Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
14 september 2017
feest van Kruisverheffing


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

Tijdens een Kruisweg die hij liep met jongeren in Rio de Janeiro (Brazilië), op 26 juli 2013, benadrukte Paus Franciscus het volgende : « In het kruis van Christus ligt al de liefde van God, zijn onmetelijke barmhartigheid, besloten. En die liefde is er een waarop we kunnen vertrouwen, waarin we kunnen geloven… Laten we vertrouwen hebben in Jezus en laten we ons helemaal op Hem verlaten, want Hij stelt nooit iemand teleur ! Alleen in de gestorven en weder-opgestane Christus vinden we Heil en Verlossing ».

Het Kruis van Christus is het groot mysterie geweest dat werd gepreekt door de zalige Frédéric Janssoone, een groot apostel van de XIXe eeuw wiens geloofsijver drie werelddelen heeft beslagen. Geboren op 19 november 1838 in Ghyvelde, Vlaams dorp dichtbij Duinkerken, in het uiterste noorden van Frankrijk, met als vader Pierre-Antoine, eenvoudige landbouwer, die de kwaliteiten van de Vlamingen bezit : waardering voor goed gedaan werk, familiezin, een eenvoudig maar sterk geloof. Zijn moeder, Marie-Isabelle, uitstekende echtgenote en verstandige moeder van het gezin, die dertien kinderen het licht zal doen zien, afkomstig uit twee opeenvolgende huwelijken, is een fervent christen ; zij wijdt al haar kinderen toe aan de Heilige Maagd en verlangt er vurig naar dat haar zonen priesters mogen worden. In dit harmonieuze huisgezin bidt men gezamenlijk ; men bidt de rozenkrans waarbij de mysteries van het leven Jezus worden overpeinsd (in ieder “Weesgegroet“ wordt het mysterie dat men overpeinst geïntegreerd). Frédéric zal vertellen hoe, op een dag, de vier jongste kinderen, nadat ze passages uit het leven van de woestijnvaders hadden gehoord, besluiten kluizenaar te worden en verdwijnen ; ‘s avonds worden ze teruggevonden, in gebed achter een hooimijt ! De familie Janssoone staat bekend om haar liefde voor de armen, die in het huisgezin kost en inwoning krijgen. De aartsbisschop van Cambrai die de familie ontmoet heeft tijdens een herderlijk bezoek, zal het volgende over de familie zeggen : « Nee, ik dacht niet dat er tegenwoordig nog zulke christelijke families konden bestaan. »

Getroffen door maagkanker verlaat Pierre-Antoine Janssoone deze wereld in 1848 en fluistert de zijnen toe : « Moge de Goede God u bewaren ! » Frédéric is pas tien jaar oud, hij is de beste van de klas op de lagere school, en vertrouwt zijn moeder zijn wens om priester te worden toe. De oudste van het gezin, Pierre, is pas naar het groot seminarie gegaan. De studie is duur maar Marie-Isabelle aarzelt niet : ze zullen de nodige offers brengen zodat die droom waarheid kan worden. Frédéric begint als briljante leerling op de middelbare school ; maar weldra wordt zijn moeder, ten gevolge van ongelukkige beleggingen, ziek. Frédéric moet het college verlaten om werk te gaan zoeken ; zijn broer Pierre heeft het seminarie eveneens verlaten om gezondheidsredenen. De twee broers treden in dienst in Estaires, bij een lakenhandelaar. Frédéric begint bescheiden als loopjongen. Zijn bekwaamheid levert hem snel loonsverhoging op. Eerst als bediende en daarna als vennoot van de zoon van zijn werkgever, kan hij de toekomst rooskleurig inzien, en zelfs dromen van een huwelijk met de dochter van zijn baas.

