30 Oktober 2002

Jacques Fesch

Dierbare Vrienden,

Goede Vrijdag. Terwijl hij wreed aan het Kruis is genageld, krijgt Jezus de sarcastische opmerkingen te verduren van twee misdadigers die dezelfde beproeving ondergaan als hij. Een van de twee schimpt: Zijt Gij niet de Messias?Red dan uzelf en ons! Wanneer hij ziet hoe geduldig de merkwaardige veroordeelde blijft, neemt de andere dief, door de genade geraakt, het op voor Jezus: Hij heeft niets kwaads gedaan. Vervolgens wendt hij zich tot de Verlosser: Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt. – Voorwaar, Ik zeg u: vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs, antwoordt Jezus hem (cf. Lucas 23). Met deze woorden spreekt Onze-Lieve-Heer de eerste «heiligverklaring» van de geschiedenis uit. We mogen «dus nooit wanhopen op Gods barmhartigheid» (cf. Regel van de heilige Benedictus, hfdst. 4): zoals door de bekering van de goede moordenaar, wordt deze fraaie uitspraak ook door het leven van Jacques Fesch geïllustreerd.

Men zegt wel eens dat de opvoeding van een kind twintig jaar voor zijn geboorte met die van zijn moeder begint en met die van zijn vader, moeten we daaraan toevoegen. De vader van Jacques, Georges Fesch, is geboren in Luik in 1885, uit ouders die reeds de veertig zijn gepasseerd. Hij vestigt zich in Frankrijk in de jaren twintig als bankdirecteur. Hij is ongelovig en laat iedereen graag weten hoe trots hij daarop is als «vrijdenker». Achter zijn cynisme verbergt zich verbittering door teleurstellingen en tegenslagen. Aan zijn tafel, die altijd volop te eten biedt, worden op bepaalde dagen talrijke disgenoten ontvangen. In het werk legt hij echter veel ijver aan de dag en is derhalve in zijn beroep een geslaagd man.

Wanneer Jacques als vierde kind in het gezin en niet gewenst ter wereld komt in Saint-Germain-en-Laye op 6 april 1930 en op 6 juli daaropvolgend het Doopsel ontvangt, is zijn vader 45 jaar. Mevrouw Fesch deelt de denkbeelden van haar man. Hoewel ze niets aan haar geloof doet is ze een goede moeder voor de allerkleinsten die ze vertroetelt en teder verzorgt. Maar wanneer ze een jaar of dertien, veertien zijn, schenkt ze geen aandacht meer aan haar kinderen. Het contact tussen Jacques en zijn moeder wordt dan kil en afstandelijk.

Jacques groeit op zonder voor wat dan ook een bepaalde voorkeur te ontwikkelen. Hij bezoekt verscheidene schoolinstellingen waar hij telkens wordt buitengezet vanwege zijn luiheid en ongedisciplineerdheid. Hij is slap, apatisch, instabiel en achterbaks. Hij heeft altijd veel geld en zijn enige leidraad zijn de grondstellingen van zijn vader: immoraliteit en minachting voor de naaste. Hij doet niettemin, naar de gewoonte van die tijd, zijn eerste Communie. Met zijn witte band om de arm kijkt hij ons aan met heldere blik. Maar dat is weldra allemaal vergeten. Als jongeman brengt hij een deel van zijn nachten door op plaatsen van slecht allooi. Zijn vader maakt er zich geen zorgen om.

In de loop van de jaren 1947-1948 maakt Jacques kennis met Pierrete Polack wiens vader een belangrijke post bekleedt in de directie van de Elzasser Kolenmijnen. Ze is van oorsprong christen, is gedoopt en heeft haar eerste Communie gedaan. Naar het schijnt, neemt zij het initiatief om in Jacques’ leven te verschijnen wanneer deze zo goed en zo kwaad mogelijk in die tijd op de bank van zijn eigen vader werkt.

De ouders van Jacques hebben een slechte verstandhouding. Daaruit komt een gespannen sfeer voort. Meneer Fesch is innemend met vreemden maar in het gezin komt zijn sarcastische en trotse aard te voorschijn. In 1950 valt het gezin uit elkaar. Mevrouw Fesch blijft in Saint-Germain-en-Laye, haar man vestigt zich in de streek rondom Saumur. Wanneer Gods liefde niet in de harten van de echtelieden leeft, is een huwelijk vaak heel broos: de ervaring van het huisgezin waarin Jacques Fesch is geboren toont het ons op tragische wijze aan.

