16 Juli 1998

Heilige Jeanne de Chantal

Dierbare Vrienden,

Als wij beweren zonder zonde te zijn, bedriegen wij onszelf en woont de waarheid niet in ons (1 Joh 1, 8). Wij hebben allen werkelijk behoefte aan de barmhartigheid van God. Maar het is een huiveringwekkende gedachte dat deze overvloed van barmhartigheid ons hart niet kan doordringen, zolang wij geen vergiffenis verleend hebben aan mensen die ons kwaad deden; als wij weigeren onze broeders en zusters te vergeven, sluit ons hart zich en de hartvochtigheid ervan maakt het ondoordringbaar voor de barmhartige liefde van de Vader (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK 2840). In het Onze Vader laat Jezus ons dan ook vragen: Vergeef ons onze schuld, zoals wij aan anderen vergeven… Onze Heer hecht zo’n grote betekenis aan deze vraag, dat dit het enige is waarop hij terugkomt in de bergrede: Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven (Mt 6, 14-15).

De vergeving is een grote overwinning op de haat en op de uitbarsting van de menselijke instincten. Door de vergeving komt er een nieuwe kracht in het leven van de mensen, die sterker is dan het kwaad. «De vergeving bevestigt dat de liefde die sterker is dan de zonde aanwezig is in de wereld» (Johannes-Paulus II, encycliek Dives in misericordia, DM 14). De onschatbare waarde van de christelijke vergeving blijkt op een aangrijpende manier uit het volgende verhaal, dat verteld wordt door een missionaris van China. Het speelt zich af in een Chinees dorp na een bloedige christenvervolging.

«Op de dag van het bloedbad, vertelt de missionaris, komt een hele familie van acht personen om het leven, behalve twee bejaarden die afwezig waren. Toen zij na de marteling hun met riet bedekte hut konden bereiken, was deze leeg. De oude grootvader dacht dat hij er gek van werd. Hij rende met verwilderde ogen door de straten van het dorp om zijn kinderen en kleinkinderen te zoeken: de schok was zo hevig geweest dat hij er tot zijn dood nerveuze bevingen van overhield.

Het feit dat de moordenaar van zijn familie een van zijn oud-leerlingen was, geliefd meer dan de anderen en voor wie hij veel goeds had gedaan, bracht hem buiten zichzelf van woede en vergrootte in zijn ogen de verschrikking van de misdaad. Toen de misdadiger vernam dat de christenen waren teruggekeerd, was hij gevlucht, want hij meende dat de eerste de beste die hij zou tegenkomen niet zo welwillend kon zijn hem niet te doden.

Men is christen of men is het niet

Toen ik vijf maanden daarna in het dorp was, kwam op zekere dag de catechist, de leider van de christenheid, mij bezoeken: «Pater, ik heb slecht nieuws. De moordenaar vraagt toestemming om naar het dorp terug te keren. Ik kan geen nee tegen hem zeggen. Wij hebben niet het recht het hem te beletten en bovendien kan men geen wraak op hem nemen. Men is christen of men is het niet. Ik zal de christelijke families waarschuwen en ik ben er zeker van dat iedereen hem van ganser harte zal vergeven. Dan is er nog alleen de arme oude Wang. Hoe zal hij de schok verdragen? – Dus, wat kan ik doen?… Pater U zou hem moeten overhalen om te vergeven.

– Dat is ook wat moois, beste vriend; maar goed, laten we het proberen».

Ik riep de brave Wang bij me: «Beste vriend, noblesse oblige: je hebt heiligen onder je nakomelingen, je moet hen waardig zijn. – Wat wilt u zeggen, Pater?

– Als de moordenaar van je familie in het dorp terugkwam en je zag hem, wat zou je dan doen? – Ik zou hem naar zijn keel vliegen».

Het was pijnlijk om aan te zien. Ik nam zijn handen vast: «Je weet heel goed wat wij altijd zeggen: men is christen of men is het niet… Je zou hem niet naar zijn keel vliegen… Hij snikte, twijfelde een ogenblik, veegde twee tranen weg en zei: Vooruit dan, Pater, laat hem terugkomen». En toen ik hem zonder iets te zeggen aankeek, zei hij nog: «Ja, ja, vraag hem terug te komen: u zult zien of ik christen ben».

