22 Februari 1997
Jacques Lebreton
Dierbare Vrienden,
Het lijden blijft een van de grootste raadsels van het menselijk bestaan. Deze realiteit raakt alle mensen, niemand ontsnapt eraan. Als de schoonheid van de schepping de blik van de ziel opent voor het bestaan van God, voor Zijn Wijsheid en voor Zijn Voorzienigheid, dan lijkt het lijden dit beeld te verduisteren. Sommigen zijn zelfs geneigd het bestaan van God te ontkennen: «Als God bestaat, waarom dan zoveel kwaad in de wereld?» Hoe komt het feitelijk dat ons leven op aarde een en al verdriet en strijd is? De strijd tussen de onsterfelijke ziel en het lichaam, door ziekte en dood verscheurd; de strijd tussen het verstand en de hartstochten, die ons de tegenovergestelde richting uit trekken; de strijd tussen de mens en de wereld, waarop de mens elke dag werkt om zijn voedsel aan de aarde te onttrekken, hetgeen vaak beantwoord wordt door hongersnood en natuurrampen? Waarom zoveel leed?
«Over de kern van al het lijden dat de mens moet doorstaan en ook over het aanhoudende lijden op aarde, verschijnt onvermijdelijk de vraag: Waarom?» (Johannes Paulus II, Apostolische Brief Salvifici doloris, van 11 febr. ’84 over de «Christelijke betekenis van het lijden», 9).
Wonderbaarlijke harmonie
De Openbaring leert ons dat God de mens niet in deze dramatische toestand heeft geschapen. Hij heeft hem niet alleen zijn menselijk wezen gegeven als een soort verstandelijk dier, doch Hij heeft hem dadelijk geplaatst in een staat van heiligheid, Hij heeft hem bekleed met Zijn genade, Hij is gekomen om in hem te wonen. Dit wordt in het vers van Genesis onder woorden gebracht: God sprak: Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend (Gen 1, 26). De Kerkvaders hebben in de uitdrukking naar zij beeld een zinspeling gezien op de heiligmakende genade, die de mens deelgenoot maakt van de Goddelijke Natuur, «gelijkend op God». De genade aan Adam verleend, had deze bijzonderheid om zijn invloed volledig over de mens uit te strekken, zowel over de ziel als over het lichaam, door de gevolgen van een kracht, die wij niet meer kennen. De ziel was volkomen heerseres over het lichaam, het wapen tegen het lijden en de dood; het verstand, dat vrij was van zinnelijke begeerte, beheerste uitstekend de hartstochten; kortom de mens regeerde werkelijk over de wereld, de aarde was voor hem een tuin van lusten, een paradijs zonder zwaar werk en zonder strijd tegen de natuur.
Deze wonderlijke harmonie die er toen heerste, vormde wat men noemt «de staat van oorspronkelijke rechtschapenheid». Dit moest de mens ten deel vallen zo lang als hij de Goddelijke genegenheid behield. Zoals wij uit de Heilige Schrift leren, werd de mens helaas door de duivel verleid en heeft hij de genade verloren, die hem met God verbond. Met deze zonde heeft hij zichzelf verkozen boven God en daarmee heeft hij zijn Schepper veracht, hij heeft zich tegen God verzet door zijn positie als schepsel te weigeren door zichzelf te willen «vergoddelijken» tegen Gods plan in, dus tegen God: U zult dan gelijk worden aan God (Gen 3, 5), had de sluwe slang gezegd.
Adam verliest de genade en daardoor ook de gelukzaligheid van zijn bestaan in het aards paradijs: hij zal worden overheerst door de dood: U zult de dood sterven; hij zal moeten strijden tegen zijn hartstochten en hij zal geneigd zijn tot het kwade (zinnelijke begeerten); het werk zal hem zwaar vallen: de grond zal vervloekt zijn omwille van u (Gen 3, 17). Door de zonde, zegt de heilige apostel Paulus, is de dood in de wereld gekomen (vgl Rom 5, 12), en met de dood heel de nasleep van lijden, die elke dag invloed heeft op de mensheid. Als God de val van Adam heeft toegestaan, met al zijn tragische gevolgen, als Hij het heeft toegelaten zoals men een belediging verdraagt, dan is dat om de vrijheid van de mens te respecteren. Doch deze zonde tegen Zijn liefde heeft God met een nog grotere liefde beantwoord: Hij biedt Zijn vergeving aan en belooft een Verlosser, zelfs meer: Hij maakt in zekere zin gemene zaak met de mens in het lijden.
