25 April 1997

Sint Antonius de Grote

Dierbare Vrienden,

«Ik wandelde over een schaduwrijke landweg in mijn buurt, vertelde een eigentijdse priester, toen ik achter het kreupelhout een oude vrouw tegenkwam, die haar schapen hoedde; zij stond daar voorovergebogen leunend op haar stok. – Goeie dag, Catinelle. – Goeie dag, mijnheer Pastoor en Gezel. – Hoe zo, moedertje? Ik ben helemaal alleen, waar ziet u mijn gezel? Zij richt zich op en ik zie haar ingevallen en gerimpelde gezicht en haar nog mooie heldere ogen. Zij zegt ernstig tegen mij: – En de Engelbewaarder, wat doet u daarmee? – Moedertje, neem mij niet kwalijk. Ik was mijn Engelbewaarder vergeten; bedankt, dat u mij eraan herinnert».

Monseigneur Roncalli, de latere Paus Johannes XXIII, schreef aan een van zijn nichten, een religieuze, Zuster Angèle genaamd: «Je kloosternaam moet je aansporen een ongedwongen relatie te onderhouden met je Engelbewaarder, en ook met alle Engelbewaarders van personen die jij kent en die jij bemint in de Kerk en in jouw Congregatie. Wat voor een

vertroosting is het de hemelse hoeder zo dichtbij ons te voelen, deze gids op ons pad, deze getuige van onze meest vertrouwelijke daden. Zelf bid ik het gebed «Engel van God, die mijn bewaarder zijt» minstens vijf maal per dag en vaak spreek ik geestelijk met hem, altijd in stilte en in vrede» (3 oktober 1948).

De hedendaagse mens, gewend aan de wetenschappelijke benadering, heeft er een afkeer van om het bestaan van iets aan te nemen als het niet duidelijk is en het aan de proefneming ontsnapt. En toch bevestigt het Credo, dat wij in de H. Mis bidden, dat God de Schepper is van Hemel en aarde, van de zichtbare en onzichtbare dingen. De geloofsbelijdenis van het Vierde Concilie van Lateranen (1215) leert dat God «vanaf het begin der tijden uit het niets het een en het andere geschapen heeft, het geestelijke en het lichamelijke, dit wil zeggen de Engelen en de aardse wereld; dan de menselijke schepselen, die een tweeërlei bestaan hebben: namelijk ziel en lichaam». Zo is de standvastige Leer van de Kerk.

Het bestaan van geestelijke wezens, niet lichamelijk, die de Heilige Schrift gewoonlijk Engelen noemt, is een geloofswaarheid, dit wil zeggen een waarheid geopenbaard door God. Het geloof in waarheden, die God gewild heeft ons te openbaren, is zekerder dan alle menselijke kennis, want zij steunen op het getuigenis zelf van God, Die noch Zich vergist, noch ons kan bedriegen. De Schrift, Woord van God, (bewaard, overgeleverd en uitgelegd door de Kerk), bevestigt duidelijk het bestaan van de Engelen. Zij zijn er vanaf de schepping (vgl Job 38, 7, waar de Engelen «zonen van God» worden genoemd) en in heel de heilsgeschiedenis: zij sluiten het aards paradijs, beschermen Lot, redden Hagar en haar kind, houden Abraham’s hand tegen, door hun dienstwerk wordt de wet meegedeeld, zij leiden het volk van God, zij kondigen geboorten en roepingen aan, zij staan de profeten bij, om maar enkele voorbeelden te noemen. Tenslotte is het de Engel Gabriël die de geboorte van de Voorloper en van Jezus-Zelf aankondigt (vgl KKK 332).

Vanaf de kinderjaren tot de dood is het menselijk leven omringd door hun bescherming en voorspraak. «Iedere gelovige wordt ter zijde gestaan door een Engel om hem als behoeder en herder naar het leven te leiden» (Heilige Basilius).