Onder de franciscaner monnikspij

Het overlijden van zijn moeder, in 1861, brengt hem ertoe tegelijk met zijn werk zijn studie te hervatten. Mevrouw Janssoone nam naar de hemel haar nog altijd levende wens mee dat een of meerdere zonen priester zouden worden (een van haar dochters is reeds religieuze). Pierre zal toetreden tot de Missions Etrangères en zal tweeënveertig jaar lang een apostolaat uitoefenen in India, waar hij in de geur van heiligheid zal sterven in 1912. Een andere zoon, Henri, toegelaten tot de Franciscanen, zal in 1867 omkomen door verdrinking. Wat Frédéric betreft, die dacht niet meer aan zijn roeping ; maar de dood van zijn moeder, over wie hij hoort dat zij haar leven aan Onze-Lieve-Heer had gegeven, maakt het voornemen zich geheel aan God te wijden weer actueel. Hij klopt aan op de poort van de cisterciënzer abdij op de Catsberg, maar vader abt, onthutst over zijn wereldse manieren, verwijst hem naar La Trappe. Frédéric neemt dan een kijkje bij de Franciscanen. In juni 1864 treedt hij in het klooster van Amiens in en ontvangt er meteen het bruin kloosterhabijt. Het leven in het noviciaat is sober, de winterkoude streng en de armoede de realiteit. Nadat hij een periode van twijfels over zijn roeping te boven is gekomen, legt hij op 18 juli 1865 zijn geloften af. Hij begint met zijn studie in Limoges en zet die voort in Bourges, waar hij in 1870 op tweeëndertigjarige leeftijd tot priester wordt gewijd.

Frankrijk heeft zojuist de oorlog verklaard aan Pruisen. Pater Frédéric wordt gemobiliseerd als aalmoezenier van een militair hospitaal dat in het klooster Dames du Sacré-Cœur in Bourges is gevestigd ; daar helpt hij talrijke gewonde of met tyfus besmette soldaten zich met de Heer te verzoenen. Vanaf het eind van de vijandelijkheden, in 1871, wordt hij naar Bordeaux gestuurd, naar een onlangs gesticht klooster waarvan hij weldra de overste wordt. Hij munt uit in de organisatie van veelomvattende religieuze evenementen ; op 2 augustus, met name, dag van de aflaat van de Portioncule die wordt toegekend aan gelovigen die een godvruchtig bezoek brengen aan een franciscaner kerk (de Portioncule, in Assisi, is de plek op aarde waarvan heilige Franciscus het meeste hield, want in die kleine kapel had hij de verzekering gekregen dat zijn zonden hem waren vergeven), brengt hij 25.000 mensen bijeen rond het heiligdom van Notre-Dame des Anges. Tot aan zijn dood zal pater Frédéric van het feest van de 2e augustus een groot heilsevenement maken. Maar hij is niet in de wieg gelegd voor de functie van overste en vanaf 1873 wordt hij van deze zware last bevrijd en verbindt zich tot het preken van missies in de parochie. Deze “missies in eigen land“ hebben een “nieuwe evangelisatie“ tot doel, van christenen die geneigd zijn hun godsdienstige plichten te vergeten. In 1876 solliciteert en krijgt de pater zijn uitzending naar het Heilige Land voor zes jaar. Sinds 1342 vertrouwt de Kerk de Franciscanen de “custodia“, dat wil zeggen de missie om de door het leven en het Lijden van Christus geheiligde plaatsen te beschermen en er de bedevaartgangers te verwelkomen. 6.000 Franciscanen zijn elkaar opgevolgd in Palestina en 2.000 hebben het Heilige Land besprenkeld met hun bloed. Wanneer hij in Jeruzalem is aangekomen begint pater Frédéric met een lange retraite van vier maanden in het klooster van het Heilig Graf, op de plek zelf waar Jezus is begraven en vanwaar Hij is verrezen.

Man van vrede

In 1878 wordt hij benoemd tot custodiaal vicaris, dat wil zeggen eerste assistent van de Custos superieur van de Franciscanen van het Heilig Land). De vicaris moet drie functies uitoefenen : een diplomatieke tegenover Frankrijk, die van Penitentiaris, dat wil zeggen de verantwoordelijkheid voor de geestelijke begeleiding van de Franstalige gemeenschappen, en een administratieve die de bouw en het onde-r-houd van de kloosters en katholieke kerken omvat. In die hoedanigheid laat pater Frédéric de kerk van H.Catharina van Bethlehem bouwen, heiligdom dat was bedoeld als compensatie voor het verlies van de basiliek van Christus’ Geboorte die sinds de XVIIIe eeuw bezet werd door de Orthodoxen. Die kerk is voltooid in 1882, na mœizame onderhandelingen met de orthodoxe bisschop, de Turkse Pacha en de Franse consul. Pater Frédéric zal eveneens de Verlosserkerk in Jeruzalem bouwen.

