20 Augustus 1998
Heilige Teresia van het Kind Jezus
Dierbare Vrienden,
«Wat vraag je aan de Kerk van God? – Het geloof». Deze dialoog die de liturgie van het Doopsel van een volwassene inleidt, wordt voortgezet met de vraag van de priester: «Wat geeft jou het geloof? – Het eeuwig leven», antwoordt de dopeling. Inderdaad het geloof laat ons als het ware bij voorbaat de vreugde en het licht van de zalige aanschouwing van God smaken, doel van onze tocht hier op aarde. Dan zullen wij God zien van aangezicht tot aangezicht (1 Kor 13, 12), zoals Hij is (1 Joh 3, 2) (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 163).
Tegenwoordig wordt de deugd van het geloof zeer vaak miskend, beperkt tot een eenvoudige persoonlijke mening of tot een vage religieuze overtuiging, beschouwd als een vrije en vrijblijvende opvatting. Het zou slechts gaan om een persoonlijke overtuiging behorend tot het privé-leven en die niemand zou raken, vooral niet de Kerk.
Aannemen of loslaten?
Maar wat is het geloof in werkelijkheid? Het geloof is de goddelijke deugd waardoor we in God geloven en in alles wat Hij ons gezegd en geopenbaard heeft, en dat de heilige Kerk ons voorhoudt te geloven, omdat Hij de waarheid zelf is. Door zijn Openbaring spreekt de onzichtbare God tot de mensen als tot zijn vrienden teneinde hen uit te nodigen tot de gemeenschap met Hem en hen daarin op te nemen. Door het geloof onderwerpt de mens zijn verstand en wil aan God die zich openbaart (vgl KKK, 1814, 142-143).
Verre van vrijblijvend is het geloof noodzakelijk voor het eeuwig heil. Jezus-Christus heeft het duidelijk bevestigd: Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden (Mc 16, 16). «Omdat het zonder het geloof onmogelijk is aan God te behagen (Heb 11, 6) en deel te krijgen aan de gemeenschap van zijn kinderen, wordt niemand zonder dit geloof ooit gerechtvaardigd en zal niemand het
eeuwig leven verwerven, tenzij hij ten einde toe volbardt (Mt 10, 22)» (KKK, 161). Het geloof weigeren, dat een gave van God is, is het heil weigeren en voor eeuwig verloren gaan: wie niet gelooft zal veroordeeld worden (Mc 16, 16). Het geloof kan dus niet een keuze zijn van «aannemen of loslaten».
Verre van bijkomstig of zonder belang te zijn, heeft het geloof een diepe terugslag op heel het leven van de christen: Die gerechtvaardigd is door het geloof zal leven (Rom 1, 17). De Kerk vierde vorig jaar het eeuwfeest van het binnengaan van de Hemel van de heilige Theresia van het Kind-Jezus. De heilige Paus Pius X heeft haar genoemd «de grootste heilige van de moderne tijd»; zij heeft de kracht van het geloof aangetoond in een heel eenvoudig leven. Nauwelijks vier jaar oud, wordt zij door haar zus Céline ondervraagd, die verbijsterd is over het mysterie van de Eucharistie: «Hoe komt het dat de Goede God in zo’n kleine hostie kan zijn? vraagt Céline. – Dat is niet verwonderlijk, antwoordt Thérèse, daar de Goede God almachtig is. – Wat wil dat zeggen, almachtig? – Maar dat is alles doen wat je wilt!» Verbluffende logica van een kinderlijk geloof. Maar kan dit kinderlijk geloof verstandig zijn? Ja, want het is verstandig om te geloven. Geloven is een waarachtig menselijke daad. Het is noch met de vrijheid en met het verstand van de mens in strijd om vertrouwen in God te hebben en om in te stemmen met de waarheden door Hem geopenbaard. Ook bij menselijke relaties is het niet in strijd met onze eigen waardigheid te geloven wat andere personen ons zeggen over zichzelf of over hun bedoelingen, en vertrouwen te stellen in hun beloften. In zoverre het christelijk geloof een zich persoonlijk bekennen tot God is en een instemming met de waarheid die Hij geopenbaard heeft, verschilt het van het geloof in een menselijke persoon. Het is juist en goed zich geheel aan God toe te vertrouwen en volstrekt te geloven in wat Hij zegt. Het zou ijdel en bedrieglijk zijn op een dergelijke manier in een schepsel te geloven (vgl KKK, 150). «Als wij God niet geloven, merkt de heilige Ambrosius op, wie zullen wij dan geloven?»