Een «huwelijk» zonder liefde

In 1951 vertrekt Jacques naar Duitsland voor zijn militaire dienst. Pierrette die weet dat ze in verwachting is van hem, vindt een baan in Straatsburg in een instelling van haar vader. Na lang te hebben geaarzeld, besluit ze Jacques te waarschuwen dat het kind dat ze verwacht van hem is. Deze wacht tot hij meerderjarig is en trouwt voor de wet met Pierrette op het stadhuis van Straatsburg, 5 juni 1951, een maand voor de geboorte van de baby, een kleine Véronique. «Ik ben op de eerste plaats getrouwd omdat mijn vrouw in verwachting was…», bekent hij. «Ik hield niet van mijn vrouw, ik kon goed met haar opschieten, vriendschappelijk…». Wanneer hij vrij is van de militaire dienst vindt hij werk in het bedrijf van meneer Polack. Maar als hij een keer geld heeft verduisterd gaan hij en zijn schoonvader uit elkaar en breekt hij met Pierrette; zij zal daarover later zegggen: «Hij was heel ongelukkig toen wij uiteen gingen. Ik weet zeker dat hij veel heeft geleden. Hij huilde als een kind. Wij zijn elkaar altijd blijven zien». Wanneer Jacques op bezoek gaat bij zijn dochter Véronique die bij zijn schoonvader woont, wordt hem niet gevraagd binnen te komen. Hij mag zijn dochter liefkozen op de drempel van de deur … Met de bedoeling haar zoon te helpen, stelt mevrouw Fesch de som van een miljoen toenmalige francs tot zijn beschikking zodat hij van start kan gaan met een transportbedrijf voor steenkool (1953) maar Jacques laat de helft van die som verdwijnen in de aanschaf van een sportwagen. Over die periode schrijft hij later: «Ik kwam alleen te staan in Saint-Germain-en-Laye, nog onevenwichtiger geworden dan ik al was, door die ervaring (de scheiding van Pierrette) waaraan ik een smaak van wroeging had overgehouden. Ik heb geprobeerd te werken…een maand lang. Bij de eerste mislukking heb ik alles opgegeven». Een van zijn vrienden, Jacques Robbe, spiegelt hem dan een avontuur voor dat op het eerste gezicht zijn geestdrift wekt: «Wat is er romanesker, avontuurlijker en aantrekkelijker dan een vriend die je in het oor fluistert hoe prachtig het vrije leven van de ongebonden schipper is?» Jacques Robbe is niet slecht, maar schadelijk; met films en boeken onderhoudt hij de dwaze droom van een zeilschip dat ze gaan kopen om «ver weg te vluchten», maar hij zal zijn kameraad op het laatste moment in de steek laten… Het zeilschip kost twee miljoen francs en Jacques Fesch heeft geen geld; zijn vader weigert een dergelijk project te financieren.

Een duur avontuur

In het hoofd van Jacques komt plotseling een dwaas idee op: zich de benodigde som verschaffen via diefstal! Stelen is voor hem aanvaardbaar omdat die daad «voor hem op een natuurlijke wijze voortvloeit uit zijn zienswijze». De medeplichtigen tot wie hij zich wendt, Robbe en Blot, beslissen dat ze een geldwisselaar, meneer Silberstein, zullen overvallen. Ze zijn niet van plan hem te doden. Jacques maakt echter een lange reis om een pistool te bemachtigen dat het eigendom is van zijn vader.

