21 Mei 1998

Gelukzalige Pierre Giorgio Frassati

Dierbare Vrienden,

Maandag 6 juli 1925, in Turijn (Italië). Een grote menigte wacht voor het portaal van de Crocetta-kerk. Gegoede burgers en arbeiders, aristocratische dames en volksvrouwen, universiteitsstudenten en bejaarden uit het armenhuis zijn daar samengekomen. Plotseling beroering. Een grote stilte. Op het kerkplein verschijnt er een groep van acht sterke jongemannen, die op hun schouders een zware doodkist dragen. De ontroering staat te lezen op de gezichten van de dragers. Toch fonkelt diep in hun blikken een glans van trots, alsof hun stevige schouders triomfantelijk een reliekschrijn van een heilige ronddragen.

Wie is degene die men zo draagt? Op 13 april 1980 zei Paus Johannes Paulus II over hem: «Het is voldoende om zelfs een korte blik te werpen op het leven van Pier Giorgio Frassati, opgebrand in nog geen vierentwintig jaar, om te begrijpen hoe hij wist te antwoorden op Jezus-Cristus: dit was het antwoord van een «moderne» jongere, open voor de problemen van de cultuur, van de sport (een waardevol alpinist), voor sociale vraagstukken, voor de waarachtige waarden van het leven en tegelijk een diep gelovig man, gevoed door de boodschap van het Evangelie, met een standvastig en samenhangend karakter, zich volledig inzettend in dienst van zijn broeders en brandend van een vurige naastenliefde die hem volgens een volgorde van volstrekte voorrang bracht aan de zijde van de armen en zieken… Het christendom is blijdschap: Pier Giorgio had een betoverende blijdschap, een blijdschap die ook zoveel moeilijkheden in zijn leven overwon, want de jonge jaren zijn altijd een tijd van krachtmeting».

Een voor jou, een voor mij

Pier Giorgio Frassati, die men de «zoon van het Feest» zal noemen, is geboren in Turijn, op Paaszaterdag 6 april 1901 in de avond. Van welgestelde familie uit de middenklasse van Piémont (zijn vader was gedurende enkele jaren ambassadeur in Berlijn), erft het kind de deugden en de fouten van zijn landgenoten. Doortastend, bereidwillig, zelfs koppig en nogal wat spraakzaam, zijn zij bovendien spaarzaam, hoewel daarbij de uitgaven voor het gezin volstrekt niet worden beknot, positief en nuchter met een zekere avontuurlijke aanleg.

De aangeboren oprechtheid van Pier Giogio maakt hem vijand van de leugen, en trouw tot aan het slaaf zijn van het gegeven woord. Met geen geweld van de wereld, zelfs niet door zijn geeuwhonger, zou hij een gerecht of lekkernij, waarvan hij weet dat het onder zijn handbereik is, aanraken, wanneer zijn moeder hem dit uitdrukkelijk verboden heeft. Een diep gevoel van medelijden brengt hem er toe al het lijden te verlichten. Hij kiest ogenblikkelijk partij voor de zwakkeren. Als hij een keer met zijn grootvader tijdens het middagmaal een kleuterschool voorbijgaat, wordt Pier Giorgio gefascineerd door de lange marmeren tafels met uithollingen om er de eetkommen in te zetten. Plotseling ziet hij achter in de zaal een kind, dat wegens een huidziekte op afstand gehouden wordt. Hij gaat naar hem toe en, al voerend met «een hapje voor mij, een hapje voor jou», laat hij het verdriet van eenzaamheid van het gezicht van de kleine verdwijnen.

Hij is nog maar vijf jaar, als thuis op zekere dag zijn vader een arme aan de deur afscheept, die door zijn adem verraadde dat hij dronken was. Piet Giorgio gaat huilend naar zijn moeder toe: «Mamma, er is een arme die honger heeft en pappa heeft hem niet te eten gegeven». Zijn moeder, die gelooft in deze klacht een weerklank van het Evangelie te horen, antwoordt: «Ren naar buiten, laat hem binnenkomen en wij zullen hem te eten geven».

