4 Augustus 1997
Heilige pastoor van Ars
Dierbare Vrienden,
Op 19 februari 1818 was de jonge Priester op weg gegaan; hij moest een voettocht maken van dertig kilo- meter, van Ecully naar het dorp Ars (bij Lyon). ’s Avonds vraagt hij aan een kleine herder de weg naar zijn nieuwe parochie. Deze wijst de onbekende de weg en hoort als dank zeggen: «Goede vriend, jij hebt mij de weg gewezen naar Ars; ik zal je de weg naar de Hemel wijzen».
«Laten wij God dankzeggen voor de Heiligen, die de geschiedenis van Frankrijk hebben afgebakend» (Johannes Paulus II, 25 september 1996). Is de opdracht van de Heiligen niet ons de weg te wijzen die naar de Hemel leidt? De heilige Benedictus zegt ons in de proloog van de Regel: «Laten wij ons ten strijde aangorden met het geloof en de beoefening van goede werken; laten wij voortgaan op de weg van de Heer in navolging van het Evangelie om waardig te zijn Hem te zien, Die ons heeft geroepen in Zijn Koninkrijk». Maar als wij willen wonen in de woonstede van dit Koninkrijk, moet dit gaan door de goede werken, anders komt men er niet. De heilige Jean-Marie Vianney is een fakkel die onze weg verlicht en ons helpt door zijn voorbeeld volgens zijn christelijke roeping te handelen.
Een kleine herder onder de Terreur
1793. De Terreur. De guillotine staat niet stil op het Terreaux-plein in Lyon. De kerken zijn gesloten. Langs de wegen staan alleen nog maar de sokkels van de kruisbeelden: mensen uit Lyon hebben de kruisen eraf geslagen. Alleen bij de ware gelovigen blijft het heiligdom van de harten ongeschonden. Jean-Marie Vianney, geboren in 1786 brengt zijn jonge jaren door in dit klimaat van revolutie.
In een zak van zijn boerenkiel draagt hij met grote behoedzaamheid een beeld van de Heilige Maagd met zich mee het vrije veld in. Hij plaatst het in de stam van een oude boom en omgeeft het met mos, takken en bloemen; dan bidt hij op zijn knieën in het gras de rozenkrans. De oevers van de beek hebben de lege kerken vervangen waar niemand meer bidt. De andere herders hoeden hun kudden in de omgeving. Dit gezelschap is niet altijd braaf; maar Jean-Marie kan zich er niet van weerhouden om naar hen toe te gaan. En dan wordt hij in gedachte Apostel. Als godsdienstleraar van zijn kameraden herhaalt hij wat hij zelf heeft gehoord in de stilte van de nacht en onderricht de gebeden die hij van zijn moeder geleerd heeft. Een priesterroeping gaat ontluiken: diep in zijn hart laat zich horen dit volg mij (Mt 8, 22), dat aan de oever van het meer van Galilea Petrus, Andreas, Jakobus en Johannes aantrok om Jezus te volgen.
Op 19-jarige leeftijd begint hij zijn studie als seminarist. Helaas! de gramatica van het latijn is voor hem afschrikwekkend. De jonge man is slagvaardig en scherpzinnig; men hoort hem graag praten, maar de studies zijn moeilijk; zodra hij een pen in zijn hand neemt, wordt hij traag en verward. Op het Groot-Seminarie in Lyon blijken zijn inspanningen vruchteloos. Na vijf of zes maanden denken de directeuren dat hij niet kan slagen en voor hem is dan de beproeving groot als zij hem verzoeken zich terug te trekken. Veel van zijn medestudenten zijn zeer bedroefd hem van het seminarie te zien vertrekken. Zelf diep getroffen, vertrouwt hij zich toe aan de Voorzienigheid. Na een lange en overwogen bedenktijd stelt zijn geestelijk leidsman hem voor aan een van de Vicarissen-Generaal, de weleerwaarde heer Courbon, die het aartsdiocees van Lyon bestuurt: «Is eerwaarde Vianney vroom, vraagt deze. Heeft hij de devotie voor de Heilige Maagd? Kan hij zijn rozenkrans bidden? – Ja, dit is een voorbeeld van godsvrucht. – Een voorbeeld van godsvrucht! Welnu, ik roep hem. Gods genade zal de rest doen… De Kerk heeft niet alleen geleerde Priesters nodig, maar ook nog en vooral vrome Priesters».
