|
Downloaden als pdf![]() [Cette lettre en français] [This letter in English] [Dieser Brief auf deutsch] [Esta carta en español] [Questa lettera in italiano] |
20 augustus 2007 H. Bernardus |
Alfred, die is geboren op 4 juli 1831 in Maryland (Verenigde Staten), ontvangt uit handen van een methodistische dominee het Doopsel korte tijd na zijn geboorte, hoewel zijn ouders anglicaans zijn, dat wil zeggen lid van een Amerikaans protestantse geloofsovertuiging die uit het anglicanisme is voortgekomen. Als jongen wijdt hij zich met één en al ijver aan de studie en leert hele stukken van Shakespeare uit het hoofd; hij leert ook perfect Latijn en Grieks. Zijn passie voor de studie belet hem niet vol ijver de kerkdiensten bij te wonen. Met zijn vurig en enigszins impulsief temperament is hij ook zeer liefdevol en vraagt altijd als eerste om vergeving.
Als Alfred 17 jaar is sterft zijn vader en blijft zijn echtgenote alleen achter met de verantwoording voor zes kinderen. De oudste broer gaat fortuin zoeken in de Far-West; Alfred hoopt met zijn talenten zijn moeder en zusters tot steun te zijn. Vier jaar langt oefent hij de functie van assistent-leraar uit, maar ontvangt vervolgens de inspiratie zich te gaan wijden aan het heil van de zielen. Hij moet dan een examen afleggen voor een jury van anglicaanse dominees en wordt in dit geloof diaken en vervolgens tot priester gewijd. Daar hij ernaar verlangt zich onbeperkt aan dit ambt te kunnen wijden ziet hij af van het huwelijk. In 1862 wordt Alfred benoemd tot rector van de Mount Calvary Episcopale Kerk in Baltimore die hij onvermoeibaar negen jaar zal dienen. Vervuld van ijver voor de zielen geeft hij zich volledig over aan gebed, vasten en studie van de Heilige Schrift. Om het Hebreeuws te leren gaat hij naar een rabbijn en verwerft aldus een diepgaandere kennis van het Woord Gods. Hij heeft ook een zeer levendige belangstelling voor de Kerkvaders en laat hun leer, die in zijn ogen het geloof van de Kerk vertolkt, diep op zich inwerken. Deze protestantse dominee, die zich verwant voelt met het katholicisme, draagt de soutane, leest het Romeins brevier en bidt tot de Maagd Maria. Hij vraagt zich zelfs op een gegeven moment af of zijn eigen geloof wel het ware is. Welnu, op een dag melden zich twee bezoekers bij zijn kerk; ze vragen of het een katholieke kerk is en of hij priester is. Stoutmoedig antwoordt hij: «Ja», maar als hij wroeging krijgt gaat hij naar hen toe en legt uit: «Ik dacht priester te zijn maar ik ben het niet; de katholieke kerk vindt u drie straten verder». Zo lijkt hij te twijfelen aan de geldigheid van zijn priesterwijding die inderdaad ontbreekt in het episcopalianisme. De episcopaalse dominees, zoals ook de anglicaanse, denken echter dat ze echt priester zijn en de Eucharistie mogen opdragen. Dominee Curtis heeft inderdaad een diepe devotie voor dit sacrament. Hij is gevormd door de school van de Kerkvaders en vat de woorden van Christus letterlijk op als deze zegt: «Dit is mijn Lichaam... Dit is mijn Bloed...» Voor hem is Jezus, de Meester en de Gids, die hij geroepen voelt uit te dragen en te verdedigen, waarlijk aanwezig onder de geconsacreerde gedaanten.
Waar is de Kerk van Christus?
In 1871 doet zich een gebeurtenis voor die een beslissende wending betekent in het leven van dominee Curtis. Zijn superieur, de episcopaalse bisschop van Maryland, publiceert een herderlijk schrijven over de Heilige Eucharistie waarin hij verklaart dat als Christus aanwezig is in dit sacrament, dat niet zo is om erin aanbeden te worden, maar alleen om voedsel voor onze zielen te zijn. Bijgevolg verbiedt hij zijn dierbare gelovigen een eredienst te houden voor dit sacrament als voor de Persoon van Christus. Curtis is geschokt in zijn geloof, reageert fel en ontheft zich van zijn pastorale taak. In een brief aan zijn bisschop van 8 november 1871, staat deze fraaie geloofsbelijdenis te lezen: «Als het niet waar is dat Christus, Mens en God, Zelf eerst is geofferd voor de levenden en de doden in de Heilige Eucharistie, en dat Hij aanwezig is met heel zijn levende Persoon in mijn handen teneinde aanbeden te worden en het eeuwigdurend eerbetoon te ontvangen van al wat ik ben en al wat ik bezit, dan is er voor mij geen waarheid, of althans geen waarheid die mij belang inboezemt... Heel mijn leer hangt van dit feit af, dat Onze-Lieve-Heer werkelijk aanwezig is in de Eucharistie, in de vorm van Brood en Wijn, zoals Hij vroeger in de stal, in de vorm van een kind, aanwezig was ...» Een paar dagen later zet hij zijn idee nog preciezer uiteen: «Het is voor mij volledig ondenkbaar dat Christus als Christus kan worden ontvangen zonder te worden aanbeden. Zeggen dat Hij aanwezig is, maar niet moet worden aanbeden is voor mij een manier om te zeggen dat Hij helemaal niet aanwezig is».
