28 Oktober 1998

Heilige Simeon Berneux, martelaar

Dierbare Vrienden,

«De missionaire evangelisatie vormt de voornaamste dienst die de Kerk kan verlenen aan elke mens en aan het gehele mensdom in de hedendaagse wereld… Het aantal mensen dat de Christus niet kent en niet deel uitmaakt van de Kerk neemt voortdurend toe… Ten opzichte van dit zeer grote aantal mensen dat de Vader liefheeft en waarvoor Hij zijn Zoon gezonden heeft, is de dringende noodzakelijkheid van de missie zeer duidelijk» (Johannes Paulus II, 18 mei 1997).

«En toch vragen velen zich af: of de missie bij niet-christenen nog wel van deze tijd is. Is zij niet te vervangen door de interreligieuze dialoog? Is de menselijke vooruitgang niet een toereikend object? Kan men niet zalig worden in onverschillig welke godsdienst?… De oproep tot bekering die de missionarissen tot de niet-christen richten, wordt nu aangevochten of verzwegen. Met ziet daarin een daad van bekeringsijver. Met zegt dat het voldoende is de mensen te helpen om meer mens te zijn en meer trouw te zijn aan de eigen godsdienst; dat het voldoende is om gemeenschappen te vormen die in staat zijn te werken voor rechtvaardigheid, vrijheid, vrede en solidariteit» Johannes Paulus II, Redemptoris Missio, RM, 7 decemer 1990, n. 4, 46).

De poort van het doopsel

Deze bezwaren tegen de missie vinden een gunstige bodem in «een mentaliteit van onverschilligheid, ongelukkigerwijze zeer verbreid onder de christenen». Deze mentaliteit is vaak «geworteld in onjuiste theologische visies en doordrongen van een godsdienstig relativisme dat leidt tot de mening dat alle godsdiensten evenveel waard zijn» (RM, 36). In tegenstelling met een dergelijke mentaliteit verklaart het Tweede Vaticaans Concilie: «God zelf maakt aan het menselijk geslacht de weg bekend waarlangs de mensen door Hem te dienen in Christus verlost en zalig kunnen worden. Wij geloven dat deze énige en ware godsdienst zich bevindt in de katholieke en apostolische Kerk, die van de Heer Jezus de opdracht heeft ontvangen deze godsdienst aan alle mensen te verkondigen, toen Hij aan de apostelen zei: Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb (Mt 28, 19-20). Van hun kant zijn alle mensen ertoe gehouden de waarheid, vooral wanneer deze betrekking heeft op God en op zijn Kerk, te zoeken en haar, zodra zij haar kennen, aan te nemen en te bewaren» (Dignitatis humanae, I).

Daarom kan het Concilie er bovendien aan toevoegen: «De reden van de missieactiviteit wordt ontleend aan de wil van God, die wil dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen. Want God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen (1 Tim 2, 4-5), en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden (Hnd 4, 12). Allen moeten zich daarom, na Hem door de prediking van de Kerk, die zijn Lichaam is, erkend te hebben, tot Hem bekeren. Christus zelf immers heeft met nadrukkelijke woorden de noodzakelijkheid van het geloof en het doopsel afgekondigd en daardoor de noodzakelijkheid van de Kerk bevestigd, waarin de mensen door de poort van het doopsel binnengaan».

Radicale overgave

Door Monseigneur Siméon Berneux, met 102 martelaren van Korea, heilig te verklaren, op 6 mei 1984, heeft Paus Johannes Paulus II de Kerk het heldhaftige voorbeeld van een missionaire bisschop en martelaar van het geloof voorgehouden.

Geboren in Château-du-Loir (Sarthe, Frankrijk) op 14 mei 1814 werd hij in 1837 tot diocesaan priester gewijd en in 1839 treedt hij in bij de Buitenlandse Missies van Parijs. Pater Berneux vertrekt op 13 januari 1840 naar het Verre Oosten. In Manilla ontmoet hij Mgr. Retord, apostolisch vicaris van Tonkin (Vietnam). Reeds bij de eerste ontmoeting raken de twee missionarissen bevriend. Alle twee branden zij van dezelfde liefde voor het heil van de zielen!