Onbezonnen mening?
De geopenbaarde waarheden kunnen vaag lijken voor het verstand en de menselijke ervaring. Het geloof verheimelijkt het mysterie niet, maar het veroorlooft ons er met zekerheid mee in te stemmen, met het vertrouwen in God «die zich noch kan vergissen noch ons kan misleiden». «Het geloof is zeker, zekerder dan elke menselijke kennis, omdat het steunt op het woord zelf van God, die geen onwaarheid kan spreken» (KKK, 157).
Toch is het geloof geen onbezonnen mening en niet enkel subjectief, dat geen enkele toegankelijke grondslag zou hebben voor het verstand. Integendeel «opdat de hulde van het geloof niettemin overeenstemt met ons verstand, heeft God gewild dat de inwendige bijstand van de Heilige Geest vergezeld gaat van de uitwendige bewijzen van zijn Openbaring. Zo zijn de wonderen van Christus en de heiligen, de profetieën, de verbreiding en de heiligheid van de Kerk, haar vruchtbaarheid en haar stabiliteit zekere tekenen van de Openbaring, aangepast aan het begrip van ieder, en motieven van geloofwaardigheid die tonen dat de instemming van het geloof geenszins een blinde gemoedsopwelling is» (KKK, 156). In ons tijdperk van twijfelzucht en betrekkelijkheid dienen al de godsdiensten zich aan als gelijkwaardig; het is van belang de «uitwendige bewijzen van de Openbaring» zorgvuldig te bestuderen, en onze redenen om te geloven goed te kennen.
Waar denk je aan?
Verlicht door het geloof, leeft de heilige Theresia ongedwongen met de onzichtbare wereld: God, de heiligen, de engelen zijn haar even na als haar vader, haar moeder of haar zussen. Op zekere dag, toen zij nog geen drie jaar was, spreekt zij haar moeder aan om zeer krachtig haar liefde te uiten: «O! Wat zou ik graag willen dat je doodging, mijn lief moedertje! – Och toe nou Thérèse, waar denk je aan? Men zegt toch niet zulke dingen. – Het gaat er toch om dat je naar de Hemel mag gaan, omdat je zegt dat men moet doodgaan om er te komen!» De Hemel is voor Thérèse een werkelijkheid. Hier, in Alençon, is haar pappa, haar mamma, en haar zussen zijn er. In Mans is haar tante-religieuze. In Lisieux zijn oom en tante Guérin. In de Hemel zijn de vier broertjes en zusjes, die jong gestorven zijn. Waarom zou Thérèse degenen die zij het meest op aarde liefheeft, niet de Hemel kunnen toewensen? Dit alles is zeer eenvoudig. Op de vraag: «Wat doe je om altijd aan de Goede God te denken?» zal Thérèse later antwoorden: «Dat is niet moeilijk… men denkt natuurlijk aan iemand die men liefheeft!» Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn (Mt 6, 21), zei Jezus.
Een brandende vuurgloed
De genade van het geloof, ontvangen bij het Doopsel, heeft een gunstige bodem gevonden in het gezin van de heilige. Mijnheer en mevrouw Martin zijn zich bewust van hun rol van christelijke ouders en zij plaatsen met de hulp van God alle dingnen in het perspectief van het Evangelie. «Door de genade van het sacrament van het huwelijk hebben de ouders de verantwoordelijkheid maar ook het voorrecht ontvangen om hun kinderen de blijde boodschap mee te delen. Al heel vroeg zullen zij hen in contact brengen met de christelijke heilsmysteries, want voor hun kinderen zijn de ouders de eerste verkondigers ervan. Vanaf hun prille jeugd zullen zij hen laten deelnemen aan het kerkelijk leven. De levensgewoonten in het gezin kunnen affectieve houdingen tot stand brengen, die gedurende het hele leven een waarachtige grondslag en steun voor het geloofsleven kunnen betekenen… De gezinskatechese gaat vooraf aan en vergezelt en verrijkt de andere vormen van geloofsonderricht. De ouders hebben als taak hun kinderen te leren bidden en hen te helpen hun roeping als kinderen van God te ontdekken» (KKK, 2225-2226).
