25 Februari 1998

Gelukzalige Faustina Kowalska

Dierbare Vrienden,

«De hedendaagse mentaliteit schijnt zich tegen de God van barmhartigheid af te zetten, en probeert zelfs het begrip barmhartigheid uit het leven en uit het hart van de mens weg te nemen. Het woord en het idee barmhartigheid schijnen de mens te ontstemmen, die,dank zij een tot nu toe ongekende wetenschappelijke en technische ontwikkeling, meester geworden is van de aarde, die hij heeft onderworpen en bedwongen… De situatie van de hedendaagse wereld vertonen evenwel niet alleen veranderingen die de mens hoop geven op een betere aardse toekomst, doch zij verraden ook vele bedreigingen, veel erger dan men ooit had gekend» (Encycliek Dives in misericordia, DM, 30 november 1980, 2).

Tijdens de plechtigheid van de zaligverklaring van zuster Faustina Kowalska, op 18 april 1993, zegt de Paus nog: «Behalve de overwinningen die vaak die van voorgaande tijdperken overtreffen, vertoont de balans van deze eindigende eeuw een ongerustheid en een diepe angst ten aanzien van de toekomst. Waar kan derhalve de wereld, behalve dan in de goddelijke barmharigheid, een uitweg en het licht van de hoop vinden?»

Een blik op het leven en de boodschap van zuster Faustina zal het mogelijk maken de oneindige rijkdom van de goddelijke barmhartigheid beter te begrijpen.

Een harde opvoeding

Op 25 augustus 1905 wordt er te Glogow (Polen) een klein meisje geboren in het gezin van het echtpaar Kowalski, het derde van een familie die later tien kinderen zal tellen. De volgende dag ontvangt zij bij het heilig doopsel de voornaam Hélène. Haar vader verdient moeilijk zijn brood, ofschoon hij zijn dagen doorbrengt met het bebouwen van een bescheiden stuk grond en een gedeelte van de nachten met het uitoefenen van het beroep timmerman. In deze ouderwetse familie verkondigen de ouders meer met het voorbeeld dan met woorden. De kinderen worden opgevoed met genegenheid, maar ook met kracht en zelfs met strengheid.

Hélène is van nature vrolijk en uitbundig. Ofschoon zij daar de aandacht trekt als een zeer goede leerling, zal zij slechts twee jaar op school blijven: men heeft haar thuis nodig voor het huishouden en de landarbeid. Met 9 jaar doet zij haar Eerste H. Communie, en wordt ernstiger door het zoeken van momenten van stilte en afzondering. Reeds met 14 jaar stuurt men haar uit werken op een naburige boerderij. Dat zal voor het gezin wat geld opbrengen, en zij zal een zondagse jurk kunnen naaien om naar de Mis te gaan. Na een jaar toegewijd, gezellig en nauwgezet gewerkt te hebben, zegt Hélène tegen haar moeder: «Mama ik moet religieuze worden; ik moet het klooster intreden!»

Het antwoord is een beslist «neen». De familie Kowalski is slecht bij kas en bedolven onder de schulden; zij kunnen niet voorzien in de kosten van de samenstelling van een uitzet, dit wil zeggen de kleding van een kloosterlinge betalen, voorwaarde voor de toelating van postulanten in het klooster. Hélène moet dus geduld hebben: zij gaat weer in betrekking, veel verder in de stad Lodz.

Te midden van teugelloze dansers

Twee jaren gaan voorbij. Hélène is 18 jaar. Opnieuw smeekt zij haar ouders haar toe te staan om dan toch haar roeping te verwezenlijken. Dezelfde duidelijke weigering. Teleurgesteld vervalt het jonge meisje in een zekere lauwheid en probeert de roep van God in het vermaak te smoren. Een zondagavond is zij daar met haar zus op een bal. Zij danst, doch haar hart ervaart een vreemd onbehagen. Zij ziet plotseling Jezus naast haar: Hij is daar, geheel bebloed, bedekt met wonden, het gezicht gekweld door smart, de blik smekend en hartverscheurend. Hij zegt tegen haar: «Hoe lang moet ik het nog met jou uithouden? Hoe lang ga jij mij nog tereurstellen?» Hélène is ontzet en verstompt en stopt direct met dansen. Zij hoort geen enkele toon meer; zij ziet niets meer van de danszaal en van de steeds wild ronddwarrelende dansers. Zij ontsnapt en rent naar de kathedraal van Saint-Stanislas Kostka.

