31 december 1998

Leonie Martin

Dierbare Vrienden,

Sinds de verschijningen van de Maagd Maria is Lourdes een genadeoord geworden. De macht en de barmhartig-

heid van God openbaart zich onder de ogen van allen, gelovigen en ongelovigen. Heden nog laat Maria haar moederlijke aanwezigheid voelen, zoals het volgende verhaal aantoont.

Een ongeneeslijke ziekte

elizia Cirolli, geboren op 17 november 1964 op Sicilië, is de oudste van vier kinderen. Zij leidt een gelukkig leven in de schoot van het gezin, ondanks de financiële moeilijkheden veroorzaakt door de werkloosheid van haar vader. Begin maart 1976 ontvindt zij een pijnlijk en aanhoudend ongemak aan haar rechter knie. De ouders Cirolli laten het meisje door de huisarts onderzoeken, die enkele laboratoriumonderzoeken aanbeveelt en pijnstillers voorschrijft. Vervolgens brengt op 6 mei een operatie een kwaadaardige tumor in de knie (botkanker) aan het licht. De chirurg stelt een volledige amputatie van het been voor. De ouders kunnen niet tot een dergelijk besluit overgaan. Maar het zeer emotionele kind is niet bestand tegen haar ziekenhuisopname en keert naar de huiselijke haard terug, zelfs voor elke bestraling.

«Laten wij erin geloven»

Gezien het lijden van het kind komt de onderwijzeres op het idee haar samen met haar moeder naar Lourdes te sturen. Het verblijf (7-11 aug 1976) is moeilijk. De twee pelgrims wonen echter al de plechtigheden bij, zij gaan naar de grot, naar de fonteintjes en naar de baden. Bij thuiskomt gaat het met Delizia niet beter. Nieuwe rôntgenfoto’s tonen een duidelijke verergering aan. Toch wordt er geen enkele behandeling voorgeschreven. Het kind kwijnt zienderogen weg. maar de omgeving heeft het vertrouwen niet verloren: «De Heilige Maagd zal wel iets doen, laten wij erin geloven» En men gaat door tot de Onze-Lieve-Vrouw van Lourdes te bidden, terwijl de moeder het haar dochter niet laat ontbreken aan Lourdeswater.

Tegen half december eet het kind niet meer. Zoals het in Sicilië de traditie is, maakt de moeder reeds het doodskleed gereed, waarmee zij haar dochter na het overlijden zal moeten kleden. En dan gebeurt er wat niet voorzien was. Even voor Kerstmis voelt Delizia zich plotseling beter. Zij vraagt aan haar moeder of zij uit haar bed mag. Hoe goot is de verbazing niet van mevrouw Corolli, als zij ziet dat haar dochter zich zonder hulp overeind houdt en dat zij loopt! Delizia is genezen, de Maagd Maria heeft de gebeden verhoord! Na de kerstvakantie kan het meisje weer normaal naar school.

Deze buitengewone genezing, grondig onderzocht door verscheidene internationale medische intstanties, is beoordeeld als een gebeurtenis die tegengesteld aan de waarnemingen en verwachtingen van de medische ervaring, en dat het vergevorderde stadium van de ziekte een genezing onmogelijk maakte. Op 28 juni 1989 verklaarde de Aartsbisschop van Catane (Sicilië): «Ik neem nota van deze genezing, die gegeven de omstandigheden

waaronder zij is ingetreden en standhoudt, «wetenschappelijk onverklaarbaar» is, en als Aartsbisschop van Catane verklaar ik haar karakter als «wonderbaarlijk»».

Dit pas gebeurde wonder beweegt ons ertoe van ganser harte de goddelijke macht en goedheid te loven. Maar de Heer brengt ook veranderingen tot stand van morele en geestelijke aard die een nog grotere aanleidng vormen tot dankbaarheid jegens Hem. Tot getuigenis strekt het verhaal van Léonie Martin, een van de zusters van de heilige Theresia van het Kind Jezus en het Heilig Aangezicht.

«Dit verschrikkelijke meisje»

Wanneer Léonie ter wereld komt, op 3 juni 1863 in Alençon, vindt zij om haar wieg heen, haar ouders Louis en Zélie Martin, en twee zusjes, Marie die nog maar drie jaar is, en Pauline van eenentwintig maanden. Céline (1869) en Thérèse (1873) zullen later het gezin verrijken. Léonie is een erg zwak kind, achtereenvolgens lijdend aan een soort chronische kinkhoest, dan aan mazelen met zeer hevige stuipen. Van tijd tot tijd bedekt een etterachtige huiduitslag haar hele lichaam. Léonie is onstandvastig, onhandig en verstandelijk erg achter en veroorzaakt het gezin daardoor problemen. Als zij opgroeit openbaart zich meer en meer haar psychische onevenwichtigheid. Eens zal zij bekennen: «Mijn kindertijd en meisjesjaren zijn in lijden en schrijnende beproevingen verstreken». Toch heeft zij een goed geheugen en zij kent de katechismus voortreffelijk.