Een zeer mooi geheim

«Ons geloof leert ons, zei Paus Johannes XXIII, dat niemand van ons alleen is. Zodra de ziel door God geschapen is voor een nieuw menselijk wezen, in het bijzonder als de genade van de Sacramenten haar met een onuitsprekelijk licht omringen, wordt er een Engel, die deel uitmaakt van de hemelse Engelenschare, geroepen om aan haar zijde te blijven gedurende haar aardse pelgrimstocht. Tijdens een gesprek dat ik had met Paus Pius XI, hoorde ik hem een mooi geheim onthullen, waaruit blijkt dat de bescherming van de Engelbewaarder altijd vreugde geeft, dat hij alle moeilijkheden opknapt, dat hij de hindernissen verkleint. Toen het mij overkwam, vertrouwde Pius XI mij toe, dat ik moest spreken met iemand, waarvan ik wist dat hij een onwillig oordeel had en bij wie het noodzakelijk was een beroep te doen op een bepaalde vorm van overreding, beval ik toen mijn Engelbewaarder aan contact op te nemen met de Engelbewaarder van de persoon die ik moest ontmoeten. Als op deze wijze de verstandhouding tussen de twee hoge geesten tot stand gekomen was, verliep het belangrijke gesprek in de beste omstandigheden en bleek het vergemakkelijkt» (9 september 1962).

Pater Pio had de gewoonte tegen zijn vrienden te zeggen: «Als u mijn gebed nodig hebt, wendt u zich dan tot mijn Engelbewaarder door de tussenkomst van de uwe». De Engelbewaarders zijn inderdaad betrouwbare en snelle boodschappers . Een anekdote illustreert deze waarheid: een autobus met pelgrims op weg naar San Giovanni Rotondo, woonplaats van Pater Pio, trotseert ’s nachts in de Apenijnen een verschrikkelijk onweer. Aanvankelijk in paniek geraakt door de bliksem, herinneren de passagiers zich de raad van de Pater en zij roepen zijn Engelbewaarder aan. Dank zij zijn hulp doorstaan zij ongedeerd de beproeving. De volgende dag, zelfs nog voordat zij de tijd hadden om de wederwaardigheden van hun reis te vertellen, benadert de Pater hen lachend: «Welnu, mijn kinderen, vannacht hebt u mij wakker gemaakt en mij gedwongen voor u te bidden…». De Engelbewaarder had trouw zijn opdracht vervuld.

De rol van de Engelbewaarder is niet alleen het afwenden van lichamelijke kwalen. Zij dragen ook bij aan de beoefening van de deugden, op de weg die leidt naar de volmaaktheid. Zij houden zich geheel bezig met ons eeuwig heil en om ons in de genegenheid van God te laten leven. In dit dienstwerk is hun liefde voor ons zuiver, sterk en evenwichtig. Trouw aan hun opdracht verslappen zij niet en verlaten ons niet, zelfs niet als wij het grote ongeluk hebben ons van God af te wenden door een zware zonde. Ook zoals de heilige Bernardus het aanbeveelt: «Laten wij een verering en een bijzondere dankbaarheid hebben jegens dergelijke herders: laten wij niet nalaten hen te beminnen, hen te vereren, zoveel wij het kunnen en zo vaak wij dit moeten. Telkens als wij in het gedrang komen door een of andere hevige bekoring en bedreigd worden door enige beproeving, laten wij dan de hulp inroepen van de Engel, die ons bewaart, die ons geleidt, die ons bijstaat in onze noden en in ons verdriet… Laten wij kortom de gewoonte aannemen op een bijzonder ongedwongen wijze ons te onderhouden met onze goede Engelen. Laten wij aan hen denken; laten wij ons tot hen wenden door onze vurige en voortdurende gebeden, daar zij altijd bij ons zijn om ons te verdedigen en ons te troosten» (Preek 12 over Psalm 90 [91], 7, 9, 10).

Radicale weigering

Al geeft de Goddelijke Openbaring ons de troost door machtige Engelen omringd te zijn die ons beschermen, zij laat ons eveneens andere geesten zien die onze vijanden zijn en die op allerlei wijzen bezig zijn ons van God af te wenden.

