18 Mei 1997

Mari Carmen

Dierbare Vrienden,

Jezus, die kind heeft willen zijn, heeft altijd een bijzondere genegenheid getoond aan de kinderen. Hij schepte er behagen in hun de genade van de uitverkiezing te schenken, zoals Hij het heeft gedaan voor de dienares van God, María del Carmen González-Valerio y Sáenz de Heredia (doorgaans genoemd Mari Carmen). De Heilige Vader Johannes Paulus II heeft op 12 januari 1996 de heldhaftigheid bekendgemaakt van de deugden van dit kind, dat 9 jaar en 4 maanden op aarde heeft geleefd, door haar de titel «Eerbiedwaardige» toe te kennen.

Mari Carmen is op 14 maart 1930 in Madrid geboren als de tweede van vijf kinderen. Zij wordt onmiddellijk na de geboorte ziek, zodat men haar zonder uitstel doopt. De Goede God wilde niet wachten de erfzonde in haar ziel uit te wissen, haar te verrijken met Zijn genade en haar zo tot Zijn kind te maken. Ten gevolge van volkomen onvoorziene omstandigheden ontvangt zij het Vormsel op tweejarige leeftijd, dank zij het initiatief van Mgr. Tedeschini, Apostolisch Nuntius in Spanje en vriend van de familie. De Heilge Geest had haast haar de moed te geven, die zij nodig had.

Zij doet haar Eerste Heilige Communie als zij nog maar 6 jaar is. Dit tijdstip is vervroegd op verzoek van haar moeder: «Ik was ervan overtuigd, zegt zij, dat Spanje en onze familie in het bijzonder een zeer moeilijke periode zouden gaan doormaken. Men zag dat er een kerkvervolging ging aankomen en ik wilde dat Mari Carmen voordien haar Eerste Communie deed». De heilige Paus Pius X heeft het ontvangen van de H. Communie al bij het bereiken van de jaren des onderscheids toegestaan en aangemoedigd. Mari Carmen heeft deze gunst genoten, zoals haar moeder het getuigt: «Na haar Eerste Communie is zij begonnen zich werkelijk te heiligen». En het was bij gelegenheid van een Communie, dat zij zich volledig aan God opofferde.

Communistische militiesoldaten arresteren haar vader op 15 augustus 1936. Hij zegt tegen zijn vrouw: «De kinderen zijn nog te klein, zij begrijpen het niet. Je zult hun later vertellen, dat hun vader zijn leven heeft gegeven voor God en voor Spanje, opdat men hen in een katholiek Spanje zal kunnen opvoeden, waar het kruisbeeld in de scholen de ereplaats inneemt». Enige tijd later is hij vermoord. Na de dood van haar echtgenoot is het leven van mevrouw González-Valerio in groot gevaar vanwege haar christelijk geloof. Zij zoekt een toevlucht in de belgische ambassade, terwijl haar kinderen door een van hun tantes worden opgenomen. Op zekere dag verneemt men, dat de vijf kinderen naar de Sovjetunie zullen worden gezonden om daar zoals zovele anderen in het marxisme opgevoed te worden. Ondanks plaatsgebrek stemt de ambassadeur toe hen in de ambassade op te nemen. Dit was op 11 februari 1937.

Een kenmerkende waardigheid van de mens

Mari Carmen blijkt zeer opmerkzaam te zijn, want zij wist wanneer zij haar moeder goed moest helpen, ofschoon zij «een zeer onschuldig kind» blijft. En niettemin valt zij op door haar kiesheid tot in de ogenschijnlijk onbelangrijke kleinigheden: «Zij moest eens, zo vertelt mevrouw González-Valerio, naar een kinderfeestje. Ik had haar toen een gedecolleteerd jurkje aangedaan zonder mouwen en ik had haar op het hart gedrukt het vooral niet te kreukelen. Maar ik bemerkte, dat zij er een vest over had aangetrokken. Ik werd kwaad en ik heb toen op haar gemopperd. Huilend zegt zij dan tegen mij, dat zij niet met deze jurk weggaat. Mijn moeder, die deze tragedie meemaakte, neemt mij apart en zegt tegen mij, dat ik niet het recht had haar schaamtegevoel te onderdrukken, dat reeds bij haar waarneembaar was, en dat ik aan God zou hebben te verantwoorden welke opvoeding ik haar gaf. Op die manier is Mari Carmen met haar vest aan naar het feest gegaan». Haar oma had gelijk: «Dit onbewuste schaamtegevoel komt van God».