De oudsten, Marie en Pauline, worden opgevoed in het pensionaat van de Visitatie in Le Mans waar hun tante Visitantin, zuster Marie-Dosithée, zich bevindt. De Overste wil Léonie niet ontvangen. De tante

verkrijgt toch de toestemming haar op proef te nemen: «Ik heb nu Léonie, dit verschrikkelijke meisje, schrijft zij, en ik verzeker u dat zij mij niet weinig werk geeft. Het is een voortdurende strijd… Zij eerbiedigt niemand behalve mij!». De proef duurt niet lang: men stuurt haar terug naar haar familie.

«Te mooi»

Mevrouw Martin laat haar privaatlessen geven. Maar Léonie begrijpt niets van rekenen en schrijft de cijfers naar eigen goeddunken op. Men overweegt een nieuwe poging tot scholing bij de Visitatie. Haar moeder

schrijft: «Wij zijn bezig haar uitzet in orde te maken. Ik denk dat het weggegooid geld is, maar het zijn vooral de moeilijkheden die zij haar tante zal geven, wat mij verontrust… Zij is de enige persoon die greep op haar heeft. Wanneer men dan ook aan deze lieve kleine Léonie vraagt wat zij zal worden als zij groot is, is het antwoord altijd hetzelfde: «Ik zal religieuze worden in de Visiatie, bij mijn tante». God geve het, dat het zo moge zijn, ik durf het niet te hopen».

De briefwisseling verraadt haar opvoedkundige inspanningen vooral wat Léonie aangaat, wier gevoeligheid en verstandelijke achterstand een buitengewone aandacht vragen. Zij is zich ervan bewust dat het zelfvertrouwen de kern van de opvoeding is, en stelt alles in het werk om dit in zichzelf teruggetrokken kind te winnen. Zélie wil dat haar dochters mededeelzaam, open en vrolijk zullen zijn. Door veel liefde wekt zij het vertrouwen en de erkenning op, maar zij weet zich vastberaden te tonen, noch koppigheid, noch kuren toelatend. Zij stimuleert de mildheid van haar dochter, en zij bedient zich van de dagelijkse voorvallen om haar te leren zich te overwinnen, aandringend op de trouw aan de plicht van de staat.

«De rol van de ouders is zo belangrijk in de opvoeding dat ze haast onmogelijk vervangen kan worden, leert de Katechismus van de Katholieke Kerk… De ouders zijn de eerste verantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. Zij nemen deze verantwoordelijkheid allereerst op door ervoor te zorgen dat hun huis een «thuis» wordt, waar tederheid, vergevingsgezindheid, eerbied, trouw en belangeloze dienstbaarheid regel zijn. De ouders moeten hun kinderen leren «de natuurlijke, fysieke strevingen ondergeschikt te maken aan de innerlijke en spirituele waarden»» (KKK, 2221; 2223).

«Een taak van lange adem»

Opvoeden is ook het vormen van een morele opvatting en van het geweten. «Het geweten moet geïnformeerd en het morele oordeel verhelderd worden. Een goed gevormd geweten is juist en geloofwaardig. Het verwoordt zijn oordelen volgens de rede, in overeenstemming met het werkelijke goed, dat gewild wordt door de wijsheid van de Schepper. De opvoeding van het geweten is onmisbaar voor menselijke wezens die onderhevig zijn aan negatieve invloeden en bekoord worden door de zonde om de voorkeur te geven aan hun eigen oordeel en de gezagvolle onderrichtingen af te wijzen. De opvoeding van het geweten is een opdracht voor heel het leven. Vanaf de prille jeugd wordt het kind gevoelig gemaakt voor de kennis en de praktijk van de innerlijke wet die erkend wordt door het morele geweten. Een wijze opvoeding leert de deugd aan; ze voorkomt en geneest de vrees, het egoïsme en de hoogmoed, de valse schuldgevoelens en de zelfvoldaanheid, die voortspruiten uit de menselijke zwakheden en fouten. De opvoeding van het geweten verzekert de vrijheid en verwekt de vrede van het hart» (KKK, 1783-1784).