Vicaris Courbon heeft er goed aan gedaan. Met Gods genade en door ijverig te werken, maakt eerwaarde Vianney wezenlijke vorderingen met zijn studies. De examinator ondervraagt hem gedurende meer dan een uur tijdens het voorgeschreven examen met het oog op de priesterwijding. Zijn heldere en nauwkeurige antwoorden schenken algehele voldoening. Heel zijn leven zal de heilige Pastoor een groot belang hechten aan de zuivere Leer. Hij bereidt zijn preken met zorg voor. Om zijn kennis bij te houden, zal hij zijn wintermaanden gebruiken om te studeren.
De obsessie voor het zieleheil
De weg naar het priesterschap staat van nu af open voor de eerwaarde Vianney, die de priesterwijding op 13 augustus 1815 ontvangt, God heeft Zijn Zoon naar de wereld gezonden, opdat de wereld door Hem zou worden gered (Joh 3, 17). De opdracht van de Priesters is dit heilsplan op de juiste wijze overal op de wereld daadwerkelijk gestalte te geven. Daarom kon de Pastoor van Ars dan ook zeggen: «Zonder de Priester zou de dood en het Lijden van Onze Heer nergens toe dienen. Het is juist de Priester die het Verlossingswerk op aarde voortzet».
Naar het voorbeeld van de Goede Herder zal hij zijn leven slijten met het zoeken van de verloren schapen om hen naar de schaapsstal terug te brengen. «Wee de herder, zei hij eens, die sprakeloos blijft toezien hoe God wordt beledigd en hoe de zielen afdwalen». Hij heeft een bijzondere aanleg voor de bekering van de zondaars. Zijn verzuchtingen over de ondergang van de zielen doorklieven het hart: « Was Hij maar niet zo goed de Goede God, maar Hij is goed!… Redt uw arme ziel!… Wat is het jammer zijn ziel te verliezen, wat zo pijnlijk is voor Onze Heer! Welk kwaad heeft Hij u dan toch aangedaan om Hem op deze wijze te bejegenen?» Op zekere dag geeft hij een merkwaardig onderricht over het laatste oordeel, waarbij hij verschillende malen aangaande de verdoemden herhaalt: «Verdoemd door God!… Verdoemd door God!… Wat een ramp, wat een ramp!» Het zijn niet meer de woorden maar de snikken, die de tranen laten stromen bij al de aanwezigen.
Zo vaak hij kan, stelt hij zich beschikbaar de vergeving van God te schenken aan de berouwvolle zielen. Hij heeft inderdaad een grote afkeer van het kwaad: «Door de zonde verjagen wij God uit onze zielen, versmaden wij de Goede God, kruisigen wij Hem, trotseren wij Zijn oordeel, bedroeven wij Zijn vaderlijk Hart. Maar laten wij Hem behagen door onze gebeden, door onze hulde die wij alleen aan Hem verschuldigd zijn… Door de zonde wordt onze geest in een afschuwelijke duisternis gestort die de ogen van de ziel sluit, ook het geloof wordt erdoor verduisterd zoals de mist de zon verduistert voor onze ogen… De zonde verhindert ons naar de Hemel te gaan. O! wat is de zonde een groot kwaad!» Daarom besteedt hij behoorlijk veel tijd aan het toedienen van het sacrament van de Biecht, de normale manier om de staat van genade en de vriendschap van God te verkrijgen.
Een belegere biechtstoel
«Men kan zeggen dat zijn dag en nacht belegerde biechtstoel het grote wonder is van de Pastoor van Ars». De Heilige heeft driekwart van zijn bestaan in dit bekrompen hokje geleefd: van november tot maart brengt hij elke dag 11 à 12 uren daarin door en tijdens het mooie seizoen 16 à 18 uren. Wanneer zijn winterhanden te verstijfd zijn, verbrandt hij van tijd tot tijd een stuk krant om zijn handen te warmen. Wat zijn voeten betreft, die voelt hij volgens zijn zeggen niet tussen Allerheiligen en Pasen. Dat dit echt waar is, blijkt wel uit het feit dat het hem overkomt, dat hij ’s avonds bij het uittrekken van zijn sokken tegelijkertijd de huid van zijn hielen meetrekt. Doch zijn pijnen doen er weinig toe; voor het redden van zielen is hij tot alles bereid.