Medelijden zeer nabij
In het Oude Testament bewijst God vaak Zijn medelijden en Zijn tederheid voor de lijdende mens. Maar de komst van de Verlosser op aarde kenmerkt op aangrijpende wijze de solidariteit van God met de lijdende mensheid. Het Evangelie toont ons Jezus, Die zich zonder ophouden bemoeit met het leed van zijn tijdgenoten. Het lijden ontroert Hem, treft Hem, beroert Hem soms tot tranen toe. Tegen de gewoonte in ziet men Hem de paria’s van die tijd, de melaatsen, tegemoetgaan om Zijn handen in hun wonden te leggen en hen te genezen. Het harteleed boezemt Hem een diep medelijden in, zoals in het tafereel van de weduwe van Naïm, die weent om de dood van haar enige zoon. Hij drukt al degenen die lijden aan Zijn Hart, dat openstaat voor het leed: Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting geven! (Mt 11, 28).
Maar God heeft nog verder willen gaan: Bij Zijn menswording heeft Hij zich onder de lijdende mensen geschaard. Jezus wenste geboren te worden in een armoedige stal; Hij heeft gewerkt om Zijn dagelijks brood te verdienen; Hij heeft honger en dorst gekend, en de vermoeidheid van lange voettochten (vgl Joh 4, 6); gedurende drie jaar heeft Hij geen huis en zelfs geen steen waarop Hij Zijn hoofd kon laten rusten (vgl Mt 8, 20); Hij heeft geleden onder het onbegrip van de mensen, onder hun bespottingen; men heeft Hem behandeld als iemand, die aan wijn verslaafd is en goede sier maakt. Zijn werkelijke en diepe angst voor het lijden blijkt in het bijzonder uit het gebed in Getsemani: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze beker Mij voorbijgaan (Mt 26, 39). In het lijden bereikten de lichamelijke pijn en de geestelijke pijn de hoogste graad van smart. Onze Heer heeft ten slotte de mens willen benaderen tot in de dood. Ieder mens dat lijdt kan openlijk tegen de Gekruisigde zeggen: «Ook Hij heeft het doorstaan».
Maar Jezus is door de afgrond van het lijden gegaan om het lijden te verheerlijken en het een geheel nieuwe dimensie te geven: het lijden is voortaan gebonden aan de Liefde. Ook al blijft het lijden een groot leed op zich, is evenwel het lijden het mooiste einddoel geworden van de mens, dit wil zeggen de eeuwige gelukzaligheid. Het lijden maakt het mogelijk ons te verenigen met het Verlossingswerk van Jezus. Als gevolg van de zonde wordt het lijden door de macht van God het middel van onze geestelijke herrijzenis.
Het paasmysterie
«Zonder Pasen is de wereld zonder hoop. Dank zij Pasen krijgt het leven zijn ware betekenis. Met mijn lichaam en ziel heb ik het Lijden en de Verrijzenis beleefd… Wij zijn geroepen te sterven en te verrijzen alle dagen». Degene die deze woorden uitspreekt heet Jacques Lebreton. Hij is blind geworden en hij heeft zijn beide handen verloren in november 1942.
Dit gebeurde in de Libische woestijn. Jacques lag met zijn peleton «spahis» (inlandse ruiters in Franse dienst) in garnizoen, toen hij gehurkt voor een kist met handgranaten de ene na de andere explosief onschadelijk maakte. «Ik werkte al pratende met mijn kameraden, vertelde hij later. Een van mijn kameraden nam zonder ik het wist een handgranaat om er de ontsteking uit te halen. En dan bang geworden, geeft hij die handgranaat aan mij. Ik pak hem automatisch aan, maar tegelijk begrijp ik dat hij gaat exploderen. Snel weggooien! Maar de makkers staan daar, de kans is groot hen te doden. Plotseling een vreselijke klap. Het wordt zwart voor mijn ogen. Ik probeer te praten, ik kan het niet. Ik denk: ik ga dood».