Op de ochtend van de 25e oktober 1954 bestelt Jacques bij meneer Silberstein de som van 2.220.000 francs, in baar goud, die hij diezelfde avond wil komen ophalen. Tegen zes uur parkeert hij zijn auto in de buurt van het kantoor van de geldwisselaar en pakt zijn met een veiligheidshendel geblokkeerde pistool. Robbe en Blot laten hem dan achter. De eerste wendt zich tot een politieagent: «Komt u mee, mijn beste vriend staat op het punt een stommiteit te begaan». Intussen heeft Fesch Silberstein op het hoofd geslagen met de kolf van zijn pistool, maar deze is nog altijd bij bewustzijn. De bankier roept om hulp. Jacques ontgrendelt zijn pistool en slaat Silberstein een tweede keer met de kolf en schiet in zijn onhandigheid zichzelf een kogel in de vinger. Hij grist het geld uit de kluis (slechts 330.000 francs) en gaat er in allerijl vandoor, achtervolgd door een paar voorbijgangers. Hij snelt vliegensvlug onder het gewelf van een koetspoort en verbergt zich een ogenblik bovenaan de trap van de personeelsingang en komt vervolgens weer naar beneden. Hij wordt herkend. Een politieagent roept hem toe: «Handen omhoog of ik schiet!» Jacques is sneller en heeft door de stof van zijn regenjas heen de kogel afgevuurd die de agent midden in het hart raakt en hem doodt. Jacques zet zijn vlucht voort en wordt uiteindelijk gearresteerd door een gepensioneeerde agent die hem een zware deur in het gezicht smijt waardoor hij gewond op de grond neervalt.

Pierrette staat niets vermoedend op hem te wachten in een café in de buurt van het kantoor van de geldwissselaar. Niet Jacques maar de politie komt naar de plaats van de afspraak. Zij wordt spoedig onschuldig bevonden en vrijgelaten nadat ze gelijktijdig verhoord is met Jacques wiens hoofd nog onder het bloed zit van de klap die hij heeft gekregen. Op 27 februari wordt de moordenaar opgesloten in de Santé gevangenis waar hij drie jaar zal blijven. Kort na de arrestatie van Jacques laat God in het hart van mevrouw Fesch de enkele religieuze gevoelens die nooit helemaal waren gedoofd weer opwakkeren. Alvorens in 1956 te sterven aan kanker en van verdriet, zal ze zeggen: «Ik bied mijn leven aan opdat mijn zoon goed moge sterven».

De dageraad van de bekering

Bij het eerste bezoek van de aalmoezenier roept Jacques terstond uit: «Doet u geen moeite! Ik heb geen geloof». De priester brengt hem echter iedere dag een kort bezoekje uit vriendelijkheid, zoals aan de andere gevangenen. Van al de boeken die hij hem verschaft is er een waar hij wel aandacht voor heeft: het verhaal van de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans in Fatima. Dat boekje betekent het begin van Jacques’ terugkeer tot het christelijke geloof. Maria wordt wel Sterre en Voorloopster van de Zon genoemd en inderdaad, wanneer de devotie tot de Heilige Maagd in een ziel ontvlamt is dat een zeker teken dat God hem of haar weldra met zijn genade zal komen verrijken. Bovendien bidden talloze mensen, in nederige onderwerping aan het verzoek van Onze-Lieve-Vrouw van Fatima, na ieder tientje van hun rozenkrans dit gebed: «O, Jezus, vergeef ons onze zonden; behoed ons voor het vuur van de hel; voer ten hemel alle zielen, vooral die welke het meest uw barmhartigheid nodig hebben»; dit gebedje oefent zonder enige twijfel een heilzame invloed uit op de zondige zielen en in het bijzonder op die van Jacques Fesch.

Een jaar na de misdaad, op 28 februari 1955, tijdens een bezoek aan de gevangenis, stelt Pierrette Jacques op de hoogte van de gevolgen van een dramatische, geschiedenis van vertrouwelijke aard die het echtpaar in december 1953, dus voor dat Jacques in de gevangenis zat, in angst en beven had meegemaakt. Door dat gesprek ontstaat in de ziel van Jacques een gevoelsmatige pijn die hem meerdere nachten belet te slapen. Op l maart hoort hij een stem, die niet van de aarde komt, tegen hem zeggen: «Jacques, je ontvangt de genaden van je dood». Dit heeft terstond zijn bekering tot gevolg. In zijn geestelijk dagboek tekent hij de volgende precisering op: «Ik lag die dag op mijn bed met open ogen en ik leed werkelijk, voor de eerste keer in mijn leven, met een zeldzame intensiteit, door wat mij was onthuld en hetgeen bepaalde familieaangelegenheden betrof en op dat moment welde uit mijn borst een roep om hulp op: «Mijn God!» En op hetzelfde moment, als een hevige wind die opsteekt zonder dat men weet waarvandaan, heeft de Heer mij gegrepen. En vanaf dat moment heb ik geloofd, met een onwankelbare overtuiging die me sindsdien niet meer heeft losgelaten». Jacques heeft het bestaan van God niet afgeleid uit een redenering, hij heeft Hem ontmoet die als enige in staat was hem om te vormen en hem met zijn liefde te omringen. Angst heeft daar niets mee te maken want de moordenaar heeft op dat moment nog goede hoop aan de doodstraf te ontkomen.