«Om zich goed van zijn zonden te zuiveren, moet men goed biechten!» heeft hij gewoonlijk gezegd. «Goed biechten»: dat betekent op de eerste plaats dat men zich moet voorbereiden door een behoorlijk gewetensonderzoek. Paus Johannes Paulus II herinnert eraan dat: «de biecht volledig moet zijn in die zin, dat men al zijn doodzonden moet belijden. Tegenwoordig zijn er talrijke gelovigen die bij het naderen tot het sacrament van de Biecht niet ten volle de doodzonden belijden en zij verzetten zich soms tegen de biechtvader, die overeenkomstig zijn plicht hen ondervraagt om een afdoende en noodzakelijke beschrijving van de zonden te verkrijgen, alsof hij zich veroorlooft een onverantwoord instrument te zijn in het heiligdom van het geweten. Ik wens en bid, opdat deze weinig verstandige gelovigen ervan overtuigd zullen zijn, dat de regel volgens welke men een specifieke en afdoende opnoeming eist, niet een last is die hun eigenmachtig wordt opgelegd, doch een middel van bevrijding en sereniteit» (Brief aan Kardinaal W. Baum, 22 maart 1996).
«De zonde bindt de mens vast met haar schandelijke banden», onderricht de heilige Pastoor. Volgens het woord van Onze Heer: alwie zonde doet, is slaaf van de zonde (Joh 8, 34). Inderdaad, de zonde schept een drang naar de zonde, ze veroorzaakt de ondeugd en verduistert het geweten (vgl KKK, 1865). De sacramentele absolutie (kwijtschelding) ontvangen in de vereiste gesteldheid, schenkt aan de ziel de ware innerlijke vrijheid en geeft haar de kracht om de slechte gewoonten te overwinnen. «Het is goed te bedenken dat wij een sacrament hebben dat de wonden van onze ziel geneest!» roept de heilige Jean-Marie uit. «In het sacrament van de Biecht, zegt hij nog, schenkt God ons Zijn barmhartigheid tot in het oneindige… U hebt mijn kaars gezien: vannacht, vanmorgen is zij opgehouden met branden. Waar is ze nu? Zij bestaat niet meer, zij is verdwenen: hetzelfde met de zonden, waarvoor wij de absolutie hebben ontvangen, die bestaan niet meer: zij zijn verdwenen». Het sacrament van verzoening met God veroorzaakt een waarachtige «geestelijke opstanding», een herstelling van de goddelijke vriendschap. Een van de bijkomstige gevolgen ervan is de vreugde van de ziel, de vrede van het geweten.
De goedheid ten opzichte van de zondaars slaat niet om in zwakheid. Alvorens de absolutie te geven, eist hij voldoende aanwijzingen van bekering. Twee dingen zijn absoluut noodzakelijk: vooreerst het berouw, dat wil zeggen «het verdriet te hebben gezondigd, gegrond op bovennatuurlijke redenen, want de zonde schendt de liefde jegens God, de Allerhoogste; de zonde heeft de Verlosser leed aangedaan en ze veroorzaakt het verlies van het eeuwige Heil» (Johannes Paulus II, ibid.). De heilige Pastoor betrapt op zekere dag een slecht voorbereide biechteling met deze woorden: «Uw berouw komt niet van God, noch uw spijt van uw zonden, maar alleen van de angst voor de hel». De krachtige taal om niet meer te zondigen is even noodzakelijk. «Het is bovendien duidelijk, dat de belijdenis van de zonden de serieuse bedoeling moet inhouden die niet meer te doen in de toekomst. Als deze instelling niet werd aangetroffen, dan zou er in werkelijkheid geen berouw zijn» (Johannes Paulus II, ibid.). De bedoeling niet meer te zondigen houdt in de wil alle geëigende middelen in het werk te stellen en, indien noodzakelijk, het afzien van bepaalde gedragingen in de toekomst. In dit opzicht legt de Pastoor van Ars een vastberadenheid aan de dag die hem kritiek oplevert, bij voorbeeld als hij eist van zijn biechteling af te zien van het dansen en het dragen van onbetamelijke kleding.
Vertrouwen in de genade
«Het voornemen niet meer te zondigen moet steunen op de Goddelijke genade, die de Heer aan niemand zal weigeren die bij machte is eerlijk te handelen. Wij verwachten van de Goddelijke Goedheid, ingevolge Zijn belofte en de verdiensten van Jezus-Christus, het eeuwige leven en de noodzakelijke genade om het te verkrijgen» (Johannes Paulus II, ibid.). De heilige Pastoor spoort zijn biechtelingen aan te putten uit de bronnen van de genade: «Er zijn twee dingen om zich met Onze Heer te verenigen en zijn gelukzaligheid te bewerken: het gebed en de sacramenten». Met de genade wordt alles mogelijk en zelfs gemakkelijk.