Op 17 januari 1841 zetten Mgr. Retord en de paters Berneux, Galy en Taillandier voet aan wal in Tonkin. Na enkele verwikkelingen gaan de missionarissen uiteen. Pater Berneux vestigt zich in Yen-Moï, bij een klein zusterklooster «Minnaressen van het Kruis», en daar studeert hij de Annamitische taal. «Hoewel ik geen zes passen kan zetten, slechts zonlicht krijg door een kleine opening op vijftig centimeter van de grond en ik om te schrijven uitgestrekt op mijn mat moet gaan liggen, ben ik de gelukkigste van alle mensen», schrijft hij. Toch drukt de dreiging op de jonge missionaris, die weldra van de ene naar de andere schuilplaats moet gaan. Mgr. Retord maakt zich er ongerust over en vraagt aan de Paters Berneux en Galij zich te begeven naar Pater Masson in de provincie Nghe-An.

De mens wikt en God beschikt

Van de kant van de bisschop was het voorzichtig zijn jonge missionarissen in een betrekkelijke veiligheid te brengen; maar het was te laat: hun aanwezigheid was reeds aangegeven bij de residentie van de mandarijn in Nam-Dinh. In de nacht van Paaszaterdag gaat een detachement van vijfhonderd soldaten de schuilplaatsen van de twee missionarissen omsingelen. ’s Avonds had Pater Berneux reeds enkele bekentenissen gehoord: «Dit was het begin van mijn apostolaat op Annamitische bodem, het was ook het einde ervan. De raadsbesluiten van God zijn ondoordringbaar, maar altijd waardig om te vereren».

In de vroege ochtend van Pasen draagt hij als gewoonlijk de Mis op. Nauwelijks is hij geëindigd als de soldaten de hut binnendringen en zich van hem meester maken. «Ik voelde een grote vreugde, schrijft hij later, toen ik werd weggevoerd, zoals vroeger onze beminnelijke Redder werd weggevoerd van de Olijfberg naar Jeruzalem». Terstond wordt hij met Pater Galy meegenomen, die ook gevangengenomen was. Opgesloten in kooien en gebukt onder de traditionele keten, vertrekken zij naar Nam-Dinh, verheugd hun geloof in Jezus-Christus te kunnen uitdrukken: «Als men hier een keten draagt, zeggen de heidenen, is men treurig, maar waarom lijkt u zo tevreden? – Dit komt, antwoordt Pater Berneux, doordat wij de ware godsdienst, die van Jezus, volgen, wij een geheim bezitten dat u niet kent. Dit geheim verandert het verdriet in vreugde. Omdat wij u liefhebben, komen wij u het onderrichten». Dit «geheim» waarover de missionaris spreekt, is het licht van het geloof, bron van hoop en vreugde. «Het kenmerk van ieder echt missieleven is de innerlijke vreugde die van het geloof komt. In een beangstigde wereld, die gebukt gaat onder vele problemen en naar pessimisme neigt, moet de verkondiger van de Blijde Boodschap een mens zijn die in Christus de ware hoop heeft gevonden» (RM, 91).

Voor een maand

Weldra beginnen de verhoren. De mandarijn hoopt aanklachten te verkrijgen. Pater Berneux verraadt niemand die hem verborgen heeft gehouden. Men laat drie jonge Annamitische christenen binnen, die gevangen genomen zijn en helemaal bont en blauw geslagen. «Dit zijn mensen die gaan sterven. Raad hun aan voor een maand uw godsdienst op te geven en zij zullen alle drie behouden blijven. – Mandarijn, antwoordt Pater Berneux, men verplicht een vader toch niet zijn kinderen op te offeren; en u zou willen dat een priester van de godsdienst van Jezus zijn christenen de afvalligheid aanraadt?» En zich wendend tot zijn dierbare nieuwbekeerden: «Vrienden, een goede raad: bedenkt dat aan uw lijden een einde komt, terwijl het geluk dat u in de Hemel wacht eeuwig is. Weest het waardig door uw standvastigheid. – Ja Pater, beloven zij. – Wat is toch dat andere leven waarover u met hen spreekt? vraagt de mandarijn grijnzend. Alle christenen hebben dus een ziel? – Zonder enige twijfel, en de heidenen hebben er ook een. U hebt er een, mandarijn».