De kerk is bijna verlaten. Zij werpt zich ter aarde, met het gezicht tegen de grond, voor het Heilig Sacrament uitgestald in een prachtige monstrans; en, van ganser harte, huiverend van verwachting en nederige onderwerping, vraagt zij aan Jezus-Christus: «Wat moet ik doen?… – Vertrek direct naar Warschau, daarginds zal je het klooster intreden». Hélène richt zich op, het hart uitbundig van blijdschap; zij legt alles uit aan haar zuster, vraagt haar haar ouders vaarwel te zeggen namens haar en neemt zonder bagage de trein naar Warschau. Zij vindt voorlopig een betrekking als tweede meisje in een katholiek gezin. Maar er gaat geen enkele kloosterdeur voor haar open: men wil deze boerin zonder opleiding noch bruidsschat niet. Zij houdt het zoeken vol en eindelijk wordt zij bij de Moeder-Overste van de Zusters van de Onze-Lieve-Vrouw van Barmhartigheid binnengelaten.

Raadpleeg de Heer van het huis

Verlegen zegt de Moeder-Overste tegen haar: «Ga dus aan de Heer van dit huis vragen of Hij u wel wil aannemen». Vol vreugde gaat Hélène naar de kapel en knielt neer voor het tabernakel, zij vraagt: «Heer van dit huis, wilt U mij aannemen?» Terstond hoort zij de woorden: «Ik neem je aan, je bent in mijn Hart». Zij gaat de Overste weer opzoeken, die haar ondervraagt: «Welnu, neemt Onze-Lieve-Heer u aan? – Ja. – Als Hij u aanneemt, dan neem ik u ook aan». Hélène (die voortaan de kloosternaam zuster Faustina zal dragen) begint zo een

volkomen toegewijd leven in de dienst van de barmhartige Christus en van zijn Heilige Moeder.

Aanvankelijk gelukkig, is de postulant weldra teleurgesteld: aangenomen als lekenzuster, wordt zij volledig opgeslokt door het schoonmaak- en onderhoudswerk en dergelijke… en heeft nauwelijks tijd voor het gebed, de meditatie, het van hart tot hart met Jezus, haar Redder. Bijna besloten de Congregatie te verlaten om een beschouwender klooster te zoeken, smeekt zij de goddelijke Meester haar te verlichten: plotseling verschijnt haar het bloedende Gelaat van Onze-Heer in haar kamer: «Hier heb ik je geroepen, hier bereid ik je grote genade». Volledig overgegeven aan de goddelijke wil, zal zuster Faustina in de verschillende huizen van de Congregatie een echte contemplatieve kloosterlinge worden en te midden van onafgebroken werkzaamheden, die zij met natuurlijke begaafdheid en toewijding vervult: keuken, tuin, ontvangst…

Op 22 februari 1931 verschijnt Onze-Heer haar opnieuw. Hij is gekleed in een lang wit gewaad, een hand opgeheven als gebaar van vergeving en de andere rust op de plaats van zijn goddelijk Hart: Vanuit dit Hart stromen twee lichtstralen naar de aarde, de een rood, de andere wit, waarvan de bundels zich zo ver verbreden om de gehele wereld te bedekken. En Jezus zegt tegen zuster Faustina: «Teken een afbeelding gelijkvormig aan die je ziet en schrijf er onder: «Jezus, ik vertrouw op u». Ik wens dat deze afbeelding in de hele wereld zal worden vereerd. Ik beloof aan degenen die haar vereren de overwinning op de macht van de zonde, vooral in het uur van de dood. Ik zal hen zelf verdedigen als mijn glorie».

«Wat betekenen de twee stralenbundels, de een rood en de andere wit? vraagt zuster Faustina. – Deze stralen betekenen het water en het bloed. Het water dat de zielen zuivert; het bloed is het leven van de ziel. Zij stromen uit mijn Hart, geopend op het Kruis». De heilige Johannes getuigt inderdaad: Een van de soldaten doorstak zijn zijde met een lans: terstond kwam er bloed en water uit (Joh 19, 34). Het water betekent het Doopsel en het sacrament van de Biecht; het bloed, de H. Eucharistie.