Hem aanbidden die wij ontvangen
Zoals vele anderen die, om trouw te blijven aan de stem van hun geweten, afstand hebben genomen van een voordelige situatie en een goede naam, werpt dominee Curtis zich in het onbekende. Hij ziet van zijn pastorschap en een gegarandeerd inkomen af en weet niet wat er van hem zal worden. «Ik had het gevoel dat ik op het punt stond me in een diepe afgrond te werpen zonder te weten waar ik zou komen te vallen», zal hij later aan een vriend bekennen. God staat in zijn barmhartigheid dit soort ervaring toe om de ziel van zijn vrienden te zuiveren, hun liefde te testen en hen naar een grotere volmaaktheid te voeren. Nooit laat Hij hen die hem trouw zijn in de steek. Langzaam maar zeker wordt het klaar in de geest van dominee Curtis. Voortaan is het zo goed als zeker dat de weg die de Romeinse Kerk invoert de enige weg is. Uit respect voor het geloof waarvan hij dominee is geweest, wil hij deze beslissende stap niet in zijn land zetten. Begin maart 1872 scheept hij in met bestemming Engeland en begeeft zich naar Oxford. Hij brengt een bezoek aan verscheidene anglicaanse kopstukken met de bedoeling zich ervan te vergewissen dat hij geen illusie aanhing; hun antwoorden stellen hem niet tevreden. Hij vraagt dan een audiëntie aan bij Newman wiens bekering toen bijna dertig jaar tevoren had plaats gevonden. De toekomstige Kardinaal hoort hem met goedheid aan, verhaalt in grote lijnen zijn eigen parcours en overhandigt hem vervolgens twee boeken en zegt: «Leest u dit, als u wilt; maar bidt, bidt; niets zal u zo helpen als een nederig gebed; en komt u langs wanneer u maar wilt, ik sta tot uw beschikking».
De veiligheid van de waarheid
Tot aan het eind van zijn leven zal Curtis lijden onder het onbegrip van de zijnen met betrekking tot zijn bekering. Van zijn familie zal alleen een broer zich bij hem voegen in de ware Kerk van Christus. Later, wanneer hij diep wordt getroffen door de dood van zijn ouders die de Kerk nooit zijn ingegaan, zal hij zich laten troosten door een priester die hem zal verzekeren dat zijn moeder één en al oprechtheid was. Kardinaal Newman die eveneens dit soort ervaring had gehad schreef: «We kunnen anderen niet laten denken zoals wij graag zouden willen, zelfs niet degenen die ons het meest nabij en het dierbaarst zijn». Nadat Curtis in de Kerk is opgenomen stelt hij zijn toekomst ter discussie. Zijn dorst zich volledig weg te schenken zal hem ertoe aanzetten zich aan God toe te wijden binnen de orde van de Kartuizers, maar Newman die voorvoelde welk een goed deze man zou kunnen doen, moedigt hem aan naar zijn vaderland terug te keren en zich in dienst te stellen van de aartsbisschop van Baltimore. Curtis gaat er dus heen en gaat naar het seminarie om zijn kennis te vervolledigen met het oog op het priesterschap. Hij is ouder dan de meeste seminaristen, maar wordt door allen bewonderd om zijn zachtmoedigheid, zijn nederigheid, zijn ijver in het betrachten van de gemeenschapsdiscipline en de versterving. Op 19 december 1874 ontvangt hij de priesterwijding.
Ik ben het niet meer, maar Christus
In 1883 geniet de eerwaarde Curtis het voorrecht zijn aartsbisschop naar Rome te begeleiden en in 1886 wordt hij benoemd tot bisschop van Wilmington, plaatsvervangende zetel van Baltimore. De nederigheid die hem tekent maakt dat hij wil ontsnappen: «Het doet er voor mij weinig toe hoeveel personen ik boven me heb, als ik maar niemand onder me heb». Maar zijn pogingen om te ontsnappen aan de last die hem is opgelegd mislukken. Hij ontvangt de bisschopswijding op 14 november 1886. Wanneer hij bisschop is geworden leeft hij dicht bij zijn volk en zijn priesters. Hij vreest geen vermoeidheid en geeft zich zonder voorbehoud aan de zielen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Hij is vol ijver voor de wezen en gevangenen, heeft hoge achting voor armoede en vreest niet zelf als arme te worden beschouwd. Zijn taak komt hem voor als het beheer van de dienaar uit het Evangelie aan wie de Meester, wanneer deze naar een ver land vertrekt, de hoede over zijn bezittingen toevertrouwt. Hijzelf spoort de gelovigen aan voortdurend waakzaam te blijven want Onze-Lieve-Heer laat ons in het ongewisse aangaande de dag van zijn wederkomst: «Onze-Lieve-Heer houdt in zijn barmhartigheid het moment van zijn komst voor ons verborgen, want als de mensen wisten hoeveel jaren ze te leven hebben, zouden ze misschien de meeste tijd doorbrengen met wereldse genoegens en zouden zich pas op de dood voorbereiden op het moment dat die nabij zou zijn; ze zouden op die manier de beloning verliezen die de hunne had kunnen zijn als ze zich altijd op ieder ogenblik voor zijn komst gereed hadden gehouden».
