3 december 1998

Heilige Maximiliaan Kolbe

Dierbare Vrienden,

Het is in het jaar 1915 dat in Rome een man van rijpere leeftijd in het bijzijn van broeder Maximiliaan Kolbe raast en tiert over de Paus en de Kerk. De jonge franciscaan gaat de discussie aan. «Ik heb er verstand van, jongeman! Ik ben doctor in de filosofie», riep de onbekende uit. «En ik ook», antwoordt de kleine broeder van eenentwintig jaar, die wel zestien lijkt. Verbaasd, verandert de man van toon. Dan weerlegt de broeder met een onverbiddelijke logica een voor een de argumenten van zijn gesprekspartner en keert de argumenten tegen hem. «Op het laatst, vertelt een getuige, zwijgt de ongelovige. Het lijkt of hij diep nadenkt». Wie is toch deze vurige apostel, beschreven door Paus Paulus VI als een «voorbeeldig man waarop wij onze leefwijze kunnen richten, in hem het voorrecht herkennend van de Apostel Paulus om tegen de christenen te zeggen: Weest mijn navolgers, zoals ik het ben van Christus (1 Kor 11, 1)».

Raymond Kolbe, de latere heilige Maximiliaan (door Paus Johannes Paulus II op 10 oktober 1982 heilig verklaard), is geboren op 7 januari 1894 uit eenvoudige Poolse wevers. Zijn vader is erg zachtaardig en nogal zwijgzaam. Zijn moeder is doortastend en werkzaam. Behalve twee op jonge leeftijd gestorven kinderen, telt het gezin drie jongens, Frans, Raymond en Jozef. Raymond is fel, zelfstandig, ondernemend en koppig. Van nature levendig en impulsief, stelt hij vaak het geduld van zijn moeder op de proef, die dan op zekere dag uitroept: «Mijn lieve jongen, wat moet er van jou worden?».

De terechtwijzing veroorzaakt bij de jongen een echte verandering. Hij wordt verstandig en gehoorzaam. Zijn moeder bemerkt dat hij vaak verdwijnt achter de kast waar zich een huisaltaartje bevindt van Onze-Lieve-Vrouw van Czestochowa. Daar bidt en huilt hij. «Luister eens, Raymond, waarom huil je als een meisje? – Toen u mij gezegd hebt: «Raymond, wat moet er van jou worden?», heb ik veel verdriet gehad en ben ik de Heilige Maagd gaan vragen wat ik zal moeten worden… De Heilige Maagd is mij verschenen, twee kronen vasthoudend, de een wit en de andere rood. Zij heeft mij liefdevol aangekeken en mij gevraagd welke ik zou kiezen; de witte betekent dat ik altijd zuiver zal zijn en de rode dat ik als martelaar zal sterven. Ik heb geantwoord: «Ik kies alle twee!»»

De ziel van het kind koestert sinds deze ontmoeting een onwankelbare liefde voor de Heilige Maagd. Het lezen van de geschriften van de heilige Louis-Marie Grignion de Montfort leert hem dat «God in de laatste tijd de volle aandacht kan vestigen op Maria, het meesterwerk van zijn handen… Maria moet, meer dan ooit, uitblinken in barmhartigheid, in kracht en in genade» (Werk over de ware devotie voor de Heilige Maagd). Hij geeft zijn leven aan de Heilige Maagd. De mariale

toewijding is een gave van liefde die de hele persoon opoffert en die hem verbindt aan de Onbevlekte. «Zoals de Onbevlekte in dienst van Jezus is, van God, gaat eveneens elke ziel door Haar en in Haar naar Jezus, naar God, en dat is veel beter dan zonder Haar», zal de heilige Maximiliaan schrijven. «De Katholieke Kerk heeft altijd bevestigd dat de navolging van de Maagd Maria niet alleen de poging niet afleidt om Christus na te volgen, maar het aangenamer en gemakkelijker maakt» (Paulus VI, Apostolische Exortatie, 13 mei 1967, n. 8).