In 1881 verordent de Franse antiklerikale regering verbanning van de 5.000 religieuzen die tot de niet toegestane congregaties behoren. Deze maatregel brengt een harde klap toe aan de door Frankrijk ondersteunde katholieke missies. In de maand augustus van dat jaar gaat pater Frédéric scheep naar Canada om er te preken ten gunste van de missies in het Heilig Land. Ten prooi gevallen aan de Canadese kou wordt hij ernstig ziek. Als hij weer beter is reist hij in juni 1882 naar Palestina. Dan moet hij de soms bloedige geschillen sussen die de christenen van verschillende geloven verdeeld houden (Katholieken, en in verschillende nationale Patriarchaten verdeelde Orthodoxen) over het gebruik van de basilieken van het Heilig Graf in Jeruzalem, en die van de Geboorte in Bethlehem. In breed overleg met de vertegenwoordigers van de verschillende kerken, doet pater Frédréric zijn best om de tot dan toe slechts mondelinge reglementen op schrift te laten stellen. Daarvoor bestudeert hij nauwgezet, dag en nacht, met de hulp van een Broeder, de gewoonten die in de heiligdommen in gebruik zijn en schrijft twee werken van 500 en 300 bladzijden die respectievelijk aan de gewoonten in de basilieken van het Heilig Graf en in die van Bethlehem zijn gewijd. Deze reglementen zijn vandaag nog normgevend. In de loop van zijn talrijke rondreizen door het Heilig Land verwerft pater Frédéric uitstekende kennis van de ge-schiedenis van de Heilige Plaatsen. Hij zorgt voor de katholieke bedevaartgangers die tijdens hun verblijf logeren in het tamelijk grove en oncomfortabele land dat Palestina destijds was. Voor hen laat hij het Gastenverblijf Notre-Dame de France bouwen en organiseert er retraites. In 1884 ontvangt hij er zijn eigen broer en missionaris.

Een weg van compassie

Vanaf de XIVe eeuw hebben de Franciscanen van het Heilig Land de gewoonte aangenomen met de bedevaartgangers vrijdags de “Via Dolorosa“ af te lopen – de door Jezus-Christus gevolgde weg van zijn Lijden vanaf het pretorium van Pilatus tot aan Golgotha en het Heilig Graf – om juist daar te bidden waar de Heer heeft geleden en zijn leven gegeven. Dit is de oorsprong van de devotie voor de Kruisweg die ongeveer overal in de christelijke wereld door de Franciscanen is gepropageerd. Het aantal staties van deze Weg zal in de XVIIe eeuw worden vastgesteld op veertien. In de eerste helft van de XVIIIe eeuw heeft heilige Leonardo da Porto Maurizio, Italiaanse Franciscaan, zich onderscheiden als een van de grote bevorderaars van deze devotie. Vanaf 1878 herstelt pater Janssoone op discrete wijze deze devotie in Jeruzalem ; weldra verkrijgt hij van het Ottomaans politiek gezag het voorrecht op Goede Vrijdag plechtig in het openbaar te mogen preken. Zijn prediking wordt door talloze bedevaartgangers beschouwd als het hoogtepunt van hun bedevaart. Sinds die tijd lopen de Franciscanen iedere week voorop tijdens de Kruisweg in de oude stad van Jeruzalem, op de “Via Dolorosa“.

