30 Maart 1997
Gelukzalige Eugenie Joubert
Dierbare Vrienden,
Op zekere dag haalt Jezus een klein kind uit de menigte naar voren en spreekt deze woorden: Voorwaar, Ik zeg u: als gij niet opnieuw wordt als de kleine kinderen, zult gij het Rijk der Hemelen niet binnengaan. Deze veelzeggende les vernietigt de misvatting en de eerzucht van degenen, die het Rijk der Hemelen beschouwen als een wereldrijk en ervan dromen daar de eerste plaatsen in te nemen: Wie is nu wel de grootste in het Rijk der Hemelen? En om beter vast te stellen, dat de voorrang in het Rijk der Hemelen het voorrecht is van de geestelijke kindsheid, vervolgt de Heer met de woorden: Wie dus zichzelf gering acht zoals dit kind, is de grootste in het Rijk der Hemelen (Mt 18, 1-4).
Een andere dag zijn er enkele moeders, die hun kinderen bij Jezus brengen, opdat Hij hen zou aanraken, en daar de Apostelen hen terugdrongen, ergerde Jezus zich daaraan en zei toen: Laat die kinderen tot Mij komen en houdt ze niet tegen. Want aan hen behoort het Koninkrijk Gods. En daarna besluit Hij: Voorwaar Ik zeg u: wie het Koninkrijk Gods niet aanneemt als een kind, zal er zeker niet binnengaan (Mc 10, 15).
Worden als een kind
De geestelijke kindsheid is dus een noodzakelijke voorwaarde om het eeuwig leven te verwerven. Wat wil dit zeggen? Moet het kind-zijn worden geïdealiseerd als het gaat om de tekortkomingen en zwakheden ervan te vergeten? Moet men vervallen in het kinderlijke en de wijsheid van de volwassenheid verliezen? Zeer zeker niet. Wij moeten integendeel alle talenten en bekwaamheden gebruiken, die God ons gegeven heeft. Men moet echter niet denken, spreken, voelen en handelen als een kind. De heilige apostel Paulus waarschuwt ons ervoor: Dan zullen wij niet langer onmondig zijn, heen en weer geslingerd en meegesleurd door elke windvlaag… Neen, laten wij de waarheid spreken in liefde en zo geheel naar Christus toegroeien. Hij is het hoofd (Ef 4, 14-15). En verder: Broeders, weest kinderen in de boosheid, maar niet in uw voordeel. Weest in uw denken volwassen mensen (1 Kor 14, 20). Hoe ontroerend de kindsheid door zijn frisheid ook mag zijn, moet echter niet vergeten worden, dat zijn onvolwassenheid rijpheid vereist. De genegenheid van het kind brengt tegelijkertijd een drang en een verlangend egoïsme met zich mee om eerder een geliefd wezen te zijn dan zich aan iemand over te geven, die niet als voorbeeld dient.
Onze-Lieve-Heer verlangt iets anders, als Hij ons vraagt kinderen te worden. De weg van het kind, zoals de heilige Theresia van het Kind-Jezus het zegt: «uit de gesteldheid van het hart, die ons nederig en klein maakt in de armen van God, bewust van onze zwakheid en tot het uiterste vertrouwend op de Goedheid van de Vader» (Novissima Verba).
Dit standpunt onderkent een band van totale afhankelijkheid tegenover God en het hoogmoedigde besef van onszelf, het vermoeden met menselijke middelen het bovennatuurlijke te bereiken en de bedrieglijke opwelling zichzelf te kunnen redden op het moment van gevaar en verleiding zijn hierdoor uitgesloten. Hieruit volgt de beoefening van «de nederigheid, de milde en oprechte nederigheid van het hart, de volledige trouw aan de plicht van onze staat, wat die ook is in welke omgeving en in welke menselijke rangorde dan ook, waarin God ons heeft geplaatst en waartoe geroepen er te werken, de gesteldheid alle offers te brengen, de volle overgave in de hand en het Hart van God en bovendien de ware naastenliefde, de werkelijke liefde tot God, de oprechte liefde tot Jezus-Christus, beantwoordend aan de liefde, die Hij-Zelf ons heeft betuigd. Beoefening van die naastenliefde die altijd welwillend, geduldig, steeds levendig en alles verdragend, bereid tot volledige toewijding en bereid alle offers te brengen… Dan is ook het kind-zijn in geestelijk opzicht bereikbaar en noodzakelijk voor allen. Zoals de heilge Augustinus opmerkt, kan niet iedereen preken en grote werken verrichten, Maar wie is niet in staat te bidden, zich te vernederen en lief te hebben?» (Pius XI, 11 februari 1923).