Tot Maria aangetrokken, omarmt Raymond Kolbe het religieuze leven. Op 4 september 1910 trekt hij de franciscaanse pij aan en neemt als naam «broeder Maximiliaan Maria». In de herfst van 1912 zenden zijn superieuren hem naar de gregoriaanse universiteit in Rome. Zijn studies leiden hem niet af van zijn ideaal tot heiliging : hij wil God de grootst mogelijk eer verschaffen. «De glorie van God bestaat uit het heil van de zielen. Het heil van de zielen en de volmaakte heiliging van degenen die reeds zijn vrijgekocht tegen de hoge prijs door de dood van Jezus aan het Kruis, van nature beginnend met onze ziel, is ons verheven ideaal». Maar de weg van het heil wordt gevonden in de vervulling van Gods wil. De jonge broeder schrijft zijn moeder dan ook: «Ik wens u noch een goede gezondheid, noch voorspoed. Waarom? Omdat ik u iets beters zou willen wensen dan dat, iets dermate goed dat God-Zelf u niets beters zou weten toe te wensen : dat in alles de wil van de zeer goede Vader in u geschiede, dat u in alles Gods wil zou vervullen! Ik kan u niets beter toewensen».

Onder de voeten van Lucifer

In Rome inspireert de Heilige Maagd hem de «Missie van de Onbevlekte» te stichten. Toendertijd juichte de vrijmetselarij in de eeuwige stad. Wanneer de vrijmetselaars schaamteloos beginnen tekeer te gaan, legt broeder Maximiliaan uit, dat zij hun vaandel onder de ramen van het Vaticaan oprichten, dat vaandel waarop, op een zwarte achtergrond, Lucifer de Aartsengel Michaël onder zijn voeten vertrapte, wanneer zij hun schimpschriften tegen de Heilige Vader beginnen uit te delen, kwam bij mij het idee op een genootschap op te richten met het doel de vrijmetselaars en de andere trawanten van Lucifer te bestrijden.

De vrijmetselarij is een gezelschap met duizend vertakkingen, dat ernaar streeft de wereld te besturen volgens beginselen die het gezag van God en zijn Openbaring buitensluiten. «Zoals de opdracht geheel en al eigen aan de Katholieke Kerk bestaat uit het in hun volheid ontvangen en in onbederfelijke zuiverheid behouden van de door God geopenbaarde leerstellingen, zowel als het gevestigde gezag die te onderrichten, met de andere ondersteuningen gegeven vanuit de Hemel, is het daartegen dat de vrijmetselaars de grootste hardnekkigheid ontplooien en hun gewelddadige aanvallen richten» (Leo XIII, Encycliek, Humanum genus, 20 april 1884). Maar de vrijmetselarij verwoest ook de burgermaatschappij, want hun beginselen zijn in tegenspraak met de natuurwetten en ondermijnen «de grondslagen van rechtvaardigheid en eerlijkheid» (id.). Heel vaak bieden zij de mens als enige richtsnoer de bevrediging van de begeerten. Bovendien de aanmatiging de Staat volledig te vervreemden van de godsdienst en het openbare leven te beheersen alsof er geen God bestond, is «een ongehoorde overmoedigheid» (id.). Zoals elk mens immers de verplichting heeft «aan God met een vrome erkenning de verering aan te bieden, omdat wij aan Hem ons leven te danken hebben en de bezittingen die ons vergezellen, is een dergelijke plicht voorgeschreven aan de volkeren en aan de samenlevingen» (id.).

De Congregatie voor de Geloofsleer heeft, door een kennisgeving gedateerd 26 november 1983, het onderricht van Leo XII bevestigd:

«Het oordeel van de Kerk over de loges van de vrijmetselarij blijft onveranderd, omdat hun beginselen altijd beschouwd zijn geweest als onverenigbaar met de Leer van de Kerk, en het lidmaatschap van deze genootschappen blijft verboden door de Kerk. De gelovigen die tot de vrijmetselarij behoren zijn in staat van ernstige zonde en kunnen niet tot de H. Communie naderen.

Wetenschappelijk geprogrammeerde bedreigingen

Tegenwoordig beveelt de vrijmetselarij de «cultuur van de dood» aan door de bevordering van de anticonceptie, de abortus en de euthanasie. Zij draagt zo bij aan het verwoesten van het gezin. Voor de vrijmetselaar Pierre Simon, die in 1979 schreef, «mijn ware wezen is niet meer mijn lichaam maar mijn loge (van de vrijmetselarij)», is het leven «niet meer een gave Gods, maar een bouwstof die zichzelf bestuurt… Het verliest het absolute kenmerk dat het in Genesis had». Men kan het dus naar willekeur manipuleren. Zo is de seksualiteit ontkoppeld van de voortplanting en de voortplanting van het ouderschap. Dit is het hele begrip van het gezin, dat aan het wankelen is». Dergelijke beginselen bezielen op dit ogenblik talrijke organisaties die, zonder openlijk met de vrijmetselarij verbonden te zijn, in dezelfde geest werken. Paus Johannes Paulus II kon het dan ook in Denver, op 4 augustus 1993, zo zeggen: «De bedreigingen tegen het leven verzwakken mettertijd niet. Integendeel, zij nemen geweldige afmetingen aan. Het zijn geprogrammeerde bedreigingen op een wetenschappelijke en systematische wijze».