Tegelijk met het toegankelijk maken van de geestelijke schat – van de oneindig grote verdiensten van de Verlosser en van de overvloedige verdiensten van de H. Maagd en de heiligen – waarvan de Kerk de hoedster is, kent de Kerk een volledige aflaat toe aan iedere gelovige die de vrome uitvoering van de Kruisweg volbrengt (ofwel, indien daartoe verhinderd, zich verbindt met die van de Heilige Vader, per televisie of radio uitgezonden, of een kwartier het Lijden van Christus overpeinst). De Kruisweg is een weg van compassie met de smarten van Christus, en nog meer een weg van bekering die erkenning inhoudt van begane zonden, de diepere oorzaak van de smarten en de dood van Jezus aan het Kruis, en de vraag om vergeving aan God zijn Vader. Hierin staan twee belangrijke componenten centraal : overpeinzing van de Lijdens-taferelen en daarmee samenhangend : in ons dagelijks leven in de voetstappen treden van Christus, in navolging van de H. Maagd. De traditie leert ons inderdaad dat Maria de eerste was die de door haar Zoon afgelegde weg tot aan de Calvarieberg heeft afgelegd. Iedere van de veertien staties omvat een overpeinzing van een moment van de Via Dolorosa (niet altijd vermeld in het Evangelie, zoals de ontmoeting met heilige Veronica), gecompleteerd met een gebed en het zingen van een strofe van de Stabat Mater of een ander geschikt kerklied.

Ontstaan van een heiligdom

Naar Canada geroepen door talrijke priesters die zijn eerste verblijf niet zijn vergeten, ontvangt pater Frédéric in april 1888 per pauselijke brief de obediëntie van Commissaris van het Heilig Land in Canada. Zijn opdracht bestaat erin de nodige fondsen bijeen te brengen voor het behoud en de betere functionering van de Heilige Plaatsen van Palestina. Daarvoor zal hij preken, aalmoezen vragen en talloze bedevaarten organiseren. Pater Frédéric is nauwelijks aangekomen in Trois-Rivières, een stad tussen Montréal en Québec, of hij wordt al uitgenodigd om te preken tijdens de toewijding aan Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans van een in 1720 in Cap de la Madeleine gebouwd kerkje, op de oever van de rivier Saint-Laurent. Op 22 juni 1888 onthult hij in deze kerk een beeld van de H. Maagd van de Wonderdadige Medaille en voorspelt dat “Onze-Lieve-Vrouw van de Cap“ het voornaamste Mariaheiligdom zal worden in Canada. ‘s Avonds tegen zevenen gaan drie mannen de kerk binnen om er te bidden : pater Frédéric, abt Désilets, de plaatselijke pastoor, en Pierre Lacroix, een gehandicapte man. Zij zien het beeld plotseling grote ogen opzetten terwijl die anders neergeslagen zijn. De H. Maagd kijkt recht voor zich uit, met een uitdrukking van strengheid vermengd met droefheid. Dat wonder duurt vijf à tien minuten. Vanaf die dag zal pater Frédéric de onvermœibare apostel van het bedevaartsoord van Onze-Lieve-Vrouw van de Cap zijn, dat hij overal in de loop van zijn omzwervingen en middels het tijdschrift “Les Annales du Très Saint Rosaire“ bekend zal maken. De grœiende toestroom aan bedevaartgangers zal in 1897 de aanleg van een kade in diep water, vervolgens de bouw van een vertakking van de spoorweg naar het heiligdom rechtvaardigen. In 1902 zal pater Frédéric die al voor zoveel dingen wordt gevraagd het heiligdom toevertrouwen aan de Oblaten van Maria Onbevlekt Ontvangen ; twee jaar later zal de Heilige Stoel het beeld van Onze-Lieve- Vrouw van de Cap het kroningsprivilege toekennen. Tijdens de plechtigheid valt pater Frédéric de eer te beurt de kroon te dragen die de bisschop op het hoofd van het beeld zal plaatsen, als teken van het geestelijk koningschap van Maria. Vanaf 1955 zullen de Oblaten om te beantwoorden aan de devotie van de gelovigen naast het “kerkje“ een indrukwekkende basiliek bouwen die in 1964 klaar is.

