25 Mei 2008
Gelukzalige Maria van Jezus Deluil-Martiny
Dierbare Vrienden,
«Heeft voor de mens van het derde millennium een «Redder» wel waarde en betekenis? Is er nog een Redder nodig voor de mens die de Maan en Mars heeft bereikt « Ondanks al die vormen van vooruitgang, is menszijn hetzelfde gebleven: een vrijheid in het spanningsveld tussen goed en kwaad, tussen leven en dood. Juist daar, in zijn binnenste, in wat de Bijbel het «hart» noemt, heeft hij het altijd nodig «gered» te worden… Wie anders kan hem verdedigen dan Hij die hem zozeer liefheeft dat Hij op het kruis zijn eniggeboren Zoon offert als de Redder van de wereld?… Vreest niet, opent uw hart, ontvangt Hem opdat zijn Rijk van liefde en vrede gemeenschappelijk erfgoed van allen wordt» (Benedictus XVI, Kerstboodschap 2006). De heiligen, verlicht door de H.Geest, zien heel duidelijk hoezeer de wereld een Redder nodig heeft; dat Jezus in de harten moge heersen is hun voornaamste zorg. Dat was ook het geval voor Moeder Maria van Jezus Deluil-Martiny, die schreef: «Hij moet heersen!… onze Jezus, onze Broeder, onze Redder, onze Vriend, onze Echtgenoot! Hij moet in onszelf volop heersen, zonder een schijn van voorbehoud of gespletenheid; Hij moet heersen over de wereld en de harten. Om dat te verkrijgen, zullen we bidden, zullen we offergaven aanbieden, onszelf opofferen, zullen we iedere dag sterven!…» Wie was de vrouw die zo in vuur en vlam stond voor de goddelijke liefde?
Marie Deluil-Martiny is geboren in Marseille op 28 mei 1841 en op dezelfde dag gedoopt. Als oudste van vijf kinderen erft ze van haar vader, een diep christelijke advocaat, de moed die haar in staat zal stellen de moeilijkheden van het leven te overwinnen; van haar moeder ontvangt ze een deel van een vurig geloof dat gepaard ging met een grote fijngevoeligheid. Ze vertoont echter ook een trots en heerszuchtig temperament. Wanneer het moment voor de Eerste Communie aanbreekt doen haar ouders haar in pension bij de zusters van de Visitatie in Marseille opdat ze serieus zou worden voorbereid. Op een dag onderbreekt Marie tijdens het speelkwartier plotseling haar spel om tegen een vriendin te zeggen: «Denk je eens in, Angélique, het Bloed van Jezus stroomt op dit moment over het altaar voor de wereld!» En ze blijft enige ogenblikken zo staan als verzonken in deze gedachte die als een flits door haar heen is gegaan. Marie doet haar Eerste Communie op 22 december 1853 en ze ontvangt het sacrament van het Vormsel op 29 januari 1854 uit de handen van H.Eugène de Mazenod, bisschop van Marseille. Op haar vijftiende, wanneer ze nog in het pensionaat is, brengt ze een groepje leerlingen bijeen, de «oblaten van Maria» genaamd, die zij beschouwt als een kleine religieuze orde, met regel, noviciaat en professie. De groep wordt ontdekt en ontbonden door de Oversten.
Aan het einde van haar studie doet Marie een retraite die beslissend is voor haar roeping: «Jezus Christus is de enige die het beminnen waard is, schrijft ze in haar dagboek; bij mijn dood zou ik alleen Hem hebben willen bemind « Om in de wereld goed te leven moet ik de zonde verafschuwen, de gelegenheden ontvluchten, de wereld en het wereldse haten « Kom en volg mij, zegt Jezus; O God, wat is dat mooi gezegd!… Hij is van mij als ik dat wil!» Rond die tijd is ze ook zo bevoorrecht dat ze de Pastoor van Ars, de Heilige Jean-Marie Vianney, mag ontmoeten en met hem mag spreken over haar roeping. Ze voelt heel duidelijk dat Jezus haar roept om geheel de Zijne te worden en daarom weigert ze meerdere huwelijksvoorstellen.
