19 Maart 1999

Heilige Leopold Mandic

Dierbare Vrienden,

Op een avond in november 1882 bereikt een jongeman samen met zijn vader Udine (Italië). Zij begeven zich naar het Kapucijnenklooster en omdat zij worden verwacht, opent de deur zich terstond om hen binnen te laten. Pater Gardiaan haast zich voor zijn gasten. Zijn blik richt zich op die jongeman van zestien, te klein voor zijn leeftijd, mager en bleek. Hij heeft zijn uiterlijk waarachtig niet mee met zijn onbeholpen houding die zijn verlegenheid en zijn logge loop nog versterkt. En wat spreekt hij slecht: hij stottert. Maar zijn gelaatsuitdrukking met regelmatige trekken die een levendige blik en een gulle glimlach uitdrukken, vergoedt gelukkig veel van die tekortkomingen. De enkele woorden die hij heeft gesproken hebben bovendien laten merken dat hij een vastberaden jongeman is: hij wil priester worden in de Orde van de Kapucijnen Minderbroeders.

Hij komt van erg ver, van Castelnovo in Dalmatië (tegenwoordig Herzegovina in Montenegro). Geboren op 12 mei 1866, heeft hij bij het doopsel de naam Theodorus ontvangen. Ten gevolge van een tegenslag verkeert zijn familie in zeer bescheiden omstandigheden terwijl zij vroeger deftig en rijk waren, maar die verandering heeft in niets het geloof noch de trouw van de Mandic’s aan de roomse Kerk aangetast.

Van nature trots en met een levendig temperament laat de kleine Theodorus het dalmatische bloed dat door zijn aderen stroomt er niet om liegen. De sfeer van het «serafijnse» seminarie waar hij binnenkomt is goed. Maar zijn kameraden zijn stevige en goed gebouwde jongens en de toespelingen op zijn kleine gestalte, hij is niet groter dan een meter dertig, of op zijn gebrekkige uitspraak, kwetsen hem diep. Zelfs verzet hij zich pijnlijk als hij een nogal meewarige blik opvangt van de Paters die voor de school zorgen. Door enkele onbeduidende driftbuien raakt hij in een moedige en volhardende strijd verwikkeld om zijn prikkelbaarheid te onderdrukken, zijn onstuimig temperament te matigen, om zijn gewone geduld en veroverende zachtmoedigheid terug te krijgen. Sinds zijn eerste communie put Theodorus regelmatig uit de Eucharistie de noodzakelijke kracht om zijn fouten te verbeteren.

Door zich in het religieuse leven aan God te geven, heeft hij een bepaald doel: werken aan de terugkeer tot de katholieke eenheid van de Oosterse Kerken die afgescheiden zijn van de Roomse Kerk. Dit idee kreeg hij al tijdens zijn jeugd in Castelnovo. Deze haven aan de Adriatische Zee is een belangrijk handelscentrum, het ontmoetingspunt van mensen van verschillende rassen en godsdiensten. In deze godsdienstige pluriformiteit nam de Katholieke Kerk een eervolle plaats in, doch haar invloed was niet voldoende om de uitbarsting van hebzucht van weelde en zinnelijkheid tegen te gaan en te beheersen. Het treurige schouwspel van deze geestelijke nood heeft Theodorus getroffen. In de loop der jaren laat God hem hoe langer hoe beter begrijpen hoezeer het ware geloof ontbrak bij deze ontwortelde bevolkingen. In zijn hart is er een verlangen geboren, een voornemen dat, onder invloed van de genade, een standvastig en vastberaden besluit is geworden: de verlaten zielen redden door hen te laten binnengaan in de Katholieke Kerk. Met deze gedachte heeft zijn horizon zich uitgebreid en na zijn ontmoetingen in Castelnovo, heeft hij al de Oosterse landen ontdekt die door het schisma zijn overmeesterd en buiten de ware schaapskooi van Christus leven. Hij, de kleine Mandic, zal hun apostel zijn.