Stapsgewijs naar het licht

Na de overgang van het atheïsme naar het christendom, doet zich op 2 december 1955 een tweede bekering voor. Jacques verheft zich tot de heldhaftige vurigheid van degene die zijn dood uit de handen van God wil ontvangen, voor zichzelf en voor de naasten. «Ik ben volmaakt gelukkig, schrijft hij, ik word mijns ondanks gered, ik word uit de wereld teruggetrokken omdat ik erin verloren zou gaan… De bestraffing die mij wacht is geen schuld die ik moet inlossen maar een geschenk dat God mij geeft». Hij probeert zoveel mogelijk te weten te komen over de ziel en de uitersten, de hel, het leven van de heiligen in de Hemel en het Kruis. Het is een waar noviciaat voor het eeuwig leven. Ondanks de voortdurende bewaking van de gevangenbewaarders bidt hij op zijn knieën.Tegenover zijn familie en de andere gevangenen voert hij zijn apostolaat uit met de vurigheid van de nieuw ingewijde in het geloof; hij pakt ze hardhandig aan om ze uit hun ongelovigheid wakker te schudden, vooral Pierrette, die hij wil bekeren, uit liefde, want door zijn hechtenis heeft hij een ware diepe liefde voor haar opgevat: «Ik ben van binnen twee keer veranderd, schrijft hij aan haar: het is me nu mogelijk je lief te hebben en tevens heb ik je lief». Hij houdt van haar, maar hij leert door de ervaring dat de ware liefde niet bestaat zonder hier op aarde te lijden. Langzaam maar zeker ontwaakt het geloof in de ziel van Pierrette. Enkele dagen voor de dood van Jacques zal ze te communie gaan na tien jaar ver van de Kerk te hebben geleefd.

Godsdienst zonder concessies

Jacques is er nu van overtuigd dat hij gaat sterven omdat Jezus hem tot tweemaal toe duidelijk heeft gemaakt dat hij genaden ontving met zijn dood. Hij betreurt het dat zijn aalmoezenier niet genoeg stilstaat bij het eeuwig heil. «Deze aalmoezenier, zo schrijft hij, is een geleerd man…maar bij hem komen we uit op een synthese van wijsgerige begrippen die veraf staat van de eenvoud van het evangelie». Hij is wat hem betreft niet geobsedeerd door de hel, maar wel bewust van zijn tekortkomingen en zijn neigingen tot het kwaad, ziet hij de verdoemenis als een reële mogelijkheid onder de ogen. Zijn hele dagboek spreekt echter van ware liefde en vaste hoop op de Hemel. «Mijn dood is een verlossende dood, ook al lijkt ze onrechtvaardig. We moeten niet strijden tegen hetgeen door God is beslist…en dat voortkomt uit een grote barmhartigheid». De spiritualiteit van deze gevangene komt overeen met de waarheid van het Evangelie. In zijn Apostolische Exhortatie Reconciliatio et pænitentia van 2 december 1984 herinnert Paus Johannes Paulus II ons eraan dat «De Kerk, wil zij haar wezenlijke, bijzondere en universele boodschap niet ernstig verminken, niet mag nalaten ons voortdurend te onderrichten over wat het traditionele christelijke spraakgebruik aanduidt als de vier uitersten van de mens; de dood, het oordeel (bijzonder en algemeen), de hel en het paradijs; in een culturele context die ernaar neigt de mens op te sluiten in het kader van zijn meer of minder geslaagde aardse leven, wordt aan de Herders in de Kerk gevraagd om een catechese die het hiernamaals opent en belicht met de zekerheden van het geloof; achter de geheimzinnige poorten van de dood ontwaren we de contouren van een eeuwigheid van vreugde in eenheid met God of van smart doordat we van God zijn verwijderd. Slechts binnen deze eschatologische visie (welke het lot van de mens na zijn dood betreft) kunnen we ons een idee vormen van de juiste maat van de zonde en ons op een beslissende wijze gedreven voelen om penitentie te doen en ons met God te verzoenen» (n. 26).