Alle zielen redden

Machtig tegen het kwaad, zegeviert Onze-Lieve-Vrouw over de duivel. Broeder Maximiliaan fundeert dan ook de «Missie van de Onbevlekte» op dit woord van God over de slang (de duivel) : Zij (de Heilige Maagd) zal je kop verpletteren (Gen 3, 15). De Heilige verbindt deze goddelijke profetie met de bevestiging van de liturgie: «Door u alleen, O Maria, zijn al de ketterijen overwonnen geworden». Het doel van zijn werk is het verkrijgen van «de bekering van de zondaars, ketters, scheurmakers enz., en in het bijzonder van de vrijmetselaars; en de heiliging van al de mensen onder leiding en door de tussenkomst van de Allerheiligste Maagd Maria Onbevlekt Ontvangen». Dit verlangen stemt overeen met Gods plan. Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben (1 Joh 3, 16). Niet wij hebben God liefgehad, maar Hij heeft ons liefgehad, èn Hij heeft zijn Zoon gezonden om door het offer van zijn leven onze zonde uit te wissen (1 Joh 4, 10). Jezus-Christus, die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons maar die van de hele wereld (1 Joh 2, 2).

De leden van de «Missie» wijden zich volledig toe aan de Allerheiligste Maagd Maria Onbevlekt Ontvangen, als instrumenten in haar handen en zullen de Wonderdadige Medaille dragen. Zij zullen eenmaal per dag het volgende gebed bidden: «O Maria, zonder zonden ontvangen, bid voor ons die hun toevlucht tot U nemen en voor degenen die geen toevlucht tot U nemen, meer in het bijzonder voor de vrijmetselaars en voor allen die U worden aanbevolen».

De cultuur kerstenen

De gezondheid van broeder Maximiliaan is niet sterk. Ondanks dat, wijdt hij zich met ijver aan zijn studie, legt zijn examens schitterend af en wordt in 1915 doctor in de filosofie. Vier jaar later verkrijgt hij met hetzelfde succes een doctoraat in de theologie. Inmiddels heeft hij op 28 april 1918 de priesterwijding ontvangen. Hij beschouwt zijn intellectuele vorming als doel om de naaste te onderrichten en zo bij te dragen aan het heil van de zielen.

Zijn verlangen is het «elke vooruitgang te laten dienen tot de eer van God», dit wil zeggen de moderne cultuur te kerstenen. «De nieuwe problemen en de onderzoeken tegenwoordig veroorzaakt door de vooruitgang van de moderne wereld zullen, zo verklaart het Twee Vaticaans Concilie, zorgvuldig bestudeerd worden. Men zal veel beter begrijpen hoe het geloof en het verstand zich verenigen om de unieke waarheid te bereiken… Op deze wijze zal zich als een duurzame en algemene openbare aanwezigheid de christelijke gedachte verwezenlijken in al de intellectuele inspanningen naar de hoogste

ontwikkeling; en de studenten van de instituten (hogere scholen, universiteiten en faculteiten) zullen worden gevormd om uitstekende mensen voor de wetenschap te worden, gereed om de zwaarste taken in de samenleving op zich te nemen, en tevens als getuigen van het geloof in de wereld» (Gravissimum educationis, 10).

Maar de Heilige moet ondervinden dat het goede niet zonder kruis tot stand komt. Zoals de heilige Theresia van het Kind-Jezus het herinnert, «Alleen het lijden brengt de zielen voort». Tegen het einde van 1919 zendt men hem naar Zakopane, in een sanatorium waar geestelijke verzorging ontbreekt. Ofschoon hij ziek is, neemt hij een moeilijk apostolaat op zich bij zijn metgezellen, met behulp van de wonderdadige medaille. Hij bereikt vooruitgang en wint de harten een voor een, zodat men hem uitnodigt lezingen te geven. De apostel van Maria verwachtte dit slechts. Veel ongelovigen bekeren zich.