Het geloof openbaart aan de heilige Theresia het vaderschap van God en zijn barmhartige liefde. «De Heer is altijd minzaam voor mij geweest en vervuld van zachtmoedigheid… traag met straffen en rijk aan barmhartigheid, zal zij schrijven op de avond van haar leven… Aan mij, heeft Hij zijn oneindige Barmhartigheid gegeven, en door haar heen aanschouw ik de andere goddelijke volmaaktheden!… Dan lijkt mij alles stralend van liefde, de gerechtigheid zelfs (en misschien nog meer dan al het andere), lijkt mij omkleed met liefde». Zij heeft begrepen dat de zwakheid, de machteloosheid, zelfs de zonde, mits men er spijt van heeft, verre van de barmhartigheid van God te belemmeren, haar uitlokken en haar aantrekken: «Ja, ik voel het, wanneer ik zelfs al de zonden op mijn geweten zou hebben die bedreven kunnen worden, zou ik mij met een gebroken hart van berouw in de armen van Jezus werpen, want ik weet hoezeer Hij de verloren zoon bemint die naar Hem terugkeert… Ik voel dat dit grote aantal beledigingen als een waterdruppel in een brandende vuurgloed zou zijn».
Alsof hij even het hoofd ervoor omdraait
Door haar intens geloof ontdekt de heilige Gods barmhartigheid door het lijden heen. Gods heilsplan lijkt haar duidelijk: de gevolgen van de zonde niet alleen laten dienen voor het heil van de mensen, maar voor zijn vervolmaking, tot aan de heiligheid toe. Het geheim van de heiligheid vindt Thérèse in het lijden, het middel zichzelf weg te cijferen om zich met God te verenigen, anders gezegd een middel om te beminnen. Want niets behaagt God meer dan onze gehoorzaamheid die zich uit door de aanvaarding van het lijden. Het lijden, nagelaten aan de mens na de zonde, is geheiligd door het Lijden van Christus. De beproeving is in de ogen van de heilige Theresia het middel om aan God meer blijk van overgave en van liefde te geven; zij schrijft: «Onder de wijnpers van het lijden, zal ik je mijn liefde bewijzen».
Maar, «hoe kan de Goede God die ons liefheeft gelukkig zijn als hij ons laat lijden?» vraagt zij zich af. En zijn liefde geeft haar dit antwoord in: «Nee, ons lijden maakt Hem nooit gelukkig, doch dit lijden is noodzakelijk voor ons. Dan laat Hij het toe alsof Hij even het hoofd ervoor omdraait». Daar de zonde het lijden noodzakelijk heeft gemaakt, wil God het lijden, maar uit liefde, als het middel de mens weer te bewegen Hem lief te hebben. Een bitter geneesmiddel, maar gezien het egoïsme van de mens een noodzakelijk geneesmiddel voor de gezondheid en voor het geluk van de ziel. «Het valt God zwaar ons te laten drinken aan de bron van de tranen, schrijft zij nog; maar Hij weet dat dit het enige middel is om ons voor te bereiden Hem te kennen zoals Hij Zichzelf kent!…»
Het zal bekend moet worden
Het lijden kenmerkt namelijk elke periode van het leven van de heilige Theresia. «Ik heb veel geleden hier op aarde, zal zij bekennen; het zal bekend moeten worden…» Deze bekentenis brengt haar dicht bij al degenen die de beproeving kennen. Met vier jaar verliest zij haar moeder, die overlijdt na een langdurige en pijnlijke kanker. «Vanaf de dood van mijn moeder, schreef zij, veranderde mijn blij karakter volledig, eerst zo levendig, zo spraakzaam, werd ik verlegen, zachtaardig en gevoelig tot het uiterste. Een blik was voldoende om mij in tranen te doen uitbarsten. Ik was slechts tevreden als niemand zich met mij bemoeide, ik kon het gezelschap van vreemde personen niet verdragen en ik kreeg mijn vrolijkheid pas terug in de geborgenheid van het gezin».
Zij was acht jaar wanneer haar zus Pauline, die zij als «tweede mamma» heeft gekozen, intreedt in de Karmel van Lisieux. Op die dag liepen de tranen overvloedig over haar wangen. «Daar ik de «geschiedenis van mijn ziel» schrijf, moet ik alles zeggen en ik beken dat de smarten die voorafgaan aan haar intrede niets waren in vergelijking met die nog volgen». Zij krijgt een vreemde zenuwziekte. Door de alarmerende complicaties die deze ziekte vertoont, denkt mijnheer Martin dat «zijn kleine meisje gek gaat worden of wel gaat sterven». De wonderdadige tussenkomst van de Heilige Maagd was nodig om haar gezondbeid weer terug te geven. Deze genezing echter maakt niet een einde aan het leed van de heilige Theresia. Zij schrijft namelijk: «Nog lang na mijn genezing heb ik gedacht dat ik het met opzet had gedaan om ziek te worden en juist dit was een ware marteling voor mijn ziel… De Goede God liet mij deze innerlijke marteling houden tot aan mijn intrede in de Karmel».