Een brandkast

Maar de schoonheid van dit karakter heeft zijn schaduwzijde. Zijn forse uiterlijk en zijn doortastende persoonlijkheid uiten zich vaak in heftige reacties, vooral tijdens ruzies met zijn zus Luciana, die zeventien maanden jonger is. «Koppige» is de bijnaam die men in de huiselijke kring zo graag naar zijn hoofd slingert. Wanneer hij niet wil praten, dan sluit hij zijn mond als een brandkast, waarvan hij de enige is die over de cijfercombinatie beschikt. De niet zachtzinnige opvoeding van het gezin helpt hem deze fouten te corrigeren. Met een van nature trage doch doortastende intelligentie weet hij zich te ontplooien en te verfijnen tot zelfs langzamerhand zo plooibaar en voortvarend te worden, dat hij al de moeilijkheden van zijn studie op het lyceum kan overwinnen en ook later op de ingenieursschool van Turijn. De studie wordt dan voor hem de voornaamste plicht waarvoor alle andere bezigheden moeten wijken. Het is een zwaar gevecht voor zijn onstuimig karakter. Wat een beproeving om uren lang in een stramme houding te zitten voor saaie studieboeken, terwijl zijn hartstocht voor de bergen hem zo gemakkelijk weg kan voeren op een of andere pittoreske tocht! Maar de moeilijkheden zijn voor hem een gelegenheid weer moed te vatten. In het zicht van de beproeving, verre van de moed op te geven, maakt hij zich meester van zijn krachten en zet zich weer ijverig aan het werk.

Maar het is vooral het geloof en het gebed waaruit hij zijn kracht put. Vanaf zijn prilste jeugd bidt hij trouw het ochtend- en avondgebed op zijn knieën. Al vlug begint hij met de Rozenkrans. Later ziet men hem overal de tientjes bidden, in de trein, aan het bed van een zieke, wandelend in de stad of in de bergen. Hij houdt ervan zich zo aanhankelijk te onderhouden met zijn hemelse Moeder.

De directe relatie die hij met God legt geeft hem een buitengewone rijpheid. Ook laat hij menigeen versteld staan over zijn eigen eenvoudige en bastberaden wijze van het beleven van zijn katholicisme. Geen enkel uiterlijk vertoon, een rustige zekerheid, een kalme fierheid, een milde onverzoenlijkheid. In een brief aan een boezemvriend schrijft hij: «Ongelukkig degene die niet het geloof heeft! Leven zonder het geloof, zonder dit erfgoed te verdedigen, zonder deze waarheid door een onafgebroken strijd te onderhouden, dit is niet meer leven maar zijn leven verknoeien! Ons is het niet toegestaan door te sukkelen; leven is onze opdracht! Houd dus op met alle zwaarmoedigheid! Hoog de harten en voorwaarts, voor de overwinning van Christus in de wereld! Aan de katholieke studenten, die timide zijn omdat zij zich gekleineerde wezens voelen en veroordeeld aan de zelfkant van het moderne leven te leven, laat hij zien, minder door zijn argumenten dan door zijn leven, dat daar geen sprake van is; hij gaat vastberaden door het leven, zeker van zijn weg. In een egoïstische en verbitterde wereld loopt hij over van blijdschap en edelmoedigheid. Inderdaad bestaat het ware geluk van het aardse leven uit het streven naar heiligheid waartoe wij allen geroepen zijn. Daar bevindt zich het goede antwoord op de voortdurende uitnodiging van de wereld: Zolang je jong bent, profiteer van het leven!»

Correcte grap

De deugd van zuiverheid verlicht met een wonderbaarlijke glas het aantrekkelijke gezicht van Pier Giorgio. Men weet dat hij geen gekheid maakt met de liefde. Als zijn vrienden dan ook meisjes een poets willen bakken, komen zij hem zijn oordeel vragen om te weten of de grap moreel gezien wel correct is. Heel vaak is alleen zijn aanwezigheid al voldoende om ongepaste praat te bezweren. Soms plagen zijn vrienden hem naar aanleiding van zijn stenge oordeel over bepaalde onfatsoenlijkheden van de moderne kunst: hij glimlacht dan maar verandert totaal niets in zijn gedrag. Hij heeft een doorlopende toegangskaart op zak voor alle musea en theaters van de stad. In de musea kijkt hij slechts naar de gezonde werken en die van goede smaak zijn; wat de theaters en

bioscopen betreft, daar gaat hij pas heen na zich op de hoogte gesteld te heben van de moraliteit van de uitvoering.