Zuster Faustina is niet in staat om te tekenen of te schilderen. Op haar aanwijzingen zal een kunstenaar de heilige icoon van de barmhartige Jezus verwezenlijken. Maar heel wat strijd, tegenspraak, spotternijen en tegenslagen staan haar nog te wachten, voordat in 1935 het schilderij angstvallig zal worden uitgestald in het vermaarde heiligdom van de Onze-Lieve-Vrouw van Ostra Brama te Wilno, dank zij de inspanning van haar biechtvader, pastoor Sopocko. Weldra trekt de icoon de aandacht en de buitengewone genade van bekering neemt toe. Na de dood van zuster Faustina zullen zij over heel de wereld verspreid worden.

Voor wie de barmhartigheid ?

Wat is barmhartigheid? Barmhartig zijn is een hart hebben, dat getroffen is door andermans ellende alsof het jezelf betrof. De kracht van de barmhartigheid is zich in te spannen de nood van de naaste voor zover mogelijk te lenigen. De goddelijke barmhartigheid is de liefde van God voor mensen blootgesteld aan lijden, onrecht, armoede en zonde. Zij plaatst God bijzonder dichtbij de mens. Jezus-Christus heeft door zijn levensstijl en optreden onthuld hoe Gods liefde aanwezig is in de wereld waar wij leven. Deze daarwerkelijke liefde is in staat zich te buigen over elke verloren zoon, over elke morele nood (elke zonde). «De barmhartigheid is als de tweede naam voor de liefde, en ze is tevens de geijkte manier waarop de liefde zich laat zien en in de werkelijkheid omgezet wordt om zich op te stellen tegen het kwaad in de wereld, het kwaad dat de mens verleidt en overvalt, in zijn hart dringt en hem kan storten in de hel» (DM, 7).

«De Kerk heeft altijd geleerd, hierin de heilige Paulus volgend, dat de geweldige ellende waaronder de mensen gebukt gaan, en hun neiging tot het kwaad en de dood niet te begrijpen zijn zonder deze in verband te brengen met de zonde van Adam en het feit dat hij op ons de zonde heeft overgedragen waarmee wij allen besmet zijn bij de geboorte» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 403). Wij hebben allen de barmhartigheid nodig, want wij zijn allen getroffen door de gevolgen van de zonde van Adam. Onze persoonlijke zonden hebben slechts onze situatie erger gemaakt: «Vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaars zelf, voor de Kerk en voor de gehele wereld» (KKK, 1488). De boosaardigheid van de zonde wordt beter begrepen als men zijn eeuwige gevolgen in aanmerking neemt: «Het is alleen in het eschatologisch visioen (van hemel en hel), dat men de juiste maatstaf van de zonde kan hebben en zich op vastberaden wijze gedreven voelt tot boete en verzoening (met God en zijn naaste)» (Johannes Paulus II, Verzoening en berouw, 2/12/1984, 26).

Het gevolg van de zonde

In zijn barmhartigheid heeft God aan zuster Faustina het eeuwige gevolg van de zware zonde willen tonen. Zij schrijft in haar «Kleine Dagboek»: «Vandaag ben ik door een engel binnengeleid in de diepte van de hel. Dit is een plaats van grote kwellingen. Zijn omvang is verschrikkelijk groot. Ik heb daar verschillende soorten lijden gezien: – De eerste is het verlies van God. – De tweede: de eeuwigdurende wroeging van het geweten. – De derde: het lot van de verdoemden zal nooit veranderen. – De vierde: dit is het vuur, ontstoken door de toorn van God, dat de ziel binnendringt zonder haar te vernietigen. – Het vijfde: dit zijn de duisternis en een vreselijke en verstikkende geur. En ondanks de duisternis, de duivels en de zielen van de verdoemden bezoeken elkaar en zien al het kwaad van anderen en het hunne. – Het zesde: dit is het voortdurende gezelschap van de Satan. – Het zevende: een ontzettende wanhoop, de haat van God, de verwensingen, de godslasteringen.

«Dat iedere zondaar moge weten dat hij gedurende de hele eeuwigheid gefolterd zal worden door de zintuigen die hij gebruikt heeft om te zondigen. Ik heb dit op bevel van God opgeschreven opdat geen enkele ziel zich zal kunnen verontschuldigen door te zeggen dat er geen hel bestaat, of dat niemand daar is geweest en niet weet hoe het daar is. Ik, zuster Faustina, ben op bevel van God in de diepte van de hel doorgedrongen om met de zielen erover te praten en te getuigen dat de hel bestaat… Een ding dat ik heb opgemerkt is, dat daar veel zielen waren die hadden betwijfeld dat de hel bestaat… Ik bid dan ook vuriger voor het heil van de zondaars. Onafgebroken roep ik de goddelijke Barmhartigheid over hen af. O mijn Jezus. Ik verkies tot het einde van de wereld in de grootste kwellingen met de dood te worstelen dan U door de minste zonde te beledigen».