Buitengewone krachtdadigheid
Nauwelijks een jaar na de intrede van Thérèse in de Karmel wordt mijnheer Martin getroffen door een hersenziekte en moet worden opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis van de Goede-Redder van Caen. Daar zal hij drie lange jaren blijven. «Zoals de smarten van Jezus als door een zwaard het hart van de Goddelijke Moeder doorboren, schrijft de heilige, zo werden onze harten getroffen door de smarten van degene, die wij het tederst op aarde beminden… In de maand juni 1888, op het moment van onze eerste beproevingen, herinner ik mij dat ik zei: «Ik voel dat ik nog grotere beproevingen kan verdragen». Ik wist niet dat een maand na mijn professie, onze geliefde vader uit de bitterste, uit de meest vernederende van al de bekers zou drinken… O! op die dag heb ik niet gezegd nog meer te kunnen lijden!!!» Het vertrouwen van de heilige Theresia wankelde voor zover niet. Zij had een positieve kijk op deze bittere beker. Vanuit het geloof zal zij later kunnen schrijven: «Eenmaal in de Hemel, zullen wij graag praten over onze glorievolle beproevingen… Ja, de drie jaren van foltering van papa komen mij voor als de vriendelijkste, de vruchttaarste jaren van heel ons leven; ik wil deze niet verruilen voor al de vervoeringen en openbaringen van de heiligen, mijn hart stroomt over als ik denk aan deze waardevolle schat». Inmiddels vermindert haar bekoring voor het leed niet. «De dorheid was mijn dagelijks brood, verstoken van alle troost was ik toch de gelukkigste van de schepselen, daar al mijn verlangens waren vervuld». Een van haar wensen was haar beproevingen aan te bieden voor het heil van de zondaars: «Ik brandde van verlangen om hen aan de eeuwig vlammen te ontrukken». Welnu, «het lijden alleen kan zielen voortbrengen», schrijft zij. Zich zo verenigend met het Lijden van Jezus, heeft de heilige in het kader van haar beschouwend leven aan het Verlossingswerk kunnen deelnemen. «De kloosterlingen geven zich met Jezus voor het heil van de wereld… Als uitdrukking van de zuivere liefde die meer waard is dan elke handeling, bezit het contemplatieve leven een buitengewone apostolische en missionaire krachtdadigheid» (Jobannes Paulus II, Vita consecrata, 25 maart 1996, n. 59).
Haar navolgbaar tonen
Sinds haar intrede in de Karmel op 9 april 1888 ondervindt de heilige Theresia de aanwezigheid van God niet meer, die zo zachtaardig voor haar was. Het gebed wordt moeilijk voor haar. «Het bidden van het rozenhoedje, schrijft zij, kost mij meer dan een boetedoening… Ik voel dat ik het zo slecht bid, ik moet mij goed inspannen om de mysteries van de rozenkrans te overvegen, ik kan mijn aandacht er niet bij houden… Lang ben ik bedroefd over dit gebrek aan devotie wat mij verbaasde, want ik houd zoveel van de Heilige Maagd dat het gemakkelijk voor mij moest zijn ter ere van haar gebeden te doen die haar aangenaam zijn. Nu kwel ik mij minder, ik denk dat de Koningin van de Hemel als mijn Moeder wel mijn goede wil moet zien en daar tevreden mee is».
De heilige Theresia kent ook de matheid: «Ja, het leven valt mij zwaar, schrijft zij, het is pijnlijk een werkdag te beginnen… Als men nog maar Jezus voelde, zou men alles goed doen voor Hem, maar nee, Hij schijnt mijlen ver weg te zijn, wij zijn alleen met onszelf… Maar wat doet Hij toch deze liefelijke Vriend, Hij ziet mijn angst niet, de last die op mij drukt? Waar is Hij,
waarom komt Hij ons niet troosten, daar wij slechts Hem als vriend hebben?» Zij herinnert zich dan de woorden van Jezus: Maakt u dus niet bezorgd voor de dag van morgen, want de dag van morgen zorgt voor zichzelf; elke dag heeft genoeg aan zijn eigen leed (Mt 6, 34), en van dag tot dag haar kruis dragend, zingt zij:
Als ik denk aan morgen, vrees ik mijn onstandvastigheid,
Ik voel in mijn hart de droefheid en het verdriet opkomen,
Maar ik wil wel, mijn God, de beproeving en het lijden
Niet alleen voor vandaag.