Deze bijzondere fijngevoeligheid, door God ingegeven, verklaart de houding van Mari Carmen in omstandigheden die voor andere kinderen onbelangrijk zijn. Als zij twee jaar is, laat zij zich niet uitkleden in het bijzijn van haar twee jaar oudere broer die in de kamer is en zich niet met haar bemoeit. In de zomer is zij zo erg verdrietig om naar het strand te moeten gaan, dat men haar in de tuin bij het huis laat spelen. «Het is juist op dat moment, zegt haar moeder, dat ik ging begrijpen dat er iets uitzonderlijks was in het gedrag van mijn dochter».

Deze vurige liefde voor de kuisheid komt voort uit het heldere idee dat God haar heeft gegeven over de verhevenheid en broosheid van de deugd van reinheid. De Katechismus van de Katholieke Kerk vestigt onze aandacht in de zelfde richting als het over de kuisheid gaat: «De schaamte beschermt de intimiteit van de persoon. Zij betekent een weigering om te ontsluieren wat bedekt moet blijven. De schaamte is afgestemd op de kuisheid, waarvan zij de fijngevoeligheid bewijst. De schaamte leidt de blikken en gebaren op een wijze die overeenstemt met de waardigheid van de personen en van hun eenwording. De schaamte beschermt het mysterie van de menselijke personen en van hun liefde. Zij nodigt uit tot geduld en matiging in de liefdesverhouding; zij vraagt dat men de omstandigheden schept waarin man en vrouw zich aan elkaar kunnen geven en wel in een definitieve verbintenis. Schaamte is een vorm van bescheidenheid. Zij speelt mee bij de keuze van kleding. Zij zal met stilzwijgen of voorbehoud reageren waar het risico van ongezonde nieuwsgierigheid zich voordoet. Schaamte wordt zo discretie.

«Er bestaat een kiesheid van gevoelens zoals er een lichamelijke schaamte bestaat. Deze kiesheid verzet zich bij voorbeeld tegen de «voyeuristische» exploitatie van het menselijk lichaam in sommige reclames… De schaamte schept een levensstijl die weerstand kan bieden aan de verlokkingen van de mode en aan de druk van de heersende stromingen. De uitdrukkingsvormen van de schaamte verschillen van cultuur tot cultuur. Overal echter wordt zij gedragen door het vermoeden van een geestelijke waardigheid die de mens eigen is. Schaamte ontstaat bij het ontwaken van het geweten in de mens. Kinderen en jongeren schaamte bijbrengen is eerbied opwekken voor de menselijke persoon» (KKK 2521-2524). In de instructie van 8 december 1995 keert de Pauselijke Raad voor het Gezin zich tegen zekere stromingen van ontucht die zich in de hedendaagse samenleving verspreid hebben: «Zelfs als zij maatschappelijk geaccepteerd zijn, zijn er manieren van spreken en van zich kleden, die moreel gezien ongepast zijn en die een manier vormen om de seksualiteit te banaliseren, haar tot een voorwerp van consumptie verlagend. De ouders moeten dus hun kinderen wijzen op de waarde van de christelijke ingetogenheid, de sobere kleding, de noodzakelijke vrijheid ten opzichte van de mode en op alle kenmerken van de rijpe mannelijke of vrouwelijke persoonlijkheid».

Een nacht in een hotel

Mari Carmen blinkt ook uit in naastenliefde voor de armen. Wanneer zij opendoet als een van hen aan de deur belt, geeft zij eerst haar spaarcentjes weg en zegt daarna tegen hem: «Bel nu opnieuw, zodat mijn moeder u wat geeft». Jegens de personen die haar moeder helpen, heeft zij een fijngevoeligheid die haar leeftijd ver vooruitgaat: «Mamma, je moet de dienstbodes goed behandelen. Het is al heel wat, dat zij ons behulpzaam zijn. Denk eraan dat jij ook een dienares bent, daar je de Goede God dient». «Wij gaven geld aan Mari Carmen om speelgoed te kopen, vertelt haar oma, doch zij gaf het door aan haar voedster, opdat zij speelgoed aan haar kinderen kon geven, haar op het hart drukkend niets tegen haar moeder te zeggen en ook niet tegen mij».