De heilige Jean-Marie Vianney wil vooral zijn gelovigen leiden naar de eucharistische Communie. Communiceren is het ontvangen van Christus-Zelf en het vergroten van onze vereniging met Hem. Dit veronderstelt de staat van genade: «Wie in de eucharistische Communie Christus wil ontvangen, moet in staat van genade zijn. Wie zich van een doodzonde bewust is, mag niet tot de eucharistie naderen zonder eerst de absolutie ontvangen te hebben in het sacrament van boete (KKK, 1415). De goed voorbereide zielen die verlangend zijn te vorderen, raadt de Pastoor van Ars aan veelvuldig te communiceren, in tegenstelling tot de destijds heersende gewoonte: «Het voedsel van de ziel is het lichaam en bloed van God! O! het goede voedsel! de ziel kan zich slechts voeden met God! het is alleen God die haar kan verzadigen! het is alleen God die haar honger kan stillen! de ziel heeft God absoluut nodig! gaat dus te communie, gaat met liefde en vertrouwen naar Jezus!»
Hij zelf heeft de Eucharistie het middelpunt van zijn leven gemaakt. Men weet welke plaats voor hem de H. Mis elke dag van zijn bestaan inneemt, met welke zorg hij zich daarop voorbereidt en celebreert. Hij spoort ook veel aan tot het bezoeken van het Heilig Sacrament, en hij vertelt graag de volgende anekdote: «Er was hier een man in de parochie, die al enkele jaren dood is. Alvorens naar het veld te gaan, was hij de kerk binnengekomen voor zijn gebed en liet zijn houweel aan de deur staan en hij was zichzelf daar vergeten voor God. Een buurman, die op de zelfde plek werkte en gewend was hem daar aan te treffen, was verbaasd over zijn afwezigheid. Op weg naar huis nam hij zich voor de kerk binnen te gaan met de gedachte dat hij daar misschien zou zijn. Hij vond hem daar inderdaad. «Wat doe jij daar zo lang?» vroeg hij hem. De andere antwoordde toen: «Ik geef raad aan de Goede God en de Goede God geeft mij raad»».
Mijn grootste voorliefde
Zoals hij de zielen naar de Eucharistie leidt, brengt hij ze ook tot de Heilige Maagd, de Moeder van barmhartigheid en de Toevlucht van de zondaars. Hij blijft vele uren in gebed aan de voet van haar altaar. In zijn godsdienstlessen, in zijn preken en in zijn gesprekken spreekt hij waarvan zijn hart vol van is: «De Allerheiligste Maagd bevindt zich tussen haar Zoon en ons. Hoe meer wij zondaars zijn, hoe meer liefde en medelijden zij voor ons heeft. Het kind, waarvoor een moeder de meeste tranen heeft gelaten, is haar het dierbaarst. Is een moeder niet altijd het meest bezorgd voor de zwakste en kwetsbaarste? Heeft een ziekenhuisarts niet de meeste aandacht voor de ernstigste zieke?» Een keer vertrouwde hij aan Catherine Lassagne, een van zijn leidsters, toe: «Ik heb haar [de Maagd] al bemind zelfs voordat ik haar kende; het is mijn grootste voorliefde!» De Allerheiligste Maagd is het licht in zijn donkere dagen. Op 8 december 1854 kondigt Paus Pius IX het dogma af van de Onbevlekte Ontvangenis. Ondanks zijn vermoeidheid wenst de Pastoor van Ars de hoogmis zelf te zingen. ’s Middags, aan het einde van de Vesper, gaat de hele parochie in processie naar de school van de Broeders, waar hij een beeld van de Onbevlekte inzegent, dat in de tuin geplaatst is en waarvan hij de schenker is. ’s Avonds verlicht men in het dorp de toren, de muren van de kerk en de gevels van de huizen. Dit feest is echt een van de mooiste dagen van zijn leven. Hij is bijna zeventig, doch hij lijkt wel twintig jaar jonger. Nog nooit was een kind gelukkiger zijn moeder zo te zien zegevieren: «Wat een geluk, wat een geluk! Ik heb altijd gedacht dat deze lichtstraal aan de katholieke waarheden ontbrak. Het was een leemte die niet kon blijven in de godsdienst».