Het gif van de onverschilligheid

De Pater begint een serie «apologetische voordrachten», over het bestaan van God en de goddelijkheid van Christus. De liefde die hij uit voor de waarheid schemert door in een brief aan zijn broer Jozef: «Het grootste gif is tegenwoordig de onverschilligheid, die niet alleen onder de burgers slachtoffers maakt maar ook onder de geestelijken, in verschillende graden wel te verstaan». «Al de christenen, zegt Paus Pius X, moeten zoveel mogelijk een diepgaand en grondig onderricht in de godsdienst krijgen. Het zou immers gevaarlijk zijn al de andere kennis te ontwikkelen en het geestelijk erfgoed onveranderd te laten, zoals het was in de prille jeugd. Noodzakelijkerwijze onvolledig en kunstmatig zou het gesmoord worden, en wellicht vernietigd, door de antigodsdienstige cultuur en door de ervaringen van het volwassen leven, zoals al degenen getuigen, waarvan het geloof schikbreuk leed voor de verborgen twijfels en onopgeloste problemen. Zoals het noodzakelijk is dat de grondslag van het geloof weldoordacht is, wordt een toereikende studie van de apologie onontbeerlijk» (24 maart 1957).

In 1927 sticht Pater Maximiliaan de franciscaanse mariale gemeenschap van Niepokalanow (letterlijk : de gemeenschap van de Onbevlekte). Alles is daar toegewijd aan Maria. Talrijken vragen hun toelating tot het noviciaat, zozeer dat het klooster wel duizend kloosterlingen zal tellen. «In Niepokalanow, zegt de Pater, leven wij met een idee-fixe, als men zich zo kan uitdrukken, de vrijwillig gekozen en geliefde: de Onbevlekte!» De pers, waarvan de invloed blijft toenemen, lijkt hem een bevoorrecht terrein van apostolaat. Met het oog op de evangelisatie brengt hij het tijdschrift «De Ridder van de Onbevlekte» op de markt, dat weldra de belangrijkste uitgave van Polen wordt. In 1939 wordt een oplage van een miljoen exemplaren bereikt.

«Kent u de Japanse taal?»

Verre van het enige doel te zijn van de Pater, is Polen slechts een springplank. Nauwelijks drie jaar na de oprichting van Niepokalanow ontmoet hij drie Japanse studenten in de trein. Het gesprek komt op gang en de Pater biedt wonderdadige medailles aan. In ruil daarvoor geven de studenten hem houten olifantjes, die hun als fetisjen dienen. Sindsdien blijft de Heilige met medelijden denken aan deze zielen zonder God. Op een goeie dag komt hij dan ook bij zijn Provinciaal en hij vraagt hem toestemmimg om naar Japan te gaan om daar een Japans Niepokalanow te stichten. «Hebt u geld?, vraagt de Pater Provinciaal – Nee. Kent u de Japanse taal? – Nee. – Hebt u minstens vrienden daar?, enige ondersteuning? – Nog niet, maar ik zal het vinden, met de genade van God».

Al de toestemmingen verkregen, vertrekt de Pater in 1930 met vier medebroeders naar Japan. Door veel werk, durf, gebed en vertrouwen in de Onbevlekte, slagen zij erin de «Mugenzai no Sono» op te richten (vertaald: de tuin van de Onbevlekte). Twee jaar na de oprichting in Japan, scheept Pater Maximiliaan zich in voor de oprichting in Indië. Als hij te kampen heeft met grote moeilijkheden, bidt hij tot de heilige Theresia van Lisieux : was hij vroeger in Rome niet met haar overeengekomen dat hij iedere dag voor haar heiligverklaring zou bidden, in ruil waarvoor zij zijn werken zou beschermen? Als bij toverslag verdwijnen alle hinderpalen. Maar in 1936 moet de apostel van Maria Onbevlekt Ontvangen uitgeput en ondermijnd door de koorts terugkeren naar Polen.

De liefde of de zonde

September 1939: de oorlog breekt uit in het land. De heilige Maximiliaan legt zich met meer geestdrift dan ooit toe op het apostolaat. «Als het goede bestaat uit liefde tot God en in alles wat uit de liefde oplaait, is het kwade in wezen een ontkenning van de liefde », leest men in de uitgave van zijn laatste artikel. In het diepst van elke ziel zijn er die twee tegenstanders : het goede en het kwade, de liefde en de zonde. De heilige Augustinus heeft deze strijd in deze woorden uitgedrukt: «Twee liefdes hebben twee steden gebouwd : de eigenliefde tot onbehagen van God heeft de aardse stad gebouwd; de liefde tot God heeft met minachting van de eigenliefde de hemelse stad gebouwd» (Stad van God, XIV, 28).