Deze geesten noemt men demonen of duivels, waarvan Satan of Lucifer de aanvoerder is; zij zijn engelen die God goed geschapen heeft zoals de anderen: «De duivel en de andere demonen zijn immers door God als van nature goed geschapen, maar zij zijn uit zichzelf slecht geworden», leert het Vierde Concilie van Lateranen. De Schrift spreekt inderdaad over een zonde van deze engelen (vgl 2 P 2, 4). Deze zondeval bestaat uit de vrije keuze van deze geschapen geesten, die God en Zijn Rijk radicaal en onherroepelijk hebben afgewezen. Hierdoor hebben zij de eeuwige verdoemenis over zich afgeroepen. Het is niet de onvolkomenheid van de oneindige Goddelijke Barmhartigheid, maar het onherroepelijke karakter van de keuze van de engelen, die ervoor gezorgd heeft dat hun zonden niet vergeven kunnen worden. «Want na de zondeval is er voor hen geen berouw meer mogelijk, zoals dat ook voor de mensen na de dood onmogelijk is» (H. Johannes van Damascus).

Sinds het begin van de mensheid streven de demonen ernaar de mensen te bezielen met hun eigen strijdgeest tegen God om hen in de hel te laten vallen. Wij vinden een afspiegeling van deze opstand in de woorden die de verleider tot onze voorouders spreekt: Gij zult gelijk worden aan God (Gn 3, 5). Ook zet Satan de mens aan de Goddelijke geboden te overtreden. Hij probeert degenen die lijden in opstand te laten komen (Jb 1, 11; 2, 5-7); hij is de oorsprong van de dood, die in de wereld is gekomen tegelijkertijd met de zonde (vgl Wijsheid 2, 24). Als de vijand van God, houdt hij hardnekkig vol de prediking van de evangelische Waarheid te verhinderen. Volgens Origenes wordt Lucifer in het Oude Testament afgebeeld door de Farao van Egypte als degene, die de Hebreeërs overstelpt met werk en waardoor het onmogelijk wordt offers te brengen aan God, die de zielen wil beletten hun ogen naar de Hemel op te slaan door hen te verzwelgen in hun verlangen naar aardse goederen en de zorg ervoor. Want hij wil vooral niet dat iemand de Schepper zoekt, dat iemand aan de Hemel terugdenkt, zijn waarachtige Vaderland (vgl Leerrede 2 over Exodus).

De vader van de leugen

Onder de namen die de Heer aan de duivel geeft in het Evangelie is er een die hem het meest typeert: de naam vader van de leugen (vgl Joh 8, 44). Hij is inderdaad de bedrieger bij uitstek. Hij stelt de mensen een denkbeeldig en kortstondig geluk voor (rijkdom, eer, wellust in verschillende vormen: masturbatie, ontucht, overspel, vrije liefde, anticonceptie, homoseksualiteit…). Om beter te kunnen verleiden tracht hij ongemerkt voorbij te gaan, te doen geloven dat hij niet bestaat, zoals Paus Johannes-Paulus II ons eraan herinnert: «De indrukwekkende woorden van de heilige apostel Johannes: De hele wereld ligt in de macht van de boze (vgl 1 Joh 5, 19), maken een toespeling op de aanwezigheid van de Satan in de geschiedenis van de mensheid, een aanwezigheid die zich geleidelijk uitbreidt en de mensheid van God verwijdert. De invloed van de boze geest kan «zich verschuilen» op een meest ingrijpende en doeltreffende manier: zich laten dood verklaren komt overeen met zijn «streven». De behendigheid van Satan in de wereld, is de mensen ertoe brengen zijn bestaan te ontkennen onder het mom van rationalisme of door een andere denkwijze, die al de uitvluchten zoekt om zijn werking niet te erkennen» (3 augustus 1986). Paus Paulus VI zei op 15 november 1972: «Een van de grootste noden van de Kerk van vandaag is zich te verdedigen tegen dit kwaad, dat wij de duivel noemen… Hij is vijand nummer een, de verleider bij uitstek. Wij weten, dat dit duistere en vertroebelde wezen werkelijk bestaat en dat hij altijd met een verradelijke list werkzaam is. Hij is de verborgen (occulte) vijand, die dwaling en ongeluk zaait in de menselijke geschiedenis… Hij is de verradelijke en listige verleider, die zich kan indringen door de zintuigen, de fantasie, de zinnelijke begeerte, de niet te verwezenlijken redenering en de buitensporige sociale contacten. Het is de duivel, die ook ingaat op onze handelingen veroorzaakt door afwijkingen, die ook schadelijk zijn al komen ze voort uit onze lichamelijke en psychische structuur of tengevolge van instictmatige en buitengewone gevoelens».