Paus Johannes-Paulus II heeft ons onlangs een praktijkvoorbeeld gegeven van de weg van de kindsheid door de zaligverklaring op 24 november 1994 van een tijdgenoot van de heilige Theresia van lisieux, de zalige Eugénie Joubert. Zij heeft haar korte leven doorgemaakt in «een groot vertrouwen op de liefde, de liefde van de eenvoudigheid van een klein kind» (aantek. van retraite).
Een eenvoudig voorbeeld, bereikbaar en sympathiek
Eugénie is geboren in Yssingeaux op de ruwe hoogvlakte van de Haute-Loire op 11 februari 1876, de verjaardag van de eerste verschijning van de Heilige Maagd in Lourdes. Kinderjaren, roeping, religieus leven, apostolaat, lijden en dood, alles in het leven van Eugénie zal gekenmerkt zijn door de moederlijke aanwezigheid van Maria.
Heel jong reeds ging zij met haar oudste zus naar het pensionaat van de Ursulinen in Ministrel. De twee zusjes zijn daar gelukkig. Zij zijn daar bemind. De mooiste herinnering die Eugénie uit die periode bewaart, is haar Eerste Heilige Communie en de maanden van godsvrucht die daaraan voorafgingen. Het jonge meisje, sterk aangetrokken tot de Maagd Maria, ondervindt de invloed van de Almachtige en de grenzeloze zorgzaamheid van de Hemelse Moeder: zij wil de nodige genade verkrijgen. Negen dagen achtereen bidt zij de rozenkrans en voegt er nog vijf offers aan toe, ook als enkele ervan haar veel moeite kosten. Maria verhoort haar altijd. «Als zij over de Heilige Maagd sprak, vertelt later een leerling, leek het wel of ik iets hemels in haar blikken zag».
Haar godsvrucht verhindert haar niet vrolijk te zijn. In tegendeel! Een van de leraressen vertelt hoe het jonge meisje was: «zeer mededeelzaam, een warm hart en goed… Zij had invloed op haar mede-leerlingen en sleepte hen mee door haar goede humeur». Eugénie schrijft aan haar zuster: «De Goede God verbiedt het lachen niet en zich te amuseren, mits men Hem van ganser harte liefheeft en mits men zijn ziel blank houdt, dit wil zeggen zonder zonde… Het geheim om kind van de Goede God te blijven, is het kind te blijven van de Allerheiligste Maagd. Men moet de Allerheiligste Maagd sterk beminnen en haar elke dag vragen eerder te mogen sterven dan een enkele doodzonde te begaan».
Zijn dorst lessen
Op 6 oktober 1895 treedt zij in als postulant bij de Zusters van de Heilige Familie van het Heilig Hart, in Puy-en-Velay: «Sinds mijn jeugd, zo schrijft zij dan, zocht mijn hart, dat echter arm, onhebbelijk en aards was, tevergeefs zijn dorst te lessen. Ik wilde liefhebben, doch alleen een mooie Echtgenoot, volmaakt en onsterfelijk, waarvan de liefde zuiver en onwankelbaar zou zijn… Maria, u hebt aan mij gegeven, aan mij, arm en klein, het mooiste mensenkind, uw Goddelijke Zoon Jezus!» Bij het afscheid zegt Madame Joubert tegen haar: «Ik geef je aan de Goede God. Kijk niet meer achterom, maar wordt heilig!» Dit zal het programma zijn van de postulant. Zij begrijpt goed «geheel te bestaan voor Jezus» en niet een halfbakken religieuze te worden.
Eugénie is nog geen twintig jaar. Haar houding is levendig en haar lach blijft vrolijk. Maar haar zeer jonge gezicht, bijna kinderlijk, en haar uiterlijk, dat een toonbeeld van maagdelijke zuiverheid is, spiegelen tegelijkertijd een zeer diepe ernst af. Haar stille overpeinzing wordt bewonderd door de andere novicen en wekt bij hen naijver op. «Als ik leef van de geest van het geloof, schrijft zij, als ik werkelijk Onze-Lieve-Heer liefheb, zal het gemakkelijk voor mij zijn diep in mijn hart een stil plekje te maken en vooral deze stilte te beminnen om daar alleen te blijven met enkel Jezus».