«Al de mensen, begiftigd met een verstandige ziel en geschapen naar Gods beeld, hebben dezelfde natuur en dezelfde oorsprong; verlost door de Christus bezitten allen dezelfde roeping en dezelfde goddelijke bestemming… Als hij een spirituële en onsterfelijke ziel in zich herkent… bereikt de mens zelfs het diepste van de werkelijkheid» (Tweede Vaticaans Concilie, Gaudius et spes, 19, 14). Deze ziel is geroepen om «in volle klaarheid de drieëne God te aanschouwen zoals Hij is» (Tweede Vaticaans Concilie, Lumen gentium, 49), mits hij het hier op aarde heeft verdiend. Want, zoals de heilige Benedictus het zegt, om te wonen in het Hemels Koninkrijk, moet men daar komen door de goede werken, zonder welke men het niet bereikt… Wij moeten onze harten en lichamen dus voorbereiden om te strijden in vrome gehoorzaamheid aan de geboden van God… als wij de straffen van de hel willen ontvluchten en het

eeuwig leven bereiken, terwijl er nog tijd voor is» (Regel, Proloog).

Wat een vreugde !

9 mei 1841. Pater Berneux wordt overgebracht naar de gevangenis van Hué, hoofdstad van Annam. Met zijn vastgebonden benen moet hij blijven liggen op de kale grond. De ondervragingen beginnen weer: «Vertrap dit kruis! – Wanneer het om sterven zal gaan, roept hij uit, zal ik mijn hoofd aan de beul aanbieden. Maar als u mij beveelt mijn God te verloochenen, zal ik mij altijd verzetten. – Ik zal u laten slaan tot de dood erop volgt, dreigt de mandarijn – Sla als u wilt!» Op 13 juni besluit de mandarijn tot de terechtstelling: «Wat een vreugde om te kunnen lijden voor onze verheven God’» zei Pater Berneux.

Op 8 oktober vernemen de Paters Berneux en Galij met blijdschap hun doodvonnis. Op 3 december 1842 bekrachtigt de koninklijke handtekening het vonnis van de rechtbank. Plotseling een verrassende gebeurtenis: op 7 maart 1843 eist een commandant van een Frans oorlogsschip, die had vernomen dat sinds twee jaar vijf van zijn landgenoten in de kerkers van Hué verkommerden, hun invrijheidstelling. Op 12 maart verbreekt men hun ketenen en men draagt hen over aan de commandant. Deze invrijheidstelling ontneemt hen het martelaarschap waaraan zij gehecht waren, en ook de hoop terug te keren naar Annam, om het gegeven woord van de Franse officier op dit punt te respecteren.

Verboden toegang

Maar Pater Berneux laat zich niet tegenhouden. Hij bereidt zich voor om naar andere oorden te vertrekken. De roeping van missiosnaris is een «speciale roeping», naar het voorbeeld van de Apostelen. «Zij komt tot uiting in de volledigheid van de inzet voor de dienst van de evangelisatie; het is een inzet die heel de persoon en heel het leven van de missionaris omvat en van hem een overgave eist die krachten noch tijd spaart» (RM, 65).

In oktober 1843 wordt Pater Berneux naar Mantsjoerije gezonden, een provincie in het Noorden van China. Hij werkt daar gedurende tien jaren, ondanks zware beproevingen met zijn gezondheid (tyfus, cholera). Op 5 augustus 1854 benoemt Pïus IX hem tot bisschop van Korea.

«Korea het land van martelaren, schreef de nieuwe bisschop, hoe kan men weigeren daar binnen te gaan!» Begeleid door twee priestermissionarissen gaat Mgr. Berneux in Shanghai op 4 januari 1856 aan boord op een Chinees jonk. Tot 4 maart moeten zij verborgen leven in het nauwe ruim. Aangekomen op een klein eiland, wachten zij zes dagen op de boot van de christenen. Zij kiezen dan weer zee en, na een week, bereiken zij bij nacht eindelijk een geheime verblijfplaats op enkele kilometers van de hoofdstad, voldaan de bewaking van de kustwacht te hebben misleid. Inderdaad is de toegang tot Korea verboden voor buitenlanders, of straffe van de dood.

