Pater Perboyre en zijn confrater, Pater Baldus, zich in hun pastorie van Tcha-Yuen-Keou. Plotseling kondigt men hun de komst van een gewapende bende aan. De missionarissen vluchten ieder een andere kant uit om niet alle twee in handen van de vijand te vallen. Jean-Gabriel verbergt zich in een dicht bos. Maar in de loop van de volgende dag wordt hij voor een vergoeding van dertig taëls (chinese muntsoort) verraden door een ongelukkige catechisant. De soldaten rukken zijn kleding uit, hullen hem in lompen, knevelen hem en gaan er dan vandoor om in de herberg hun vangst te vieren.

Tijdens de ondervraging door de mandarijn van de onderprefectuur, antwoordt Jean-Gabriel vastberaden dat hij europeaan is en prediker van de godsdienst van Jezus-Christus. Dan begint men hem te martelen, maar uit vrees dat hij zou bezwijken, laat men hem op een bankje zitten, waaraan zijn benen stevig zijn vastgebonden. De heilige Priester brengt zo de nacht door en hij prijst Jezus, Die hem de eer geeft in Zijn Lijden te delen. Hij moet overgebracht worden naar de prefectuur, waar hij, aan het einde van een moeizame voettocht met ketenen om zijn hals en aan zijn handen en voeten, vier verhoren ondergaat. Om hem te laten praten, zet men hem met zijn knieën op ijzeren kettingen. Daarna hangt men hem op aan zijn duimen en men dient hem met een riem van zoolleder veertig slagen toe op zijn gezicht om zijn geloof af te laten zweren. Maar ondersteund door Gods genade verdraagt hij alles zonder te klagen.

Hij wordt vervolgens naar Ou-Tchang-Fou gezonden, waar hij in het bijzijn van de onderkoning moet antwoorden op een twintigtal ondervragingen. De onderkoning wil hem dwingen over een crusifix te lopen, doch tevergeefs. Men slaat hem met lederen riemen en met bamboestokken tot uitputting toe of men hijst hem dan weer op met een katrol om hem met zijn volle gewicht op de grond te laten vallen. De ziel van de heilige Priester blijft verenigd met God. «Je bent dus nog steeds christen? – O, Ja! En ik ben er gelukkig mee !» Ten slotte veroordeelt de onderkoning hem om gewurgd te worden; doch daar het vonnis slechts na de bekrachtiging van de keizer uitgevoerd kan worden, blijft Jean-Gabriel nog enkele maanden in de gevangenis.

« Onherkenbaar! »

Terwijl de mandarijnen doorgingen hem te martelen, mocht er geen enkele christen bij hem komen; men hoopte ongetwijfeld, door hem elke hulp te ontzeggen, gemakkelijker zijn weerstand te breken. Na de laatste ondervraging wordt dit strenge verbod echter verzacht. Een van de eersten die de gevangenis kan binnenkomen is een chinese kloosterling van de Lazaristen, Yang genaamd. Wat een hartverscheurende aanblik doet zich voor! Hij is sprakeloos en terwijl hij zijn tranen rijkelijk laat vloeien, is hij nauwelijks in staat enkele woorden te richten tot de martelaar. Pater Jean-Gabriel wenst te biechten, maar hij wordt gehinderd door twee officieren van de mandarijn, die voortdurend naast hem blijven staan. Op verzoek van een christen die Pater Yang vergezelt, zijn zij bereid wat uit de weg te gaan, zodat de missionaris zijn biecht kan spreken.

Dit is alles, wat ik wenste

Ten slotte wordt hij, na een jaar in de ketenen en met veel folteringen, naar de executieplaats gebracht. Men maakt zijn armen en handen vast aan de dwarsbalk van een kruisvormige galg en men bindt de voeten samen aan de onderkant van de paal zonder de grond te raken. De beul legt een soort halsband van koord om zijn hals, waarin hij een bamboestok steekt. Met opzettelijke traagheid draait de beul in twee keer het koord aan dat om de hals van zijn slachtoffer zit. Een derde hevige ruk aan de bamboestok onderbreekt het voortdurende gebed van de martelaar en laat hem de mateloze en eeuwige vreugde binnengaan van het Hemelhof. Hij is 38 jaar. Een lichtend kruis verschijnt aan de hemel, tot in Peking zichtbaar. Tot grote verbazing van allen is het gezicht van Jean-Gabriel sereen gebleven en heeft het zijn natuurlijke kleur behouden, wat tegengesteld is aan gezichten van gewurgden.

«De martelaar getuigt voor Christus, gestorven en verrezen, met wie hij door de liefde verbonden is. Hij getuigt van de waarheid van het christelijk geloof en de christelijke Leer» (KKK, 2473). Het offer van de heilige Jean-Gabriel heeft talrijke geestelijke vruchten gedragen, waarvan er verschillende zichtbaar zijn: zoals hij hebben veel chinese christenen hun leven gegeven voor de Christus; de christelijke godsdienst heeft zich in China uitgebreid, waardoor het nodig was veertien vicariaten op te richten. In het jongste verleden hebben de vervolgingen van het communistische regime het geloof niet kunnen uitroeien.

Aan onszelf herinnert Jean-Gabriel eraan dat: «Alle christengelovigen, waar zij ook wonen, moeten door het voorbeeld van hun leven en door het getuigenis van het woord, de nieuwe mens tonen die ze door het doopsel hebben aangegaan, en de kracht van de Heilige Geest die hen door het Vormsel versterkt heeft» (KKK, 2472). Deze getuigenis leidt niet altijd tot het martelaarschap van het bloed, maar het vereist de aanvaarding van het kruis in het dagelijkse leven. Laten wij ons tot taak stellen het met liefde te dragen met de hulp van de Allerheiligste Maagd en met ons veel zielen meeslepend zullen wij in de Hemel komen: «Buiten het kruis is er geen andere ladder om naar de Hemel op te stijgen» (heilige Rosa van Lima).

Deze genade vragen wij aan Sint-Jozef voor u en voor al degenen die u dierbaar zijn, levend en overleden.