Men moet de duivel niet overal zien; alle zonden zijn niet direct te wijten aan zijn optreden: In zover onze vervallen natuur en de omringende wereld onderworpen zijn aan de macht van de duivel (vgl 1 Joh 5, 19), dragen wij zelf voldoende bij aan het kwaad. «Het is niet minder waar, dat degene die niet met een zekere vurigheid over zichzelf waakt, zich blootstelt aan het mysterie van de ongerechtigheid, waarover de heilige Paulus spreekt en hij brengt zo zijn zaligheid in gevaar» (Paus Paulus VI, ibid.). Maar God geeft de duivel een zekere macht op aarde als Hij hem toestaat ons te verleiden, dit is om ons de gelegenheid te geven hem te overwinnen, om verdiensten te verkrijgen voor de Hemel; en omdat Hij uit het kwade het goede kan halen.

De strijd van de Heer

Antonius is een jonge Egyptenaar in de derde eeuw. Toen hij op zekere dag de raad van Jezus aan de rijke jongeling had gehoord: Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen; daarmee zult ge een schat in de Hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen (Mt 19, 16-21), verdeelt hij zijn bezittingen onder de armen en wijdt zich aan een leven van ascese, aan het onafgebroken gebed en de beoefening van de deugden.

Maar de duivel wil het niet zo. Hij probeert aanvankelijk hem deze strenge leefwijze op te laten geven door de herinnering aan zijn bezittingen, de zorg van zijn zuster, de liefde voor het geld, het verlangen naar de andere genoegens van het leven, kortom hij wordt herinnerd aan de schijnbare wrangheid van de deugd en aan de grote inzet die zij vraagt. Als hij echter ziet dat hij niets bereikt, valt hij de jonge man aan met onzedelijke denkbeelden. De jonge man verdubbelt de gebeden en het vasten. De Vijand neemt dan de gedaante van een vrouw aan om hem te verleiden, doch hij ziet Christus in zijn hart: nu eens denkt hij na over de adeldom van de Goddelijke genegenheid door de genade, dan weer over het vuur dat niet dooft en de foltering van de worm, die niet sterft (vgl Mc 9, 47), en zo overwint hij de bekoring.

De duivel geeft zich niet gewonnen. Met de Goddelijke toestemming kwelt hij Sint Antonius lichamelijk, hij veroorzaakt een afschuwelijk geweld, waarvan de getuigen geschrokken zijn en treft het lichaam van de edele voorvechter van Christus met wonden en zulke hevige pijnen, waaraan deze haast bezwijkt. De andere keer valt de boze geest hem aan met het uiterlijk van wilde dieren: leeuwen, beren, luipaarden, stieren, slangen, schorpioenen, wolven… Gegeseld en met de prikstok geslagen door hem, doorstaat Antonius hoe langer hoe meer gewelddadiger leed. Dit weerhoudt hem niet met zijn aanvallers te spotten: «Als jullie enige macht zouden hebben, zou het voldoende zijn geweest dat er een van jullie alleen was gekomen, maar de Heer heeft jullie de kracht ontnomen, dus jullie hebben mij bang gemaakt door jullie aantal. Het is een teken van zwakte, dat jullie wilde dieren nabootsen».

Dit spectaculaire machtsvertoon moet ons niet zodanig treffen, dat het in onze ziel een schrikbeeld veroorzaakt, dat weinig verenigbaar is met het verschuldigde vertrouwen in het Heilig Hart van Jezus. De duivel kan volstrekt niets zonder de instemming van God, Die nimmer zal toelaten, dat onze Vijand ons boven onze krachten verleidt. Volgens de vergelijking van de heilige Caesarius van Arles, is de duivel gelijk aan een vastgebonden hond. Hij kan hard blaffen, maar hij kan niet bijten, dit wil zeggen schade doen aan onze ziel, behalve als wij vrijwillig toestemmen in de bekoring (Preek 121). Bovendien heeft de macht van de Engelbewaarders de overhand op die van de boze geesten.