Maar het apostolaat van pater Frédéric in Québec, waar hij achtentwintig jaar doorbrengt, strekt zich over veel andere terreinen uit. Hij zet zich met hart en ziel in voor zijn nieuw vaderland als preekheer, rondtrekkende missionaris en journalist. Hij verkondigt in de ene na de andere parochie, de grote geloofswaarheden, met name de vier uitersten van de mens (dood, oordeel, hemel, hel) waarover de zalige Paulus VI zal zeggen : « Eén van de grondbeginselen van het christelijk leven is dat het moet worden beleefd gericht op de toekomstige en eeuwige eschatologische bestemming. Ja, we leven niet geheel zonder reden. En wat beluisteren we bij de profetische H. Paulus : Bewerk uw redding met eerbied en ontzag (Fil 2, 12). De ernst en het onzekere van ons uiteindelijke lot zijn altijd een onuitputtelijk onderwerp van overdenking en een onvergelijkelijke bron van kracht voor de moraal geweest en ook voor de heiligheid van het christelijk leven » (28 april 1971). Dezelfde Paus zal nog opmerken : « Er wordt maar zelden en dan nog weinig gesproken over de uitersten, zei paus Paulus VI. Maar het Concilie herinnert ons aan de plechtige eschatologische waarheden die ons aangaan, met inbegrip van de verschrikkelijke waarheid van een mogelijke eeuwige straf die we de hel noemen waarvan Christus onomwonden gewag maakt (cf. Mat 22,13 ; 25,41. Constitutio Lumen Gentium, 48) » (8 september 1971). Gegrepen door de eenvoudige en krachtige welbespraaktheid van pater Frédéric, vragen talloze gelovigen hun zonden te mogen biechten. Daarvoor wordt hij begeleid door een “leger“ van priesters ; wat betreft de verbazingwekkende gunsten die worden verkregen door de mensen die zijn gebed inroepen, die schrijft de pater toe aan de bemiddeling van Onze-Lieve-Vrouw van de Cap en aan de relikwieën die hij heeft meegebracht uit het Heilig Land.

Vruchtbare trajecten

Als echte Franciscaan neemt pater Frédéric de armoede in haar striktste vorm in acht die niet alleen het overbodige uitsluit, maar zelfs het nodige maar met mondjesmaat toelaat. Als bedelaar gaan er grote sommen geld door zijn handen ; maar zijn kleding, zijn voedsel, zijn meubilering, alles in hem geeft blijk van de grootste onthechting. Als rondreizend missionaris legt hij zichzelf een levensritme op dat menige robuustere natuur dan de zijne zou hebben uitgeput. De dringende spoed waarmee de zielen worden geëvangeliseerd om ze te redden van de teloorgang is voor hem vanzelfsprekend. De woorden van heilige Paulus vinden hun weerklank in zijn hart : Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig !… De liefde van Christus laat ons geen rust (1Kor 9,16 ; 2Kor 5,14). Hij laat dan ook geen gelegenheid voorbijgaan om in Sainte-Anne de Beaupré en in de oratoriumkerk Saint-Joseph, werk van de heilige Broeder André in Montréal, te preken. Hij profiteert van de trajecten per boot over de Saint-Laurent (vierentwintig uur van Trois-Rivières naar Montréal, en zesendertig uur van Trois-Rivières naar Beaupré in de buurt van Québec) om voor de passagiers te preken. Een getuige heeft hem vier uur aan één stuk horen praten zonder dat iemand een teken van vermœidheid vertoonde. Pater Frédéric laat ook drie Kruiswegen aanleggen om deze devotie in Canada te ontwikkelen.