Hij kent heel goed de werkelijkheid van het leven en de geoorloofde genegenheid van de natuur raakt hem diep. Om zijn zuiverheid te behouden, kent hij uren van felle en zware strijd, bij allen onbekend behalve bij enkele boezemvrienden. Wat een van hen erover

schrijft: «Deze gevechten, die het gezicht van onze vriend een weergaloze glas geven, duren een zekere tijd en eisen van hem een wilskracht van een uitzonderlijk karakter. Hij beijverde zich zijn daden angstvallig te beheersen, gelegenheden te vermijden waar zijn voornemens verloren konden gaan en om zijn boetedoeningen te vermeerderen. Het woord van de heilige Paulus komt uitstekend met hem overeen: Ik heb de goede strijd gestreden. Wij die de genade hebben gehad te leven in zijn vertrouwelijkheid, in de loop van een cursus zo kort en toch luisterrijk, wij weten met zekerheid dat de deugd, de heiligheid, de ontmoeting met God de vrucht zijn van een zware en voortdurende strijd».

In de loop van zijn verblijf aan de universiteit wordt zijn aandacht getrokken door een jong meisje, dat pas gebeurd onheil doorstaan heeft. Haar onschuld, haar heerlijke schoonheid, haar levendige, verstandige en daadwerkelijke geloof, hebben hem getroffen. Langzamerhand ontluikt er een gevoelen in hem dat terecht op een huwelijk kan uitlopen. Naar mate deze genegenheid toeneemt, wordt hij door een vrees overvallen: zouden zijn ouders deze verbintenis accepteren? Hij denkt dat een gang naar zijn familie onvermijdelijk op een mislukking uitdraait… en hij vergist zich niet. Als hij dan van zijn voornemen afziet en vooral van de zeer diepe natuurlijke genegenheid, geeft Pier Giorgio de voorrang aan de liefde voor zijn ouders. Hij wil voorkomen een nieuw element van spanning in het gezin te creëren, dat ernstig bedreigd wordt door een gebrek aan verstandhouding. De heldhaftige deugd, vrucht van een liefde die gaat tot aan «het geven van zijn leven» voor hen, die hij bemint. Hij zegt tegen zijn zus: «Ik zal het zijn, die zich zal opofferen, zelfs als dat het offer moet zijn van mijn hele leven hier op aarde.

«In dat café»

De zelfverloochening blijkt eveneens uit zijn sociale verplichtingen. Zoals Paus Johannes Paulus II het zei tijdens de zaligverklaring op 20 mei 1990: dat bij hem «het geloof en de dagelijkse gebeurtenissen harmonisch op elkaar steunen, zo goed dat de instemming met het Evangelie zich vertaalt in liefdevolle aandacht voor de armen en behoeftigen… Zijn roeping van christelijke leek gaat in vervulling door zijn vele maatschappelijke en politieke verplichtingen in een maatschappij volledig in 

gisting, onverschillig, ja zelfs vijandig tegenover de Kerk».

Sinds de leeftijd van 17 jaar is hij lid van de Vincentius-Vereniging en het is vooral daar, dat hij het bovennatuurlijke medegevoel leert kennen. Hij bezoekt graag de armen om hun noden te lenigen door middel van voedsel en kleding, hetgeen hij thuis voor hen bewaarde. Door zijn vindingrijkheid kan hij sparen; hij verzamelt en verkoopt zegels en trambiljetten, en collecteert deur aan deur ten bate van de armen. Op zekere dag komt een vriend hem tegen in een straat van Turijn en nodigt hem uit ergens een verfrissing te nemen. «Als wij in dat café wat gaan gebruiken», zegt Pier Giorgio ondeugend terwijl hij naar de kerk van de H. Dominicus wijst. Hoe aan deze glimlach te weerstaan? Als zij, na enkele minuten van stille overpeinzing, weer naar buiten gaan, bemerkt de jonge Frassati toevallig een offerblok en fluistert zachtjes: «En nemen wij de verfrissing hier?» De vriend begrijpt het en werpt zijn bijdrage niet zonder glimlach erin. «Ik geef ook een rondje», voegt Pier Giorgio er aan toe terwijl hij zijn aalmoes erin laat glijden.

God alleen kent al de opofferingen die de jonge student zich oplegt. Het overkomt hem midden in de zomer in Turijn te blijven om het ondersteunen van de armen voort te zetten, toen hij in de frisse lucht van het land zou kunnen werken. In deze periode is inderdaad iedereen weg en niemand bekommert zich meer om de ongelukkigen te bezoeken.