Op 17 februari 1941 maken de politieagenten van de Gestapo zich meester van de Pater en van vier andere broeders, die zij eerst meenemen naar de Pawiak-gevangenis te Warschau. De Pater wordt daar als kloosterling en priester hevig geslagen. Hij schrijft aan zijn kinderen achtergebleven in Niepokalanow: «De Onbevlekte, de liefhebbende Moeder, heeft ons steeds met tederheid omringd en zal altijd blijven waken… Laten wij ons door Haar laten leiden, min of meer volkomen, waarheen zij wil en wat de willekeur ook moge zijn, opdat wij door onze plicht tot het einde toe te vervullen uit liefde al de zielen zullen kunnen redden». Enkele maanden later wordt Pater Kolbe overgebracht naar het concentratiekamp Auschwitz.

Weldra verpleegd ten gevolge van langdurige mishandeling, is hij de hele nacht door aan het biecht horen, ondanks het verbod en de dreiging van represailles. Hij weet het kwade om te zetten in het goede, en maakt op zekere dag aan een zieke duidelijk dat: «De haat geen scheppende kracht is. Alleen de liefde is scheppend. Onder deze smarten zullen wij niet buigen, maar die moeten ons helpen, altijd nog meer, sterker te worden. Zij zijn noodzakelijk, met de andere opofferingen, opdat degenen die na ons komen gelukkig mogen zijn». Hij laat zijn makkers delen in de ervaring van het Paasmysterie, waarin het overwonnen lijden door het geloof omgezet wordt in vreugde. «De paradox van de christelijke gesteldheid verlicht in het bijzonder degene met een menselijke gesteldheid : noch de beproeving, noch het lijden is uit deze wereld verdreven, maar zij geven een nieuwe zin aan de zekerheid deel te hebben aan de Verlossing bewerkt door de Heer en om aan zijn glorie deel te hebben» (Paulus VI, Apostolische Exhortatie Over de christelijke vreugde, 9 mei 1975).

Werken met twee handen

Eind juli 1949 ontvlucht een gevangene uit blok 14, het blok van Pater Maximiliaan. De kampleider heeft gewaarschuwd, dat voor elke ontsnapte er tien mensen tot de hongerdood zouden worden veroordeeld. Een van de voor de dood aangewezen ongelukkigen roept uit: «O! mijn lieve vrouw en kinderen zal ik niet meer terugzien!» Te midden van zijn verbijsterde kameraden baant Pater Maximiliaan zich een weg en verlaat de rijen. «Ik zou willen sterven in de plaats van een van deze veroordeelden», en hij wijst degene aan die zo juist had gejammerd. «Wie ben jij?» vraagt de kampleider. «Katholiek priester», antwoordt de Pater. Want het is als katholiek priester dat hij zijn leven wil geven.

In het blok van de dood geven de gevangenbewaarders er zich rekenschap van dat er iets nieuws gebeurt. In plaats van de gebruikelijke angstkreten, zijn het gezangen die zij horen. De aanwezigheid van Pater Maximiliaan heeft de sfeer van de afschuwelijk cel veranderd. De wanhoop heeft plaats gemaakt voor een verlangen vol hoop, van aanvaarding en van liefde, naar de Hemel, naar de Moeder van Barmhartigheid. In de vooravond van Maria-Hemelvaart is alleen Pater Maximiliaan bij volle bewustzijn. Op het moment waarop de bewakers naar binnen gaan om hem af te maken, is hij in gebed. Als hij de injectienaald ziet, steekt hij zelf zijn vermagerde arm uit voor de dodelijke injectie.

Bij zijn leven herhaalde de heilige Maximiliaan Kolbe graag: «Op de aarde kunnen wij slechts met één hand werken, want de andere hebben wij hard nodig om ons vast te klampen om zelf niet te vallen. Maar in de Hemel is dat anders! Geen gevaar om uit te glijden, om te vallen! Dan zullen wij nog meer werken, met onze twee handen!» Voor u en voor degenen die u dierbaar zijn, levend of overleden, vragen wij hem om voorspraak, en aan de Onbevlekte Maagd en sint Jozef.