Op Goede Vrijdag 2005, een paar dagen voor de dood van heilige Johannes Paulus II, preekte kardinaal Ratzinger in het Colisseum de Kruisweg. Ter inleiding legde hij aldus de zin van deze devotie uit : « Het Kruisweggesprek kunnen we begrijpen als een route die leidt naar diepe geestelijke eenwording met Jezus, zonder welke de sacramentele eenwording zinloos zou blijven. Tegen deze visie verzet zich een zuiver gevoelsmatige interpretatie van de Kruisweg, een gevaar waarvoor de Heer de vrouwen van Jeruzalem waarschuwt die om hem huilen. Het gevoel alleen is niet voldoende ; de Kruisweg moet een geloofsschool zijn, school van het geloof, die door haar aard te werk gaat uit liefde. Dat betekent echter niet dat het gevoel uitgebannen moet worden… De Kruisweg laat ons een God zien die zelf deelt in het lijden van de mensen, tot de dood aan het kruis toe. De God die in ons lijden deelt, de mens geworden God die ons kruis wil dragen, ons hart van steen wil omvormen en ons aansporen in het lijden van de medemens te delen. Hij laat zich daarentegen raken en leidt ons naar de liefde die geneest en hulp biedt… Dat verklaart de zin die hij in H. Matteüs uitspreekt : Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen (Mt16,24). Met die woorden biedt hij zelf de uitleg van de Kruisweg, hij leert ons hoe wij moeten bidden en hem volgen : de Kruisweg is de weg van de zelfverloochening, dat wil zeggen de weg van de waarachtige liefde. Op die weg is hij ons voorgegaan.

« Op Goede Vrijdag 2013 merkte Paus Franciscus op dat de Kruisweg ons helpt een keuze voor (of tegen) Jezus te maken : « Het Kruis is ook een oordeel : God oordeelt ons terwijl hij ons liefheeft. Als ik zijn liefde toelaat ben ik gered, als ik die weiger ben ik veroordeeld, niet door Hem, maar door mijzelf, want God veroordeelt niet, Hij doet niet anders dan liefhebben en redden » (29 maart 2013).

Huis-aan-huisverkoop

Pater Frédéric gebruikt alle middelen die tot zijn beschikking staan om de publieke opinie met het Goede Nieuws in aanraking te brengen. Tot het eind van zijn leven gaat hij ook onvermœibaar van “deur tot deur“ om donaties te halen, vrome boeken te verkopen en vooral om het Woord Gods naar de zielen te brengen. Op tweeënzeventigjarige leeftijd brengt hij nog een hele maand door met die “huis-aan-huisverkoop“ en dat twaalf uur per dag. ‘s Nachts offert hij slaap op die hij toch nodig heeft, om zich aan zijn schrijversapostolaat te wijden. In een eenvoudige populaire stijl publiceert hij talloze artikelen en vlugschriften, met name een levensbeschrijving van Onze Heer Jezus Christus en een levensbeschrijving van H. Franciscus die in die tijd bestsellers worden in Canada.Maar zijn lievelingsboek is “De hemel, verblijf der uitverkorenen“

Hoewel hij de mensen goed om de tuin kon leiden met zijn verve en zijn uitzonderlijk uithoudingsvermogen, blijft pater Frédéric zwak van gezondheid. Aan een goede vriend vertrouwt hij toe dat hij aan voortdurende maagpijn lijdt, die hem bijna belet zichzelf te voeden. Het apostolisch werk is voor hem rust : hij beëindigt werk in de parochie altijd in betere vorm dan hij ermee is begonnen. In 1916 stort hij echter in tijdens een bedevaarttocht ; er wordt dan maagkanker in vergevorderd stadium geconstateerd. Tijdens de vijftig dagen durende ziekenhuisopname in Montréal waar hij wordt overvallen door aanvechtingen tot wanhoop en andere duivelse plagen, wordt hij gesterkt met het sacrament van het Heilig Oliesel dat, zoals de Catechismus van de Katholieke Kerk het uitlegt, « wapent tegen de bekoringen van de duivel, een bekoring van ontmoediging en angst voor de dood » (CKK 1520). Pater Frédéric overlijdt op 4 augustus 1916 ; zijn graf bevindt zich in Trois-Rivières, in de kerk van de Franciscanen. Heilige Johannes Paulus II heeft hem zaligverklaard op 25 september 1988.

Laten wij deze gedreven apostel van het Kruis vragen ons te helpen te begrijpen hoe waar de woorden zijn van Paus Franciscus, van 26 juli 2013 : « Wat heeft het Kruis achtergelaten in hen die het gezien hebben en hen die het hebben aangeraakt ? Wat laat het Kruis in ieder van ons achter ? Het laat het goed na dat niemand ons kan geven : de zekerheid van Gods trouwe liefde voor ons ! »

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij https://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2020 Traditions Monastiques