«Het grootste sociale gebod»

Maar zijn apostolische ijver beweegt hem te bewerkstelligen om «de mentaliteit en de zeden, de wetten en de structuren van de samenleving van een christelijke geest te doordringen» (Tweede Vaticaans Concilie, Apostolicam Actuositatem, 13). In een gespannen sociale en politieke situatie voelt Pier Giorgio de behoefte om tegemoet te komen aan de armen en hij neemt deel aan activiteiten van verschillende sociale en politieke verenigingen, waar hij niet bevreesd is zich als overtuigd katholiek te laten gelden. Men moet, denkt hij, werken aan de noodzakelijke hervormingen ten behoeve van de arbeiders om hun nood te laten verdwijnen en allen een aanvaardbare levensstandaard te bieden. Hij heeft begrepen dat «de voorrang die toegekend wordt aan de bekering van het hart niet wegneemt, maar juist gebiedt dat men verplicht is de instellingen en de levensomstandigheden, wanneer deze tot zonden leiden, zo te veranderen dat ze overeenstemmen met de eisen van de rechtvaardigheid en het goede bevorderen in plaats van het te verhinderen» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1888).

De taak is moeilijk en Pier Giorgio geeft zich daarvan rekenschap. Hij schrijft: «Overal in de wereld zijn er zoveel boosaardige lieden die helaas niets christelijks hebben, slechts nog de naam en niet de geest. Daarom denk ik dat wij lang moeten wachten alvorens de waarachtige vrede te beleven. Ons geloof leert ons echter dat wij de hoop niet moeten verliezen deze vrede eens te ontmoeten. De moderne samenleving loopt vast in het leed van de menselijke hartstochten en verwijdert zich van elk ideaal van liefde en van vrede». Voor hem is er geen oplossing van het sociale vraagstuk mogelijk buiten het Evangelie. Men heeft namelijk de hulp van de genade nodig om «de vaak smalle weg te ontdekken tussen de lafheid die toegeeft aan het kwaad en het geweld dat dit kwaad wil bestrijden doch het verergert. Het is de weg van de naastenliefde, dat wil zeggen de liefde tot God en de naaste. De naastenliefde is het grootste sociale gebod; zij eerbiedigt de ander en zijn rechten. Zij eist de praktijk van de rechtvaardigheid en zij alleen stelt ons daartoe in staat. Zij inspireert tot een leven van zelfgave: Wie zijn leven tracht te redden, zal het verliezen en wie het verliest, zal het behouden (Lc 17, 33)» (KKK, 1889).

Dit is geen roman

Hij betrapt eens een vriend erop die een boek aan het lezen is, dat een verdachte leer inhield. «Dit boek is niet geschikt voor u, zegt hij tegen hem, doe mij een plezier om het niet verder te lezen. Vandaag nog zal ik u een veel mooier boek brengen». Inderdaad, in de namidddag geeft hij hem een «Navolging van Christus»: «Dit is niet bepaald een roman, maar de opvattingen ervan zijn prachtig: het zal u zeker goed doen». Hij volgt zo de aanbeveling op van de heilige Paus Pius X: «De katholieke leer onderricht ons, dat de voornaamste plicht van de naastenliefde niet bestaat uit de theoretische en praktische onderverschilligheid voor de fouten en ondeugden waarin wij onze broeders zien ondergedompeld, doch uit de ijver voor hun geestelijke en zedelijke verbetering niet het minst voor hun materiëel welzijn» (Brief over de Lichtstraal, 25 augustus 1910).

Zo levenslustig als hij is, verliest Pier Giorgio niet het zicht op de eeuwigheid: «Christelijk leven, schrijft hij, is een voortdurend afzien, een voortdurende opoffering die toch niet zwaar weegt, als men bedenkt dat deze enkele jaren doorgebracht in verdriet heel weinig tellen ten opzichte van de eeuwigheid, waar de vreugde noch grens noch einde zal hebben en waar wij van een vrede zullen genieten die onmogelijk is voorte stellen. Men moet zich krachtig vastklampen aan het geloof: wat zou het leven zonder geloof waard zijn? Niets, wij zouden tevergeefs geleefd hebben». Hij denkt graag regelmatig aan de dood, die hij tegemoet ziet als een ontmoeting met Jezus-Christus. Als hij de bergen intrekt, is hij op alles voorbereid: «Men moet altijd een zuiver geweten hebben alvorens te vertrekken, zegt hij vaak, want men weet maar nooit…» De dood van een vriend geeft hem deze regels in: «Hoe zich voorbereiden op de grote overtocht? En wanneer? Daar niemand het uur weet waarop de dood hem zal komen halen, is het zeer voorzichtig zich elke ochtend toe te bereiden om op die zelfde dag te sterven». Na het overlijden van een andere vriend