Innerlijke beproevingen
Deze uitverkoren ziel moet nog worden gezuiverd. Onze-Lieve-Heer staat het dan ook toe dat ze talloze innerlijke beproevingen moet doorstaan, in het bijzonder een ernstige gewetenscrisis. Daar ze overal zonde ziet vreest ze te worden gescheiden van Hem die zij boven alles liefheeft: «Leven in de gedachte met U in onmin te leven, O Jezus, zo schrijft ze, is als duizend doden sterven; het is zo moeilijk, mijn beminde Meester, dat ik U nooit helemaal kan voelen en dat ik moet wachten tot ik in de Hemel ben voor Gij van mij zult zijn!» Dankzij de hulp van een wijze biechtvader lukt het Marie uit deze beangstigende situatie te geraken. In 1859 sterft Clémence, het jongste zusje, door ziekte, nadat ze voor het eerst de communie heeft ontvangen; haar andere zusters en haar broer zullen in de jaren daarna sterven. Marie blijft alleen in het vaderlijk huis bij haar zieke en door tegenspoed beproefde ouders.
In 1864 maakt ze kennis met een nieuwe stichting die is opgericht door een zuster van de Visitatieorde uit Bourg-en-Bresse en «Erewacht van het Heilig Hart van Jezus» heet. Het doel ervan is het Heilig Hart te verheerlijken, te beminnen en te troosten door zich met Hem als offergave aan te bieden in een leven van gebed, boetedoening en naastenliefde, ter herstel van de zonden van de wereld. Marie ontvangt weldra de titel van «Eerste Ijveraarster» van het werk waarvoor ze zich inzet om het bekend te maken onder de talloze zielen over de hele wereld, bisschoppen inbegrepen, door middel van drukwerken, prentjes en medailles.
Ter gelegenheid van de zaligverklaring van de zieneres van Paray-le-Monial, zuster Marguerite-Marie Alacoque, in juni 1865, wordt Marie uitgenodigd om op retraite te komen in het Visitatieklooster van Bourg, een retraite die haar geest opmerkelijk verlicht. Tegen het einde van de maand december 1866 hoort ze de preek van een jezuïetenpriester, pater Jean Calage, die spreekt over het bloed en het water dat uit het Hart van Jezus is gevloeid. Door de geest geleid neemt ze contact op met de priester en stelt hem in kennis van haar verlangen in een religieuze orde in te treden: «U heeft roeping, antwoordt de heilige man, dat is zeker; maar het ogenblik is nog niet gekomen; u zou door nu in te treden Gods plannen op hun kop zetten. Hij heeft bijzondere plannen met uw ziel«Het is aan u om u voor te bereiden door middel van onthechting van uzelf». Hij spoort haar dus aan zich geheel aan Onze-Lieve-Heer te geven, wat ze de eerste vrijdag van mei 1867 ook doet.
Het ernstigste kwaad
Ten einde te weten te komen welke plannen Onze-Lieve-Heer met haar heeft brengt Marie urenlang in stil gebed door voor het tabernakel. Ze begrijpt dat Jezus zielen zoekt die bereid zijn Hem blijvend eerbetoon te brengen ter herstel van de wonden die zijn Goddelijk Hart zijn toegebracht. Maar wat moeten we verstaan onder «herstel»? De zonde is een belediging die God is aangedaan; zij verwondt eveneens de mensheid: «Vanuit het geloof beschouwd, bestaat er geen groter kwaad dan de zonde en niets heeft ernstiger gevolgen voor de zondaars zelf, voor de Kerk en voor de gehele wereld» (Katechismus van de Katholieke Kerk, KKK, 1488). In zijn almachtige barmhartigheid had God al onze zonden kunnen uitwissen zonder herstel te verlangen. Welnu, de Openbaring leert ons dat Hij een volmaakt herstel heeft gewild; om voor de zonden te boeten heeft Hij zijn Zoon gezonden: al zou iemand zonde bedrijven, we hebben een voorspreker bij de Vader, Jezus Christus die geheel zondeloos is, die al onze zonden goedmaakt, en niet alleen die van ons, maar die van de hele wereld (1Joh 2, 1-2). Zoals H.Thomas van Aquino opmerkt geeft de Vader aldus blijk van een nog grotere barmhartigheid: wetend dat de mens niet bij machte is de zonde op eigen kracht te herstellen, heeft Hij hem zijn eigen Zoon gegeven om in zijn plaats de genoegdoening op zich te nemen. «Het is de liefde tot het uiterste toe (Joh. 13,1) die aan het offer van Christus zijn waarde van verlossing en herstel, verzoening en genoegdoening verleent. Hij heeft ons allen gekend en bemind in het offer van zijn leven» (KKK, 616). Welnu, het zoenoffer van Jezus op de Calvarie–berg wordt in iedere mis hernieuwd en de christenen zijn uitgenodigd om eraan deel te nemen. H.Paulus schrijft aan de Kolossenzen: Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de Kerk (Kol 1,24). Daarom zoekt het Heilig Hart naar edelmoedige zielen zoals Maria, Moeder van Jezus, die bereid zijn, in vereniging met zijn Offer dat in iedere Mis wordt hernieuwd, aan zijn verlossingswerk mee te werken en hun druppel water toe te voegen aan de kelk van zijn Lijden.