De goede graankorrel zaaien

De opleidingstijd van Theodorus in Udine duurt nauwelijks achttien maanden. Toegelaten tot het noviciaat van het klooster van Bassano del Grappa wordt hij daar ingekleed op 20 april 1884 en ontvangt daarbij de naam Broeder Leopold. Als het noviciaat is voltooid, studeert hij filosofie in Padua en daarna theologie in Venetië, waar hij op 20 september 1890 priester wordt gewijd. Zijn verlangen weldra naar de missie te vertrekken verhevigt zich. Maar zijn gezondheid heeft geleden door het verrichte werk gedurende de studiejaren en men zendt hem eerst naar diverse kloosters van de Orde om daar weer op krachten te komen. Dit is een grote teleurstelling. Toch aanvaardt hij dit met een diepe godsvrucht door te leren zijn leven niet te laten verlopen door zijn persoonlijke ingevingen, maar in gehoorzaamheid. Met het oog op de toekomstige missie verbetert hij zijn kennis van de godsdienstwetenschap en de oosterse talen zoals het modern Crieks, het Kroatisch, het Sloveens en het Servisch. Hij houdt zich ook bezig met verschillende onderhoudskarweitjes in de huizen waar hij verblijft.

In 1897 wordt hij tot overste van het kapucijnenklooster van Zara benoemd. Hij verheugt zich erop want Zara brengt hem dichter bij het Oosten. Veel zeelieden en kooplieden van alle Balkanlanden en van het Nabije-Oosten bezoeken die Dalmatische haven. Nog maar nauwelijks gevestigd begint Pater Leopold het apostolaat. Zodra de aankomst van een schip wordt gemeld, haast hij zich de zeelieden te verwelkomen en met hen kennis te maken. Het voorwendsel is gemakkelijk: een vreemdeling die van boord gaat is blij bij het aan land gaan een vriendelijk gezicht te ontmoeten, iemand die hem van de nodige inlichtingen voorziet en als het moet hem de weg wijst door de stad. Onderweg praat men over allerlei dingen. De Pater informeert naar het land van herkomst van zijn nieuwe vrienden, naar hun beroep, naar hun familie. naar hun godsdienst. En wanneer hij denkt dat het geschikte moment is gekomen, brengt hij, voorzichtig en met enige terughoudenheid, het onderwerp ter sprake dat hem zo na aan het hart ligt: de kennis van de ware godsdienst en de toetreding tot het katholiek geloof. De goede graankorel is gezaaid; hij zal opgroeien als het God behaagt.

Dit bescheiden aposlolaat begint enige vrucht af te werpen, als, twee jaar na zijn aankomst, zijn oversten Pater Leopold naar Thiene zenden waar de Kapucijnen de bediening hebben van een heiligdom dat is toegewijd aan de Heilige Maagd. Het zich in dienst stellen van de Allerheiligste Maagd verzacht het gevoelde verdriet van Pater Leopold bij zijn vertrek uit Zara. De jaren gaan voorbij. In 1906 een nieuwe verandering: de Pater bevindt zich in Padua. Hij zal daar voortaan blijven, bijna zijn hele leven. In 1922 evenwel, vertrekt hij naar Fiume om er de biecht te horen van de slaven. Zijn vertrek veroorzaakt zoveel verdriet in Padua, dat de bisschop als bemiddelaar optreedt bij de provinciaal van de Kapucijnen. Pater Leopold wordt teruggeroepen: «De heilige Antonius wil u zichtbaar bij hem hebben», schrijft zijn Overste.

Wat God wil: zoals Hij wil

De verschillende gebeurtenisseen, in het bijzonder de opeenvolgende overplaatsingen van klooster naar klooster, lijken de jeugdingevingen van Pater Leopold te logenstraffen: het apostolaat bij de Oosterse gelovigen zal niet het werk zijn waartoe God hem roept. Toch is Pater Leopold ervan overtuigd dat dit zijn speciale opdracht is. Na zijn dood heeft men een afbeelding van de Heilige Maagd teruggevonden, waarop hij, gedateerd 18 juli 1937, heeft geschreven: «Plechtig aandenken van het feit van 1887. Dit jaar is het de vijftigste verjaardag van de oproep, die ik voor de eerste keer heb gehoord door de stem van God, die mij vroeg voor de terugkeer van de afgescheiden Oosterse Kerken tot de katholieke eenheid te bidden en deze te bevorderen.» Met toestemming van zijn biechtvader heeft hij zich met een belofte verbonden deze missie bij de Oosterse gelovigen te vervullen. Hij vernieuwde vaak deze belofte en enkele maanden voor zijn dood schreef hij nog: «Er is geen enkele twijfel aan God… dat ik ben uitgekozen voor het heil van het Oosterse volk, dit wil zeggen de afgescheiden Oosterse gelovigen. Ter wille hiervan moet ik de goddelijke goedheid van Onze Heer Jezus Christus antwoorden, die zich gewaardigd heeft mij te kiezen, opdat door mijn priesterambt tenslotte ook de goddelijke belofte moge worden verwezenlijkt: Er zal daar slechts een enkele kudde en een enkele Herder zijn.»