Als zoon van een marineofficier heeft Jacques Lebreton in januari 1940 het ouderlijk huis in Kerval, in de buurt van Brest, verlaten om zich aan te sluiten bij de Strijdkrachten van de Vrije Fransen in Londen. Hij was toen 18 jaar. Later kwam hij na een lange omzwerving door het Midden-Oosten in Libië terecht tegenover de troepen van de Duitse generaal Rommel. Voor de eerste keer trotseert hij de dood: de granaten fluiten van alle kanten door de lucht. Er vallen talrijke doden om hem heen. Hij stelt zich de vraag over God: «Ik had thuis een christelijke opvoeding gehad en daarna op het college. Onverwachts kom ik van een beschermde omgeving in het volle leven. Langzamerhand is mijn geloof verflauwd, ik ga niet meer naar de kerk. Maar met het gevaar voor ogen, stel ik mijzelf een belangrijke vraag: «Bestaat God wel? Is er na de dood een zwart gat?» Het antwoord op mijn vragen kreeg ik op een onverwachte wijze, door de explosie van een handgranaat».
Na de eerste hulp in het veldhospitaal is Jacques Lebreton overgebracht naar een ziekenhuis in Damascus. Gedurende twee of drie weken verkeert hij in een ware verdoving. Hij vermoedt wel dat zijn ogen ernstig getroffen zijn, maar hij denkt over zes maanden of hoogstens over een jaar het gezichtsvermogen weer terug te krijgen. De tijd heeft de wonden geheeld. Daarentegen weet hij niet wat er onder het dikke verband zit, dat om de uiteinden van zijn onderarmen gewikkeld is. «Ik voelde nog mijn handen alsof ze de handgranaat omknelden: de bekende inbeelding bij geamputeerden. Toen ik de waarheid ontdekte, kwam ik in opstand. In Libië had ik eens door een hevige explosie eenëntwintig kameraden in een keer zien verdwijnen; ik had toen tegen mezelf gezegd: «Tijdens de gevechten sterven is niet erg, dat zie je niet aankomen. Waar ik het meest bang voor geweest ben, is een arm of een been te verliezen. Ik zou dat niet kunnen verdragen…» En nu was ik blind en ik had geen handen meer: viervoudig geamputeerd en dat op 21-jarige leeftijd. Hoe kon God een dergelijke beproeving toestaan?»
Aanvaarden omniet meer te lijden
Een Zuster van de Franciscaanse missionarissen van Maria, die Jacques ontmoet had tijdens zijn eerste verblijf in Damascus, hoorde namelijk dat hij in het ziekenhuis lag. Zij komt hem regelmatig bezoeken. «Zij sprak over Job, die God niet vervloekte. Zij las mij voor uit het Evangelie: Als de graankorrel in de aarde sterft, draagt hij vrucht.» De zieke voelt deze waarheden in zijn ziel doordringen. Hij gaat weer bidden en de sacramenten ontvangen. Hij ontvangt zelfs twee keer per week de H. Communie, later elke dag. Hij ontdekt dan de Liefde, die Jezus — de man der smarten — heeft aangezet om voor ons aan het Kruis te sterven. Hij ondervindt een wonderbare kracht, die hem nader tot Christus brengt. Dank zij de kracht van het herkregen geloof, ziet hij in zijn lijden een verborgen verlossende waarde. En dan steunend op de Goddelije kracht en niet meer op zijn eigen zwakheid, brengt hij aan God het heldhaftige offer van zijn ogen en handen. Hij besluit er niet meer onder te «lijden», maar het te «aanvaarden». «De aanvaarding is een overwinning. Vóór mijn ongeluk kon ik lachen, doch ik kende toen niet de vreugde, de echte vreugde. Welnu, ik heb gehuild in mijn ziekenhuisbed. Ik heb zelfs de verpleegster gezegd: «Ik heb er niets bij verloren!»»