«Hij zal zich laten vermurwen»

Een gedachte ondersteunt Zélie in haar altijd terugkerende taak: het kind van zoveel gebeden en zoveel angsten kan niet verloren gaan! Voor haar kind bidden maakt onderdeel uit van haar rol van opvoedster en moeder. «Wanneer men deelachtig wordt aan Gods heilsliefde, begrijpt men dat elke nood voorwerp kan worden van het smeekgebed. Christus, die alles op zich genomen heeft om alles te verlossen, wordt verheerlijkt door de smeekbeden die wij in zijn Naam aanbieden aan de Vader» (KKK, 2633). Zélie hoopt op een ingreep van de Hemel: «Hoe moeilijker ik het inzie, hoe meer ik overtuigd ben dat de Goede God niet zal toestaan dat zij zo blijft. Ik zal zoveel bidden, dat Hij zich zal laten vermurwen. Met achttien maanden is zij genezen van een ziekte waaraan zij moest sterven; waarom zou de Goede God haar van de dood hebben gered, als Hij haar niet uit barmhartigheid op het oog had?» Enkele jaren later zou de «Kleine Thérèse» deze mooie woorden hebben: «Men verkrijgt van de Goede God voor zover men erop hoopt». De hoop van mevrouw Martin zal niet worden teleurgesteld. Zo wordt de opmerking van de Katechismus bewaarheid: «Op hun beurt dragen de kinderen bij tot de heiliging van hun ouders» (KKK, 2227).

Tante Visitantin overlijdt in het klooster van Le Mans op 24 februarie 1877. Léonie had haar haar «opdracht» voor de Hemel toevertrouwd: «Ik wil, had zij tegen haar zus Marie gezegd, dat mijn tante Religieuse, wanneer zij in de Hemel zal zijn, voor mij aan de Goede God de kloosterroeping vraagt… Ik wil een echte Religieuse worden – Een echte? – Wat wil je daarmee zeggen? – Een Heilige». Weldra zal een van de geheimzinnigheden die haar gedachte zwaar valt duidelijk worden. Louise, de bediende van het gezin, oefent sinds twee jaar een ware tirannie op het kind uit: zij denkt een grote dienst te bewijzen door deze kleine te «temmen» door lichamelijke bestraffing. Zij eist van het meisje de geheimhouding, en verbiedt haar elk gesprek met haar moeder. Het kwaad wordt ten slotte ontdekt. Mevrouw Martin verantwoordt zich in een brief aan het schoonzuster: «Ja, ik zag een sprankeltje hoop schijnen, dat mij een toekomstige volledige verandering voorspelde. Alle pogingen die ik tot heden toe heb gedaan om mij aan haar te hechten waren vruchteloos geweest, maar op dit moment is het niet meer zo. Zij heeft mij lief zoveel het mogelijk is lief te hebben en, met diè liefde, dringt langzamerhand Gods liefde haar hart binnen. Zij heeft een onbegrensd vertrouwen in mij en gaat zo ver haar minste fouten aan mij te bekennen, zij wil werkelijk haar leven veranderen en doet zeer veel moeite wat niemand zo kan waarderen als ik».

De voortdurende en vernieuwde inspanningen zullen ten slotte vruchten afwerpen: «De menselijke deugden worden verworven door de opvoeding, door weloverwogen daden en door telkens vernieuwde volharding. Zij worden gezuiverd en verheven door de goddelijke genade. Met de hulp van God smeden zij het karakter en schenken gemak bij het doen van het goede. De deugdzame mens is blij ze in praktijk te brengen (KKK, 1810).

Op 28 augustus 1877 sterft mevrouw Martin echter aan kanker. Het gezin verlaat dan Alençon om naar Lisieux te vertrekken, waar oom en tante Guérin wonen. Op 2 oktober 1882 treedt Pauline in bij de Carmel van Lisieux, waar op haar beurt Marie in 1886 zal worden toegelaten. Léonie profiteert van een reis naar Alençon om zich te laten aannemen bij de Clarissen van die stad. Oom Guérin stelt de familie Martin gerust omtrent deze «vrome» bevlieging van Léonie: «Wees maar niet bezorgd, zij zal daar niet blijven». Inderdaad, op 1 december verlaat Léonie zeer neerslachtig het klooster.