Het geduld van de heilige Theresia is bijna altijd gericht op het leed zoals wij allen dit elke dag op onze weg ondervinden. Het kleine verborgen leed dat ons kwetst en dat ons bij gebrek aan een helder en teder geloof ons terneerslaat, en ons somber maakt ten koste van onszelf en van anderen. Om deze smarten te dragen wendt de heilige Theresia zich zeer vaak tot de Allerheiligste Maagd, haar «Hemelse Moeder»: «Zij heeft nooit verzuimt mij te beschermen, zodra ik haar inroep».
Zij vindt in Onze-Lieve-Vrouw een moederlijke troost en een voorbeeld van geloof en liefde, door een gewoon leven heen. «Wat zou ik toch graag priester willen zijn om over de Heilige Maagd te preken!… Opdat een preek over de Heilige Maagd mij welgevallig zou zijn en mij goed zou doen; ik moet haar werkelijke leven zien, niet haar verzonnen leven. Men toont haar ontoegankelijk, men zou haar navolgbaar moeten tonen, haar deugden laten uitkomen, zeggen dat zij vanuit het geloof leefde zoals wij, door het Evangelie de bewijzen ervan te geven waar wij lezen: Zij begrepen echter niet wat Hij hun zei (Lc 2, 50). En dat andere, niet minder raadselachtig: Zijn vader en en moeder stonden verbaasd over wat van Hem gezegd werd (Lc 2, 33). Deze bewondering veronderstelt een zekere verbazing».
Oorkaan van glorie
Op 2 april 1896, gedurende de Goede Week, verraden twee bloedspuwingen aan de heilige Theresia dat zij besmet is met tuberculose. Met kalmte ziet zij haar naderende dood onder ogen: «Het was een zacht en ver geruis, dat mij de komst van de Gemaal aankondigde». Maar in het laatste levensjaar wordt haar ziel overweldigd door de zwaarste duisternissen, de Hemel verdwijnt uit haar gezichtsveld en hevige bekoringen tegen het geloof overvallen haar. In deze beproeving is zij zich bewust het lot van ongelovigen te delen: «Jezus heeft mij laten voelen dat er werkelijk zielen zijn die geen geloof hebben, die door misbruik van de genade deze kostbare schat verliezen, de bron van zuivere en waarachtige vreugde», schrijft zij. Uit liefde aanvaardt zij deze beproeving: Ik zeg tegen Jezus dat ik gelukkig ben op aarde niet van die mooie Hemel te genieten, opdat Hij de Hemel zou openen voor de ongelovigen in eeuwigheid». Haar doodsstrijd, op 30 septernter 1897, lijkt op die van Jezus, «zonder enige mengeling van troost». Maar haar laatste woorden drukken de overwinning uit van haar geloof en van haar liefde: «O!… ik bemin Hem… Mijn God…, ik bemin U».
Dit lijden mondt uit op haar binnengaan in de Hemel en, hier op aarde, op een oorkaan van glorie zonder weerga! De kleine karmelietes zal weldra een hoop mensen aantrekken. Van overal komt men toegelopen om haar in te roepen of te bedanken voor de ware «Regen van rozen» die zij uitstort, tijdelijke en geestelijke genade die de beloning zijn van haar onwankelbare geloof in de Barmhartige Liefde. Het woord van Jezus: Als de graankorrel in de aarde valt en niet sterft, blijft hij alleen; maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort (Joh 12, 24) wordt naar de letter verwezenlijkt. Op 17 mei 1925 wonen verscheidene honderdduizenden pelgrims de «triomf» bij van de Kleine Thérèse, die verheerlijkt en heilig verklaard wordt. Paus Johannes Paulus II heeft niet geaarzeld haar als Kerkleraar uit te roepen! Op 19 oktober 1997, ter gelegenheid van de Wereldmissiedag, is deze buitengewone eer haar te beurt gevallen als een vermeerdering van de glorie als Patrones van de Missie. De Kerk ziet in haar een licht voor de nieuwe evangelisatie.
De heilige Theresia heeft beloofd «haar Hemel door te brengen om op aarde goed te doen». Laten wij haar vragen haar levendig geloof en haar onwankelbaar vertrouwen in de Barmhartige Liefde aan ons over te brengen. Dit zal ons leven veranderen en ons leiden op de weg van de Hemel. Wij bidden voor al degenen die u dierbaar zijn, levend of overleden.