De liefde veredelt de harten en geeft al de verdienste van het aanvaarde lijden. De heilige Franciscus van Sales getuigt: «De Goddelijke Liefde verzacht niet alleen wat bitter is, maar verandert het kruis in vreugde, want God is de God van de vreugde». Jacques Lebreton heeft het ondervonden. De vreugde die door de genade doorgedrongen is in het hart, zelfs midden in het lijden, is geen voelbare vreugde, maar een vreedzame en wonderlijke tevredenheid in het geloof, hetgeen voor de heilige Theresia van het Kind Jezus aanleiding was te schrijven: «Alles vermoeit mij hier op aarde, alles is mij tot last… Ik ondervind slechts één vreugde en dat is voor Jezus te lijden, maar deze onvoelbare vreugde is in de Hemel de grote vreugde!» (brief v. 12 mrt 1889).
Maar als het lijden slechts verdriet en verslagenheid veroorzaakt, laten wij ons dan deze andere voorden van de «kleine» Theresia herinneren: «Laat ons met bitterheid lijden, dat wil zeggen zonder moed. Jezus heeft in droefheid geleden: zou de ziel zonder droefheid lijden?… Het is zeker een troost eraan te denken, dat Jezus, de Goddelijke STERKE, al onze zwakheden heeft gekend, dat Hij de bittere kelk zichtbaar gevreesd heeft, deze beker die Hij eertijds zo vurig begeerd had» (brieven v. 26 april 1889 en 26 december 1896). Als wij lijden, laten wij er dan aan denken dat Jezus aanwezig is, medelijdend dichtbij ons, om ons te helpen het kruis van vandaag te dragen.
Van God geamputeerd
Jacques Lebreton heeft letterlijk zijn weg naar Damascus gehad, ook hij. «Eigenaardig is het, zo merkte hij op, dat ik deze stad ben binnengegaan door de Poort van Sint Paulus. Sint Paulus is er blind aangekomen, hij heeft er zijn gezichtsvermogen teruggekregen. Maar dan ik, ik heb daar een oneindig kostbaarder licht gevonden dan ik had verloren». Elk jaar op 5 november kondigde hij zij vrienden aan: «Vandaag trakteer ik op champagne — Waarom? — Het is de verjaardag van de dag waarop ik blind ben geworden! In het geloof beschouwde hij het namelijk zo, dat — volgens zijn eigen woorden — de enige invaliditeit is van God geamputeerd te zijn».
«Van God geamputeerd, afgesneden te zijn»; de doodzonde wendt de mens van God af. De Katechismus van de Katholieke Kerk leert ons, dat «vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaar zelf, voor de Kerk en voor de gehele wereld» (KKK 1488). Onze Heer heeft ons gewaarschuwd, dat het verkieslijker is de handen en de ogen te verliezen dan wel in de vuuroven geworpen te worden, dat wil zeggen in de hel, waarheen ons de zonde leidt, die ons van God afwendt (vgl Mt 5, 29-30). Het verlies van het eeuwig leven is zonder twijfel het grootste leed voor de mens, hij verliest het volmaakte geluk, waartoe God de mens bestemde. Jezus is gekomen om ons van het definitieve leed te bevrijden: van de eeuwige verdoemenis. «De eniggeboren Zoon van God is aan de mensheid gegeven om de mens voor alles tegen het definitieve kwaad te beschermen… De opdracht van de Zoon houdt in de zonde en de dood te overwinnen; Hij zegeviert over de zonde door zijn gehoorzaamheid tot de dood en Hij zegeviert over de dood door Zijn Verrijzenis» (Salvifici doloris, 14). Door de zonde te verdelgen, heeft Jezus het grootste kwaad en tegelijkertijd de wortel van al het lijden verdelgd aangezien door de zonde het lijden en de dood in de wereld is gekomen (vgl Rom 5, 12). Ook is het voor allen mogelijk, die dat willen, om vergiffenis van hun zonden te verkrijgen en deel te hebben aan de vruchten van de Verrijzenis. Deze weldaad bereikt ons hoofdzakelijk door de sacramenten, instrumenten van de Goddelijkde genade, die ons zuivert, ons versterkt en waardoor onze ziel zal groeien in heiligheid. Bovendien wordt het ons door het gebed en het waardig ontvangen van de sacramenten mogelijk al het lijden geduldig te dragen.