«Hij moet heersen!…»
Op de eerste zaterdag van september 1867 zit Marie te bidden in een kerk als Jezus het woord tot haar richt: «Ik ben niet bekend, ik ben niet bemind « Ik wil zielen winnen die mij begrijpen « Ik ben een stroom die wil overlopen en waarvan men het water niet meer kan tegenhouden!…Ik wil bekers vinden om te vullen met het water van mijn liefde « Ik dorst naar harten die mij waarderen en die mij het doel laten volbrengen waarvoor ik hier ben! Ik word gesmaad en misbruikt. Vóór de tijden ten einde keren wil ik genoegdoening voor de smaad die mij is aangedaan«. Ik wil alle genaden uitdelen die geweigerd zijn«!» Marie is diep bedroefd door de weigering van de wereld om Jezus te aanvaarden. Ze schrijft: «De wereld wil Hem niet meer. De enen schamen zich tegenwoordig voor Hem en de anderen haten en verachten Hem; ze proberen hem uit de harten en uit de maatschappij te verjagen. Laten we op deze schande, deze haat en verachting, deze duivelse goddeloosheid antwoorden: Hij moet heersen!» In deze geest spoorde Paus Johannes Paulus II de gelovigen aan tot aanbidding van het Heilig Sacrament: «Laten we er de tijd voor nemen te knielen voor Jezus in de Eucharistie om middels ons geloof en onze liefde eerherstel te brengen voor de daden van achteloosheid en verwaarlozing, en zelfs de beledigingen, die onze Verlosser in veel delen van de wereld te verdu–ren krijgt» (Apostolisch schrijven Mane nobiscum, 7 oktober 2004, n.18).
Op 8 december 1867 legt Marie, met toestemming van pater Calage, de maagdelijkheidsgelofte af. In september 1867 ontvangt ze voor het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Salette in tranen de volgende ingeving: «De Heilige Maagd wil slachtoffers die zich, in vereniging met het doorboorde Hart en met de geofferde Jezus, tussen de misdaden van de mensen en de Gerechtigheid van God opstellen«» De maand daarop maakt ze dit mooie gebed: «O Jezus, ontvang mij uit de handen van de Allerheiligste Maagd en bied mij samen met U aan, als gezamenlijk zoenoffer « Ik bied mij aan voor dit zoenoffer voor zo ver het U welgevallig moge zijn en naar het vermogen van mijn zwakte « Ik zal alle kruisen, alle leed dat uwe Voorzienigheid voor mij bestemt en mij zal toesturen, beschouwen als even zovele bewijzen die mij zullen verzekeren dat Gij mijn nederige offerande hebt aanvaard». In het begin van het jaar 1869 stelt Marie schriftelijk een volledig overzicht op van het toekomstig werk: «Zoals Maria op de Calvarieberg, verenigd met de Eeuwige Priester, haar goddelijke Zoon heeft aangeboden en deze offerande heeft hernieuwd door de handen van de H.Johannes, zullen de Zusters van het Hart van Jezus, in vereniging met de priesters van de wereld, Jezus-Hostie aanbieden, die van altaar tot altaar ten offer wordt gebracht « Zij zullen in het bijzonder het bloed en het water aanbieden die uit de goddelijke wonde van het Heilig Hart zijn gevloeid. Zij zullen de aanbidsters van de Eucharistie zijn die plechtig zal worden uitgestald in de kerken van haar kloosters en erop toezien dat dit gepaard gaat met blijken van de diepste eerbied en liefde«»