Een verstandige keuze

Het volgende jaar een nieuwe proef van het kloosterleven: Léonie treedt deze keer in bij de Visitantinnen van Caen. Dit is een verstandige keuze: de Oprichters van de Visitatie, de heilige Franciscus van Sales en de heilige Jeanne de Chantal, hebben deze Orde gesticht om het contemplatieve leven toegankelijk te maken voor personen met een zwakke gezondheid. Maar na zes maanden is Léonie genoodzaakt de nieuwe poging te onderbreken. Terug in Lisieux gebruikt zij haar tijd om de armen en de zieken te bezoeken en zelfs voor de stervenden te zorgen; in huis maakt zij zich even nuttig als daar buiten. Op 9 april 1888 treedt Thérèse op vijftienjarige leeftijd in bij de Carmel. Vervolgens doet zich onverwachts de geestesziekte van mijnheer Martin voor, die opgenomen moet worden in het ziekenhuis van de Goede Verlosser in Caen. Léonie en Céline gaan gedurende een aantal jaren voor hem zorgen, geholpen door hun oom en tante.

Op 24 juni 1893 doet Léonie een tweede poging bij de Visitatie van Caen, die zij in juli 1895 opnieuw zal verlaten. Haar vader is een jaar tevoren overleden en Céline is in september 1894 bij de Carmel ingetreden. Er is voor Léonie veel moed nodig om haar onsamenhangende en wispelturige aard te aanvaarden, ondanks een vasthoudende koppigheid voor het religieuse leven. Maar Thérèse, meesteres van het spirituele leven, is een ware gids voor haar door haar eenvoudige en overtuigende pedagogiek. «De weg van de kindsheid» die zij haar leert door haar brieven en in de spreekkamer van de Carmel, veroorzaakt bij Léonie gevoelens van overgave en vertrouwen, die hoe langer hoe meer de vrede in haar vestigen.

Op 30 september 1897 sterft zuster Theresia van het Kind-Jezus in de Carmel van Lisieux. Een jaar later verschijnt L’Histoire d’une âme (De geschiedenis van een ziel), de levensbeschrijving van Thérèse. Léonie verslindt het boek en vindt er, ontroerd, de jeugdherinnneringen in terug; maar vooral ontdekt zij de liefdesgeheimen uitgewisseld tussen Thérèse en haar Zeer Geliefde Heer. L’histoire d’une âme wordt haar lievelingsboek en het hulpmiddel om te hopen op de wezenlijking van haar eigen roeping.

Eindelijk geheel voor God

Op 28 januari 1899 treedt Léonie definitief in bij de Visitatie van Caen, op de leeftijd van 35 jaar. Zij wordt ingekleed op 30 juni 1899 en krijgt de naam Françoise-Thérèse. De aanbevelingen van de heilige Franciscus van Sales staan haar voor de geest: «Laten wij bepaalde kleine deugden beoefenen eigen aan onze kleinheid: het geduld, de steun van de naaste, dienstbaarheid, de nederigheid, de zachtmoedigheid, de vriendelijkheid, de verdraagzaamheid van onze onvolmaaktheden… Niet door de omvang van de daden scheppen wij aan God behagen, maar door de liefde waarmee wij ze verrichten.

De gezondheid van zuster Françoise-Thérèse blijft zeer zwak. Soms is haar hele lichaam met uitslag van eczeem bedekt. Zij schrijft een keer: «Het eczeem bedekt me met een boetekleed van top tot teen, door de jeuk die mij belet een oog dicht te doen; als ik het ongeluk heb om het maar iets te verlichten, dan wordt het een echt branderig gevoel. Ik denk dat ik wel iets anders zou beleven als ik in het vagevuur was; ik offer dus al mijn lijden op voor de grote belangen die het hart raken van onze Paus, de zeer geliefde Vader. Alle velangens van apostolaat helpen mij ten slotte edelmoedig te zijn». Zij lijdt bovendien herhaaldelijk aan migraine, aan huidziekte van de hoofdhuid, aan dwangnagels, veelvuldig aan aanvallen van darmziekte, aan reuma, enz.

In 1930 is zuster Françoise-Thérèse er zo slecht aan toe, dat zij de laatste sacramenten ontvangt. «De dierbare zieke is werkelijk in Gods hand en het gesprek met haar heeft mij erg gesticht». schrijft Mgr. Suhard,

destijds de plaatselijke bisschop. Maar langzamerhand herstelt zij. Zij schrijft aan Céline: «Ik kan niet meer wennen op deze droevige aarde. Alles is mij een aanleiding van verdriet en afkeer, bid goed voor de arme kleine lafaard, want eigenlijk is het zuiver lafheid om niet meer te willen lijden voor de Goede God, die toch meer beledigd wordt dan ooit… Ik klamp mij zo veel ik kan vast aan zijn wil, die ik liefheb en die ik boven alles wens, maar al mijn pogingen zijn heel vruchteloos, wat mij vaak een onbeschrijfelijk leed bezorgt.