De vroomheid van Mari Carmen openbaarde zich zeer vroeg. Al op een leeftijd van vier of vijf jaar bidt zij graag het rozenhoedje voor in het gezin en zij bidt ook uit haar hoofd de litanie van de Alleheiligste Maagd. Net als de heilige Theresia van Lisieux laat zij een «rozenkrans van oefeningen» maken, waarop zij haar deugden en goede werken telt. Zij geeft zich zo op een gelijkwaardige wijze over aan het «gewetensonderzoek» van deugden en tekortkomingen, zoals de heilige Ignatius van Loyola dit aanbeveelt. In de zelfde geest houdt zij een schrift bij van «Handelingen» om de deugden en plichten van elke dag te weten; zoals: gehoorzaamheid, versterving, spel, schooltijden, studie, rozenkrans, Communie, Mis, gebeden, schietgebedjes, enz.

Als zij op zekere dag ziet dat haar moeder uitgeput is door haar huishoudelijke bezigheden, zegt zij tegen haar: «Mamma, je houdt je teveel bezig met aardse dingen. Je moet meer bidden. Op aarde zijn wij op doortocht – Lieve meid, ik moet me toch met het huis bezighouden – Mamma, jouw huis, dat is de Hemel. Mamma, als je op reis bent en in een hotel overnacht, dan bemoei je je ook niet met het schoonhouden van de kamer en je zet er ook geen foto van pappa neer. Men brengt er de nacht door zo goed en zo kwaad als het gaat. Kijk mamma, zo is het leven, zo is het ook waarom wij op aarde zijn».

Mari Carmen draagt graag haar kleine opofferingen op aan het Hart van Jezus. Haar godsdienstleraar verhaalt: «Als ik de kinderen op de Biecht voorbereidde, kon ik op haar gezicht haar afschuw van de zonde aflezen en haar inspanning om tot een goede akte van berouw te komen». Ondanks haar jonge leeftijd wellen al haar daden op uit een diepe bron, uit haar genegenheid met God.

Een geheim en een offer

Mari Carmen heeft haar geheimen. In haar schrift «Handelingen» schrijft zij tot driemaal toe: «Persoonlijk». Zij vraagt vaak haar schooltas, waarin de agenda zit waarin zij deze woorden schrijft die alleen door haarzelf begrepen worden: «Ik heb mij toegewijd aan God in de parochie van de Goede Herder, 6 april 1939». Zij noteert eveneens: «Men heeft mijn arme vader gedood». En dan op een van de laatste bladzijden: «Leve Spanje! Leve Christus-Koning!!!», de kreet die de martelaren in de oorlog uitslaan op het moment van sterven. En ook: «Voor papa, 7 mei 1939 – zeer persoonlijk». Zij zei tegen haar verpleegster: «Mijn vader is de martelaarsdood gestorven, arme mamma en ik sterven als offer».

Haar oom Xavier zet uiteen: «Mari Carmen wenste de bekering van de zondaars, wat werd aangetoond door het feit, dat zij het lijden van haar ziekte en haar dood opofferde voor Azaña, de President van de Republiek, die het symbool belichaamde van de kerkvervolging, waarvan de moordenaars van haar vader de instrumenten waren». «Mamma gaat Azaña naar de Hemel? vraag zij – Als jij je opoffert en bidt voor hem, zal hij gered worden». Mari Carmen heeft het goed begrepen. Soms zegt zij tegen haar tante: «Tante Fifi, laten wij voor pappa bidden en voor al degenen die hem gedood hebben». Het gebed van kinderen heeft een bijzondere werkzaamheid op het Hart van Onze Heer: «De Verlosser van de mensheid lijkt Zijn zorg voor de anderen met hen te delen, voor de ouders en voor hun vrienden, jongens en meisjes. Hij verwacht werkelijk hun gebed! Wat een onmetelijke kracht heeft het gebed van kinderen! Het wordt een voorbeeld voor de volwassenen zelf: bidden met een eenvoudig en volledig vertrouwen wil zeggen, bidden zoals kinderen kunnen bidden» (Johannes Paulus II, Brief aan de kinderen, 21 november 1994).