Ze krijgen vernederende beproevingen te verduren en ontvangen tegelijkertijd een overvloed aan genaden. Pater Calage maakt er gebruik van om Marie standvastiger te maken in de nederigheid: «Probeer je geest te verkleinen; je ziel is soepel, jij bent gehoorzaam, maar je geest moet naar beneden worden gehaald « God haalt gewoonlijk de geest naar beneden door vernederingen en bekoringen; die zeggen je: dat ben je nu, zonder de genade: iets afzichtelijks, iets verfoeilijks«»
Zich toewijden aan de priesters
Op 14 augustus 1872 schrijft Marie: «De priester heeft als enige de opdracht en de macht het Offerlam te slachten; hij heeft als enige de opdracht en de macht het als offerpriester aan te bieden. De ziel van de eenvoudige christen moet noodgedwongen langs de ziel van de priester, met haar versmelten, om deel te kunnen hebben aan de offerande van het offerlam en God te verheerlijken, zoveel als Hij verheerlijkt kan worden. O priester, ik heb u nodig om de Vader te verheerlijken « Geef mij de Zoon en Hij volstaat!… De priesters zijn de armen van de Kerk, altijd opgestoken om te offeren en op te offeren; en de hele Kerk zou, met hen verenigd, via hun gewijde handen moeten offeren en opofferen « De vereniging aan het altaar, de vereniging met het Offerlam, de identificatie van een geheel leven met de dienaren van Onze-Lieve-Heer voor een waardigere viering, dat is iets subliem aantrekkelijks, dat is zuiver christendom; de priesters helpen, zich hun toewijden». En ook nog: «Ik stuur mijn Goede Engel om de priesters bij te staan aan het heilig Altaar. Ik stuur hem om mijn ziel op alle patenen te laten leggen om haar samen met de geofferde Christus aan te bieden».
Deze intuïtie van Marie komt overeen met hetgeen Paus Pius XII in de encycliek Mediator Dei (20 november 1947) zal verklaren: «Door het feit dat de priester het heilig Offerlam op het Altaar plaatst, presenteert hij het aan God de Vader als offerande voor de heerlijkheid van de Allerheiligste Drie-eenheid en het welzijn van de hele Kerk. Welnu, de christenen nemen aan deze offergave, in de beperkte betekenis van het woord, op hun manier deel en op een dubbele wijze, niet alleen omdat ze het Lamoffer via de handen van de priester aanbieden, maar ook omdat ze het met hem in zekere zin offeren, en deze deelname maakt dat de offerande van het volk wordt verbonden met de liturgische dienst zelf«» En het Tweede Vaticaans Concilie zegt: «Het algemeen priesterschap van de gelovigen en het ambtelijk of hiërarchisch priesterschap zijn weliswaar uiteraard en niet alleen naar rangorde van elkaar verschillend… De ambtspriester, door de gewijde macht waarover hij beschikt, vormt en bestuurt het priesterlijk volk; in de persoon van Christus voltrekt hij het eucharistisch offer en in naam van geheel het volk draagt hij het aan God op. De gelovigen, van hun kant, doen door hun koninklijk priesterschap actief mee in de aanbieding van de eucharstische offergave. Zij oefenen het verder uit in het ontvangen van de sacramenten, in het gebed en de dankzegging, in het getuigenis van een heilig leven, en in de onthechting en de daadwerkelijke liefde» (Lumen gentium, 10).