Dit persoonlijke getuigenis van de zalige is des te meer de aandacht waardig, daar dit in niets in tegenspraak is met de Leer van de Kerk: «De Leer van de Kerk bevestigt het bestaan van de hel en haar eeuwige duur… In doodzonde sterven zonder er berouw over te hebben en zonder Gods barmhartige liefde te aanvaarden, betekent uit eigen vrije keuze voor altijd van Hem gescheiden te blijven» (KKK, 1035, 1033).

De werkelijkheid van de hel nodigt ons uit over de ernst van haar oorzaak na te denken, de doodzonde. Men «noemt die daad een doodzonde, waardoor een mens vrij God en zijn wet alsook het verbond van de liefde, dat Hij hem aanbiedt, afwijst, doordat hij er de voorkeur aan geeft, zich in zichzelf te keren of in een of andere geschapen of eindige werkelijkheid, een of andere zaak, die in tegenspraak is met de goddelijke wil» (Encycliek Veritatis splendor, 6 augustus 1993). Dit gebeurt in een volledige ongehoorzaamheid aan de geboden van God in een zwaarwegende materie (bij voorbeeld: afgoderij, afvalligheid, godslastering, abortus, euthanasie, anticonceptie, overspel, enz.).

« Mijn Jezus, barmhartigheid ! »

God is op geen enkele wijze de bewerker van de zonde. Meer nog, Hij verlaat degene niet, die het ongeluk heeft gehad Hem te beledigen, maar Hij geeft hem onvermoeibaar de genade van het berouw. Het bloed van Christus, die door de liefde gestorven is, heeft ons een betrouwbare toegang bewerkt tot de God van barmhartigheid: Het bloed van Christus zal ons geweten zuiveren van dode werken (Heb 9, 14). De barmhartigheid is het kenmerk van God. Het liturgisch gebed van de Mis voor de overledenen begint aldus: «O God, wiens eigenschap het is erbarming te hebben en te vergeven…», en het misgebed van de 26e zondag door het jaar bevestigt dat God zijn almacht vooral openbaart door de vergiffenis en de barmhartigheid. De barmhartigheid is de grootste deugd, want Hij bezit haar om haar aan anderen te geven en, wat meer is, hun nood te verlichten. Dit is juist het wezenlijke van God, die alles bezit en die alles kan (vgl heilige Thomas van Aquino, IIa IIæ, 30, 4). Johannes Paulus II legt er de nadruk op: «De barmhartigheid, de volmaaktheid als zodanig van de oneindige God, is zelf oneindig. Oneindig en onuitputtelijk is de voortvarendheid waarmee de Vader de verloren zonen ontvangt die terugkeren naar huis. Oneindig zijn ook de voortvarendheid en de kracht van de vergiffenis die voortdurend ontspringt aan de bewonderenswaardige waarde van het offer van de Zoon. Geen enkele zonde van de mens kan de overhand krijgen op deze kracht of haar beperken» (DM, 13).

Op zekere dag zegt de Verlosser tegen zuster Faustina: «Ik wil dat de priesters mijn zeer grote barmhartigheid bekendmaken. Ik wil dat de zondaars volstrekt zonder angst mij nabijkomen! Als de ziel zoals een kadaver in volle ontbinding is, dan is er menselijkerwijze geen enkel redmiddel meer, maar zo is het niet in de ogen van God! De vlammen van de barmhartigheid verteren mij. Ik haast mij die over de zielen uit te storten… Geen enkele zonde, al was het een afgrond van verachting, zal mijn barmhartigheid uitputten, want hoe meer men eruit put, hoe meer zij toeneemt… Het is voor de zondaars dat Ik mijn bloed heb vergoten. Dat zij dus niet vrezen mij te benaderen!» Zo laat zich het vertrouwen van de heilige Bernardus verklaren: «Mijn lichaam uit klei doet mij door zijn hele gewicht bezwijken, de Satan zet zijn valstrikken uit, maar ik tuimel er niet in, ik val niet, omdat ik stevig gevestigd ben op de onwrikbare rots. Ik weet dat ik zwaar gezondigd heb, mijn geweten verwijt het mij; maar ik verlies de moed niet, ik herinner me de wonden van mijn Verlosser, die werd doorstoken om onze weerspannigheid (Js 53, 5). Wie is er zo sterfelijk, dat hij niet genezen wordt door de verlossende dood van Christus? Wanneer ik denk aan een geneesmiddel zo krachtig en zo werkzaam, kan ik voor geen enkele ziekte bang worden, hoe kwaadaardig die ook is» (Preek 61, over het Hooglied van Salomo, 5).