’s Avonds was de christengemeenschap om mij heen verzameld op de binnenplaats van de catechist. Daar keuvelden wij samen, dronken thee en rookten lange pijpen. Dit was het mooiste moment van de dag. Maar er hing iets in de lucht; men durfde er niet over te praten. De arme Wang zat naast mij, bevend en bleek. De anderen zaten in een cirkel voor mij, zij waren ontroerd. De moordenaar moest komen en iedereen wist het.

Plotseling gaat de cirkel uiteen. Op de achtergrond, in het schijnsel van de lantaarns die langzaam heen en weer gaan aan de bomen van de binnenplaats, zie ik de moordenaar aankomen, het hoofd gebogen, met een trage pas alsof hij gebukt gaat onder de last van de vervloeking van al de mensen. Hij komt voor mij staan en valt op zijn knieën, midden in een verschrikkelijke stilte. Mijn keel knijpt dicht; met moeite zeg ik tegen hem: «Vriend, je ziet het verschil. Als wij jouw familie hadden verminkt en als jij hier als overwinnaar was teruggekomen, wat zou je dan doen?» Er was een gekreun dan een stilte. De oude Wang stond op: trillend buigt hij zich over de beul van zijn familie, tilt hem op tot op schouderhoogte en omhelst hem.

Twee maanden later komt de moordenaar mij bezoeken: «Pater, voorheen begreep ik uw godsdienst niet. Nu heb ik het meegemaakt. Men heeft mij werkelijk vergeven. Ik ben een ellendeling, maar zou ook ik christen kunnen worden? – Ik hoef u niets meer te zeggen». Toen vroeg hij mij: «Pater, ik zou iets onmogelijks willen vragen. Ik zou willen dat de oude Wang mijn peetvader wordt. – Beste vriend, ik vind het beter dat je het hem zelf vraagt?» Enige tijd daarna nam Wang, die voortaan zonder nageslacht was, de moordenaar van zijn familie als geestelijke zoon aan…»

Een menselijker wereld

Dit heldhaftige voorbeeld toont aan hoe in de lijn van het Evangelie de vergeving van het kwaad en de barmhartigheid de wereld kunnen veranderen en menselijker maakt. «Een wereld waarin men de vergeving wegcijfert, schrijft Johannes Paulus II, zal alleen een wereld zijn van kille en oneerbiedige rechtvaardigheid, in welke naam ieder zijn rechten opeist ten opzichte van de ander; en daar het egoïsme van allerlei aard in de mens sluimert, konden het leven en de menselijke samenleving zo veranderen in een systeem van onderdrukking van de zwakste door de sterkste, of ook in de arena van de voortdurende strijd van de een tegen de ander.

Daarom moet de Kerk het als een van haar belangrijkste taken beschouwen om het mysterie van de

barmhartigheid, dat in de meest zuivere vorm door Jezus-Christus werd geopenhaard, bekend te maken en in het leven in te voeren. Dit mysterie is niet alleen voor de Kerk zelf als gemeenschap van gelovigen, maar in zekere zin ook voor alle mensen, een bron van een leven dat verschilt met het leven dat in staat is tot het vormen van een mens blootgesteld aan de tirannieke krachten van de drievoudige begeerte die in hem werkzaam zijn» (DM, 14).

Christus onderstreept met aandrang de noodzakelijkheid anderen te vergeven. Als Petrus Hem vraagt: Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe? Jezus antwoordt: Neen, ik zeg u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal (Mt 18, 21-22). In het Hetreews heeft zeventigmaal zevenmaal dezelfde betekenis als «altijd». «Onze Heer begrenst de vergeving dan ook niet tot een bepaald aantal keren, maar Hij zegt dat de vergeving blijvend en volledig moet zijn» (Johannes Chrysostomus). Wij hoeven niet elke dag aan onze naaste ernstig kwaad te vergeven. Maar de vergeving blijft ons dagelijks

brood, want ondanks al het vertrouwen dat wij in elkander kunnen hebben, zijn er altijd woorden die pijn doen, gewoonten waarmee men zich opdringt en situaties waar prikkelbaarheden met elkaar in botsing komen, hetgeen een blijvende inspanning en een dagelijkse onderlinge vergeving vereist. De heilige Benedictus vraagt zijn monniken na de Lauden en de Vespers het Onze Vader te zingen wegens de stekels van de ergernis die gewoonlijk teweeggetracht wordt, opdat de broeders zich verenigen met de belofte die zij in dit gebed doen, zeggende: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren, om in staat te zijn zich van dit soort fouten te zuiveren (Regel, h. 13).