Uitgelezen kansen
Het plan van God met Marie heeft veel tijd gevergd om volledig te worden geopenbaard; het ogenblik is eindelijk gekomen om het te verwezenlijken. Maar de politieke onlusten maken een stichting in Frankrijk onmogelijk. Geholpen door een Belgische prelaat, Monseigneur van den Berghe, sticht ze dan ook, op 20 juni 1873, in Berchem bij Antwerpen (België), de Sociëteit van de Zusters van het Hart van Jezus. Ze neemt de naam aan van Moeder Maria van Jezus en ontvangt de sluier en het witte kloosterkleed waarop twee rode met doornen omgeven harten zijn geborduurd. In de geest van de boodschap van Onze-Lieve-Heer aan H.Marguerite-Marie, zijn de doelstellingen van het nieuwe instituut de volgende: herstellen van de zonden die zijn begaan tegen het Hart van Jezus, Hem onafgebroken dankzeggen voor alle weldaden die Hij niet ophoudt over de wereld te verspreiden, de Heilige Drie-eenheid het kostbaar Bloed van Jezus Christus aanbieden om de komst van Zijn heerschappij in de wereld te verkrijgen. Het middel bij uitstek om dit ideaal te verwezenlijken zal een kloosterleven zijn dat is geconcentreerd op het heilig misoffer en de aanbidding van het Allerheiligste. De zusters van het nieuwe instituut zullen iedere dag de zeven laatste woorden van Jezus aan het Kruis bidden, woorden van Verlossing en bron van heiligheid voor de zielen. Ten einde het gebrek aan dankzegging voor de goddelijke weldaden te compenseren, zullen ze meerdere malen per dag het Magnificat bidden. Daar ze de deuren van het religieuze leven wilde openen voor meisjes wier gezondheid de strenge soberheid van de oude ordes niet kunnen verdragen, dringt Moeder Maria van Jezus minder aan op lichamelijke kastijding dan op innerlijke versterving en op zelfverloochening door gehoorzaamheid. Haar voorkeur gaat uit naar de vormen van versterving die zich vanzelf aandienen: «Lijden veroorzaakt door hitte of koude, schrijft ze, biedt uitgelezen kansen voor een verstorven ziel. Niets zeggen bij zulke gelegenheden is een waardevolle versterving omdat niemand dat ziet of erop let; alles is voor Jezus alleen». Onze-Lieve-Vrouw had haar gezegd: «Voor het toekomstig instituut zal de offergave van het Heilig Misoffer, de zeer hemelse offerande van het goddelijke op het altaar gebrachte Lamoffer uitstekend in de plaats kunnen komen voor de lichamelijke opofferingen die sommige mensen qua gezondheid niet meer kunnen opbrengen». Inderdaad, zoals Johannes Paulus II al leerde «heeft iedere eucharistische consecratie een voor de wereld zondevergevende uitwerking en draagt aldus bij tot de verzoening van de zondige mensheid met God. Het aangeboden offer in de Eucharistie is inderdaad geen eenvoudig offer van lofprijzing. Het is een verzoenend of een gunstig stemmend offer, zoals is verklaard door het Concilie van Trente, want hierin wordt juist het offer hernieuwd van het Kruis waarmee Christus boete heeft gedaan voor de zonden van alle mensen en vergeving van de tekortkomingen van de mensheid heeft verdiend» (Audiëntie 15 juni 1983).
