11 Februari 1999
Gelukzalige Frederic Ozanam
Dierbare Vrienden,
Tijdens de Wereldjongerendagen in augustus 1997 zei Paus Johannes Paulus II: Vrienden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. De mens zonder Gods liefde kent God niet, want God is Liefde. (1 Joh 4, 7-8) Dit woord van de Apostel is waarlijk het hart van de Openbaring». Om een tastbaar voorbeeld te geven van de liefde tot God en tot de naaste, ging de Heilige Vader over tot de zaligverklaring van Frédéric Ozanam in de kathedraal van Notre-Dame in Parijs.
Hoewel Fransen, woonden Jean-Antoine Ozanam en zijn vrouw Marie in Milaan toen hun zoon Frédéric in 1813 werd geboren. Zij zullen in 1816 terugkomen in Lyon. De opvoeding die Frédéric krijgt van zijn ouders, die onvermoeibaar toegewijd zijn aan God en de armen, tekent hem diepgaand: «Het was op de knieën van mijn moeder dat ik uw vrees heb geleerd, Heer, door haar ogen uw liefde». Maar het kind is met een zwakke gezondheid geboren. Op zes jaar wordt hij door een buiktyfus geveld en dank zij de wonderbaarlijke tussenkomst van de heilige Jean-François Régis, tot wie door zijn familie vurig is gebeden, geneest hij van deze ernstige ziekte.
Ondanks een engelachtige zuiverheid, een onomwonden oprechtheid, vervuld van een innig medegevoel voor elk leed, heeft Frédéric toch geen gemakkelijk karakter. In een brief aan een oud-klasgenoot, beschreef hij zich aldus: «Ik was nooit ondeugender dan op mijn achtjarige leeftijd. Ik was koppig, opvliegend en ongehoorzaam geworden. Men strafte mij, ik verzette mij tegen de bestraffing… Ik was in de hevigste graad lui. Er waren alleen maar ondeugendheden die in mijn hoofd opkwamen». Op negen jaar, schreef zijn vader hem in bij het koninklijk college van Lyon om daar de vijfde klas te volgen. Zijn karakter werd soepeler door de vriendelijkheid van de leraren.
De waarheid nooit in tegenspraak met de waarheid
Met vijftien jaar maakt Frédéric een periode door van twijfel aan het geloof. Beïnvloed door het heersende klimaat van ongelovigheid, blijft hij zich steeds afvragen waarom hij gelooft. Zijn de nieuwe ontdekkingen van de wetenschap in tegenspraak met het geloof? Kan het verstand met zekerheid het bestaan van God erkennen?… Deze vragen houden hem bezig. Als de beproeving het hevigst is, belooft hij aan de Heer, als Hij zich verwaardigt de waarheid in zijn ogen te laten schitteren, zijn hele leven te zullen toewijden om Hem te verdedigen. God verhoort hem en leidt hem naar de eerwaarde heer Noirot. Deze priester, professor in de filosofie, leert hem door het juiste gebruik van het gezonde verstand zijn geloof te ondersteunen. Men denkt soms dat men moet kiezen tussen het verstand en het geloof, maar dat is ten onrechte. «Hoewel het geloof boven het verstand staat, kan er nooit sprake zijn van een werkelijke tegenstelling tussen het geloof en het verstand. Aangezien dezelfde God de mysteries openbaart en het geloof meedeelt, ook het licht van het verstand in de menselijke geest heeft doen neerdalen, zou God zichzelf niet kunnen loochenen en de waarheid nooit de waarheid kunnen tegenspreken». (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 159) «Nog voordat God zich aan de mens openbaart in woorden van waarheid, openbaart God zich aan hem door de universele taal van de schepping, het werk van zijn Woord en zijn wijsheid: de orde en de harmonie van de kosmos – zowel het kind als de wetenschapper zijn er ontvankelijk voor – de grootheid en de schoonheid van de schepselen laten ons door vergelijking de Schepper bewonderen (W 13, 5), want Hij die hen geschapen heeft is de oorsprong van de schoonheid (W 13, 3)». (KKK, 2500)
De eerwaarde heer Noirot houdt ervan samen met Frédéric wandelingen te maken. Dan komen tussen de meester en de leerling de vragen ter sprake over de overeenstemming van de wetenschap en het geloof. Langzamerhand maken de twijfels van Frédéric plaats voor de zekerheid. «Sinds enige tijd, schreef hij later, voelde ik bij mijzelf de behoefte aan iets degelijks waaraan ik mij zou kunnen vasthouden om zo een vaste grondslag te verwerven, om aan de stortvloed van twijfels te weerstaan. Zie, vandaag is mijn ziel vervuld van vreugde en troost. In overeenstemming met mijn geloof heeft mijn verstand op het ogenblik dat katholicisme teruggevonden dat mij door de mond van een voortreffelijke moeder was geleerd, en van zoveel waarde voor mijn kinderjaren.