De drijfveer van de missie

De bisschop zet zich direct aan het werk: hij leert eerst de Koreaanse taal. Hij bezoekt vervolgens de christenen, zowel in Séoul als op het land en in de bergen. Dan richt hij een seminarie op, opent jongensscholen, installeert een drukkerij; enz. «De Kerk heeft altijd onder de volkeren die zij heeft geëvangeliseerd, schrijft Paus Johannes Paulus II, een drang naar vooruitgang weten op te wekken… de missionarissen werken door hun liefdevolle aanwezigheid en hun nederige dienst voor de volledige ontwikkeling van de mens en de maatschappij, dank zij de scholen, de gezondheidscentra, de leprozerieën, de tehuizen voor invaliden en bejaarden, de initiatieven voor de lotsverbetering van de vrouw… Dit zijn de liefdewerken die de ziel van heel de missieactiviteit aantonen, dit wil zeggen de liefde die is en blijft de drijfveer van de missie» (RM, 58, 60).

Mgr. Berneux zorgt ook voor de toekomst van de missie door met toestemming van de Heilige Stoel als opvolger Mgr. Daveluij te kiezen, die op 25 maart 1857 te Séoul tot bisschop gewijd werd. Ondanks de zeer zware omstandigheden van het apostolaat (illegaliteit, hevige armoede, geregeld terugkerende plaatselijke vervolgingen…) stijgt het aantal gedoopten, dat in 1859 16.700 was, tot 25.000 in 1862. De prediking van de bisschop wierp zijn vruchten af. Inderdaad «de verkondiging van het woord van God streeft naar de christelijke bekering, d.w.z. naar het volledig en oprecht aanhangen van Christus en zijn Evangelie door het geloof. De bekering is een gave van God, een werking van de Drieëenheid: Het is de Geest die de deuren van de harten opent, opdat de mensen mogen geloven in de Heer en Hem belijden (vgl 1 Kor 12, 3). De bekering komt vanaf het begin tot uitdrukking in een volledig en radicaal geloof, dat geen grenzen of hinderpalen stelt aan de gave van God… Het betekent door een persoonlijke beslissing de heilbrengende heerschappij van Christus aanvaarden en zijn leerlingen worden. De Kerk roept iedereen tot bekering op…» (RM, 46).

De bekering tot Christus en tot zijn Kerk leidt naar het doopsel. Door dit sacrament «dringt het heil dat door Jezus is gebracht in het diepste van de persoon door, hem bevrijdend van de heerschappij van de duivel, van de zonde en van de eeuwige dood» (Johannes Paulus II, 18 mei 1997). Het Doopsel is de poort van de andere sacramenten die aan de mensen een bijzondere heilzame bovennatuurlijke hulp geven, ja zelfs noodzakelijk om in de Hemel te komen.

Dit alles is onjuist !

Een paleisrevolutie in 1864 en de dreiging van een Russische aanval op Korea (januari 1866) onderbreken echter het apostolaatswerk van de missionarissen en wekken de haat van de antichrist op. Op 23 februari 1886 omsingelt een troep soldaten het huis van de bisschop: vijf mannen dringen er binnen. De bisschop ontvangt hen: «U bent Europeaan? vraagt de commandant. – Ja, maar wat komt u hier doen? – Op bevel van de Koning komen wij de Europeaan arresteren. – In vredesnaam!» En zij nemen hem zonder te boeien mee. De 27e verschijnt Mgr. Berneux voor de Minister van het Koninkrijk en twee Hoge Rechters. Zij vragen hem hoe hij Korea is binnengekomen, op welke plaats en met wie. «Vraag dat niet aan de bisschop, antwoordt Mgr. Berneux. – Als je niet antwoordt, kunnen wij volgens de wet jou veel martelingen laten ondergaan. – Wat u wilt, ik ben niet bang».

Van 3 tot 7 maart ondergaat Mgr. Berneux elke dag een ondervraging op de binnenplaats van de Gevangenis van de Edelen. In het midden van de binnenplaats is hij vastgebonden aan een hoge houten stoel. Het «Nieuwsblad van het Hof» vermeldt dat bij elke ondervraging de bisschop «de marteling van de pijnbank» wordt toegebracht; voor hem is «de foltering de tiende of elfde keer gestopt», hetgeen betekent dat men hem tien of elf keer met volle kracht op de voorkant van de benen slaat door middel van een stok met driekantig snijvlak zo groot als een tafelpoot. De bisschop blijft rustig, hij slaakt alleen bij elke slag een diepe zucht. Niet meer in staat zich alleen voort te bewegen, moet men hem naar de cel terugbrengen, waar men als enige verzorging zijn ontvelde benen met vetvrij papier bedekt.