Ik zal in het Paradijs uitrusten
In zijn liefde voor de zielen vergeet de heilige Jean-Marie Vianney de armen niet. Hij sticht een huis voor verlaten meisjes, dat hij «La Providence» (de Voorzienigheid) noemt. Deze stichting ontvangt vijftig tot zestig meisjes van twaalf tot achttien jaar, afkomstig uit alle streken en zonder geld opgevangen; zij blijven daar voor onbepaalde tijd om vervolgens op boerderijen in de buurt geplaatst te worden. Tijdens hun verblijf leren zij God kennen, Hem lief te hebben en te dienen. Zij vormen één familie, waar de oudsten het voorbeeld zijn en ook de allerjongsten met raad en daad bijstaan. Het gaat niet om een gewoon instituut, maar het is eerder een uitvloeisel van de heiligheid van de stichter. Geldmiddelen, voeding, geest en leiding komen van hem.
Maar de zielen redden zich niet zonder veel lijden. Tegenspraak, kruisen, strijd en hinderlagen komen van alle kanten op de heilige Pastoor af, dan weer van de mensen en dan weer van de «Grappin» (de enterhaak), de spotnaam waarmee hij gewoonlijk de duivel aanduidt. Zijn leven is een strijd tegen de macht van het kwaad. Om hem te ondersteunen heeft hij slechts als redmiddelen zijn geduld, zijn gebeden en zijn vasten, dat soms de grens van de menselijke voorzichtigheid overschrijdt. Hij ontwikkelt de deugd van mildheid met het oogmerk te laten geloven, dat hij geen hartstochten heeft en niet in staat is driftig te worden. Toch bemerken de mensen die hem van nabij kennen en hem veelvuldig ontmoeten, dat hij een levendige fantasie en een onstuimig karakter heeft. Als een van de verwonderlijke bewijzen van geduld, vertelt men, dat een man naar de pastorie kwam om hem te overladen met verwensingen: hij ontvangt hem, zonder een woord te zeggen luistert hij naar hem, vervolgens doet hij hem uitgeleide en omhelst hem voor hem te verlaten. De opoffering heeft zoveel van hem gevraagd, dat hij direct naar zijn kamer gaat om op bed te gaan liggen. Zijn lichaam zit vol schrammen door het geweld dat hij zich heeft moeten aandoen…
Dit heldhaftige geduld heeft hij te danken aan zijn liefde voor Jezus-Christus. Onze Heer is zijn leven, zijn hemel, zijn toekomst en de aanbiddelijke Eucharistie is het enige middel om zijn dorst te lessen die hem verteert. «Oh Jezus! roept hij vaak uit met tranen in de ogen, U kennen, dat betekent U beminnen… Als wij wisten hoe Onze Heer ons liefheeft, zouden wij sterven van vreugde! Ik geloof niet, dat harten zo gevoelloos zijn om niet lief te hebben, terwijl zij zien hoezeer zijzelf bemind worden… De liefde is zo mooi! Het is een uitstraling van het Hart van Jezus, dat vol liefde is… Het enige geluk dat wij op aarde hebben, is het beminnen van God en de wetenschap dat Hij ons liefheeft…»
Aan het einde van zijn leven gekomen, waarvan wij slechts enkele merkwaardige gebeurtenissen hebben weergegeven, verlangt de heilige Pastoor vurig naar de Hemel. «Wij zullen Hem zien! oh, lieve mensen! hebt u daar nooit aan gedacht? wij zullen God zien! wij zullen werkelijk God zien! wij zullen Hem zien zoals Hij is… van aangezicht tot aangezicht!… wij zullen Hem zien! wij zullen Hem zien!» had hij op zekere dag gezegd. Als de werkman die zijn taak goed heeft vervuld, gaat hij op 4 augustus 1859 heen om God te zien en om uit te rusten in het Paradijs.
«De Kerk beziet zijn erfenis niet als een sieraad van het voorbije verleden, maar als een krachtige inspiratie om vooruit te komen op de pelgrimstocht van het geloof, over altijd nieuwe wegen» (Johannes Paulus II, Reims, 22 september 1996). Het leven van de Pastoor van Ars is een sieraad van de Kerk. ‘Heilige Jean-Marie Vianney, u die gedurende uw leven zo’n grote ijver hebt gehad voor het zieleheil en een grenzeloze liefde voor de arme zondaars, vermeerder in ons de geest van opoffering en bereid ons een plaats voor in de Hemel, opdat wij met U God zullen kunnen aanschouwen in eeuwigheid’.
Dit vragen wij in onze gebeden, voor u, voor diegenen die u dierbaar zijn en voor al uw overledenen.