Toch «is het zeer duidelijk dat een zo milde eis tot vergeving, de zakelijke eisen van gerechtigheid niet teniet doen. De goed opgevatte rechtvaardigheid maakt om zo te zeggen het doel uit van de vergeving. In geen enkele passage van de Evangelische boodschap betekenen de vergeving, noch de barmhartigheid, die de bron ervan is, toegevendbeid ten opzichte van het kwaad, de ergernis, het veroorzaakte onrecht of de beledigingen» (DM, ibid.). Het herstel van het kwaad en de ergernis, de schadeloosstelling van het veroorzaakte onrecht en de genoegdoening van de beledigingen blijven in elk geval noodzakelijk.

De gratis liefde

Maar, degene die vergeeft hoeft niet te wachten op het eerherstel om te beginnen met barmhartig te zijn. De vergeving spruit voort uit een spontane en gratis liefde. De Heer vraagt ons al degenen te vergeven, die ons kwaad hebben aangedaan, degenen die wij verantwoordelijk houden voor ons onaangenaamheden, voor onze moeilijkheden en voor onze mislukkingen, zelfs al zou hun opstelling niet in overeenstemming zijn met de rechtvaardigheid. Jezus heeft niet gewacht tot degenen die Hem aan de dood overleverden berouw zouden hebben over hun zonde alvorens hun te vergeven. De vergeving laat zich geheel rechtvaardigen door het verlangen aan God te gehoorzamen, die ons het voorbeeld ervan geeft. En, daar God wenst tot een volmaakte verzoening met ons te komen als Hij ons vergeeft, moeten wij

eveneens alles doen wat in ons vermogen ligt om ons te verzoenen met onze schuldenaren.

Op eigen kracht kunnen wij niet vergeven; de vergeving is een genade die God ons schenkt om onszelf gelukkig te maken. Als wij deze genade met oprechtheid vragen, zal God ons deze genade verlenen om uit het diepst van ons hart te kunnen vergeven, zoals Hij-Zelf ons vergeeft. «De zekerheid dat wij in onze vragen verhoord worden, is gefundeerd op het gebed van Jezus. Als ons gebed vastberaden verenigd wordt met dat van Jezus, in het vertrouwen en in de kinderlijke vrijmoedigheid, dan verkrijgen wij alles wat wij vragen in zijn naam» (KKK, 2614, 2741). Inderdaad zegt Jezus ons Zelf: Vraagt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en er zal worden opengedaan. Want al wie vraagt, verkrijgt; wie zoekt, vindt en wie klopt, doet men open. (Mt 7, 7-8). Deze woorden zijn in de eerste plaats van toepassing op de noodzakelijke genade voor ons heil, evenals op die van de vergeving. Leggen wij ons dus voor God neer om Hem als getuige te nemen van onze bereidheid tot vergeving door te zeggen wie onze schuldenaren zijn en wij hun willen vergeven. Laten wij onze last neerleggen aan de voet van het Kruis van Jezus en laten wij Hem vragen ons hart te vervullen met vertrouwen en vrede. Wij ontslaan zo onze schuldenaren van hun schuld jegens ons en wij laten onze eigen bitterheid varen.

Als wij weigeren iemand vergeving te schenken, doen wij hem onrecht. De weigering om te vergeven en de kwaadbeid is een vergif dat ons verhindert te genezen (vgl Sir 28, 3), God te aanbidden en te loven. Degene die niet vergeeft, pijnigt zichzelf. Maar als hij besluit het wel te doen, zal God de naastenliefde herstellen en de twee partijen voorzichtig leiden naar de verzoening. Eenmaal de stap gezet, moeten wij zelf aan God vergiffenis vragen voor onze zonden en zouden wij moeten volharden in de vergeving, zeventigmaal zevenmaal, opdat wij werkelijk onze liefde aan onze schuldenaar zouden betonen wanneer dat mogelijk zal zijn.