Een uitdaging

Verlicht door dit inzicht van geloof schreef hij op een briefje: «Weet dat hoe vromer je je plichten zult vervullen, des te doelmatiger zal je medewerking zijn voor het heil van de Oosterse volkeren.» Deze aansporing geldt voor elke christen. In zijn encycliek Ut unum sint, van 25 mei 1995, schreef Paus Johannes Paulus II: «Christus roept al zijn volgelingen tot eenheid. Ik verlang vurig thans deze oproep te hernieuwen en haar met beslistheid te herhalen… dat zij die in Christus geloven en verenigd zijn op de weg die door de martelaren is gegaan, niet verdeeld kunnen blijven. Willen zij werkelijk en doeltreffend ingaan tegen de tendens in de wereld om het geheim van de Verlossing van zijn kracht te ontdoen, dan zullen zij gezamenlijk de waarheid van het Kruis dienen te belijden. Het Kruis! De christenvijandige stroming wil de waarde ervan ontkennen en het van zijn betekenis beroven; zij weigert te aanvaarden dat de mens daarin de wortels vindt van zijn nieuwe leven en beweert dat het Kruis geen uitzicht of hoop kan bieden: de mens, zo zegt men, is slechts een aards wezen dat leven moet alsof God niet bestaat. Het zal niemand ontgaan dat dit alles een uitdaging betekent voor de gelovigen. Een uitdaging die zij niet onbeantwoord mogen laten» (1-2).

Ook spoort de Paus de christenen aan te werken aan het herstellen van de eensgezindheid opdat zij allen één mogen zijn (Joh 17, 21). Werkelijk, het apostolaat voor de eenheid dat voor iedereen bereikbaar is, is dat van de persoonlijke heiliging. «Een ware oecumenische beweging zonder innerlijke omkeer is niet mogelijk, zegt de Heilige Vader… Ieder moet zich dus radicaler tot het Evangelie bekeren… Deze innerlijke omkeer en heiligheid van leven, tezamen met persoonlijke en openbare smeekbeden voor de eenheid van de christenen, moet men beschouwen als de ziel van de gehele oecumenische beweging. Men kan dit terecht een «geestelijke oecumenische» beweging noemen» (id. 15, 21).

Pater Leopold is overtuigd dat de terugkeer van de afgescheidenen eens tot stand zal komen. Hij schrijft aan zijn geestelijk leidsman: «Als wij, priesters het H. Misoffer voor deze intentie zouden opdragen, is het Christus-Zelf die voor de afgescheiden broeders bidt. Welnu, wij kennen bovendien de kracht van dit gebed van Christus, dat altijd wordt verhoord.» Hij ontdekt een andere waarborg van de terugkeer in de diepgaande devotie van de Oosterse gelovigen voor de Maagd Maria. De zo goede Moeder kan hen niet verlaten.

Tien tot vijftien uur per dag

Vanaf het begin van zijn priesterschap heeft Pater Leopold zich gewijd aan de bediening van de biecht; maar in Padua was er eens een menigte die hem bestormde. Dit apostolaat beantwoordt aan een kinderwens. Op achtjarige leeftijd had een van zijn zusters hem terechtgewezen voor een onbelangrijke fout en hem naar zijn pastoor gebracht die hem midden in de kerk op zijn knieën zette: «Ik bleef, zal hij later vertellen, diep bedroefd en dacht bij mijzelf: Waarom een kind zo streng behandelen voor een zo lichte fout? Als ik groot ben, wil ik kloosterling worden, biechtvader worden en de zielen van zondaars met veel goedheid en barmhartigheid behandelen.» Deze wens werd in Padua volledig vervuld.

De bediening van het sacrament van Verzoening is voor hem een zware opgave. Hij oefent het uit in een kamertje van enkele vierkante meters, met een tekort aan frisse lucht en voldoende licht, ’s zomers een oven en ’s winters een ijskelder. Hij houdt zich daar opgesloten van tien tot vijftien uur per dag. «Hoe houdt u het zo lang uit in de biechtstoel?» vraagt hem op zekere dag een medebroeder. «Ziet u, dit is mijn leven», antwoordt hij glimlachend. De liefde voor de zielen maakt hem graag gevangene van de biechtstoel, want hij weet dat «in doodzonde sterven zonder er berouw over te hebben en zonder Gods barmhartige liefde te aanvaarden, betekent uit eigen vrije keuze voor altijd van Hem gescheiden blijven» en dat «de zielen van hen die sterven in staat van doodzonde, onmiddellijk na de dood afdalen naar de hel, waar zij de straffen van de hel, «het eeuwige vuur» ondergaan (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK 1033, 1035).