Op 3 november 1940 sterft Azaña te Montauban. Volgens het getuigenis geschreven door Mgr. Théas, de bisschop van het diocees, die hem op dat moment geestelijke bijstand heeft verleend, ontving Azaña, ondanks zijn omgeving, in volle bewustzijn het sacrament van de Biecht alsmede het Sacrament van de Stervenden en de volle aflaat, terwijl hij dan rustig sterft in de liefde van God en in de hoop Hem te ontmoeten. Hij wist niet dat zijn weg zich kruiste met die van een meisje van 9 jaar, dat voor hem had gebeden en geleden.

Jezus, Maria, Jozef…

Kort na de «toewijding» van 6 april 1935 begint de kruisweg van Mari Carmen: zij moet in bed blijven. Eerst komt er een oorontsteking te voorschijn, die verergert en ontaardt in een bloedvergiftiging. Men vervoert haar op 27 mei per auto naar Madrid waar zij geopereerd wordt. Maar als men ziet dat de ziekte langdurig gaat worden, brengt men haar naar huis. In enkele dagen tijd geeft men haar twintig injecties. Een zeer ernstige en aanhoudende diarree is voor haar bijzonder hinderlijk. Zij moet elke twee uur een soort puree van eikels innemen, wat weerzinwekkend is. Soms is haar afkeer zo groot, dat zij niet kan nalaten te braken, doch anderhalf uur later is zij bereid het zonder protest opnieuw in te nemen.

Een oor is door de ziekte aangestoken en zij verliest het tweede door het lange liggen erop. Bij deze kwalen komt nog een dubbele aderontsteking. Er ontstaan koudvuur-wonden. Zij valt in zwijm als de lakens verschoond worden. Alleen de naam van Jezus helpt haar dit alles te verdragen, want niemand denkt eraan haar pijnstillers te geven. «Mari Carmen, vraag het Kind-Jezus je te genezen, zegt haar moeder tegen haar – Nee mamma, dat vraag ik niet, ik vraag dat Zijn wil geschiede». Zij wenst dat men voor haar vaak de gebeden van de stervenden bidt, en zij leeft in gedachte meer in de Hemel dan hier op aarde.

17 juli 1939. Zij had verschillende keren voorspeld, dat zij op 16 juli zou sterven, op het feest van Onze Lieve Vrouw van de Berg Karmel, dus haar eigen feest: Carmel. Maar als zij hoort dat haar tante Sophie op die dag trouwt, kondigt zij aan de dag erna te zullen sterven. Daadwerkelijk, op de 17e om ongeveer 1 uur ’s middags keert zij in zichzelf in tegenwoordigheid van de Engelen, waarvan zij het gezang hoort. «Ik sterf de marteldood… Laat mij nu gaan, dokter, u ziet niet dat de Heilige Maagd mij met de Engelen komt halen?» Tot ieders verbazing vouwt zij inderdaad haar kleine handen en zegt dan: «Jezus, Maria, Jozef helpt mij in mijn laatste doodsstrijd; Jezus, Maria, Jozef zorgt dat ik in uw heilige gezelschap sterf». Dit waren haar laatste woorden. Dan richt zij zich licht op alsof zij iets wilde grijpen, zij valt terug in het kussen en laat haar laatste zucht zonder doodsstrijd, zonder tegenstrijdigheid op het gezicht. Ofschoon zij door de ziekte geschonden is, krijgt zij na de dood haar hele schoonheid terug en haar lichaam wasemt een zachte geur uit. De lijkschouwer stelt de dood vast, maar bemerkt verwonderd dat het lichaam van het kind niet de uiterlijke tekenen van de dood vertoont.