Op 13 augustus 1896, feest van de heilige Jean Berchmans, ontvangt zij het kloosterhabijt uit handen van Pater Rabussier, de stichter van de Congregatie. Veel later drukt zij haar gevoelens uit die haar toen bezielden: «Dat mijn hart, gelijk een bal van was, en onnozel als een kind, zich laat inkleden door gehoorzaamheid, geheel volgens de Wil van Goddelijk Welbehagen, zonder daar enig ander verzet tegenover te stellen, dan steeds meer te willen geven».
Om nooitalleen te zijn
Gedurende haar noviciaat volgt Zuster Eugénie tot tweemaal toe de Geestelijke Oefeningen van Sint Ignatius. Zij leert daar ongedwongen te leven met Jezus, Maria en Jozef. Want de Oefeningen zijn een school om vertrouwelijkheid met God en met de Heiligen aan te leren. In de loop van de meditaties en beschouwingen die hij aanbiedt, nodigt Sint Ignatius zijn leerlingen uit zich te verplaatsen in de evangelische taferelen om daar de personen te ontmoeten, te luisteren wat zij zeggen, te overwegen wat zij doen «alsof men erbij is». Het mysterie van Kerstmis bij voorbeeld (n. 114): «Ik zal zien… Onze-Lieve-Vrouw, Jozef, de Dienstmaagd en het Kind-Jezus als hij geboren zal zijn. Ik zal mij in hun aanwezigheid ophouden, ik zal hen in stilte bewonderen, ik zal hen dienen in hun noden met grote ijver en alle eerbied, waartoe ik in staat ben, alsof ik mij daar zelf bevind». Sint Ignatius moedigt ons aan de ongedwongenheid te beoefenen tot de meest doodgewone dingen van alle dag, zoals onze maaltijd gebruiken: «Tijdens het eten, laten wij dan overwegen alsof wij Hem met onze eigen ogen zien, Jezus-Christus terwijl Hij Zelf samen met Zijn Apostelen Zijn voedsel tot Zich neemt. Laten wij kijken hoe Hij eet, hoe Hij drinkt, hoe Hij kijkt, hoe Hij spreekt; laten Zij trachten Hem na te volgen» (n. 214).
Eugénie is erg ingenomen met de eenvoud van de ervaringen, die zo goed overeenstemt met haar verlangen in de genegenheid te leven van de Heilige Familie. «Deze gezinssamenstelling beminnen, schreef zij: vanaf de ochtend in het Hart van de Allerheiligste Maagd zijn». Of wel: «Ik ben nooit alleen, maar altijd met Jezus, Maria en Jozef». Op zekere dag bad ik dit mooie gebed tot Onze Heer: «O! Jezus, zeg mij hoe was uw eigen armoede? Zeg mij, wat U met de meeste ijver in Nazareth zocht? Geef mij Uw genade, die Uw liefde zal behagen mij te verlenen, om de armoede te omhelzen». Ook wij kunnen vaak stil in ons hart met Jezus praten door aan Hem te vragen hoe Hij de nederigheid, de goedheid, de vergeving, de vernedering en alle andere deugden heeft beoefend en bovendien tot Hem bidden ons de genade te geven om Hem na te volgen.
Eenvoudigals een kind
Op 8 september 1897 legt Zuster Eugénie haar kloostergelofte af; tijdens de plechtigheid preekt Pater Rabussier over de geestelijke kindsheid. De nieuw geprofeste ziet daarin een aanmoediging op deze weg vorderingen te maken. Zij is op twee punten attent die zij onontbeerlijk vindt om de «eenvoud van een klein kind» te bereiken: de nederigheid en de gehoorzaamheid.
Voor Zuster Eugénie is de nederigheid het middel om «de aandacht van Jezus» te trekken. Eens wordt zij ernstig terechtgewezen voor een fout in het naaiwerk. Het betreffende naaiwerk is niet van haar… Zuster Eugénie zwijgt, ondanks zij inwendig in opstand kwam; zij zou zich kunnen rechtvaardigen, de vergissing uitleggen… maar zij verkiest zich te verenigen met het zwijgen van Jezus, die ook vals beschuldigd werd. Zij ziet in de nederigheid een gelegenheid te «groeien in de vernedering», en dit is voor haar een waarachtig succes: «De mensen in de wereld, schrijft zij, willen succes behalen door hun verlangen om in de smaak te vallen en op de voorgrond te treden. Welnu! Onze Heer staat ook aan mij toe succes te hebben in het geestelijk leven. Elke vernedering, hoe klein dan ook, is een echt succes voor mij in de liefde van Jezus, mits ik Hem met heel mijn hart omhels».