m de onmetelijke weldaad van de vergeving door God te bezorgen aan degenen die zich tot hem richten, stelt Pater Leopold zich glimlachend, voorzichtig en bescheiden beschikbaar, als een begripvol en geduldig geestelijk raadsman. De ervaring heeft hem geleerd hoe belangrijk het is de biechteling op zijn gemak te stellen en vertrouwen te schenken. Een van hen heeft verslag gedaan van een veelzeggend feit: «Het was heel wat jaren geleden dat ik had gebiecht. Tenslotte nam ik het besluit en ik ging naar Pater Leopold. Ik was erg beducht en verlegen. Nauwelijk was ik binnen of hij stond van zijn stoel op en sprak mij aan, heel tevreden, als bij een verwachte vriend: «Ik verzoek u om plaats te nemen.» In mijn vewarring ging ik in zijn leunstoel zitten. Zonder een woord te zeggen, knielde hij op de grond en hoorde mijn biecht. Pas na mijn biecht werd ik mij van mijn stommiteit bewust en ik wilde mij toen verontschuldigen; maar hij zei glimlachtend. «Dat maakt niets uit. Ga in vrede.» Dit blijk van goedheid bleef in mijn geheugen gegrift. Door zijn houding heeft hij mij volledig gewonnen.»

Het vaste voornemen

Pater Leopold zorgt bij zijn biechtelingen voor de vereiste instelling voor de vruchtbare ontvangst van het sacrament. Hij begrijpt «enerzijds wat de mens doet die zich bekeert onder de invloed van de Heilige Geest, namelijk het berouw, de belijdenis en de voldoening; anderzijds wat God doet door tussenkomst van de Kerk» (KKK, 1448). Onder de akten van de boeteling komt het berouw op de eerste plaats. Dit is de zielesmart vanwege de zonde die men heeft bedreven en de afschuw ervan, vergezeld van het voornemen voortaan niet meer te zondigen. Het berouw houdt in de afkeer van de losbandigheden van het vroegere leven en een intense huivering voor de zonde, volgens dit woord: Breek met alle wandaden die ge bedreven hebt; vernieuw uw hart en uw geest… (Ez 18, 31). Het houdt ook in «het serieuze voornemen in de toekomst niet meer te zondigen. Als deze instelling van de ziel ontbreekt, zou er in werkelijkheid geen sprake zijn van berouw. Het vaste voornemen niet meer te zondigen moet berusten op de goddelijke genade die de Heer nooit verzuimt te geven aan degene die al het mogelijke doet om eerlijk te handelen» (Johannes-Paulus II, 22 maart 1996). Om de absolutie te verkrijgen is het voornemen minder te zondigen niet voldoende, maar het is onontbeerlijk te hebben besloten geen ernstige zonden meer te bedrijven.

Wanneer het berouw voortkomt uit de liefde tot God die bovenal wordt bemind, noemt men het een «volmaakt» berouw. Door zulk een berouw worden de dagelijkse zonden vergeven; ook schenkt het vergiffenis van doodzonden als het vergezeld wordt van het vaste voornemen zo spoedig mogelijk tot de sacramentele biecht te naderen. Het berouw dat «onvolmaakt» genoemd wordt (ofwel «attritie»), is eveneens een gave van God, een impuls van de Heilige Geest. Het komt voort uit het besef hoe afschuwwekkend de zonde is of uit angst voor de eeuwige verwerping en andere straffen waarmee de zondaar wordt bedreigd. Uit zichzelf bewerkt het onvolmaakte berouw echter niet de vergeving van zware zonden. Het bevordert de ontvankelijkheid voor deze vergeving die wordt verkregen in het boetesacrament.

De bekentenis van de zonden aan de priester vormt de tweede wezenlijke akte van het boetesacrament. De boetelingen moeten in de biecht alle doodzonden opsommen waarvan zij zich na een zorgvuldig gewetensonderzoek bewust zijn, zelfs wanneer deze zeer verborgen zijn en slechts ingaan tegen de laatste twee van de tien geboden (opzettelijke slechte begeerten) want soms brengen deze zonden de ziel een zwaardere wonde toe en zijn ze gevaarlijker dan zonden die openlijk werden bedreven. Hoewel het niet strict noodzakelijk is, beveelt de Kerk het toch ten zeerste aan, ook de dagelijkse zonden te belijden. De regelmatige belijdenis van onze dagelijkse zonden helpt ons ook werkelijk ons geweten te vormen, te strijden tegen onze slechte neigingen, ons te laten helen door Christus en voortgang te boeken in het geestelijk leven. Door vaker in dit sacrament de barmhartigheid van de Vader te ervaren, worden wij ertoe aangezet zelf, zoals Hij, barmhartig te zijn en wij ontvangen een groei van de geestelijke krachten voor de christelijke strijd» (vgl. KKK, 1496).