De hoogste test van heiligheid
Diep bemind door al zijn geloofsgenoten in het diocees, blijft Mgr. Curtis Missen, preken en verscheidene diensten voor de armen verzorgen, zelfs na de wijding van zijn opvolger. Hij behoudt eveneens de taak van biechtvader van de zusters van de Visitatie. De tien laatste jaren van zijn leven brengt hij door in Baltimore in de residentie van Kardinaal Gibbons die hem benoemt tot vicaris-generaal. Urenlang brengt hij zijn dagen en nachten door voor het Heilig Sacrament. «Het is mooi om bij Hem te zijn om dicht aan zijn borst te liggen als zijn geliefde leerling en om de oneindige liefde te voelen van zijn hart. Als het christendom zich in onze tijd moet onderscheiden, met name in de vaardigheid van het bidden, hoe zou men dan geen nieuwe behoefte kunnen voelen om lang te blijven in geestelijk gesprek, in stille aanbidding, in een houding van liefde, vóór Christus die aanwezig is in het Allerheiligst Sacrament ? Hoe dikwijls, dierbare broeders en zusters, heb ik dit ervaren en heb ik hieruit kracht, troost en steun gevonden! Talrijke heiligen hebben ons het voorbeeld van deze praktijk gegeven, dat herhaaldelijk is geprezen en aanbevolen door het Leergezag. De heilige Alfonsus Maria de Liguori onderscheidde zich in het bijzonder op dit gebied en hij schreef : «Onder alle uitingen van vroomheid is de aanbidding van Jezus in het Heilig Sacrament de eerste na de sacramenten, die aan God het dierbaarste is en voor ons zeer nuttig»» (Encycliek Ecclesia de Eucharistia, 25).
Overeenkomstig zijn verlangen tot aan het einde te werken in de wijngaard van de Heer, assisteert Mgr. Curtis de Kardinaal op zijn rondreizen bij het toedienen van het Vormsel. Tijdens een plechtigheid wendt hij zich aldus tot de vormelingen: «De Heilige Geest komt om de waarachtigste en beste vriend te worden die nooit verstek laat gaan... Alle andere vrienden zouden het slechts in naam zijn in vergelijking met deze goddelijke Vriend die vandaag tot u komt... Denkt u hieraan en onderhoudt angstvallig een liefde en een vriendschap die absoluut van wezenlijk belang zijn voor het heil van uw ziel. Deze goddelijke Vriend zal u nooit verlaten als u hem niet verjaagt door uw zonde. God verhoede dat u dit ooit overkomt, maar nu u het geluk ten deel is gevallen tempels van de Heilige Geest te worden, waardeert en behoudt de steun van de goddelijke Vriend door trouw en volharding in de genade van God».
De nog onbekende heiligen
We mogen hopen dat Alfred Allen Curtis voorkomt op de lijst van die heiligen die nog onbekend zijn en waarover hij zo welsprekend sprak in een preek voor het feest van Allerheiligen: «Laten wij alle Heiligen eren, maar in het bijzonder het leger van de ontelbare onbekende heiligen. De gecanoniseerde heiligen die met weinigen zijn in vergelijking met de anderen zijn in staat geweest tot heldhaftige deugdzaamheid, die ver uitstijgt boven hetgeen wij kunnen bereiken. Maar wij zullen het uitgebreide leger in beschouwing nemen van onbekende heiligen, over wie niets is geschreven, die hetzelfde gewone leven hebben geleid als wij, die gewone dingen hebben gedaan op een buitengewoon goede manier, die hebben gewerkt, geduld hebben geoefend, geleden; die geloofd, gehoopt, hebben bemind en berouw hebben gehad; die kunnen wij navolgen».
Laten we, in navolging van deze grote bekeerling en deze waarlijk apostolische mens, van Onze Heer Jezus zelf de gave van zijn Persoon en zijn heilswerk in de Heilige Eucharistie ontvangen; Hij toont ons daar een liefde die geen beperking kent: «De Eucharistie is van een onschatbare waarde: haar vieren, maar ook voor haar in aanbidding neerknielen buiten de Mis maakt het mogelijk uit de bron van de genade zelf te putten» (Johannes Paulus II).