Dit leed gaat toch gepaard met een grote vreugde. Haar verrassing is zeer groot als zij hoort dat men bezig is om Thérèse heilig te verklaren: «Zij was erg lief, schrijft zij, maar toch, haar heilig verklaren!». Op 19 april 1923 verklaart Paus Pius XI haar plechtig Zalig. Vervolgens is er op 17 mei 1925 de heiligverklaring. Voor deze grootse plechtigheden van die dag is aan de vier zusters Martin voorgesteld zich naar Rome te begeven. Alle vier geven de voorkeur aan de stilte en de vergetelheid van hun klooster. «Ik ben hier veel gelukkiger dan in Rome, schrijft zuster Françoise-Thérèse, ik blijf liever op de achtergrond… Het is alleen de stilte die betaamt… Maar verre van mij te verblinden, geeft dit alles, dank zij God, mij steeds het verlangen naar de Hemel».

« Wat een geluk ! »

Begin 1941 gaat zuster Françoise-Thérèse van haar cel naar de ziekenzaal. Zij schrijft aan haar zusters: «Ik ga naar mijn eeuwigheid, wat een geluk!… Ik heb niets meer wat gezond is behalve de ogen, het hart en het hoofd, God zij dank, maar Hij kan alles nemen, het is geheel aan Hem! Volledige overgave, zelfs van mijn zeer kleine en arme verstand!» In de nacht van 16 op 17 juni verlaat zij vredig deze wereld in tegenwoordigheid van haar Overste, Moeder Marie-Agnès Debon, die haar zegent en omarmt uit naam van haar zusters.

In de loop van haar 78-jarig leven, waarvan 43 jaar in de Visitatie, heeft Léonie vele beproevingen gekend: minderwaardigheidscomplex, nederlagen, onzekerheid, lichamelijk lijden, innerlijke bekoringen van opstand… Maar zij die een moeilijk opvoedbaar kind was en waarvan men menselijkerwijze niets kon verwachten, is door de krachtige werking van de Heilige Geest een «heilige» geworden! Onlangs nog, getuigde Moeder Marie-Agnès, haar laatste Overste, van de vriendelijkheid, van de eenvoud en van de eigenzinnige uitwissing van het moeilijke kind van Alençon, die door haar inspanningen en door Gods genade, een volmaakte Visitantin wordt. Deze ingrijpende geestelijke verandering is een van de goede resultaten van «de weg van de kindsheid» van de heilige Theresia van het Kind-Jezus voor wie de heiliging een gesteldheid van het hart is, die ons nederig en klein maakt in de armen van God., bewust van onze zwakheden, en stoutmoedig vertrouwend in zijn goedheid als Vader (vgl. Novissima verba, 3 augustus 1897).

« Een buitengewone genade »

Sinds de dood van zuster Françoise-Thérèse is er een wereldwijde opwelling van sympathie verspreid. Uit alle delen van de wereld komen bij de Visitatie vragen om voorspraak binnen, evenals dankbetuigingen voor de verkregen genade. Zij die haar ouders zoveel zorgen veroorzaakte is de toevlucht geworden voor hen die bij de opvoeding van hun kinderen moeilijkheden ondervinden.

«O mijn God, schreef zuster Françoise-Thérèse, U hebt weinig in mijn leven gelegd wat schitterde, maak dat ik, zoals U, de voorkeur mag hebben voor de waarachtige waarden, de menselijke waarden versmadend, en door het vertrouwen slechts het absolute, het Eeuwige, de liefde van God te willen». Deze woorden zijn ingegeven door het boek «De navolging van Christus», dat zij vaak las: «Daarom, Heer mijn God, beschouw ik het als een buitengewone genade dat u mij weinig gaven hebt geschonken die uiterlijk te zien zijn en die de lof en bewondering van de mensen aantrekken. Als iemand namelijk de armoede en de geringheid van zijn persoon zonder verslagenheid constateert, mag geen neerdrukkende gedachte, geen droefheid of ontmoediging bij hem opkomen, maar eerder een gevoel van troost, zelfs van uitbundige blijdschap, want U, mijn God, hebt als uw vrienden en uw dienaren de armen en geringen gekozen, degenen die de wereld misprijst» (III, 22). Het leven vol nederigheid van zuster Françoise-Thérèse is in deze enkele woorden opgesloten.

Wij vragen haar met vertrouwen ons te leren om haar voetsporen te volgen en om onze voorspraak te zijn, samen met de heilige Theresia van het Kind-Jezus en de heilige Jozef, voor allen die u dierbaar zijn, levend en overleden.