Een innerlijke strijd

Om ons te helpen te vergeven, heeft Jezus Zelf ons voorbeeld en de bron van de vergeving willen zijn. Op het Kruis prijsgegeven aan de pijnlijkste smarten, heeft Hij tot zijn Vader gebeden: Vader vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen (Lc 23, 24), en zo heeft Hij voor ons de genade verdiend om te vergeven. Ondanks dit goddelijke voorbeeld, is het voor ons toch niet gemakkelijk barmhartig te zijn tegenover iemand die ons liet lijden. Ondanks edelmoedige pogingen kan het zijn dat wij in ons en in weerwil van onszelf nog altijd een afkeer voelen voor de persoon die ons verwond heeft. De wil om te vergeven kan inderdaad stuiten op gevoelens van terughoudendheid en op emoties. Het is dan ook noodzakelijk te onderscheiden hoe het met onze «gevoelens» en onze «bereidheid» gesteld is. Het gevoel van afkeer, dat ons aangrijpt bij het zien van degene die ons kwaad heeft aangedaan, is aangeboren en daar is niets verkeerds aan. Wat ons gevraagd wordt, is moeite te doen dit niet te aanvaarden en vooral niet overeenkomstig dit gevoel te handelen. Het doet er weinig toe als ons geheugen het aangedane kwaad niet kan vergeten. Laten wij God de genade vragen om te kunnen vergeven en laten wij besluiten met zijn hulp te vergeven! Het is een innerlijke strijd, waarvan hier een mooi voorbeeld volgt.

Jeanne Françoise Frémiot, in 1572 geboren te Dijon, trouwt op twintig jarige leeftijd met baron de Chantal. Hun gezin, waarin vier kinderen geboren worden, kent acht jaren van diep geluk, dat bruut onderbroken wordt door een tragedie. Mijnheer de Chantal heeft ingestemd met een van zijn neven, de heer d’Anlezy, een jachtpartij te houden in de bossen niet ver van het kasteel. Hij draagt bronskleurige kleding. Als zijn vriend hem door enkele struiken ziet staan, houdt hij hem voor een wild dier, schiet erop en verwondt zijn dijbeen: «Ik ben dood! roept mijnheer de Chantal vallend; beste vriend, beste neef, ik vergeef je van ganser harte, je hebt dit verkeerde schot uit onvoorzichtigheid gelost». Hij zendt terstond een bediende naar mevrouw de Chantal: «Maar, helaas, zegt hij met tranen in de ogen, laat haar niet weten dat ik dodelijk gewond ben; zeg haar alleen dat ik aan mijn dijbeen gewond ben».

Laten wij de goddelijke voorzienigheid hoogachten

De jonge barones, die juist uit het kraambed van haar vierde kind is opgestaan, raadt alles en gaat er met een bevend hart heen. Als hij haar in de verte ziet aankomen, roept mijnheer de Chantal haar toe: «Mijn liefste, het besluit van de Hemel is billijk, men moet Hem liefhebben en sterven. – Nee, zegt zij, je moet genezen! – Het zal tevergeefs zijn, zegt de gewonde zachtjes, die voelde dat hij ging sterven. Mevrouw de Chantal barst door de verschrikkelijke schok in tranen uit, en kreten van verwijt tegen mijnheer d’Anlezy komen uit de grond van haar hart. «Ach! zegt de gewonde haar onderbrekend, laten wij de Goddelijke Voorzienigheid hoogachten, laten wij alles bezien vanuit de Hemel».

De artsen komen van alle kanten toegelopen. Tussen hoop en vrees loopt de barones van de een naar de ander: «Mijnheer de Chantal moet beslist genezen», herhaalt zij onder haar tranen door. Haar verdriet is zodanig dat zij haar ongeluk niet kan aanvaarden. Elk moment ontsnapt zij huilend de kamer waar de zieke ligt en rennend door de gangen van het kasteel roept zij luidkeels: «Heer, neem alles wat ik op de wereld heb, maar laat mij mijn dierbare echtgenoot behouden». De zo vurige en zo zuivere gebeden zullen echter niet verhoord worden. Na de sacramenten met een bijzondere godsvrucht ontvangen te hebben, vraagt mijnheer de Chantal zijn vrouw en zijn zoon er nooit over te peinzen om zijn dood te wreken, hij zegt hun dat hij opnieuw degene, die hem zonder opzet gedood heeft, vergeeft en deze vergeving in de registers van de kerk laat inschrijven. Als een toonbeeld van geduld in dit laatste lijden, ontslaapt hij met 35 jaar, acht dagen na het ongeluk, een mooi voorbeeld van christelijke barmbartigheid nalatend.