De aanvallen van een valse wetenschap
In 1830 sturen de heer en mevrouw Ozanam hun zoon naar Parijs om daar Rechten te studeren. Frédéric brengt daar een groep vastberaden en intelligente katholieke jongelui bij elkaar: Wij ondervonden de behoefte ons geloof te versterken te midden van de aanvallen die de verschillende takken van de valse wetenschap het bezorgden». Zij richtten de «Historische en Literaire Conferenties» op, dit wil zeggen bijeenkomsten van «vrienden die samen aan de verheffing werken van de Wetenschap onder het vaandel van de katholieke gedachte». De leerstellige vorming is inderdaad van groot belang, want de intellectuelen hebben er behoefte aan te worden verlicht door de geopenbaarde waarheden over God, Onze-Heer Jezus Christus en zijn Kerk. Zonder dit licht van het geloof is de mens blind, zoals de heilige Paus Pius X het schreef: «Daar waar de geest is omhuld door de duisternis van grove ontwetendheid, is het onmogelijk dat rechtschapen wilskracht of goede zeden blijven bestaan… Als het licht van het geloof niet volledig is gedoofd, geeft het hoop op een verbetering van het zedenbederf; maar als deze twee zich verenigen: het zedenbederf en de verzwakking van het geloof door onwetendheid, zal er nauwelijks plaats zijn voor een geneesmiddel en de weg naar de ondergang is open». (Encycliek Acerbo nimis, 15 april 1905) De kennis van de christelijke waarheden wordt verworven door de studie van de apologetiek (wetenschap die de goddelijke oorsprong van het Christendom aantoont), van de geschiedenis, maar vooral van een synthetische uiteenzetting van de katholieke Leer zoals de Katechismus.
Bij de verschijning van de Katechismus van de Katholieke Kerk, schreef Paus Johannes Paulus II: «Een Katechismus moet getrouw en organiek de Leer voorhouden van de Heilige Schrift, van de levende Traditie van de Kerk en van het authentieke Leergezag, evenals het geestelijke erfgoed van de Kerkvaders en de Heiligen van de Kerk, om het beter kennen van het christelijk mysterie mogelijk te maken en om het geloof van Gods volk te verlevendigen… Dat het licht van het ware geloof de mensheid zal kunnen bevrijden van de onwetendheid en van de slavernij van de zonde om haar te leiden naar de enige waardige vrijheid van deze naam: die van het leven in Jezus Christus onder de leiding van de Heilige Geest, hier op aarde en in het hemels Koninkrijk, in de volheid van het geluk, de aanschouwing van God, van aangezicht tot aangezicht! ». (Johannnes Paulus II, 11 oktober 1992)
« Het Katholicisme is dood! »
Maar de leerstellige vorming en de historische uitwisselingen zijn voor Ozanam niet meer toereikend. Tijdens «Historische Conferenties» werpen de toehoorders tegen: «U hebt gelijk als u over het verleden spreekt: het Katholicisme deed vroeger wonderen; maar tegenwoordig is het dood. Als u zich inderdaad erop beroemd katholiek te zijn, wat doet u dan? Waar zijn de werken die uw geloof aantonen en die het ons kunnen laten respecteren en aannemen? » Geschokt door dit verwijt, dat als het ware van de Voorzienigheid kwam, roept Ozanam uit: «Dat ons apostolaat door God gezegend worde, een ding mist het nog: de liefdadigheidswerken. De zegen van de arme komt van God. Zonder nog langer te talmen, zet hij zich aan het werk. Met een vriend die zijn studentenkamer met hem deelt, brengt hij bij een arme het weinige brandhout dat hem nog rest voor de laatste wintermaanden.