«Waarom laat God het lijden toe?» vroeg men eens aan Moeder Teresa. «Dat is moeilijk te begrijpen: het is het mysterie van Gods Liefde, daarom kunnen wij zelfs niet begrijpen waarom Jezus zo geleden heeft, waarom Hij die eenzaamheid van Getsemani moest doorstaan en het lijden van de kruisiging. Het is het mysterie van Zijn grote Liefde. Het lijden dat wij tegenwoordig zien, is alsof de Christus Zijn Kruisdood in ons herleeft. – Hoe kan het lijden bewonderenswaardig zijn? – Als het lijden in de goede betekenis wordt aanvaard, zoals het van Gods hand komt voor onze heiliging, voor de zuivering van onze ziel en ook voor het eerherstel van de zonden in de wereld, dan geeft het lijden de vrede en is het bewonderenswaardig. – Maar is God dan niet de God van Liede? – God geeft ons niet het lijden om ons te kwellen, maar om ons tot Hem aan te trekken».
Een onvervangbare dienst
De mensen die lijden zijn verre van onnuttig, doch zij vervullen een onvervangbare dienst. «Het geloof in de deelneming aan het Lijden van Christus draagt in zichzelf de innerlijke zekerheid, dat de lijdende mens aanvaardt wat er ontbreekt aan de beproevingen van Christus en dat hij in het geestelijk uitzicht van het Verlossingswerk nuttig is, zoals Christus, voor het heil van zijn broeders en zusters» (Salvifici doloris, 27). Daarom buigt de Kerk met eerbied voor degenen, die lijden: zij ziet in hen de belangrijke voortzetters van het werk van de Christus-Verlosser. De heilige Theresia van het Kind Jezus bekent kort voor haar dood: «Ik zou het nooit geloofd hebben dat het mogelijk was zoveel te lijden! Neen nooit! Ik kan het alleen maar begrijpen omwille van mijn vurig verlangen zielen te redden» (30 september 1897).
«De Allerheiligste Maagd Maria, vrij van elke zondesmet, is nauw betrokken geweest bij het heilswerk. Met zulk een verbondenheid en zulk een betrokkenheid, die haar onwankelbaar geloof aantonen, verenigen zich ontelbare en intense smarten in Haar, die bijdragen aan de Verlossing van allen. Haar opgang naar Calvarië en haar aanwezigheid aan de voet van het Kruis zijn uiteindelijk een bijzondere deelneming geweest aan de verlossende dood van haar Zoon. Jezus heeft dan ook een nieuw Moederschap — geestelijk en alles omvattend — aan Maria toegekend jegens alle mensen » (Salvifici doloris, 25, 26). Wie ook zijn toevlucht neemt tot deze Moeder, die zo medelijdend en teder is voor hen die lijden, zal daarom de nodige genade van troost verkrijgen.
Maar vooral in de Hemel zullen wij de vruchten oogsten van ons geduld voor het dragen van het kruis. De heilige Johannes verzekert ons namelijk in de Apokalyps, dat in de Hemel: Zal Hij bij hen alle tranen van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn (Apok 21, 4 ); en de heilige Paulus schrijft aan de Romeinen: Ik ben er zelfs van overtuigd, dat het lijden van deze tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid waarvan ons de openbaring te wachten staat (Rom 8, 18). De heilige Cyprianus spreekt zo over de Hemel: «Wat en hoe groot zal uw heerlijkheid en geluk zijn: toegelaten te worden om God te zien, de eer te hebben de vreugde te verwerven van het heil en het eeuwige licht in gezelschap van Christus onze Heer, uw God (…) en in het Rijk der Hemelen in gezelschap van de rechtvaardigen en de vrienden van God de vreugde van de onsterfelijkheid te genieten» (brief 56, 10, 1); en de heilige Augustinus: «Hoe groot zal dit geluk niet zijn, daar waar men zal ronddolen op de lofuitingen van God, Die zal zijn alles in allen! Hij zal de voltooïng zijn van onze verlangens, Hem, Die gezien zal zijn zonder einde, Die bemind zal zijn zonder verveling, Die zal zijn geprezen zonder vermoeienis. Daar zullen wij rusten en zien, zullen wij zien en liefhebben, zullen wij liefhebben en lofprijzen» (Cité de Dieu, l. 22, c. 30, n. I, 5).
Aan Onze-Lieve-Vrouw en aan de heilige Josef vragen wij u de genade te verlenen, evenals aan hen die u dierbaar zijn, levend en overleden.