In die tussentijd zijn de Paters Just de Bretenières, Doric en Beaulieu gearresteerd: alle drie ondergaan ook de ondervragingen en de folteringen. Op 7 maart publiceert «Het Nieuwsblad van het Hof»: «De vier Europese individuën worden overgeleverd aan de militaire autoriteiten om onthoofd te worden en daarna worden de hoofden opgehangen om als les te dienen voor de menigte».

De hemel onder handbereik

De executie heeft op 8 maart plaatsgevonden. Bij het verlaten van de gevangenis roept de bisschop uit: «Zo sterven wij in Korea: het is goed!» Bij het zien van de verzamelde menigte, zucht hij: Mijn God, wat zijn deze arme mensen te beklagen!» Paus Johannes Paulus II schrijft: «De missionaris wordt gedreven door de ijver voor de zielen, welke zich laat inspireren door de liefde van Christus zelf, en die bestaat uit aandacht, tederheid, medelijden, hartelijkheid, dienstbaarheid, belangstelling voor de problemen van anderen… Jezus heeft allen bemind en verlost en Hij leed als het heil afgewezen werd» (RM, 89).

De bisschop benut elk oponthoud om tegen zijn medeveroordeelden tot de doodstraf te spreken over de Hemel. De gekozen plaats voor de marteldood is een breed zanderig strand langs de rivier de Han. De vierhonderd soldaten vormen een cirkel en plaatsen een mast in het midden. De mandarijn geeft bevel de veroordeelden voor hem te brengen. Men maakt dan de veroordeelden gereed. De kleren worden afgerukt; de dubbelgevouwen oren worden met een pijl doorboord; het gezicht wordt met water besproeid en dan met ongebluste kalk wat de slachtoffers blind maakt. Daarna steek men onder de schouders, tussen de samengebonden armen en de romp van de ter dood veroordeelden, stokken waarvan elk van de uiteinden moet rusten op de schouder van een soldaat.

De mars van de Hpal-Pang

De mars, genoemd van de Hpal-Pang, begint rond de arena: de bisschop loopt voorop, gevolgd door de drie missionarissen. Zij brengen geen woord uit. Op een gegeven signaal stormen zes beulen op de veroordeelden af, schreeuwend: «Vooruit, laten wij deze missionarissen doden, laten wij hen vermoorden!» Men bindt aan de haren van de bisschop een stevig koord vast, om zijn hoofd naar voren te buigen. De beul slaat de bisschop, doch het hoofd valt pas bij de tweede sabelslag. De hele Hemel is in feestelijke stemming om de ziel van de martelaar te ontvangen in de eeuwige gelukzaligheid van God. Volgens getuigen glimlachte de bisschop op het moment van de executie en hij behield deze glimlach na de dood.

Niet alle christenen zijn geroepen deze uiterste getuigenis van het martelaarschap te geven, noch om naar de missie te vertrekken. Maar «men kan waarachtige apostelen zijn, en op de meest vruchtbare wijze die zich voordoet, zelfs binnen de muren van zijn huis, op de werkplek, in het ziekenhuisbed, binnen het slot van een klooster…: wat telt, is dat het hart brandt van de goddelijke liefde, die alleen – kan omvormen in licht, in vuur en in nieuw leven voor het hele Mystieke Lichaam, tot aan de uiterste grenzen der aarde, niet alleen het lichamelijke en geestelijke lijden, maar zelfs ook het leed van de dagelijkse sleur » (Johannes Paulus II, 18 mei 1997).

Zich richtend tot Onze-Lieve-Vrouw van de Victorie, zingt de heilige Theresia van het Kind-Jezus:

Met de werken van een missionaris

U hebt mij verbonden voor altijd,

Door de banden van het gebed,

Van het lijden en van de liefde…

O! voor de Veroveraar van zielen

Ik wil mij opofferen in de Karmel

En door Hem verspreiden het vuur van de liefde

Dat Jezus aandroeg uit de Hemel.

Dat wij, in navolging van haar, zouden kunnen branden van verlangen zielen te redden, door onze dagelijkse plicht van onze staat heen! Deze genade vragen wij voor u aan de Koningin van de Apostelen en aan de glorievolle sint Jozef. Wij bidden ook voor al uw overledenen.