De geheimen van zijn hart

Tussen 1 augustus en 1 oktober 1957 schrijft Jacques zijn geestelijk dagboek dat is gericht aan zijn dochter Véronique die dan zes jaar is. Het is minder onthullend voor wat de betrekkingen met zijn familie aangaat als voor wat zijn intieme verhouding tot God betreft. Jacques heeft Jezus ontdekt en zijn vurige wens is dat Véronique Hem ook zal ontdekken: «Ik geef je wat ik heb, voor de dag waarop je vrouw zult zijn geworden en je dankzij deze regels het leven zult kunnen volgen van degene die jouw papa was en die altijd van jou is blijven houden». Aan het slot van zijn dagboek schrijft hij: «Als het me lukt je aan het eind van deze pagina’s te laten voelen hetgeen het leven kan zijn, het ware leven, dat leven dat begint in deze wereld om tot volle bloei te komen daar waar alles licht is, als je enig idee hebt kunnen krijgen van de grootsheid en de prijs van een ziel en van het geringe belang van aards succes, zullen deze regels niet vergeefs zijn en misschien zul je zelf op een dag, in God weet welke beproeving, in dit voorbeeld dat je zo nabij is de kracht en de moed vinden om te onderscheiden van welke kant het licht komt».

Geleidelijk ontwikkelt hij de gewoonte de gedachten die van God komen te onderscheiden van die van de duivel. Wanneer Jezus hem bewust maakt van zijn aanwezigheid schrijft hij: «Ik zou willen sterven omdat ik overloop van vreugde… Er zou uit onze borsten alleen nog maar een gezang van dankbaarheid moeten opwellen». Maar de momenten van innerlijke smart ontbreken niet: «De barometer van mijn geestelijk leven die op «wisselvallig» stond daalt steeds verder neer naar regen en mist: de wereld en haar bekoringen herwinnen het terrein dat zij verloren hadden onder de invasie van de genade… Ofschoon ik niet kan verhinderen dat min of meer troebele gedachten mijn geest vermeesteren, kan niets mij verhinderen neer te knielen en mijn gebeden te doen, zelfs al is de aandacht niet meer even groot… Deze strijd zal ophouden wanneer God wil dat die ophoudt… Mijn enige verdienste is dat ik degene ben die de valbijl op de kop krijgt!… Dat is natuurlijk helemaal niet leuk, maar daarna zal ik zo blij zijn!… Een enkel kwartier, tegenover de eeuwigheid!.» Tezelfdertijd loopt het vooronderzoek en het proces van Jacques, een zaak die hartstochtelijke debatten ontketent in het gerechtshof en in de pers. Het vonnis wordt geveld op 6 april 1957, aan de vooravond van het Lijden van Christus: hij wordt ter dood veroordeeld (de doodstraf is in Frankrijk van kracht gebleven tot 1981). Op ll juli wordt het hoger beroep afgewezen. Hij kan nog om gratie vragen aan de President van Frankrijk.

Aanschouwing van het kruisbeeld

Naarmate het tijdstip van zijn executie nadert verenigt Jacques zich steeds inniger met het Lijden van Jezus en verklaart zelfs: «Mijn hart verkeert in vreugde. Geen angsten meer en geen schrik, de Heilige Maagd heeft ze weggenomen». Hij probeert zich vaak in Jezus tijdens diens Lijden in te denken: «Vooral de nagels zullen pijn doen: de handen die aan het hout zijn vastgebonden, de punt die op de hand wordt gedrukt om goed in het midden te geraken en dan met een grote zwaai de klap van de hamer, het vlees dat uiteen wordt gereten en het bloed dat opspat… En na de eerste hand is het de beurt aan de tweede! Dan de voeten!… Vervolgens zullen de wonden bij de geringste beweging rondom de nagels schrijnen en onverdraaglijke pijnen veroorzaken… En wat te denken van het leed van een moeder die dat alles aanschouwt en niets kan doen ter verlichting van de pijn van haar zoon; arme Heilige Maagd, nederig, in tranen en zwijgend aan de voet van het kruis…»