Nederig zijn betekent ook zich niet laten ontmoedigen door zijn zwakheden, gebreken en tekortkomingen, maar dat op te offeren aan de Goddelijke Barmhartigheid, speciaal in het sacrament van de Biecht, de gewone manier om vergeving van God te ontvangen. «O! gelukzalig gebrek, hoe meer ik het bemin hoe meer ook Onze Heer dit bemint en zich verlaagt om er medelijden mee te hebben en haar vergiffenis te schenkent!» riep Zuster Eugénie uit bij het zien van haar onmacht.
De moeder van de deugden
De nederigheid gaat hand in hand met de gehoorzaamheid. De heilige apostel Paulus zegt ons over Jezus, dat Hij zich heeft vernederd, Hij werd gehoorzaam tot in de dood, tot de dood aan een Kruis (Fil 2, 8). Zuster Eugénie ziet in de gehoorzaamheid de vrucht van de «nederigheid in de ware gedaante» en zij schrijft: «Ik wil gehoorzaam zijn om mijzelf te vernederen en ik wil mij vernederen om meer lief te hebben». Gehoorzaam aan God, aan Zijn geboden, aan Zijn Kerk, aan hen die Zijn plaats bekleden, dit is waarlijk God liefhebben. Als gij mij liefhebt, zei Jezus tot zijn apostelen, zult ge mijn geboden onderhouden. Wie mijn geboden onderhoudt, die hij heeft ontvangen, hij is het die Mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal door mijn Vader bemind worden; ook Ik zal hem beminnen en Ik zal Mij aan hem openbaren (Joh 14, 15 en 21). «De gehoorzaamheid is niet zo maar een deugd, doch de moeder der deugden» heeft de heilige Augustinus kunnen schrijven (PL 62, 613). De heilige Gregorius de Grote heeft deze mooie uitspraak: «Alleen de gehoorzaamheid veroorzaakt en onderhoudt de andere deugden in onze harten» (Moraal 35, 28). En zoals de heilige Benedictus ons leert: «Gehoorzaamheid aan zijn meerderen is God gehoorzamen» (Regel, hfst 5).
Toch moet de beoefening van elke deugd geleid worden door de voorzichtigheid. Dit maakt het mogelijk de grenzen van de gehoorzaamheid te onderscheiden. Als dus een bevel, een voorschrift of een menselijke wet duidelijk tegengesteld is aan Gods Wet, bestaat de plicht om te gehoorzamen niet: «Het gezag gaat volgens de zedenleer uit van God. Als dus de machthebbers komen tot het uitvaardigen van wetten of maatregelen die tegenstrijdig zijn met de zedenleer en derhalve tegen Gods Wil, kunnen deze bepalingen de gewetens niet verbinden (Johannes-Paulus II, Pacem in terris, 11 april 1963). […] De eerste en meest directe toepassing van deze leer betreft de wet, die het fundamentele en oorspronkelijke recht op leven miskent, het recht dat eigen is aan elke mens. Zo ook de wetten, die in het geval van abortus en euthanasie, de directe vernietiging van onschuldige menselijke wezens rechtvaardigen, zijn volkomen en onoverkomelijk in strijd met het onschendbare recht op leven, dat eigen is aan alle mensen en zij ontkennen derhalve de gelijkheid van allen voor de wet» (Johannes-Paulus II, Evangelium Vitæ 72). Tegen zulke menselijke voorschriften herinnert ons het woord van de heilige Petrus: Men moet God meer gehoorzamen dan de mensen (Hnd 5, 29 ).
Behalve de bepalingen, die men niet zou kunnen nakomen zonder te zondigen, is de gehoorzaamheid verschuldigd aan de wettige autoriteiten. Zuster Eugénie probeert met een grote volmaaktheid te gehoorzamen om Jezus zo goed mogelijk na te volgen en te werken voor het heil van de zielen om zo elk ogenblik de Wil van God de Vader te vervullen, ter navolging van Onze Heer, Die zegt: de Zoon kan niets uit Zichzelf doen, maar alleen datgene wat Hij de Vader ziet doen. En alles wat Deze doet, doet de Zoon insgelijks (Joh 5, 19). Ik doe niets uit Mijzelf, maar dit alles zeg Ik, zoals de Vader het Mij heeft geleerd (Joh 8, 28).