Tevergeefs komen de dames van de naburige kastelen om te proberen mevrouw de Chantal te troosten. Zij is erdoor getroffen en er erkentelijk voor. Maar ’s avonds als zij weer in haar kamer is: «Ach, zegt zij dan, dat men mij niet op mijn gemak laat huilen! Men denkt mij te verlichten en men pijnigt mij». Zij valt dan snikkend op haar knieën en zij brengt de nacht door in tranen… Na verloop van drie of vier maanden is haar gezondheid zó zeer verzwakt, dat zij onherkenbaar geworden is. Door zich met haar vier kindertjes bezig te houden, die zonder iets van haar verdriet te begrijpen hun liefkozingen verdubbelen, vindt zij langzamerhand de moed terug om verder te leven. De moordenaar van haar man heeft evenwel de streek niet verlaten. De ontroostbare weduwe kan niet de moed opbrengen hem weer te ontmoeten. Zij kan hem maar niet vergeven. Hiervoor is nodig dat de heilige Franciscus van Sales in haar leven komt.

Een moeilijke vergiffenis van een heilige

De grote heilige, die haar biechtvader is geworden, schrijft haar vijf jaar later: U vraagt mij of ik wil dat u een ontmoeting hebt met degene die mijnheer uw echtgenoot doodde… Het is niet nodig dat u daartoe noch het moment noch de gelegenheid uitzoekt; maar als het zich voordoet, wil ik dat u zich zachtaardig, vriendelijk en medelijdend opstelt. Ik weet dat het u ongetwijfeld moeite zal kosten en u zodanig in de war zal brengen, dat uw bloed ervan gaat koken; maar wat maakt dat uit? Onze beminde Verlosser heeft het zeker zo ervaren bij het zien van de dode Lazerus en zijn naderende Lijdensweg. Ja, maar wat zegt de Schrift? Zowel bij het een als het andere hief Hij zijn ogen op naar de Hemel. Dat is het, mijn dochter, God laat u zien in deze gemoedstoestand hoezeer wij van vlees, gebeente en geest zijn… Ik heb me voldoende verklaard. Ik herhaal: ik verlang niet dat u naar een ontmoeting streeft met deze arme man, maar dat u toegevend zult zijn

tegenover degenen die u de gelegenheid aan de hand

zullen willen doen…

Mevrouw de Chantal gehoorzaamt en stemt toe in een ontmoeting met mijnheer d’Anlezy. Zij komt vriendelijk voor de dag voor zover haar hart het haar toelaat. Maar deze ontmoeting is buitengewoon pijnlijk voor haar. Het woord van de vergeving valt haar zwaarder, kan men zeggen, dan al haar inspanningen tot heiliging bij elkaar. Daar zij haar besluit om te vergeven tot het einde wil voortzetten, biedt zij mijnheer d’Anlezy

bovendien aan, omdat er een kleine op komst is, om de pasgeborene ten doop te houden. Dit was de volmaakte vergeving van degene die de heilige Jeanne de Chantal is geworden.

Als wij vergeven, verandert de genade van God onszelf. Geleidelijk overstelpt de liefde ons hart en kan zelfs onze schuldenaren bekeren. Wij zijn goede instrumenten geworden van Gods genade. Als wij echter aan anderen vergeven, laten wij dan niet denken beter te zijn dan zij. Dit zou hoogmoedig zijn, want wij zijn zondaars, laten wij dat niet vergeten. Vergeving vragen voor onze zonden, onze zonden tegen God en tegen de mensen, zelf vergeven aan onze schuldenaren, laat ons voortgaan op de weg van de eeuwige gelukzaligheid. Daarom zegt de heilige Gregorius van Nyssa: «Als de Schrift God de barmhartige noemt, als de waarachtige barmhartigheid God Zelf is, is het dientengevolge duidelijk, dat een mens die doorgaat voor barmhartig waardig wordt aan de goddelijke gelukzaligheid, want hij is geraakt tot wat God kenmerkt: De Heer is rechtvaardig en barmhartig, God erbarm u over ons (Ps 114, 5)» (Leerrede over de 5e zaligheid).

Aan de Heilige Maagd, Moeder van barmhartigheid, en aan sint jozef vragen wij de genade van het eeuwig leven, voor u en al degenen die u dierbaar zijn, levend en overleden.