Op 30 september 1957, op het eind van de middag, verwittigt advocaat Baudet zijn cliënt, Jacques Fesch, ervan dat zijn beroep op gratie is afgewezen. De executie zal de volgende ochtend plaatsvinden. Jacques brengt zijn huwelijkse staat in orde door officieel met Pierrette voor de kerk te trouwen, dankzij de pastoor van Saint-Germain-en-Laye. Op l oktober, om drie uur ’s nachts, staat hij op en maakt zijn bed. De laatste regels van zijn dagboek zijn welsprekend: «Over vijf uur zal ik Jezus zien. Een stroom van vrede welt in mij op en mijn gebeden vloeien als honing… Heilige Maagd, heb medelijden met mij! Ik denk dat ik het hierbij laat met mijn dagboek aangezien ik onrustbarende geluiden hoor. Laat mij wel volhouden. Heilige Maagd, het is mijn beurt! Adieu u allen en moge de Heer u zegenen». Zijn laatste brief is voor zijn geestelijk vader: «Ik wacht in de nacht en de vrede…Mijn ogen zijn gericht op het kruisbeeld: mijn blik wendt zich niet af van de wonden van mijn Verlosser. Ik herhaal onvermoeibaar: «Ik doe het voor Jou». Dat beeld wil ik, die zo weinig zal lijden, tot het eind voor ogen houden… Mijn wachten is op de Liefde».

Tegen 5 uur komen de aalmoezenier en de advocaat van Jacques zijn cel binnen. Hij gaat een laatste keer te biechten en ontvangt de communie. Hij is in diepe vrede. In zijn hart heeft hij de de zekerheid van de Hemel die heel nabij is, dat herhaalt hij onafgebroken. Zijn handen zijn op zijn rug vastgebonden; tegen de aalmoezenier zegt hij: «Het kruisbeeld, eerwaarde, het kruisbeeld!». Hij kust zijn Heer in de alom heersende emotie en laat zich naar het schavot voeren. Acht minuten later vindt de executie plaats. Tegenwoordig komt de eerste oktober overeen met de feestdag van de heilige Teresia van het Kindje Jezus die Jacques bijzonder waardeerde; zoals zij, heeft hij zijn leven aangeboden voor de Barmhartige Liefde. Wanneer de dood van haar echtgenoot gemeld wordt, verschaft Pierrette zich diens geestelijk Dagboek en leest het dezelfde dag in zijn geheel uit.

In december 1993 heeft kardinaal Lustiger, aatsbisschop van Parijs, het vooronderzoek geopend met het oog op de zaligverklaring van Jacques Fesch: «Ik hoop, zo zei hij, dat hij op een dag vereerd zal worden als een voorbeeld van heiligheid». Zijn bekering is voor ons een aansporing om nooit aan Gods barmhartigheid en de bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw te wanhopen. Zoals Ruth de Moabitische die Boaz behaagde en van hem volledige toestemming krijgt op zijn akker aren te lezen achter de maaiers (Rt 2,1-13), gaat de Heilige Maagd Maria door de akker van de Kerk en de wereld om er met de grootste zorg de verloren zielen, de verlaten zielen, zij die niemand meer wil, op te rapen: zij stopt ze om zo te zeggen in haar voorschoot, beschermt ze voor de geduchte Rechter in wiens oog alleen zij genade heeft kunnen vinden en leidt ze bijna ter sluiks binnen in de eeuwige korenschuren van de Vader van de familie.

O, zeer barmhartige Maagd Maria, wees onze gids, ons licht en onze troost op de weg die leidt naar het paradijs. Verwaardig u ons als aan uw hand naar de hemelse Stad waarvan u de Koningin bent te voeren, opdat wij er voor eeuwig de Vader der barmhartigheden en de God van alle troost zullen prijzen. Met deze gedachten van vertrouwen in Maria, Moeder van Barmhartigheid, bidden wij voor al uw intenties en vergeten daarbij uw overledenen niet.