De vleugels goed uitslaan
De constituties van het nieuw instituut worden goedgekeurd in 1876 en op 22 augustus 1878 leggen de stichteres en de eerste ingetreden zusters hun eeuwige geloften af. Moeder Maria van Jezus heeft echter het verlangen het werk ook in haar geboortestreek op te zetten. In juni 1879 vestigt zich een stichting, «La Servianne» genaamd, op een landgoed dat ze van haar ouders heeft geërfd, in de buurt van Marseille. Het leven van Moeder Maria van Jezus bestaat voortaan deels uit het besturen van haar kloosters en deels uit het afhandelen van een indrukwekkende hoeveelheid correspondentie. Haar aangeboren goedheid verrijkt zich met de tederheid van een moeder; met liefderijke zorg waakt ze tot in de details over het leven van haar zusters. Als er een ziek is zit ze nachtenlang aan haar ziekbed, verzorgt haar eigenhandig en blaast haar heilige gedachten in. Aan een van haar dochters schrijft ze: «Is het niet belachelijk dat wij onze tijd doorbrengen met ons zelf te aanschouwen, ons te bewonderen, te jammeren over onze zo geringe kwalen, die ons zo groot voorkomen, ons te beperken tot zuchten om onze ellende, terwijl de grote belangen van God en van het heil der zielen ons roepen, wij een God hebben om te beminnen en te dienen, zielen om te steunen en te hulp te schieten? Kijk, we lijken op een man die midden in een brand die zijn huis in lichterlaaie zet en zijn moeder, zijn vader en zijn kinderen met de verstikkingsdood bedreigt, in plaats van snel te helpen de brand te blussen, in een hoek zou gaan zitten jammeren dat hij zijn kleren vuil heeft gemaakt met het aandragen van emmers water, en zich, al lamenterend, zou bezig houden met het afvegen van ieder deeltje as van zijn kleren. Welnu, dat is nu precies wat wij doen wanneer wij temidden van deze ongelukkige wereld die probeert de Kerk in brand te steken en Jezus Christus Onze Heer hoont, wij onze tijd doorbrengen met geweeklaag over onze innerlijke kwalen, onze persoonlijke beproevingen enz. We beperken ons tot onszelf terwijl we onze wereld juist zouden kunnen vergroten door God te omhelzen en heiligen te worden die zijn zaak dienen met onze zelfverloochening en onze opoffering. Sla die vleugels eens goed uit en laten we ons met de hulp van zijn genade verheffen, laten we de aarde verlaten, laten we vooral onszelf verlaten en laten we alleen nog Jezus zien!»
In november 1883 heeft Moeder Maria van Jezus een hulptuinman, Louis Chave, éénentwintig jaar, in dienst genomen om hem uit de ellende te halen. Maar weldra betoont hij zich lui, onbeleefd, veeleisend en bovendien knoopt hij betrekkingen aan met de anarchisten. Op 27 februari 1884, Aswoensdag, verbergt hij zich in het park van «La Servianne», op een plek waar de zusters voorbij zullen komen tijdens de recreatie. Hij komt plotseling te voorschijn en terwijl de Overste een vriendelijk woord tot hem richt, grijpt hij haar bij het hoofd en schiet twee maal van vlak bij met een revolver. Haar hoofdslagader wordt geraakt en Moeder Maria van Jezus stort in elkaar terwijl ze mompelt: «Ik vergeef het hem«voor het Werk!» Kort daarop sterft ze.
Bijgezet in de grafkelder van de familie en vervolgens overgebracht naar Berchem in 1889, werd haar lijk opnieuw opgegraven op 4 maart 1989 met het oog op de zaligverklaring. Het blijkt intact en soepel te zijn gebleven. De Congregatie van de Zusters van het Hart van Jezus telt tegenwoordig kloosters in Frankrijk, België, Zwitserland, Oostenrijk, Italië en een stichting in Kroatië. Na de dood van de stichteres heeft de uitstraling van de communauteit geleid tot de oprichting van de «Vereniging van de Slachtoffers-Zielen» die duizenden leden heeft geteld waaronder de heiligen Pius X en Maximiliaan Kolbe, de gelukzaligen Charles de Foucauld, Columba Marmion, Edouard Poppe en Marie-Joseph Cassant. Tijdens de zaligverklaring van Marie Deluil-Martiny op 22 oktober 1989 heeft Paus Johannes Paulus II haar geestelijke levensweg aldus samengevat: «Ze was heel jong geroerd door de wonden die de liefde van Jezus werden toegebracht en door het feit dat de maatschappij zich zo veelvuldig God ontzegde. Tezelfdertijd ontdekte ze de grootheid van de gave van Jezus aan de Vader voor de redding van de mensen, de rijkdom van liefde die uit zijn hart straalt, de vruchtbaarheid van het bloed en het water die uit zijn open zijde vloeien. Zij was ervan overtuigd dat we moeten delen in het verlossende lijden van de Gekruisigde in een geest van genoegdoening voor de zonden van de wereld».
Moge het ons worden gegeven ons voor het heil van de wereld te verenigen met het Offer van verlossing van Jezus, met Maria aan de voet van het kruis aanwezig.