Herkenningsteken

Het voorbeeld van Mari Carmen houdt ons een vrucht van Gods genade voor ogen, bevrucht door een goede opvoeding. De opvoedende taak eist een liefhebbende en nauwgezette aandacht voor de kinderen, zoals de heilige Benedictus het aanbeveelt: «Men zal steeds eerbied hebben voor de zwakheid van de kinderen… Jegens hen zal men een liefdevolle toegevendheid betrachten» (Regel, hfst 37). Doch een gezonde vastberadenheid is eveneens noodzakelijk volgens het onderricht van de Katechismus van de Katholieke Kerk: «De ouders zijn de eerste verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Zij nemen deze verantwoordelijkheid allereerst op door ervoor te zorgen dat hun huis een thuis wordt, waar tederheid, vergevingsgezindheid, eerbied, trouw en belangeloze dienstbaarheid regel zijn. In het gezin kunnen deugden worden voorgeleefd. Dit veronderstelt het aanleren van zelfverloochening, van gezond verstand en zelfbeheersing: voorwaarden om te komen tot echte vrijheid. De ouders moeten hun kinderen leren «de natuurlijke, fysieke en instinctieve strevingen ondergeschikt te maken aan de innerlijke en spirituele waarden». Het betekent een ernstige verantwoordelijkheid voor de ouders om hun kinderen het goede voorbeeld te geven. Wanneer zij tegenover hen hun eigen fouten kunnen erkennen, zullen zij des te beter in staat zijn hen te leiden en te verbeteren… Door de genade van het sacrament van het huwelijk hebben de ouders de verantwoordelijkheid maar ook het voorrecht ontvangen om aan hun kinderen de «blijde boodschap» mee te delen. Al heel vroeg zullen zij hen in contact brengen met de christelijke heilsmyteries, want voor hun kinderen zijn de ouders de «eerste verkondigers» ervan. Vanaf hun prille jeugd zullen ze hen laten deelnemen aan het kerkelijk leven» (KKK 2223, 2225).

Electronische kinderjuffrouw

In ons audio-visueel tijdperk is het zeer belangrijk dat de ouders hun kinderen beschermen tegen de invloed van een «cultuur van de dood» in de vorm van pornografie en geweld. In zijn boodschap over het gezin en de televisie heeft Paus Johannes Paulus II het juist omschreven: «De ouders moeten actief deelnemen aan de vorming bij hun kinderen van een gebruiksgewoonte van de televisie, die hen zal leiden naar een gezonde ontwikkeling in menselijk, moreel en godsdienstig opzicht. De ouders moeten zichtzelf tevoren op de hoogte stellen van de inhoud van de programma’s en op deze basis een gewetensvolle keuze maken voor het welzijn van het gezin – kiezen om te kijken of niet te kijken… De ouders moeten met hun kinderen over de televisie praten en hen aansporen bij hun kijkgewoonte de kwaliteit als richtsnoer te nemen en de hoeveelheid te matigen en om de etische waarden verborgen in bepaalde programma’s waar te nemen en te beoordelen…

«De kinderen opvoeden wat hun kijkgewoonte betreft zal soms betekenen de televisie heel eenvoudig uit te zetten: omdat er iets beters te doen is, omdat het respect voor de andere gezinsleden dit vraagt of omdat het kijken naar de televisie zonder onderscheidingsvermogen gevaarlijk kan zijn. De ouders die de televisie regelmatig en langdurig gebruiken als electronische kinderjuffrouw, zien af van hun rol als eerste opvoeders van hun kinderen. Een dergelijke afhankelijkheid van de televisie kan de gezinsleden verhinderen met elkander in contact te komen door het gesprek, gezamenlijke activiteiten en het gemeenschappelijk gebed. De verstandige ouders weten ook dat goede programma’s vervangen kunnen worden door andere informatiebronnen, door ontspanning, door opleiding of door cultuur» (24 januari 1994).

De ouders van Mari Carmen hadden niet het hoofd te bieden aan het probleem van de televisie, zo kenmerkend voor de hedendaagse samenleving. Maar te allen tijde verlicht de Heilige Geest de vaders en de moeders om hen te laten onderkennen wat raadzaam is voor de opvoeding van hun kinderen in het licht van het eeuwig heil van de zielen.

Laten wij de eerbiedwaardige Mari Carmen vragen heel bijzonder een goed woordje te doen voor de gezinnen. Wij bidden voor u en voor al diegenen die u dierbaar zijn, levend of overleden.