«Doordat zij gelovig hun nieuwe waardigheid erkennen, leert de Katechismus van de Katholieke Kerk, zijn de christenen geroepen voortaan een leven te leiden dat het evangelie van Christus waardig is. (Fil 1, 27) Door de sacramenten en het gebed ontvangen zij de genade van Christus en de gaven van zijn Geest, die hen hiertoe in staat stellen. In navolging van Christus en in vereniging met Hem, kunnen de christenen navolgers van God zijn zoals geliefde kinderen past en een leven van liefde leiden (Ef 5, 1), door hun gedachten, woorden en werken in overeenstemming te brengen met de gezindheid die ook Christus Jezus bezielde (Fil 2, 5) en door zijn voorbeeld na te volgen ». (KKK, 1692, 1694) Welnu, Jezus is gezonden om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen. (Lc 4, 18) Jezus deelt van kribbe tot kruis in het leven van de armen; Hij kent honger, dorst en gebrek. Wat meer is: Hij vereenzelvigt zich met armen van allerlei slag en maakt van de daadwerkelijke liefde jegens hen een voorwaarde om in zijn Koninkrijk binnen te treden». (KKK, 544)
« U bent onze meesters »
Voor Ozanam zijn de werken van naastenliefde dan ook een werkelijk middel om Christus in zijn lijdende ledematen lief te hebben: «De armen kijken met open ogen naar ons. Zij zijn daar. Wij kunnnen onze vinger en hand in hun wonden leggen en de sporen van de doornenkroon zijn zichtbaar op hun voorhoofd. Wij moesten aan hun voeten vallen en hun zeggen met de Apostel: «U bent mijn Heer en mijn God! U bent onze meesters en wij zijn uw dienaren…». Op 23 april 1833 richten Frédéric en zes van zijn vrienden een «Conferentie van de naastenliefde» op, onder het patronaat van de H. Vincentius de Paul. Zo ontstond het werk van de Vincentius-verenigingen dat tegenwoordig 800.000 leden telt, verdeeld over 47.600 verenigingen in 132 landen. «Ik wil de hele wereld insluiten in een netwerk van naastenliefde». «Dit was altijd een voorwerp van verbazing voor wie de geschiedenis van de Kerk bestudeert – en voor de gelovige een bevestiging van de goddelijke oorsprong – de werkelijkheid van de ijver van de christelijke naastenliefde om te allen tijde mensen en werken te bieden ter verlichting van alle noden », zei Pius XII op 27 april 1952.
Aan de stoffelijke aalmoezen voegen de nieuwe «confraters» de spirituele barmhartigheid toe: «Onderricht geven, goede raad verstrekken, troost brengen en moed inspreken zijn geestelijke werken van barmhartigheid, evenals vergiffenis schenken en onrecht geduldig dragen». (KKK, 2447) De naastenliefde, zei de heilige Paus Pius X, die wij aan de armen betuigen ter verlichting van hun noden, wordt weliswaar zeer door God geprezen; maar wie zal de voortreffelijkheid ontkennen van de ijver en van het zwoegen, waardoor wij aan de zielen door ons onderricht en onze raadgevingen, niet het kortstondig lichamelijk welzijn, maar het eeuwig heil verschaffen? Niets kan wenselijker noch aangenamer zijn voor Jezus Christus, de Redder van de zielen, die zelf zei: Hij heeft Mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen (Lc 4, 18)». (Encycliek Acerbo nimis)
Egoïsme of opoffering
De aan de armen bestede materiële en geestelijke hulp geeft blijk van de vitaliteit van de christelijke naastenliefde. Maar Ozanam verruimde zijn gezichtsveld en, wegens de omstandigheden van zijn tijd, beschouwt hij de eisen van de naastenliefde vanuit sociaal en politiek standpunt: «Het vraagstuk dat de mens tegenwoordig verdeelt, zei hij, is te weten wie hem voert naar de geest van het egoïsme of naar de geest van de opoffering; of de samenleving slechts een grote uitbuiting zal zijn ten bate van de sterksten of een toewijding van ieder in dienst van allen.