Na de verschrikkelijke aanvallen, die hij zegevierend heeft doorstaan, is Antonius gesterkt door een visioen van Onze-Lieve-Heer. De monnik zegt dan tegen Hem: «Waar bent U, Heer? Waarom bent U niet verschenen vanaf het begin om mijn smarten te laten ophouden? – Ik was er, Antonius, Ik wachtte om je te zien vechten. Daar je niet hebt toegegeven en dat je met de hulp van Mijn genade niet bent overwonnen, zal Ik altijd jouw toevlucht zijn en Ik zal je overal befaamd maken». Gesterkt naar lichaam en ziel, richt de Heilige zich weer op en zet zijn ascetisch leven voort in afwachting van nieuwe beproevingen en van nieuwe overwinningen (vgl Leven van de heilige Antonius door de heilige Athanasius).

De strijd tegen de duivel, die de Vader van de monniken op buitengewone wijze heeft doorstaan, beeldt de strijd uit die wij zelf in het dagelijkse leven moeten leveren, zij het op minder spectaculaire wijze.

De duivel bekoort soms door zinnelijke genoegens voor te stellen. Dan weer gooit hij de mens in het duister, dan weer brengt hij hem in de war, verzwelgt hem in aardse en verachtelijke zaken en hij brengt hem tot verdriet, tot argwaan, luiheid of ontmoediging en tot wanhoop. Deze laatste manier van verleiden is gebruikelijk jegens zielen, die meer en meer in de godsdienst opgaan. Om de bekoringen te overwinnen is het raadzaam te reageren door meer tijd te geven aan het gebed of aan de meditatie, dan nog enkele kleine offers te brengen en met zorg het geweten te onderzoeken. Verre van te schaden, worden de duivelse denkbeelden dan aanleiding van verdienste en van vordering in de deugd.

Een engel van het licht

Het gebeurt ook dat de duivel zich op een aantrekkelijke manier aandient, zoals in het voorbeeld van wat Pater Marie-Eugène (1894-1967) overkwam. Deze Pater-Karmeliet gaf eens een retraite in een Karmelietessenklooster. Men waarschuwt hem dat een kloosterlinge hem wenst te ontmoeten in de spreekkamer. Hij gaat daar heen en staat dan tegenover een religieuze die een uitstekende gelijkenis vertoont met de heilige Theresia van het Kind-Jezus. Zij begint de Pater allerlei complimenten te geven, feliciteert hem met zijn preken, verzekert hem dat hij een groot predikant wordt, enz. Hoe meer zij praat, hoe slechter hij zich op zijn gemak voelt. Hij besluit haar een vraag te stellen: «Zuster, wat is nederigheid feitelijk?» Bij deze woorden verdwijnt de religieuze bij toverslag; Pater Marie-Eugène herkent dan de duivel. Ook verandert de duivel zich soms in een engel van het licht en geeft de ziel aanvankelijk vrome en goede gedachten in, die eindigen met verwarring, onrust en hoogmoed. De waakzaamheid voor onze gedachten, zelfs de goede en de nederigheid zijn de betrouwbare middelen om ons tegen de listen van de duivel te wapenen. De openhartigheid tegenover een geestelijk leidsman kan gewoonlijk een grote ondersteuning zijn (vgl heilige Ignatius, Geestelijke Oefeningen, 326).

God behoedt en bestuurt door Zijn Voorzienigheid al hetgeen Hij geschapen heeft. Hij zorgt voor alles, vanaf het geringste tot aan de grootste gebeurtenissen van de wereld en van de geschiedenis. Zijn plan is om ons de eeuwige gelukzaligheid te laten bereiken in Zijn Koninkrijk, waar wij zullen deel hebben aan Zijn eigen leven in het volmaakte geluk. Daartoe bedient Hij zich van alle schepselen. Hij heeft in Zijn Voorzienigheid opgenomen om er toe bij te dragen, dat wij de aanvallen van de duivel goed doorstaan en wij de hulp van de goede Engelen ontvangen. Laten wij dus de Heilige Maagd bidden, die de kop van de duivel heeft verplettert, de heilige Jozef, het schrikbeeld voor de duivel, de heilige Michaël en de Engelbewaarders ons te helpen de bekoringen van de duivel te onderscheiden en slechts de hemelse ingevingen te volgen. Zo geleid door de Heilige Geest, kunnen wij dag in dag uit Gods Wil vervullen.

Het is de genade die wij God vragen, in het bijzonder gedurende de maand mei, voor u en voor al degenen die u dierbaar zijn. Wij vergeten uw overledenen niet in onze gebeden.