In dienst van de kleinen
Kort na haar professie wordt de jonge religieuze naar Auberville gezonden, een voorstad van Parijs, in een huis bestemd voor de evangelisatie van de arbeiders. Zij hecht zich aan de harten van de kinderen en slaagt zo erin de belhamels rustig te houden, die niet aan haar gehoor ontbreken! Haar geheim? Geduld, zachtheid, goedheid. Zij bereikt onverwachte resultaten.
Apostel Eugénie laat apostelen ontstaan. Een kleine jongen, bezield door de katechismuslessen, droomt ervan Zijn vriendjes te winnen. Na hen op straat verzameld te hebben, laat hij hen bovenkomen in de kamer en voor een Kruisbeeld vraagt hij hen: «Wie heeft Jezus aan het Kruis geslagen?» En wanneer het antwoord te lang op zich laat wachten, voegt hij er emotioneel aan toe: «Dat zijn wij door onze zonden, wij hebben Hem laten sterven. Hem moeten wij vergiffenis vragen». Allen vallen dan op de knieën en bidden uit het diepst van het hart de akten van berouw, geloof en liefde.
Zuster Eugénie brengt haar liefde voor Maria over op de kinderen. Zij brandt zo van liefde voor Onze-Lieve-Vrouw, dat zij eens uitriep: «Maria beminnen, haar altijd en steeds meer beminnen! Ik bemin haar, omdat ik van haar houd, omdat Zij mijn Moeder is. Zij heeft mij alles gegeven; Zij geeft mij alles; Zij wil mij nog altijd alles geven. Ik bemin haar, omdat Zij heel mooi en heel zuiver is; ik bemin haar en ik wil, dat elke hartslag haar zegt: Mijn Onbevlekte Moeder, u weet goed dat ik u bemin!»
Wanneer zal Hij komen? Wanneer?
Gedurende de zomer van 1902 voelt Zuster Eugénie de eerste gevolgen van de tuberculose, die haar moet weghalen. Dan begint er voor haar een pijnlijke kruisweg die twee jaar duurt en die haar heiliging voltooit door haar meer te verenigen met de gekruisigde Jezus. Zij ondervindt een grote troost in het mediteren van de kruisweg. «U lijdt veel? vraagt op zekere dag de verpleegster. – Het is verschrikkelijk, antwoordt de zieke, maar ik houd veel van Hem… het Heilig Hart… wanneer zal Hij komen… Wanneer?» In het gebed laat Jezus haar begrijpen, dat zij, om midden in het lijden trouw te blijven, de «ervaring van de geestelijke kindsheid» moet omhelzen en dat zij «met Hem een klein kind moet zijn in het lijden, in het gebed, in de strijd en in de gehoorzaamheid». De overgave en het vertrouwen leiden haar tot het einde! Na een bijzonder zware bloeding raakt zij uitgeput en zij voelt het leven aan zich ontsnappen en zonder dat de glimlach op haar gezicht verdwijnt, richt zij haar blik op een afbeelding van het Kind-Jezus.
In grote vrede verwelkomt Zuster Eugénie op 27 juni 1904 de aankondiging van haar heengaan naar de Hemel. Men dient haar het Sacrament van de zieken toe en de Heilige Communie. De aanvallen van benauwdheid worden steeds bezwaarlijker; een religieuze komt op het idee een kleine lamp te ontsteken voor het beeld van het Onbevlekt Hart van Maria en deze goede Moeder schenkt de stervende wat verlichting. Het stervensuur is nabij. Men toont haar een afbeelding van het Kind-Jezus. Bij het zien ervan roept Zuster Eugénie uit: «Jezus!… Jezus!… Jezus!…» en haar ziel gaat op naar de Hemel. Het lichaam van dit evangelisch kind lijkt 12 jaar oud. Een mooie glimlach ligt op haar gelaat.
«Ik zal voor allen bidden in de Hemel!» had zij beloofd aan haar Zusters. Laten wij haar vragen ons te leiden op de weg van de geestelijke kindsheid tot in het Paradijs, «het Koninkrijk van de Kleinen»; daar waar zij ons opwacht met de grote schare van Heiligen. Wij vragen dit ook aan de heilige Jozef voor u en de uwen, levend en overleden