De denkwijze en het optreden van Frédéric Ozanam en van zijn gezellen bieden een voorbeeld om na te volgen rekening houdend met de nieuwe omstandigheden van de hedendaagse samenleving. Als inderdaad de sociale onrechtvaardigheid van de laatste eeuw nog niet helemaal is overwonnen, komen daar tegenwoordig nog andere niet minder ernstige onordelijkheden bij. Paus Johannes Paulus II nodigt ons uit ze op te sporen en te verhelpen: «Leeft als kinderen van het licht… Tracht te ontdekken wat de Heer behaagt. Neemt geen deel aan hun duistere praktijken, brengt ze liever aan het licht. (Ef 5, 8, 10-11) In de huidige sociale situatie gekenmerkt door een dramatische botsing tussen de «cultuur van het leven» en de «cultuur van de dood», moet men een scherpe kritische mening ontwikkelen die het mogelijk maakt de echte waarden en de ware noden te onderkennen. Men moet zich dringend overleveren aan een algemene mobilisatie van de gewetens en alle krachten inspannen om tot een ethische orde (moraal) te komen, om een goede strategie toe te passen in dienst van het leven». (Encycliek Evangelium Vitae, 15 maart 1995, n. 95)
Het hedendaagse kwaad
«De uitbuiting ten bate van de sterksten», waarover Ozanam sprak, verschijnt tegenwoordig in de verdrijving van de zwakke wezens die de ongeboren kinderen zijn. Daarom houdt de Kerk niet op de misdaad van de abortus te veroordelen. Zij spoort alle mensen en speciaal de christenen aan hun vindingrijkheid aan te wenden om zwangere vouwen die aan dit drama zijn blootgesteld te hulp te komen en hen te helpen bij en de opvoeding van hun kind. De minachting van het leven uit zich ook in de euthanasie. Het is de opdracht van de christenen al diegenen die door dit kwaad worden bedreigd te hulp te komen: zieken in de terminale fase, bejaarden en invaliden, enz. Een morele en geestelijke begeleiding, aangepaste palliatieve zorg, kunnen op dit gebied een grote ondersteuning zijn.
De drugsverslaving is ook een gesel van de moderne samenleving. Ook moeten de opvoeders hun inspanning vergroten om de gewetens te vormen door aan de jeugd de waarheid over God, over de godsdienst en over de mens voor te houden.
« Lieve zuster, gelukkige broer! »
Enkele jaren verstrijken. Ozanam heeft twee keer een doctorsgraad behaald. Hij is uitmuntend docent aan de Faculteit van Parijs. Hij bezet de leerstoel Handelsrecht in Lyon, daarna zal hij professor worden aan de Sorbonne. Maar zijn levensstaat is nog niet bepaald en hij twijfelt tussen de religieuze roeping en het huwelijk. Als in 1839 Pater Lacordaire zich bezighoudt met het hervormen van de dominicaanse Orde, laat Ozanam zich de Regel sturen. Hij wisselt verscheidene brieven met de befaamde predikant. De totale toewijding aan God door de gelofte van kuisheid trekt Frédéric aan. Van de andere kant denkt hij na over het huwelijk waarvoor hij aanvankelijk een sterke terughoudendheid heeft.
In het contact met vrienden die in het huwelijk treden, veranderen langzamerhand zijn ideeën . Hij schreef aan een van hen: «U zult uit de tederheid van haar die zich met u gaat verenigen troost putten in kwade dagen, u zult in het voorbeeld van deze gezellin moed vinden voor gevaarlijke tijden, u zult haar engelbewaarder zijn, zij zal de uwe zijn». Toen hij op zekere dag een bezoek aflegde bij de rector van de Academie van Lyon, de heer Soulacroix, ziet hij toevallig een meisje dat liefdevol haar zorgen geeft aan haar verlamde broer. «Lieve zuster en gelukkige broer!, denkt hij, zoals zij hem bemint!». Het is het levendige beeld van de naasteliefde dat hem zichtbaar wordt in Amélie Soulacroix, de dochter van de rector. De herinnering aan dit schouwspel verlaat hem niet meer. Dit meisje verwezenlijkt het ideaal dat hij heeft van een christelijke vrouw. Het huwelijk vindt plaats op 23 juni 1841.