Volledige geestelijke gezondheid

De sacramentele voldoening is de derde akte van de biechteling. Uit de zonde opgestaan moet de zondaar nog de volledige geestelijke gezondheid herwinnen. Hij moet dus nog iets meer doen om zijn zonden goed te maken: hij moet op geëigende wijze voldoening schenken of zijn zonden uitboeten. Deze voldoening wordt ook «penitentie» genoemd. Zij kan bestaan uit gebed, een gift, werken van barmhartigheid, vrijwillige versterving en vooral de geduldige aanvaarding van het dagelijkse kruis. Vele zonden berokkenen aan de naaste schade. Men moet al het mogelijke doen om deze schade te herstellen: bijvoorbeeld door gestolen goed terug te geven, de goede naam herstellen van iemand die het slachtoffer is geworden van laster enz (vgl. KKK, 1451-1460).

Dergelijke «boetedoeningen» helpen ons gelijkvormig te worden aan Christus, die als enige eens voor altijd onze zonden heeft uitgeboet. Boetedoeningen staan ons toe medeërfgenamen van de verrezen Christus te worden, daar wij delen in zijn lijden (Rom 8, 17). Maar onze vereniging met het Lijden van Christus wordt ook verwezenlijkt buiten het sacramentele om. Men vroeg eens aan Pater Leopold: «Pater, hoe legt u deze woorden van de Heer uit: Degene die Mij wil volgen, moet alle dagen zijn kruis dragen? Moeten wij daarom een buitengewone boete doen? – Er is geen sprake van een buitengewone boete, antwoordde hij. Het is voldoende dat wij de gewone wederwaardigheden van ons armzalig leven zouden verdragen: het onbegrip, de ondankbaarheid, de vernederingen, de ongemakken ten gevolge van de seizoensveranderingen en de sfeer waarin wij leven… God heeft dit alles gewild als middel om onze Verlossing te bewerken. Maar opdat deze wederwaardigheden heilzaam zouden zijn en een goede uitwerking voor onze ziel zouden hebben, moet men ze niet met alle geweld uit de weg gaan… De buitengewone zorg voor het comfort, het voordurend zoeken naar de gemakken des levens, heeft niets te maken met de christelijke geest. Dit is zeker niet zijn kruis opnemen en Jezus volgen. Het is eerder het ontvluchten. En hij die slechts lijdt door wat hij niet heeft kunnen ontlopen, zal nauwelijks verdiensten hebben.» «De liefde van Jezus, zegt hij graag, is een vuur dat zich voedt met het hout van het offer en de liefde van het kruis; als het zich op deze wijze niet voedt, dooft het.»

Gedurende de winter van 1941 worden de maagpijnen, waaraan Pater Leopold al lang lijdt, steeds heviger. Hij moet het bed houden. Op 30 juli 1942 staat hij naar gewoonte heel vroeg op en brengt een uur in gebed door in de kapel van de ziekenafdeling. Om halfzeven kleedt hij zich met de misgewaden, maar hij wordt onwel en valt flauw. Als hij weer is bijgekomen, ontvangt hij het Heilig Oliesel en herhaalt daarna de vrome aanroepingen die zijn Pater Overste hem voorbidt. Bij de woorden van het Salve Regina: «O goedertieren, o vrome, o liefelijke Maagd Maria» gaat zijn ziel op naar de Hemel, waar zij met oneindige vreugde wordt ontvangen door de hele Hemelhof. Leopold Mandic is op 2 mei 1976 door Paus Paulus VI zalig verklaard en op 14 oktober 1983 heilig verklaard door onze H. Vader, Paus Johannes Paulus II.

Dat hij ons vanuit de Hemel zal kunnen helpen, door het veelvuldige ontvangen van het sacrament van de Biecht, om de aansporing in praktijk te brengen uit de brief aan de Hebreëen: Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te verkrijgen en tijdige hulp (4, 16). Wij vertrouwen aan zijn krachtige voorspraak, evenals aan die van Sint-Jozef, allen toe die u dierbaar zijn, levend of overleden.