schrijft hij: «Om kort te gaan, hij heeft zijn ware doel van het leven bereikt: men moet hem niet beklagen, maar hem benijden». Hij heeft dikwijls zijn familieleden verbaasd met deze opmerking: «Ik denk dat de dag van mijn dood de mooiste dag van mijn leven zal zijn».

In vier dagen

Op dinsdag 30 juni 1925 gaat hij met twee vrienden een boottocht maken op de rivier de Po. Het uitstapje is kostelijk, maar na enkele tijd beklaagt Piet Giorgio zich over intense pijn in zijn rugspieren. Thuisgekomen doorstaat hij een hevige hoofdpijn. De volgende dag heeft hij koorts. Niemand schenkt daar aandacht aan, want die zelfde dag geeft zijn grootmoeder van moederskant haar ziel aan God terug. De tweede dag ontzoekt een arts de zieke. Plotseling betrekt zijn gezicht. Hij vraagt aan Pier Giorgio, die op zijn rug ligt, zich op te richten. «Dat kan ik niet!» antwoordt deze. De reflexen functioneren niet meer, de naalden die men in zijn benen steekt, voelt hij niet…

Drie voortreffelijke geneesheren, die door de familie zijn ingeroepen, gaan naar het ziekbed en bevestigen de fatale diagnose: acute kinderverlamming van besmettelijke aard. Uitgeput van vermoeidheid, vraagt Pier Giorgio om een morfine-injectie om te kunnen slapen. Maar de dokter vindt dat onverzichtig. «Het kan niet , zegt zijn moeder, dat zou je kwaad doen». Hij knikt ja.

Op 4 juli, tegen drie uur in de ochtend, openbaart zich een zeer ernstige crisis. Een priester komt hem de laatste sacramenten toedienen. De verlamming bereikt geleidelijk de ademhalingsorganen. ’s Middags om vier uur begint de doodsstrijd. Rond het bed blijft men onophoudelijk bidden. De priester bidt de stervensgebeden. Mevrouw Frassati houdt haar zoon in haar armen om hem te helpen sterven in de naam van Jezus, Maria, Jozef… Bij deze woorden: «Zorg dat ik in vrede sterf, en in uw heilige gezelschap», blaast hij de laatste adem uit. In deze kamer, waar de dood zo juist voorbijkwam, heerst een sfeer die niet meer van deze aarde is. Allen, geknield, teneergeslagen door het verdriet, richten de ogen op de overledene om zo zijn zeer zuivere ziel in zijn ontmoeting met God te volgen.

Innerlijke kracht

Jezus heeft het beloofd: Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag (Joh 6, 54). De Mis en de dagelijkse H. Communie geven aan Pier Giorgio het noodzakelijke vuur al de moeilijkheden van het leven te trotseren: «Eet dit engelenbrood, zegt hij aan jongen, en u zult daarin de kracht vinden om de innerlijke strijd te voeren, het gevecht tegen de hartstochten en de beproevingen, omdat Jezus-Christus aan hen die de H. Eucharistie ontvangen het eeuwige leven heeft beloofd en de nodige genade om het te verkrijgen. Wanneer u volkomen verteerd zult zijn door het eucharistisch vuur, dan zult u, in het volle bewustzijn, God kunnen danken, die u heeft geroepen om deel uit te maken van zijn hemelschare en u zult een vrede smaken, die de gelukkige mensen hier op aarde nooit hebben gekend. Want het waarachtige geluk is niet gelegen in de genoegens van deze wereld noch in de aardse zaken, maar in de vrede van het geweten ; hij wordt alleen gegeven aan degenen die een zuiver hart en zuivere geest hebben.

Voor u vragen wij de genade aan de Heilige Maagd, aan sint Jozef en aan de zalige Pier Giorgio Frassati. Wij bidden ook voor al uw overledenen.