In de Proloog van zijn Regel stelt de heilige Benedictus de goddelijke barmhartigheid ons voor als een krachtige reden van hoop en een oproep tot bekering: «Het is voor de verbetering van onze zonden dat de dagen van dit leven voor ons verlengd worden als een algemene wapenstilstand, zoals de Apostel zegt: Weet je niet dat het geduld van God je berouw verschaft? Want onze barmhartige Heer zegt ook: Ik wil de dood van de zondaar niet, maar dat hij zich bekeert en dat hij zal leven». Het berouw en de bekering zijn de noodzakelijke voorbereiding om deel te hebben aan de genade van de Verlossing. De Heilige Vader waarschuwt ons ervoor als hij zegt: «Van de kant van de mens kan de barmhartigheid alleen beperkt worden door het gebrek aan goede wil, door het ontbreken aan bereidheid tot bekering en boete, d.w.z. door de voortdurende halsstarrigheid die zich tegen de genade en de waarheid kant, voornamelijk ten aanzien van het getuigenis van het Kruis en de Verrijzenis van Christus» (DM, 13).

Aan de berouwvolle zondaar wordt de goddelijke barmhartigheid op een bevoorrechte wijze in de biecht gegeven. «Dit is het sacrament van boete en verzoening dat ieders weg effent, zelfs wanneer hij met zware fouten is belast. Iedere (gedoopte) mens kan in dit sacrament op een unieke wijze de barmhartigheid ervaren, d.w.z. de liefde die sterker is dan de zonde» (DM, 13). De barmhartigheid wordt eveneens beloofd aan degenen, die weten te vergeven en te delen in het lijden van anderen: Zalig de barmhartigen, want zij zullen barmhartigheid ondervinden (Mt 5, 7).

Slachtoffer van de barmhartige liefde

Na de verschijning van 1931 wordt het leven van zuster Faustina gekenmerkt door het lichamelijke lijden, de innerlijke beproevingen en de vernederingen. Maar zij aanvaart alles met vreugde om het heil van de zondaars te verkrijgen, zozeer dat het Heilig Hart haar belooft: «Ik zal je alles geven wat je vraagt… Ik heb heel de eeuwigheid om te tuchtigen. Nu verleng ik de tijd van de barmhartigheid. Alvorens te komen als Rechter, zet ik de poorten van mijn barmhartigheid wijd open… De grootste zondaars kunnen de grootste heiligen worden, als zij vertrouwen op mijn barmhartigheid». Zoals de heilige Theresia v.h. Kind-Jezus, brandt de poolse kloosterlinge van missionaire ijver; «Ik voel mij verantwoordelijk voor al de zielen, ik voel dat ik niet leef voor mij alleen, maar voor de gehele Kerk… O mijn Jezus, ik grijp de hele wereld aan om aan jouw barmhartigheid te offeren!»

De laatste maanden van zuster Faustina, die in een sanatorium verblijft wegens de tuberculose die haar sinds 1933 verteert, verstrijken in gebed en opoffering voor de stervenden in haar omgeving. Zij verkrijgt vaak de bekering, zelfs in menselijkerwijs hopeloze omstandigheden. Zij ontslaapt zacht in de Heer op de leeftijd van 33 jaar, op 5 oktober 1938.

Zuster Faustina had een grote devotie van de Heilige Maagd, de Moeder van barmhartigheid. De Paus zegt: «Maria kent zeer grondig het mysterie van de goddelijke barmhartigheid. Zij kent er de prijs van en weet hoe groot deze wel is. Deze barmhartige liefde houdt niet op, in haar en dank zij haar, zich te verkondigen in de geschiedenis van de Kerk en van de mensheid» (DM, 9).

Zalige zuster Faustina, verkrijg voor ons, onder bescherming van Moeder Maria en de heilige Jozef, de weldaad vrijmoedig te naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp (Heb 4, 16), voor ons en voor allen die ons dierbaar zijn, levend en overleden.