De benoeming in januari 184l van Frédéric Ozanam als professor in de buitenlandse literatuurgeschiedenis beschaft hem de middelen aan zijn roeping van apologeet te beantwoorden. Hij gaat zich toeleggen de Katholieke godsdienst te accentueren vanuit de geschiedenis. Zie wat hij in 1846 schreef: «De ongodsdienstigheid in Frankrijk komt nog voort van Voltaire en ik denk niet dat Voltaire een grotere vijand had dan de geschiedenis. En hoe bang zouden zijn volgelingen zijn geweest voor dit verleden dat zij versmaden en dat hen zou vernietigen als zij het durfden te benaderen!… Laten wij vergeten dat de laster de beelden van onze voorvaderen in het Geloof heeft verbleekt en wanneer deze beelden met volle glans zullen schitteren, zullen wij wel zien of de menigte hen niet zal gaan eren». De invloed van de Kerk op de beschaving is voor Ozanam een apologetisch bewijs van gewicht, vast te stellen door iedere onpartijdige historicus. Hij begint dan ook de geschiedenis van de Middeleeuwen, van de Ve tot XIIIe eeuw te onderrichten en later te schrijven, welk werk door zijn dood onvoltooid zal blijven: «De hele bedoeling van dit boek, zei hij, is om aan te tonen hoe het christendom aan de ruïnes en aan de stammen die op deze ruïnes waren gelegerd, een geheel nieuwe samenleving heeft weten te ontlenen, die in staat zou zijn het ware te bezitten, het goede te doen en het mooie te vinden». De Kerk vreest de waarheid van de geschiedenis niet. Zij weet dat haar leden zondaars zijn en zich niet altijd gedragen volgens haar onderricht. Maar zij weet ook dat haar geestelijke en sociale Leer goddelijk is en overvloedige vruchten heeft afwerpt.
« Ik kom »
Door een wonderbaarlijke beschikking van de Voorzienigheid, moest dit zo actieve leven ten einde lopen. In 1852 is Frédéric negenendertig jaar. Hij heeft nooit een goede gezondheid gehad. Alles wat hij doet, doet hij lijdend; zijn doodsbleke kleur verraadt het heel duidelijk. Een pleuritus zal hem in 18 maanden wegrukken. Op zijn veertigste verjaardag, 23 april 1853, stelt hij zijn testament op: «Ik weet, schreef hij, dat ik een jonge welbeminde vrouw heb, een alleraardigst kind, veel vrienden, een behoorlijke loopbaan, werk dat precies leidt naar het punt waar het kan dienen als grondslag van lang gedroomde werken. Zie, toch ben ik getroffen door een ernstig en hardnekkig kwaad. Moet men, mijn God, al deze weldaden verlaten die U zelf aan mij hebt gegeven? Wilt U niet, Heer, een deel van het offer? Welk deel van mijn wanordelijke voorliefdes moet ik U opofferen? Aanvaardt U niet het offer van mijn literair eergevoel, van mijn academische ambities, van mijn studieplannen zelfs, waarin zich meer trots verenigt dan ijver voor de waarheid? Als ik de helft van mijn boeken verkocht om de opbrengst ervan aan de armen te geven en als ik mij beperkte mijn plichten te vervullen van mijn betrekking, zou ik de rest van mijn leven toewijden aan het bezoeken van noodlijdenden, aan het onderrichten van beginnelingen…, Heer, dat U tevreden moge zijn en dat U mij het genoegen zou laten naast mijn vrouw oud te worden en de opvoeding van mijn kind te voltooien? Maar misschien wilt U het helemaal niet, Heer. U aanvaardt deze baatzuchtige offers volstrekt niet… U vraagt naar mij… Ik kom». Op 8 september 1853, tegen twintig uur, op het feest van de Geboorte van de Allerheiligste Maagd, liet Frédéric Ozanam zachtjes een diepe zucht. Zijn laatste zucht. MARIA is haar welbeminde kind komen halen en heeft hem binnnengeleid in de onuitsprekelijke vreugde van het Oneindige.
« In het zweet des aanschijns »
In de preek uitgesproken ter gelegenheid van de zaligverklaring van Frédéric Ozanam, zei de Heilige Vader over hem: «Hij beminde alle misdeelden… hij voegde zich bij de intuïtie van de heilige Vincentius: «Laten wij God beminnen, broeders, laten wij God beminnen, maar dat het ten koste moge gaan van onze kracht, hetzij ten koste van het zweet des aanschijns»… Hij heeft de vooruitziende moed gehad van een op de voorgrond tredende sociale en politieke betrokkenheid, in een bewogen tijdperk van zijn land, want geen enkele samenleving kan de armoede als een noodlot aanvaarden zonder dat de eer wordt aangetast…De Kerk bekrachtigt vandaag de christelijke levenshouding, die hij heeft aangenomen ».
Wij bidden de zalige Frédéric Ozanam u de kracht te geven voor een christelijke levenshouding overeenkomstig het Evangelie voor de verlichting van de noden waaraan de mensen tegenwoordig lijden en voor hun eeuwige gelukzaligheid. Aan Sint-Jozef bevelen wij al degenen aan die u dierbaar zijn, levenden en overledenen.




